Kanttekeningen naar aanleiding van vertaling ‘Kunst als medicijn’ van Daisy Fancourt

Schermafbeelding van deel artikelWaarom kunst goed is voor je gezondheid (+ winactie);
Creatief bezig houdt je brein langer jong
‘ op PLUS, 2 mei 2026.

Kunst is het allesdoekje van de zorg én gedragswetenschap die alle kwalen verlicht en het welzijn vergroot. Vandaar de opkomst van kunsttherapeuten als intermediair tussen zorg- en museumsector. Het wordt van bovenaf gepromoot, zoals in het rapport Art, healing and museums van NEMO, een Europees netwerk van museumorganisaties.

In het commentaarWelzijn is geen kerntaak van musea, maar van zorgsector‘ van 2 februari 2026 plaatste ik de volgende kanttekening: ‘Museumkunst wordt bij voorbaat getemd en gefatsoeneerd om in het frame van een veilige omgeving te passen. Musea worden daartoe als rustgevend, stabiel, ‘waardig‘ en veilig voorgesteld. // Maar dat zijn musea per definitie niet. Kunst in musea kan ontregelen, verwarren en hoeft niet altijd tot een sluitende betekenis te leiden dat kwetsbare, getraumatiseerde mensen door het aangeboden kunstpsychotherapieprogramma voert.

Nu is er weer zo’n bericht ‘Waarom kunst goed is voor je gezondheid (+ winactie)‘ op PLUS. Een magazine van de beursgenoteerde multimediagroep Roularta Media. Aanleiding is de verschijning op 7 mei 2026 van de publicatie ‘Kunst als medicijn‘ van hoogleraar Daisy Fancourt (University College London). Het is een vertaling van ‘Art Cure: The Science of How the Arts Transform Our Health‘ en verschijnt bij uitgeverij Ten Have.

Waar PLUS kunst verantwoordelijk voor maakt is niet mis: ‘Kunst en cultuur brengen mensen letterlijk en figuurlijk samen. Of het nu gaat om een koor, schilderclub, dansles of een bezoek aan museum of theater: het zijn momenten waarop je anderen ontmoet en ervaringen deelt.’

Ja, dank je de koekoek. Niet in te zien valt waarom dat samenbrengen specifiek geldt voor activiteiten die met kunst te maken hebben. Dat is toch niet anders dan een groepsbezoek aan het pannenkoekenhuis, bloemencorso of sportwedstrijd, een boottocht of stadssafari?

De verwarring ontstaat door de begrippen kunst en cultuur onterecht door elkaar te gebruiken. Alle hier genoemde activiteiten zijn cultuur, maar niet per definitie kunst. Daarom zou het etiket welzijnsverhoging niet op kunst, maar op cultuur geplakt moeten worden. Dat is het kenmerk van cultuur, het gemeenschappelijke, het sociale, het met elkaar zijn. Kunst is hooguit het voorwendsel om mensen samen te brengen.

Het voor het karretje spannen van kunst in de zorgsector is verklaarbaar omdat musea, koren, schilderclubs, dansgroepen en dergelijke al deel uitmaken van een uitgebreide, fijnmazige, toegankelijke culturele infrastructuur. Het is er al en kan betrekkelijk makkelijk ingezet worden door de zorgsector.

Zoals gezegd, zonder de scherpe kantjes die kunst ook heeft. De bijgevijlde, getemde versie van kunst (plus bijbehorende culturele infrastructuur) die geruststelt, geneest en het welzijn vergroot is het waar de zorgsector het oog op laat vallen.

Dat maakt kunst tot een beschermde soort die door zorgsector en gedragswetenschap in een reservaat wordt geplaatst. Met hekken eromheen die niet genoemd kunnen worden omdat dat haaks staat op het idee dat kunst autonoom is en buiten zichzelf geen doelstelling heeft.

PLUS sluit het artikel over de Nederlandse vertaling van Fancourts boek zo af: ‘Met voorbeelden uit de praktijk en wetenschap maakt ze duidelijk dat kunst geen luxe is, maar een essentieel onderdeel van een gezonde leefstijl.‘ Kunst als essentieel onderdeel van een gezonde leefstijl? Arme kunst die niet meer zichzelf mag zijn, maar tandeloos ingekapseld wordt in de bombastische claims van zorgsector en gedragswetenschap.

Italiaanse cultuurminister Giuli gaat vanwege Russisch paviljoen niet naar opening Biënnale Venetië, koning Willem-Alexander wel

Zhanna Kadyrova vertegenwoordigt Oekraïne met Origami Deer op Biënnale Venetië 2026. Still uit film.

