De in Quebec ingevoerde Wet 21 (Loi sur la laïcité de l’État) wordt door het Canadese Hooggerechtshof besproken. Deze wet verbiedt bepaalde ambtenaren om tijdens hun werk religieuze symbolen te dragen. Dat is een absolute scheiding van kerk en staat die de religieuze neutraliteit van de staat bevestigt.
De steun voor deze wet in het Franstalige Quebec lijkt door twee aspecten gevoed te worden. Weg onder het juk van de ooit machtige katholieke kerk en aansluiting zoeken bij de Franse opvatting van secularisme, de laïcité.
Quebec heeft autonomie en voerde deze wet in 2019 in. Quebecers zien zichzelf als kwetsbare minderheid in Canada en hebben wetten aangenomen om hun erfgoed en taal te beschermen.
De regering van Quebec heeft gebruikgemaakt van de notwithstanding clause. Hierdoor is de wet beschermd tegen juridische bezwaren op basis van de Canadese Charter of Rights and Freedoms, waardoor het mogelijk wordt grondrechten zoals de godsdienstvrijheid opzij te zetten.
Dat roept de vraag of hoe makkelijk het in het federatieve Canada voor regeringen is om grondrechten opzij te zetten en wat de Charter dan nog waard is. En hoe die Canada nog samenbindt als provincies als Quebec dat recht uitoefenen. Bij de behandeling van Wet 21 voor het federale Hooggerechtshof gaat het om zowel de godsdienstvrijheid als de relatie van constitutionele rechten van provinciale regeringen tot de federatieve grondwet.
Er is op Loi 21 kritiek in en buiten Quebec. Zo zou het discrimineren tegen moslimvrouwen met een hoofddoek. Een antwoord daarop is dat religieuze symbolen geen religieus, maar een politiek doel hebben.
Het debat kent venijnigheden, zoals de aantijging dat dit secularisme tegen godsdienst is gericht. Dat gaat voorbij aan de emancipatiestrijd van Quebecers waar de wet een resultaat van is. Maar er botsen grondrechten en belangen, dus strijd is ingebakken. Belangengroepen van mensenrechtenadvocaten tot religieuze organisaties en constitutionele juristen laten zich horen.
