Nederlands landenpaviljoen op 61e Biënnale Venetië: Preview van Dries Verhoevens project ‘The Fortress’

Schermafbeelding van Engelstalige plaquette op Rietveldpaviljoen bij Dries Verhoevens project The Fortress tijdens 61e Biënnale Venetië.

Op 1 april 2026 was er in Theater Utrecht een preview van het project The Fortress waar theatermaker Dries Verhoeven op de 61e Biënnale van Venetië dit jaar Nederland mee vertegenwoordigt in het Nederlandse landenpaviljoen van Gerrit Rietveld dat uit 1954 dateert. Samen met Rieke Vos die conservator Hedendaagse Kunst van Teylers Museum is.

Verhoeven zegt op zijn eigen site: ‘The Fortress, een kunstwerk dat de tegenstrijdigheden van de Biënnale zelf als uitgangspunt neemt. De Giardini della Biennale, met haar dertig landenpaviljoens, belichaamt volgens Verhoeven en Vos een wereldorde uit vervlogen tijden waarin voormalige westerse grootmachten nog steeds een centrale positie innemen. Landen die in werkelijkheid hun grenzen optrekken en zich herbewapenen, staan hier gebroederlijk met open deuren naast elkaar. De Giardini is daarmee een plek van nostalgisch wensdenken – het park houdt het beeld van een verlichte traditie en een hoopvolle gezamenlijke toekomst in stand. We zien hier niet de wereld, maar vooral de wereld zoals we ooit dachten dat die was.’

Verhoeven neemt het Rietveldpaviljoen als gebouw en uiting van het modernisme als uitgangspunt voor zijn voorstelling. Met het neoliberalisme als stoorzender. Zonder er kunstwerken aan toe te voegen. Met als hamvraag wat dat optimisme van zo’n 70 jaar geleden ons nog te vertellen heeft. Ongeveer maximaal 120 bezoekers ervaren tijdens een voorstelling van 25 minuten dat het gebouw met stalen rolluiken langzaam verduisterd wordt. En het gebouw in zichzelf verkeert.

De bedoeling is dat bezoekers ook (even) op zichzelf teruggeworpen worden. Daartoe aangespoord door acteurs en stemkunstenaars die in de donkerte optreden en de hedendaagse ontreddering symboliseren. Wie het werk van Verhoeven kent zal zich voor kunnen stellen hoe dat ongeveer gaat. Met pathos, scherpte, onverwachte wendingen en maatschappijkritiek door verschoppelingen een rol te geven.

Het werd een onderhoudende voorvertoning met Verhoeven en Vos plus twee auteurs van een begeleidende publicatie Bas Heijne en Maurits de Bruijn, en creatief directeur van Theater Utrecht Anne Breure als vaardig moderator.

Preview The Fortress in Theater Utrecht, 1 april 2026. Met van links naar rechts, Anne Breure, Dries Verhoeven, Rieke Vos, Bas Heijne en Maurits de Bruijn. Eigen foto.

De zaal met een vlakke vloer waarop de vijf spelers zaten plus de toeschouwers op een tribune verbeeldden de uiterlijkheden van een reguliere toneelvoorstelling met als Pirandelliaans thema ‘Vijf spelers op zoek naar positionering‘. Hoe ze dat voor zichzelf, elkaar en de toeschouwers verantwoordden was het verbindende thema van de avond. Dat gaf er spanning en schwung aan.

Verhoeven was de ster van de voorvertoning. Hij schitterde met elegantie, originaliteit, verbale souplesse en gaf de indruk de situatie volledig meester te zijn. Van zijn project, ideeën, dramaturgie en in interactie met de ander. Dat reduceerde onopzettelijk de rol van Rieke Vos. Het traditionele format van kunstenaar + curator waarmee het Mondriaan Fonds werkt lijkt niet helemaal te passen op theatermaker en regisseur Verhoeven die zijn eigen curator is.

Verhoeven werd in januari 2025 uit vier kandidaten geselecteerd uit een door het Mondriaan Fonds opgestelde shortlist. Om de twee jaar kiest een commissie van het Mondriaan Fonds een kandidaat. Gevolmachtigde (commissioner) van het project is Eelco van der Lingen die tot 1 februari 2026 directeur van het Mondriaan Fonds was.

Hij trapte de avond af in gesprek met Breure door vanuit het belang van zijn vorige functie achtergronden over de Biënnale te geven. Van der Lingen zette tevens de toon van de avond door de Biënnale een ‘probleemplatform‘ te noemen. Mede door de landenpaviljoens van de Russische Federatie, Israël, Iran en de VS. Daar zou men die van China, El Salvador en vele democratisch afglijdende landen aan toe kunnen voegen. Die kwalificatie werd probleemloos door de anderen overgenomen en werd het terugkerende thema van de avond dat ook als een soort ideologisch pantser diende.

Heijne en De Bruijn gingen in hun bijdragen (fragmenten uit de publicatie) in op het einde van het modernistisch vooruitgangsdenken. Heijne legde het accent op het individu die door Amerikaanse techbedrijven gekoloniseerd is en in een digitale ruimte om zich heen slaat zonder nog baas over het eigen lot te zijn. De Bruijn sprak zich politiek-filosofisch uit over het donker dat het licht en de Verlichting bedreigt. Hij vertelde dat bij lezingen of debatavonden toeschouwers bij hem uitkomen in de hoop op hoop door hem vragen of er nog een sprankje licht is. Hij zei het niet te zien. Beide heren zaten op één lijn, maar dat werd door Heijne meer benadrukt dan door De Bruijn.