De Italiaanse cultuurminister Alessandro Giuli heeft aangekondigd niet aanwezig te zijn op de opening van de 61ste Biënnale van Venetië op 9 mei 2026 of op de preview van 6 tot 8 mei. Hiermee neemt de regering Meloni afstand tot de Fondazione Biënnale die wordt voorgezeten door schrijver en journalist Pietrangelo Buttafuoco.

De reden dat de minister wegblijft heeft te maken met de opening van het Russische paviljoen. Adnkronos zegt in een bericht van 24 april 2026 dat juridische redenen in de vorm van de overtreding van sancties tegen de Russische Federatie niet de aanleiding zijn voor het wegblijven van Giuli omdat die niet geconstateerd zijn, maar dat het speelt op politiek en symbolisch niveau.

De kwestie gaat erom wie het laatste woord heeft over de deelname van controversiële landen als de Russische Federatie en Israël die in hun oorlogen tegen buurlanden de mensenrechten schenden. Is dat de voorzitter van de Biënnale Pietrangelo Buttafuoco of de Italiaanse regering Meloni of de EU? Die laatste laat in een brief de toekenning van een toekomstige subsidie van 2,3 miljoen euro afhangen van het antwoord van het bestuur van de Biënnale erop.

Het bestuur van de Biënnale heeft de Russische Federatie en Israël om politieke redenen uitgesloten van de te winnen prijzen. Dat kan worden opgevat als een tegemoetkoming aan de critici.

Wat het desondanks politiek maakt is dat degenen die zeggen dat kunst neutraal is, niks met politiek te maken heeft, zelfs landen verenigt tot het radicaal-rechtse spectrum behoren. Het radicaal-rechtse Lega dat in de regio Veneto waar Venetië toe behoort met onder meer Luca Zaia (voorzitter van de regionale raad van Veneto) een machtspositie heeft is de enige politieke partij die volmondig de Russische (en Israëlische) deelname steunt.

Geert Wilders (PVV) onderhoudt al jarenlang nauwe banden met de Italiaanse partij Lega van Matteo Salvini. De PVV is niet meer openlijk pro-Poetin omdat een meerderheid van de bevolking dat evenmin is, maar dient in de Tweede Kamer de belangen van de Russische Federatie door tegen sancties van de Russische Federatie of steunpakketten voor Oekraïne te stemmen.

Opmerkelijk is dat volgens Adnkronos het Russische paviljoen van 9 mei tot en met 22 november gesloten zal zijn voor publiek, terwijl het slechts drie dagen (6-8 mei) open zal zijn tijdens de preview voor de internationale pers.

Hoe dan ook zorgt de deelname van de Russische Federatie aan de Biënnale voor veel debat en verdeeldheid. Mede omdat het debat alle kanten opwaaiert en er ook stemmen zijn om Israël en de VS uit te sluiten.

Sommige landen boycotten de opening op 9 mei 2026 of sturen lage vertegenwoordigers. Dat doet Nederland niet dat koning Willem-Alexander – die het Nederlandse paviljoen met Dries Verhoeven opent – en cultuurminister Rianne Letschert (D66) naar de opening afvaardigt. Hoe dan ook hoeft de koning niet te vrezen dat hij in herhaling van de Olympische Winterspelen van Sotchi 2014 valt toen hij een biertje met Poetin dronk. De koning werd naïviteit verweten.

Een fotomoment dat de media haalde en waar in de Nederlandse publieke opinie veel kritiek op kwam, onder meer van homo-activisten. Zoals Gordon die de kern raakte: ‘Ik schaam me diep als Nederlander dat mijn koning en mijn koningin daar vanavond handen staan te schudden met mensen die bloed aan hun handen hebben’. Op het moment dat in het Kremlin de invasie van de Krim werd voorbereid en vanwege controverses over de mensenrechtensituatie bijna alle Europese landen hun delegaties afwaardeerden, stuurde Nederland de zwaarste delegatie die mogelijk was.

Het is opmerkelijk dat Nederland opnieuw een zware delegatie stuurt terwijl er opnieuw een controverse rond de Russische Federatie is. Waarom heeft het pro-Oekraïense en pro-Europese D66 met premier Rob Jetten koning Willem-Alexander toestemming gegeven om de opening van de Biënnale bij te wonen en vaardigt het de eigen minister Letschert af? Was uit solidariteit met Oekraïne, de Europese Commissie en de Italiaanse regering Meloni de vertegenwoordiging op een lager niveau niet passender geweest?

.

Arnhem laat rokers hun peuk uitdrukken op kunstwerk. Welk beeld wordt ermee van kunst geschetst?

Schermafbeelding van deel berichtArnhem zet kunst in om peukenafval tegen te gaan‘ van gemeente Arnhem, 17 maart 2026.

De gemeente Arnhem komt op de eigen site vandaag met het berichtArnhem zet kunst in om peukenafval tegen te gaan‘. Dat klinkt raadselachtig én bedenkelijk. Hoe zet Arnhem kunst in om peukenafval tegen te gaan en waarom zet het kunst daartoe in? De variant met een schildersezel.

Het idee is dat ‘door heel Arnhem‘ schildersezels met kunstwerken te vinden zijn. Rokers kunnen deze schilderijen ‘afmaken’ door hun sigaret uit te drukken op het kunstwerk en daarna in het opvangbakje te laten vallen. Onder het motto van de campagne ‘Maak ’m uit (of Druk’m uit), gooi ’m erin’ om sigarettenfilters in de afvalbak te gooien in plaats van op straat.

Er zijn twee overwegende bezwaren tegen deze campagne. Dat ‘heel Arnhem‘ omvat zegge en schrijve zes plekken, te weten winkelcentrum Kronenburg, Arnhem Building, de HAN-campus, ArtEZ, het stadskantoor en het stadscentrum. Arnhem maakt de claim ‘heel Arnhem‘ niet waar.

Arnhem is een stad met 172.000 inwoners. Volgens cijfers van de Rijksoverheid rookt ongeveer 18% van de volwassen Nederlanders. Stel dat het percentage rokers in Arnhem 12% is, dan zijn dat er toch meer dan 20.000. Zelfs als het een symbolische bewustwordingscampagne is, dan is het de vraag hoeveel van de meer dan 20.000 rokers door de zes schildersezels op drie achtereenvolgende dagen bereikt worden.

Het tweede bezwaar is van zwaarder kaliber. Wie van de medewerkers bij de gemeente Arnhem onder coördinatie van de verantwoordelijke wethouder Bob Roelofs haalt het in het hoofd om een kunstwerk ‘af te laten maken’ door er een sigarettenpeuk op uit te laten drukken? Is dat op het stadhuis overlegd met Culturele Zaken en Museum Arnhem?

Om wat voor kunstwerk gaat het en waarom wordt het een kunstwerk genoemd als er peuken op uitgedrukt kunnen worden? Wat voor beeld geeft dat van een kunstwerk als het met zoveel woorden tot deel van een campagne wordt gemaakt om er een peuk op uit te drukken?

Het bericht geeft geen duidelijkheid over welk kunstwerken het gaat en of het wel een echt kunstwerk is. Het bericht daarover is vaag: ‘Om Arnhemmers hiervan bewust te maken, zet de gemeente interactieve kunst in. Rokers kleuren de schilderijen verder in door hun sigaret op het kunstwerk uit te drukken‘. Tja, rokers kleuren hun longen verder in door er nog een op te steken.

Als Arnhemmers hun peuk op een kunstwerk moeten uitdrukken, zoals de gemeente in de publiciteit communiceert, dan is er inderdaad sprake van interactieve kunst én community art. Inwoners worden er bewust bij betrokken.

De gemeente Arnhem reduceert een kunstwerk tot iets om een peuk op uit te drukken. Kunst wordt door de gemeente Arnhem op dubieuze wijze ingezet voor een maatschappelijk doel. Ofwel, Wrongly Made in Arnhem.

Eric Bos heeft het mis met de vraag of kunst een gelovige oorsprong heeft

Schermafbeelding van deel columnWe zien de religieuze schoonheid van een heiïg landschap. Heeft kunst per definitie een gelovige oorsprong? | Kunst kijken met Eric Bos‘ in DVHN, 4 maart 2026.

Eric Bos (1942) heeft een kunstcolumn in het Dagblad van het Noorden. Vandaag ging z’n column over het eerste nummer van 2026 van Kunstschrift dat als thema geloof en schoonheid heeft. Een interessant onderwerp met valkuilen.

Bos vraagt zich in z’n column af of kunst per definitie een religieuze oorsprong heeft. Het is onbegrijpelijk hoe hij dat probeert te verklaren als hij zegt ‘dat onze schoonheidsbeleving én geloofsbeleving in onze hersenen ongeveer in hetzelfde gebied liggen‘. Als dat zo is, dan kan het evengoed dat religie per definitie een kunst oorsprong heeft. Bos redeneert selectief.