De abstrahering van het kwaad zoals zich dat zou manifesteren in het ‘probleemplatform‘ van de Biënnale vond ik een aspect van het debat dat met zichzelf op de loop ging. Daar was overeenstemming over en geen debat, zodat het niet onderbouwd werd. Er werd gezegd dat het kwaad wordt vertegenwoordigd door Mark Zuckerberg, Poetin, Trump, Netanyahu en andere onbereikbare bestuurders van de wereld. Dat is onmiskenbaar zo, en baart zorgen, maar verklaart nog niet waarom de Biënnale van Venetië op dit moment dat spoor volgt.

Dat heeft niet zozeer met doemdenken te maken waar Heijne in zijn bijdrage over vertelde dat hij daar van beschuldigd werd, maar met gebrek aan detaillering. Op politiek niveau is in de regio Veneto (met Luca Zaia van Lega) waar Venetië in is gelegen en bij de organisatie van de Biënnale radicaal-rechts aan de macht. Met de voorzitter van de Biënnale Pietrangelo Buttafuoco als rechtse houwdegen onder wiens leiding de sancties tegen de Russische Federatie werden beëindigd en Israël niet werd gecanceld. Maar hiermee kwam de organisatie van de Biënnale wel in aanvaring met de rechtse regering Meloni.

Men kan zeggen dat de Biennale een ‘probleemplatform‘ is, maar de indruk die Van der Lingen en de spelers gaven was dat het een monolithisch kwaad is zonder innerlijke tegenstellingen en oppositie. Zonder een sprankje hoop op beter. Zo maakt goedbedoelde abstrahering die de duisternis als zinnebeeld ziet en niet op zoek gaat naar verschillen en nuances het loodzwaar. Terwijl dát toch niet de bedoeling kan zijn van de speelse en verbeeldingsrijke Verhoeven.

The Fortress belooft een atypische Nederlandse presentatie te worden omdat Verhoeven met zijn project op meta-niveau de Biënnale becommentarieert. De selectie van Verhoevens project lijkt perfect te passen in de tijdgeest van een verwarrend Europees publiek dat zich moet verhouden tot oorlogen in Oekraïne en het Midden-Oosten én uitermate tevreden met zichzelf in de eigen creatieve bubbel verkeert en op een terras Aperol Spritz moet kunnen blijven drinken. Het is de vraag hoe dat ontvangen en begrepen gaat worden. Daar kon Verhoeven uiteraard nog geen antwoord op geven.

BBB: negativisme en tegenstrijdigheid

Schermafbeelding van deel artikel ‘BBB stapt in Europarlement over naar rechtsere partijgroep Meloni’ op msn.com, maart 2026.

Er valt geen touw vast te knopen aan de koers van BBB. Die valt samen te vatten als tegenstrijdig en onbegrijpelijk. Terwijl nationaal de partij niet voor Mona Keijzer koos die de partij naar rechts wilde sturen en uiteindelijk uit de partij stapte, kiest de partij Europees voor verrechtsing. In het Europarlement stapt BBB met twee leden over van de centrum-rechtse fractie van de christen-democratische EVP naar de radicaal-rechtse fractie Europese Conservatieven en Hervormers met de Italiaanse premier Meloni.

In de Eerste kamer zegt het BBB-kamerlid Robert van Gasteren zijn partijlidmaatschap op wegens ‘gebrek aan professionaliteit‘. Hij wilde lid van de fractie blijven, maar die vond dat geen gewenste constructie. Van Gasteren wordt uit de fractie gezet en gaat als onafhankelijk lid verder. BBB heeft in de Eerste Kamer al vijf van de zestien leden verloren die overstapten naar een andere partij of zoals Van Gasteren en Pim Walenkamp als onafhankelijk lid verder gaan.

Zo neemt mede door BBB de fragmentatie van de politiek in Eerste en Tweede Kamer toe. De partij wordt gesteund door de agro-industrie en heeft de opzet om op de rem van hervormingen van de landbouwsector te staan. Die zouden volgens BBB tegen het belang van individuele boeren ingaan. Maar per saldo staat BBB voor de agro-industrie en de intensieve landbouw waarbij maximale opbrengst boven kwaliteit en duurzaamheid gaat.

Blijkbaar is negativisme om beleid te blokkeren niet genoeg voor steeds meer BBB-kaderleden. Met als complicatie dat twee soorten negativisme (tegen landbouwhervormingen of tegen migratie) binnen de partij om voorrang vechten. Waarbij de financiering van en productsubsidie aan de partij die niet in de openbaarheid komt op de achtergrond de koers bepalen en besluiten er nog ondoorzichtiger op maken.

BBB met de teruggetreden partijleider Caroline van der Plas en de weinig charismatische Henk Vermeer als nieuwe partijleider is een rechtse partij die piekte om daarna electoraal weg te zakken in verdeeldheid, tegenstrijdigheid en overbodigheid. Nederlandse boeren en burgers hebben niks aan de instabiliteit en het negativisme van BBB dat begon als marketingproject van de agro-industrie maar daar geen goed vervolg op kon geven. Het uitgangspunt leert dat zelfs marketing een slecht product niet kan redden.

Trump heeft op dit moment alleen slechte opties in de oorlog tegen Iran

Het is duidelijk en verstandig waarom president Trump niet zegt wat zijn volgende stap in de oorlog tegen Iran zal zijn. Want op dit moment heeft hij alleen slechte opties. Hij is aan de verleende hand. Trump moet daarom wachten op een goede gelegenheid om in actie te komen en de kansen te laten keren. Diplomatiek of militair.

In elk geval zal de dreiging om het belangrijk olie-eiland Kharg in te nemen weinig indruk maken op het Iraanse leiderschap. Het weet dat de VS luchtlandingstroepen naar de regio heeft verplaatst om het in te nemen, maar te weinig of niet de juiste troepen om dat vervolgens te stabiliseren.

Trumps dreigen lijkt daarom vooral bedoeld om onzekerheid te zaaien over het vervolg, en de publieke opinie in eigen land en NAVO te laten zien dat hij niet terugdeinst. NAVO-lidstaten hebben gelijk dat ze niet geraadpleegd zijn door de VS en Israël over de oorlog, maar hebben ongelijk dat het hun oorlog niet is. In de marge voert Israël een eigen oorlog in Libanon die dat land destabiliseert.