Waarom vraagt Bos zich af of kunst uit religie volgt en vraagt hij zich niet af of religie uit kunst volgt? De beste historische verklaring is dat kunst en religie uit dezelfde bron putten. Ze hebben elkaar beïnvloed, maar geen van de twee volgt uit de ander. Verbeelding van het onbenoembare en boventijdruimtelijke is de overeenkomst.

In een commentaar uit 2019 schreef ik het volgende:

De godsdiensten zijn niet zozeer een verzinsel van mensen, maar een constructie. Want het begrip verzinsel bevat de notie ‘dat het niet waar hoeft te zijn’ en dat gaat aan de essentie ervan voorbij. Maar de constructie is waar, zoals narratieve constructies als vertellingen of films altijd hun eigen logica en waarheid hebben. Binnen die fictieve constructie zijn ze waar. Zo is God binnen de constructie van een godsdienst waar en bestaat deze God.
Deze redenering heeft een historische onderbouwing en kent parallelle ontwikkelingen. Zowel het drama als religie putten uit dezelfde bron. Namelijk het ritueel. Historische theaterwetenschappers leggen dat ontstaan in grotten waar onze verre voorouders bij elkaar kwamen om in bezweringen en plechtige handelingen door zingeving en troost de harde werkelijkheid op afstand te houden en de eigen sterfelijkheid te relativeren. Om dat te plaatsen in de tijd, de oudste rotsschilderingen uit de grot van Lascaux worden gedateerd op 15.000 jaar voor Christus.
(...) Het heeft sinds de oertijd van Lascaux ruim meer dan 10.000 jaar geduurd voordat religie en theater zich beslissend van elkaar gingen onderscheiden. In die overgangstijd hebben ze parallel gelopen, van elkaar geleend en elkaar versterkt. De functies van theater en religie die nu als afwijkend van elkaar worden gezien zijn in die tussentijd steeds verder hun eigen weg gegaan door detaillering en specificatie. Zowel in het theater als de religie is die gemeenschappelijke bron van het ritueel nog te herkennen, maar door allerlei ontwikkelingen binnen die twee genres zijn ze losser komen te staan van hun eigen ontstaan.

Ook Bos’ opmerking over een conceptueel kunstwerk op een plankje slaat de plank mis. Waar concludeert hij uit dat we bij een conceptueel kunstwerk ‘nauwelijks tot niets voelen‘? Dat is een normatieve impressie van Bos aan de hand van een opvatting die schoonheidsbeleving boven andere benaderingen van kunst stelt. Maar zelfs dan kan een conceptueel kunstwerk allerlei gevoel oproepen dat via een rationele omweg toch aansluit bij esthetiek. Het ligt ingewikkelder dan Bos ons wil laten geloven.

Uit het drama zijn na verloop van tijd andere kunstvormen ontstaan of ontwikkeld. Zoals muziek, beeldende kunst, dans en literatuur. Kunst heeft ‘per definitie‘ geen gelovige oorsprong. Wie dat historisch meent maakt kunst ondergeschikt aan religie én begrijpt niet wat godsdienst in haar vroegste, rudimentaire fase was.

Hoe dienen overheden te oordelen over kunst?

Afbeelding in artikel ‘WHY DO AUTHORITARIAN GOVERNMENTS HATE ART?’ van Gippy op Krautart, 10 mei 2025.

Vrijheid van kunst is een lastig onderwerp. Kan het bestaan? En belangrijker, hoe kunnen we meten of het wel of niet bestaat? Laat het uitgangspunt zijn dat de kunst in volle vrijheid moet kunnen bestaan.

Als (het ontbreken van) vrijheid en kunst in één adem worden genoemd, dan wordt er doorgaans mee bedoeld dat de politiek zich ‘er niet mee moet bemoeien‘. Vervolgens wordt in Nederland steevast verwezen naar de liberale staatsman Thorbecke die midden 19e eeuw zei dat kunst geen regeringszaak is omdat ‘de Regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst‘.

Dat is een redenering waar ook toen al kritiek op kwam omdat die onhoudbaar zou zijn. Want een regering of overheid die musea onderhoudt, een staatscollectie aanlegt of kunstenaars steunt moet wel degelijk over kunst oordelen omdat er liefst kwalitatieve keuzes gemaakt moeten worden.

Ook economische redenen kunnen de vrijheid van kunst inperken. Een film die te duur is om te produceren, een boek dat niet gedrukt kan worden omdat in een land in problemen geen papier voorradig is of een theatergezelschap dat geen geschikte zaal kan vinden om een stuk te spelen. Uiteraard kunnen economische redenen als censuur ingezet worden door de politiek die dan vervolgens kan ontkennen dat het zich met de kunst bemoeit.