Met oplopende prijzen voor olie en gas en de ontwrichting die dat voor hun economieën betekent zijn ook Europese landen gebaat bij een snel einde aan de oorlog. De EU moet vooral diplomatiek aan de bak met ‘middenmachten’ als Canada, Australië, Japan, Zuid-Korea en het Verenigd Koninkrijk om de puinzooi die Netanyahu en Trump ervan gemaakt hebben te helpen opruimen.

Voorlopig breidt de oorlog met Iran zich alleen nog maar verder uit. Oekraïne aan de kant van de Golfstaten en de VS, en de Russische Federatie aan de kant van Iran mengen zich erin. Sommigen spreken al van een Derde Wereldoorlog die uitgebroken is. Omdat deskundigen verschillende normen voor een wereldoorlog hanteren is het onduidelijk of dat klopt.

Wel is duidelijk dat de effecten van de oorlog de hele wereld raken. Israël en de VS kunnen Iran militair verslagen hebben, maar geopolitiek en economisch delven ze voorlopig het onderspit.

De logica lijkt dan ook dat om Iran te verslaan of tot een wapenstilstand te komen ze niet hun militaire acties moeten verhevigen, maar Iran politiek of economisch direct aan moeten pakken. Dan lijkt een inname van Kharg een begrijpelijke stap omdat Iran door oplopende energieprijzen -samen met de Russische Federatie- profiteert van de oorlog en meer verdient aan de verkoop van energie dan voor de oorlog.

Art Rotterdam 2026: groei uit economische noodzaak

8.891 brushstrokes / 420 minutes, 2025 van Rick van Strien bij Galerie Phoebus op Art Rotterdam 2026. Eigen foto.

Een bezoek aan Art Rotterdam in Rotterdam Ahoy is voor trouwe bezoekers een sociaal treffen met kunstenaars, galeristen en bekenden. De kunst op deze kunstbeurs is weliswaar de aanleiding, maar moet opboksen tegen dat sociale aspect. Daarom moet de kunst optimaal gepresenteerd worden om serieus de concurrentie aan te kunnen gaan met de culturele socialisatie. Zodat de kunst vanzelfsprekende achting oproept die de bijzaak (voor even) doet verstommen.

Maar de editie 2026 bewerkstelligt het omgekeerde. Dat komt mede door de indeling waarin naast Prospects liefst elf categorieën te onderscheiden zijn. Van de aloude Main Section tot vijf categorieën Unseen Photo. De wanorde groeit. Fragmentatie hoeft niet het probleem te zijn, maar dat wordt het wel als secties door elkaar heen getoond worden.

Gisteren 27 maart 2026 bezocht ik de beurs van 11.30 tot 19.00 uur en heb er met genoegen rondgelopen en bekenden ontmoet. De sectie Projections met video’s moest ik noodgedwongen overslaan. Evenals het leeuwendeel van Unseen Photo waarvan het profiel me ook achteraf nog steeds niet duidelijk is.

Over het aangrenzende Prospects dat fysiek duidelijk afgescheiden is van Art Rotterdam een kort woord. Met een vijfde minder presentaties dan in 2025 van de maximaal vier jaar afgestuurde startende kunstenaars met een Stipendium van bijna 25.000 van het Mondriaan Fonds. De ambachtelijkheid viel op. Deelnemers als Elise van Staveren, Thijs Segers en Sander Coers waren met hun werk ook op Art Rotterdam te zien. Een enkele deelnemer verwees bij de bijschriften naar de wapenbeurs in Rotterdam Ahoy die stof deed opwaaien.

Het imposante vijfluik van Suzanne Plomp waarvan ik ook na een gesprek met de kunstenaar nog niet weet of het kritiek op of verheerlijking van religie is, de originele Pelle Schilling die à la Zoro Feigl volkomen onmodieus zijn gang gaat en de wonderschone tekeningen van Marina Sulima vielen me positief op.

Suzanne Plomp vijfluik Substantia (2025-2026) [kleurpotlood en krijt] op Prospects 2026. Eigen foto.

De vanouds Amsterdamse fotobeurs Unseen is in 2026 voor het eerst geïntegreerd in Art Rotterdam. Dat hoeft niet bezwaarlijk te zijn, maar dat wordt het wel doordat de 52 stands van Unseen, hoewel losjes gebundeld, over de plattegrond verspreid zijn. Het had voor de hand gelegen om Unseen in een aparte hal te tonen. Waarom dat niet is gebeurd kan ingeschat worden als een organisatorische flater. Hopelijk wordt dat in de editie 2027 rechtgezet.

Daarnaast lijkt in de selectie voor Unseen het criterium losgelaten dat hedendaagse fotografie leidend is. In vele stands van Unseen zijn interdisciplinaire kunstwerken te zien waarbij fotografie een ondergeschikte rol speelt. Het verschil met de Main Section en de SoloDuo-sectie van Art Rotterdam is daardoor vervaagd. Het wordt één pot nat met kunstmatig onderscheid die er bij nader inzien niet is.

In de marketing van Art Rotterdam en directeur Fons Hof wordt benadrukt dat Unseen te kampen had met afnemende belangstelling. Belangstelling voor fotografie neemt af en dat straalt negatief af op Unseen. Er is sprake van een strategische alliantie tussen Art Rotterdam en Unseen: ‘een compacte, zorgvuldig gecureerde en scherpe selectie fotografie binnen een brede kunstcontext.’

Dat lijkt uitsluitend beredeneerd vanuit het belang van Unseen. Want de alliantie waarmee Unseen gered wordt gaat ten koste van het profiel en de overzichtelijkheid van Art Rotterdam. Een oud merk wordt zo beschadigd en Art Rotterdam wordt er voor galeries in de toekomst minder aantrekkelijk op.

De kwaliteit die Art Rotterdam uitstraalde is niet meer vanzelfsprekend. Het verschil met andere beurzen als KunstRAI, NAP+ en Art Island verschrompelt. De afstand met de sectie hedendaagse kunst van PAN en TEFAF neemt toe. Kortetermijneffecten lijken de organisatie parten te hebben gespeeld. Enkele galeristen die ik sprak delen die kritiek.

Vorig jaar was ik enthousiast over de nieuwe locatie Ahoy die meer ruimte, (frisse) lucht en rust bood dan de oude locatie, de voormalige Van Nelle Fabriek in Spangen. Nu niet meer omdat de economische noodzaak om de 14.000 m2 ruimte te vullen zichtbaar ten koste gaat van de inhoudelijke koers. Dat is een bewuste keuze van de organisatie die valt te betreuren. Zo wordt de grootte van Rotterdam Ahoy een belemmering.

De meeste stands zijn kleiner met een breedte van vijf in plaats van zes meter. Daardoor wordt het er rommeliger op. De selectie van buitenlandse galeries lijkt op het oog minder streng dan die van Nederlandse galeries. Met onder meer vier Roemeense, vijf Spaanse, tien Duitse en twaalf Italiaanse galeries.

Of hun kwaliteit getoetst is door een inhoudelijke commissie, bepaald is door een freelance medewerker die de opdracht had om vierkante meters te verkopen of door een curator valt te raden. Vooral de New Art Section valt op met vier Nederlandse en veertien buitenlandse galeries waarbij de Nederlandse galeries hun buitenlandse collega’s in kwaliteit de loef lijken af te steken. Dat roept de vraag op hoe deze selectie tot stand komt en hoe commercie en inhoud zich tot elkaar verhouden.

Toch valt er volop te genieten op Art Rotterdam. Maar men moet goed zoeken in de wirwar. Wie binnenkomt denkt bij het zien van de eerste stand van Galerie Ron Mandos dat kitsch het nieuwe normaal is. Dat valt gelukkig mee voor wie verder kijkt, hoewel de smaakpapillen in vele stands sterk worden uitgedaagd met veelkleurige, blinkende en knipperende werken.

Een beurs moet men niet waarderen op mislukkingen of winkeltjes die sommige galeristen van hun stand maken, maar op wat er doorsnee te zien valt. Vooral galeries die één of twee kunstenaars tonen stralen ambitie uit, hoewel bij opvallend veel Duo-presentaties het geheel niet sterker is dan de delen.

Met Koen Kievits (Coppejans), Fiona Lutjenhuis (Fleur & Wouter), Helen Verhoeven (Annet Gelink), Alexandra Duprez (Moving), Bart Lunenburg (O’Breen), Britte Koolen (Bart), Maaike Kramer (O68), Rick van Strien (Phoebus) en David Pedraza (Brinkman & Bergsma) als eigenzinnige kunstenaars die zich met hun galerist proberen te onttrekken aan het beeld van Art Rotterdam 2026 als organisatie die op zoek is naar een eigen ziel en daar niet goed weg mee weet.

Balta, the first person killed in a war, 2024 papier met borduurwerk, 76 x 56 cm. Bij Galerie Sanaa op Art Rotterdam 2026.

Twee musea maken tentoonstellingen over mannelijkheid. Wat moeten we ermee?

Artikel in de Volkskrant van Reinout Bongers die schrijft over theater en populaire cultuur. Hij bezoekt het Noordbrabants Museum waar tot en met 14 juni 2026 de tentoonstellingBen ik mannelijk?‘ te zien is, neemt deel aan een rondleiding en spreekt gastconservator Roberto Luis Martins. Ook bezoekt Bongers het atelier van Sands Murray-Wassink die deelneemt aan de tentoonstelling Beyond the Manosphere – Masculinities Today die van 17 april tot 2 augustus 2026 in het Stedelijk Museum te zien is.

Twee tentoonstellingen over mannelijkheid. Waarbij gelijk de vraag opgeroepen wordt of Brabantse mannelijkheid anders is dan Amsterdamse mannelijkheid. Bongers zet duidelijk in op populaire cultuur. Met vragen wat het voor mannen is om mannelijk te zijn. Het gaat dus over identiteit.

Bongers maakt het binair én statisch: ‘De man, zo mogen we toch concluderen, is recentelijk van zijn ooit zo vanzelfsprekende voetstuk gevallen. Opgekrabbeld, met wat schaafwonden, staat hij nu op een kruispunt. Linksaf voor een vrijer idee over wat een man kan zijn, rechtsaf voor de manosfeer met haar rigide, traditionele genderrollen.’

Mannen die rechtdoor lopen en niet bewust bezig willen zijn met wat mannelijkheid is óf bewust van de identiteitspolitiek afstand nemen omdat ze het een futiel, modieus onderwerp vinden dat door de cultuuroorlogen de wereld in wordt gebracht vallen bij Bongers buiten de boot.

Cultuuroorlogen leiden af van sociaal-economische onderwerpen als machtsvorming en -deling, welvaart, belastingen, werkgelegenheid en verschillen in levensverwachting. De agenda over mannelijkheid en de vermeende dreiging van feminisering zijn de afgelopen jaren vooral gevoed door radicaal-rechtse types als Andrew Tate, Jordan Peterson en in Nederland Thierry Baudet en zo in de populaire cultuur terechtgekomen. Ook radicaal-links heeft dat schema tamelijk onwetend overgenomen en zo het traditionele links-socialisme verzwakt.

De twee musea stappen in de radicaal-rechtse agenda. Men kan zich afvragen hoe weldoordacht en verstandig dat is. Martins vindt dat de samenleving met het oog op emancipatie meer naar ideeën van kunstenaars moet kijken. Dat kan goed uitpakken, maar roept wel de vraag op met welke doel dat gebeurt. De samenleving heeft meer aan een debat over sociaal-economische dan sociaal-culturele onderwerpen als identiteit. Dat laatste is toch een schijndiscussie.

Gastconservator Roberto Luis Martins zegt: ‘Normaal gesproken maak je jezelf als curator onzichtbaar, maar ik denk dat het tijd is dat mannen persoonlijk en kwetsbaar durven zijn als het gaat om hun mannelijkheid en zo anderen te inspireren hetzelfde te doen.’ Dat klinkt als een zelfanalyse van Martins waarvan het de vraag is hoe steekhoudend die is en wat het voor de kunst en andere mannen betekent. En oplevert. Er is een woord voor: projectie.

Martins gooit een open deur wijd open als hij over mannelijkheid zegt: ‘Het is iets dat we hebben bedacht, en daarmee dus ook iets dat we kunnen veranderen of doorbreken.

Nogmaals, waarom zou mannelijkheid een probleem zijn en spreekt hij over veranderen of doorbreken? Waarom stelt hij mannelijkheid als problematisch voor waar gesleuteld aan moet worden om weer soepel te lopen? Bongers gaat mee in dat narratief van de mannelijke man als probleem zonder dat te onderbouwen. Hiermee bevestig hij een vooroordeel.

In de populaire cultuur zijn jonge witte mannen in rechtse kringen opgejut om hun mannelijkheid op te eisen ten koste van vrouwen en minderheden die (eindelijk) hun deel van de koek willen. Deze jonge mannen zouden in verwarring zijn over hun identiteit. Dat gaat echter nog steeds om een luidruchtige minderheid. Ze vertegenwoordigen niet alle mannen.

Als je Martins’ uitingen leest, dan lijkt het of alle mannen hopeloos in verwarring zijn. Het moge duidelijk zijn, ik betwijfel dat. Het wordt die mannen aangepraat. Een neveneffect is dat zo’n artikel en genoemde tentoonstellingen mee kunnen helpen aan beeldvorming over de gemarkeerde man.

De tentoonstelling ‘Ben ik mannelijk?‘ in het Noordbrabants Museum heb ik nog niet gezien. Het kan zijn dat er goede kunst te zien is. Dat hoop ik. Maar ik vrees dat de clichés over mannelijkheid zoals die volgen uit Martins’ uitspraken de kunst ondergeschikt maken aan een politiek-maatschappelijk doel zoals zich dat manifesteert in de populaire cultuur anno 2026.

Schermafbeelding van deel artikel Musea buigen zich over mannelijkheid. ‘De vraag wat het betekent om man te zijn, heb ik nog nooit gekregen’ van Reinout Bongers in de Volkskrant, 26 maart 2026.

Quebec stelt dat het binnen zijn rechten valt om een ​​verbod op religieuze symbolen in te voeren

De in Quebec ingevoerde Wet 21 (Loi sur la laïcité de l’État) wordt door het Canadese Hooggerechtshof besproken. Deze wet verbiedt bepaalde ambtenaren om tijdens hun werk religieuze symbolen te dragen. Dat is een absolute scheiding van kerk en staat die de religieuze neutraliteit van de staat bevestigt.

De steun voor deze wet in het Franstalige Quebec lijkt door twee aspecten gevoed te worden. Weg onder het juk van de ooit machtige katholieke kerk en aansluiting zoeken bij de Franse opvatting van secularisme, de laïcité.

Quebec heeft autonomie en voerde deze wet in 2019 in. Quebecers zien zichzelf als kwetsbare minderheid in Canada en hebben wetten aangenomen om hun erfgoed en taal te beschermen.

De regering van Quebec heeft gebruikgemaakt van de notwithstanding clause. Hierdoor is de wet beschermd tegen juridische bezwaren op basis van de Canadese Charter of Rights and Freedoms, waardoor het mogelijk wordt grondrechten zoals de godsdienstvrijheid opzij te zetten.

Dat roept de vraag of hoe makkelijk het in het federatieve Canada voor regeringen is om grondrechten opzij te zetten en wat de Charter dan nog waard is. En hoe die Canada nog samenbindt als provincies als Quebec dat recht uitoefenen. Bij de behandeling van Wet 21 voor het federale Hooggerechtshof gaat het om zowel de godsdienstvrijheid als de relatie van constitutionele rechten van provinciale regeringen tot de federatieve grondwet.

Er is op Loi 21 kritiek in en buiten Quebec. Zo zou het discrimineren tegen moslimvrouwen met een hoofddoek. Een antwoord daarop is dat religieuze symbolen geen religieus, maar een politiek doel hebben.

Het debat kent venijnigheden, zoals de aantijging dat dit secularisme tegen godsdienst is gericht. Dat gaat voorbij aan de emancipatiestrijd van Quebecers waar de wet een resultaat van is. Maar er botsen grondrechten en belangen, dus strijd is ingebakken. Belangengroepen van mensenrechtenadvocaten tot religieuze organisaties en constitutionele juristen laten zich horen.

Lichtzinnige, selectieve opinie van Willem Schinkel over Europese bewapening

Schermafbeelding van deel opinie-artikelDuitse kernwapen-ambities: een historische vergissing‘ van Willem Schinkel in NRC, 21 maart 2026. De titel van de papieren versie van 22 maart 2026 is ‘Maak je zorgen over Duitse kernwapens‘.

Weer zo’n opvallende opinie in NRC die met de Russische Federatie te maken heeft. Deze keer niet Ewald Engelen of Marianne Thieme, maar Willem Schinkel. Het blijft een raadsel waarom de redactie Opinie van NRC dit soort stukken die zeggen voor vrede te pleiten, maar feitelijk een agressor uit de wind houden op 21 maart 2026 plaatst. Waarschijnlijk vanuit een idee over pluriformiteit die volgens NRC ook desinformatie omvat.

Schinkel probeert ons de les van de geschiedenis in de oren te knopen, maar lijkt die les zelf niet geleerd te hebben. Hij gaat niet uit vanuit de internationale rechtsorde, waarden en verdragen, maar vanuit een ‘realistische’ machtspolitiek tussen landen. Hij zit op de lijn van John Mearsheimer, Stephan F. Cohen en Henry Kissinger die instemming van het Kremlin kregen omdat ze macht boven recht plaats(t)en. Schinkel doet niet anders.

Schinkel laat de wet van de sterkste gelden. Op dit moment zijn dat in Europa militair de Russische Federatie en de VS. Hij maakt het potsierlijk door tegelijk voor de internationale rechtsorde te pleiten. Een terecht pleidooi dat hij echter met zijn betoog ongeloofwaardig maakt omdat het die rechtsorde opzijschuift. Zijn artikel wordt er zo niet evenwichtig en navolgbaar op.

Neem de volgende passage uit Schinkels stuk en probeer je voor te stellen wat dat praktisch betekent voor de bevolking van een land dat door militair geweld van een indringer zijn soevereiniteit verliest: ‘Als politieke leiders werkelijk veronderstellen dat het op een dag beter kan zijn al het leven op aarde te vernietigen dan een tijdelijk soevereiniteitsverlies te leiden, hoe serieus moeten we ze dan nemen als ze conventionele bewapening als normaalste zaak van de wereld presenteren?

Bedoelt hij hier trouwens niet ‘een verlies lijden’ in plaats van ‘een verlies leiden’? Dat lijkt geen toevallige fout. Met dat ‘leiden‘ geeft Schinkel ten onrechte een actieve betekenis aan een passieve handeling. Het land dat soevereiniteitsverlies lijdt zal dat echter lijdzaam moeten ondergaan.

Er valt geen touw vast te knopen aan deze passage. Een ‘tijdelijk soevereiniteitsverlies’ kan betekenen dat een soeverein land zo’n 45 jaar bezet wordt zoals Oost-Europese landen overkwam die door de toenmalige Sovjet-Unie werden bezet. Met alle gevolgen van dien, zoals aantasting van rechtsstaat, persvrijheid en universele waarden, gedwongen culturele assimilatie inclusief taalpolitiek die nog decennialang doorwerkt ook nadat de bezetting beëindigd is, economische knechting en gedwongen opname van de bevolking in krijgsmacht, dwangarbeid of strafkamp. Sommige landen komen nooit over hun ‘tijdelijk soevereiniteitsverlies’ heen. Wat is dan ‘tijdelijk‘?

In Europa wordt zo’n 20% van het grondgebied van Oekraïne (deel van de Donbas en de Krim) sinds 2014 onrechtmatig door de Russische Federatie bezet. Veroordeeld in een resolutie van de VN. Volgens Schinkels logica moet dat op de koop toe worden genomen om erger te voorkomen. Daarbij gaat hij voorbij aan internationale verdragen die de territoriale integriteit en soevereiniteit van landen garanderen en het oorlogsrecht van landen om zich tegen een invasie te verzetten. Of anders gezegd, Schinkel zet niet primair in op territoriale integriteit en soevereiniteit van landen.

Aanleiding voor zijn beschouwing is dat de Duitse regering Merz overweegt een eigen kernmacht te realiseren, zo meent hij. Tegelijk constateert Schinkel dat Duitsland het non-proliferatieverdrag ondertekend heeft en respecteert, dus geen eigen kernmacht kan hebben. Dat gat probeert hij te dichten door te zeggen dat er in Duitsland geen taboe meer rust op een eigen nucleair arsenaal. Daartoe verwijst hij naar uitspraken van een CDU-politicus en een hoge militair, maar dat is geen officieel regeringsbeleid.

Het valt niet in te zien dat coalitiepartner SPD met de sociaal-democratische Defensieminister Pistorius voorstander is van het optuigen van een eigen Duitse kernmacht. Pistorius heeft zich in 2026 uitgesproken tegen een Duitse atoombom of een onafhankelijke Duitse kernmacht. Het is tekenend voor het niveau van Schinkels betoog dat hij de opvatting van minister Pistorius niet noemt.

Schinkel verwijt opinieleiders zoals Bas Heijne dat ze antimilitaristen weghonen als zelfgenoegzame ‘Vrede-roepers op de linkerflank’. Vervolgens koppelt hij acties van de VS in Iran aan de NAVO en de Europese veiligheid. Op geen enkel moment noemt Schinkel de Russische agressie jegens Oekraïne of de Russische hybride oorlog die Poetin tegen de EU voert.

Hij zegt weliswaar de Russische agressie niet te bagatelliseren evenals de Europese zelfverdediging daartegen, maar zegt niet dat de Russische agressie de oorzaak is die veel in gang heeft gezet en de Europese bewapening een gevolg daarvan is. Schinkel lijkt ook voorbij te gaan aan het feit dat Europese NAVO-lidstaten zoveel mogelijk afstand tot de VS houden als ze zich kunnen permitteren om de Amerikaanse steun voor Oekraïne tegen de Russische veroveringsoorlog niet in gevaar te brengen. Europa moet tandenknarsend met president Trump meebuigen.

Als Schinkel werkelijk het probleem van de Europese conventionele en nucleaire bewapening serieus zou willen bespreken, dan zou hij bij de oorzaak moeten beginnen. Dat laat hij na. Schinkel is zo selectief dat hij gevolgen zonder oorzaak geeft. Bijna dagelijks wordt er op talkshows van de Russische staatstelevisie gesproken om kernbommen op Rotterdam, Warschau, Londen, Parijs en andere Europese steden te gooien. Dat is Russische retoriek waar Europese landen zich toe moeten verhouden. Ook zei Poetin eind 2025 dat zijn land klaar is voor oorlog tegen Europa.

Schinkel begrijpt het niet of doet net alsof hij het niet begrijpt. Dat maakt de plaatsing van zijn stuk in NRC onbegrijpelijk. Het is aan de hand van zijn artikel vruchteloos om tot een evenwichtig debat te komen over ontwapening als hij een deel van de feiten verdonkeremaant of verkeerd voorstelt. In elk geval is zijn opinie vintage Schinkel met de selectiviteit en het oprekken van de feiten die hem eigen is. Voor een evenwichtig debat is het een waardeloze basis.

Opinie van Simon Kentgens met kritiek op samenwerking ‘Prospects’ van het Mondriaan Fonds met Art Rotterdam

Schermafbeelding van deel artikelWat zijn onze Prospects?‘ van Simon Kentgens op metropolis m, 20 maart 2026.

Onverschrokken opinie-artikel van kunstenaar en docent Simon Kentgens dat op 20 maart 2026 werd geplaatst op metropolis m. Hij maakt deel uit van het activistische kunstenaarscollectief Sunflower Soup dat samenwerkt met galeries en kunstenaarsinitiatief W139. Met het artikel ben ik het grotendeels eens, maar ik heb ook een kanttekening.

Kentgens’ artikel gaat over de tentoonstelling Prospects op kunstbeurs Art Rotterdam. Die in 2026 in Rotterdam Ahoy wordt gehouden van 27 tot en met 29 maart. Art Rotterdam presenteert het Mondriaan Fonds als partner: ‘Het Mondriaan Fonds organiseert de tentoonstelling Prospects jaarlijks tijdens Art Rotterdam om de zichtbaarheid van startende kunstenaars een extra impuls te geven. Door de nabijheid van Art Rotterdam kunnen kunstprofessional en verzamelaars, maar ook een brede groep geïnteresseerden kennismaken met het werk van deze veelbelovende kunstenaars.

In 2025 waren dat 116 kunstenaars. Dat was veel in de marge van een kunstbeurs waar door de ruime behuizing van Rotterdam Ahoy toch al zoveel te zien was. Volgens het Mondriaan Fonds toont de editie 2026 van Prospects het werk van 92 startende kunstenaars. Dat zijn er dus 24 minder.

Typisch is dat het Mondriaan Fonds Prospects presenteert met een woord salade die de scherpte en feitelijkheid voorbij is en in het luchtledige blijft hangen: ‘In deze 14e editie van Prospects buigen de deelnemers zich over urgente vraagstukken, variërend van het opnieuw vormgeven van het collectieve geheugen tot het onderzoeken van nieuwe verhoudingen tussen technologie, ecologie en het menselijk lichaam. Hun werken laten zien dat experimenteren en zorgzaamheid hand in hand kunnen gaan en bieden een blik op alternatieve toekomsten die zowel uitdagend als vol mogelijkheden zijn.’

Kentgens legt uit hoe de vork in de steel zit. Beginnende makers die maximaal vier jaar actief zijn als professionele kunstenaar kunnen een (en maximaal twee) Kunstenaar Start Stipendium van 24.900 euro (in 2025) ontvangen van het Mondriaan Fonds. Op de koppeling van hun presentatie aan Art Rotterdam heeft de auteur kritiek, hoewel die niet verplicht is. De met dit Stipendium gesubsidieerde kunstenaars kunnen afzien van de presentatie van hun werk op Prospects. Daardoor missen ze zichtbaarheid die het Mondriaan Fonds als belangrijk noemt.

Kentgens’ argument is dat ‘een publiek fonds de ontwikkeling van startende kunstenaars direct aan de logica van de kunstmarkt, én aan andere controversiële markten‘ verbindt. Dat is een principieel punt waar veel voor te zeggen valt. Hij betwijfelt of het de taak van het Mondriaan Fonds is om een expositie te organiseren die wordt samengesteld door externe curatoren. In 2026 Johan Gustavsson en Daphne Verberg.

Kentgens’ kritiek gaat verder als hij signaleert dat een commerciële kunstbeurs als Art Rotterdam niet ‘expliciet‘ verbonden zou moeten worden met een publiek kunstfonds als het Mondriaan Fonds: ‘Door zelf een expositie samen te stellen plaatst het fonds zich bovendien op de stoel van een presentatieinstelling voor hedendaagse kunst. En juist presentatieinstellingen zouden het budget dat wordt gestoken in Prospects goed kunnen gebruiken om exposities voor beginnende kunstenaars te organiseren.’

Hier wordt het verwarrend omdat Kentgens meerdere petten opheeft. Hij laat zich kennen als cultuurcriticus, maar werkt binnen Sunflower Soup ook samen met presentatieinstellingen voor hedendaagse kunst waar volgens hem een tentoonstelling als Prospects ondergebracht zou kunnen worden. Zo wordt een steekhoudend argument om Prospects uit de commerciële omgeving van Art Rotterdam te halen door Kentgens’ positie ondermijnd.

Desalniettemin is het noodzakelijk om het debat over de koppeling van een commerciële kunstbeurs en een publiek kunstfonds aan te gaan. De verdienste van Kentgens’ artikel is dat hij signaleert dat dit ongewenst en niet vanzelfsprekend is, en het anders kan. Het is moedig dat hij zijn nek uitsteekt. Hoe anders, daar heeft hij een aanzet toe gegeven die anderen hopelijk in de toekomst oppakken. Zodat dat doorsijpelt naar het Mondriaan Fonds en daar een debat op gang kan worden gebracht.

Kentgens meent dat het werk dat op Prospects valt te zien door de samenwerking van het Mondriaan Fonds met Art Rotterdam in een ‘dwingende mal‘ wordt geforceerd. Waarin het kunstobject en marktgericht maken aangemoedigd worden en ander soort werk dat minder handelswaarde heeft (commodificatie) wordt gemarginaliseerd. Zoals ‘community-based art, kunst in de openbare ruimte, performatieve kunst, internetkunst of werk binnen collectieven‘.

Hoewel het wat sloganesk marxistisch klinkt, is Kentgens’ kritiek dat kunst op Prospects wordt omgezet in economische relaties niet onterecht. Vooral omdat het om startende en zich vormende kunstenaars gaat die hun weg nog moeten kunnen vinden, maar voor wie het Mondriaan Fonds al dwingend voorsorteert. Zodat door de structuur van het Stipendium en de samenwerking met Art Rotterdam het Mondriaan Fonds onterecht bepaalde kunstvormen promoot en andere praktisch buitensluit.

Een kanttekening is dat Kentgens intersectioneel redeneert als hij alles met alles verbindt en Rotterdam Ahoy verwijt om jaarlijks in november de NEDS wapenbeurs te huisvesten. Op twee manieren slaat hij de plank mis. Dat is jammer omdat het zijn betoog dat sterke punten bevat en belangrijk is onnodig verzwakt.

Defensie tegen buitenlandse agressie wordt door een meerderheid van de bevolking als noodzakelijk kwaad gezien. In combinatie met een verzwakte EU die niet langer kan rekenen op de Amerikaanse militaire paraplu. Er is ruim draagvlak voor de versterking van Defensie binnen Europese samenhang. Een wapenbeurs hoort daarbij en is niet langer het stigma waar Kentgens het voor houdt. Ondanks activisten die een demonstratie voor de deur organiseren.

Daarnaast is het verwijt aan het Mondriaan Fonds vergezocht dat het ruimte in Rotterdam Ahoy huurt en daardoor verweven wordt met de structuur van zo’n wapenbeurs. Dat is een barst in zijn betoog waarmee Kentgens zichzelf lijkt te parodiëren: ‘Ook zij bekritiseren hoe het Fonds jonge kunstenaars binnen deze militaristische systemen positioneert en roepen het Fonds op tot verantwoordelijkheid, veroordeling van en terugtrekking uit Ahoy en een uitspraak tegen militarisme en artwashing.’

Wachten op Logica. Absurd buitenlands beleid van regering Trump

Schermafbeelding van bericht van Raw Story op Bluesky en reactie, 21 maart 2026.

Er is geen peil te trekken op het buitenlands beleid van de regering Trump. Het hangt van tegenstrijdigheden aan elkaar. Het lukt niet om er een strategie in te ontdekken. Kan het wellicht het best volgens de maatstaf van de illusie en de dwaasheid beoordeeld worden?

De VS voert samen met Israël oorlog tegen Iran. Maar tegelijkertijd schort het sancties tegen Iran op en staat het dat land toe om olie te verkopen van tankers die op zee zijn. Zodat Iran de oorlog tegen de VS, Israël en de Golfstaten kan financieren.

Nu is dat niks nieuws. Vaak spelen landen een dubbelspel en verkopen ze wapens aan landen waarmee ze in oorlog zijn. Maar het verschil is dat dat nu openlijk uitgevent wordt en officieel regeringsbeleid is.

Ook steunt de VS diplomatiek Poetins Russische Federatie in de oorlog tegen Oekraïne terwijl de Russen Iran van inlichtingen voorzien om Amerikaanse militairen in de Golf-regio aan te vallen met drones en raketten. Het Kremlin wil die inlichtingensteun aan Iran uitruilen tegen de inlichtingensteun van de VS aan Oekraïne. Dat is Russische, maar geen Amerikaanse logica.

Net als Iran heeft de regering Trump de sancties tegen de Russische Federatie opgeschort en dat land toegestaan om voorlopig voor een maand olie vrij te verhandelen die zich op zee in tankers bevindt. Zodat de Russen hun oorlog tegen Oekraïne én de VS en Israël in de Golf-regio kunnen financieren.

Het beleid van de regering Trump raakt aan absurdisme zoals dat in de irrationele wereld van absurd drama van schrijvers als Samuel Beckett, Eugène Ionesco of Harold Pinter in de 20e eeuw vorm kreeg. Dat ontstond mede als reactie op ongerijmdheid, zinloosheid en verschrikkingen in de echte wereld.

Opmerkelijk is dat dit beleid van de regering Trump waar geen logica of standvastigheid in valt te ontdekken en dat gekend wordt door tegenstrijdigheden, zowel een voorbeeld is van absurd drama dat niet zou misstaan in het theater als dat absurdisme voedt. Dat belooft wat voor de toekomst als de episode Trump een weg vindt naar toneel en literatuur.

Wat gaan de raadsleden van FvD de komende vier jaar doen?

FvD-watcher Chris Aalberts over de winst van FvD bij de gemeenteraadsverkiezingen en wat de gekozen raadsleden van die partij te wachten staat. Juist op de speerpunten over identiteit die FvD belangrijk vindt gaat een gemeenteraad niet. Op een uitzondering na: AZC’s. Maar zelfs de spreidingswet is geen lokaal, maar een onderwerp dat landelijk aangepakt wordt. Evenmin gaat een gemeenteraad over buitenlandse politiek.

Dus de gekozen FvD’ers zullen zich bezig moeten houden met banale onderwerpen waarmee ze zich niet kunnen onderscheiden. Zal hun tactiek eruit bestaan om daarom maar uit arren moede ‘gewone’ onderwerpen die in gemeenten spelen op te rekken en te politiseren? Tegen kunst, tegen emancipatie, tegen de politiek zelf dat in hun optiek een kartel is, tegen regenboog-oversteekplaatsen en tegen de voorlichting van gemeenten.

Vraag is of FvD in de komende vier jaar op lokaal niveau kan bewijzen dat het een degelijke organisatie is die meer is dan los zand. En dat afsplitsers en weglopers deze keer uitblijven. Maar instabiliteit is nu eenmaal een kenmerk van ultrarechts.