Het is duidelijk dat in de kunsten de kaf van het koren gescheiden moet worden. Maar hoe doe je dat? Een oplossing is het instellen van een jury, er vakmensen voor te benoemen en ze volgens met een kwantificeerbaar en achteraf controleerbaar protocol aan de slag te laten gaan in hun oordeel over kunstenaars, kunstinstellingen of kunstobjecten in hun vakgebied.

Daarmee lijkt het gedonder vooral te worden gevoed. Kritiek op jury’s is onlosmakelijk verbonden aan de kunst. Die komt vooral van kunstenaars die zich buiten de boot voelen vallen, zoals een schrijver die niet op een longlist van de Libris Literatuurprijs staat tegen de jury ‘‘Flikkeren jullie toch een eind op!’ zegt. Wat precies zijn kritiek was maakt de schrijver niet duidelijk.

Het kan ook breder als een jury van een Duits filmfestival onder leiding van voorzitter Wim Wenders zegt dat de jury buiten de politiek moet blijven. Als argument gaf Wenders dat films de wereld kunnen veranderen, maar niet op een politieke manier. Dat is een prima verdedigbaar standpunt, maar tegelijkertijd is de twijfel gezaaid of het festival een politiek debat over Gaza en Israël er niet mee uit de weg wil gaan.

In Nederland zouden overheden buiten de politiek moeten blijven, maar dat gebeurt onvoldoende. Daar valt winst te behalen. Steen des aanstoots is vooral de beperkte en foute toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie waarmee de rijksoverheid via semi-overheidsfondsen politieke sturing geeft. Het laat instellingen in de houding springen om de geldgever te behagen en ‘bij de tijd‘ te blijven in het personeels-, programmerings-, of aankoopbeleid. Dat is ver verwijderd van wat Thorbecke bedoelde.

Culturele instellingen gingen de laatste jaren onder zachte dwang van de politiek die zich vertaalde in de opstelling van het Mondriaan Fonds en andere subsidieverstrekkers aan de slag met het diversiteitsbeleid. Soms was het een papieren werkelijkheid waarin ze zich verschansten, maar soms was het werkelijk toegeven aan de druk van de overheid op de kunsten. Politici moeten zich niet met kunst bemoeien, maar bewindslieden en overheidsambtenaren evenmin via beleidsvoorwaarden die ze afdwingen.

Jammerlijk is dat de kritiek op dat sturende kunstbeleid van de overheid vooral komt van rechts, en dan vooral van ultrarechts. Op 19 januari 2026 leverden rechtse kamerleden in een commissievergadering collectief kritiek op wat zij als inmenging van de overheid in de kunst zien.

In zijn bijdrage zei PVV’er Martin Bosma het volgende: ‘Kunst moet vrij en ongeremd zijn. maar in plaats daarvan hebben allerlei politiek correcte ministers en staatssecretarissen allerlei diversiteitsvoorwaarden opgelegd aan kunstinstellingen. Ze moesten die ondertekenen, want anders kregen ze geen geld‘.

Hoe lastig het onderwerp vrijheid en kunst is maakte Bosma diezelfde dag duidelijk toen hij een motie indiende (die niet aangenomen werd) met de tegenovergestelde strekking. Hij pleitte voor inmenging van de regering door organisaties die Israël boycotten geen subsidie meer te geven. Dus of rechts het serieus meent of alleen maar tegen de vermeende linkse kerk wil schoppen valt te bezien.

Het zal velen verrassen, maar FVD’er Peter van Duijvenvoorde opereerde afgelopen week in een wat filosoferende bijdrage subtieler in het begrotingsdebat OCW in de Tweede Kamer. Hij pleitte ervoor om kunst geen drager van ideologie meer te laten zijn, en ‘cultuur te depolitiseren‘. Hij vraagt terughoudendheid van de politiek inzake onderwijs, cultuur en wetenschap.

Toch is zijn verhaal te algemeen en biedt het nog steeds geen oplossing voor de vraag hoe overheden met hun subsidies en hun ambities om kunst te steunen verantwoorde keuzes maken in dat brede kunstenveld. Want die moeten gemaakt worden omdat een oordeel een voorwaarde is om te kiezen tussen wat wel en niet de moeite waard is.

Hoe kan dat oordeel geobjectiveerd en gedepolitiseerd worden? Als rechts niet langer in de aanval gaat en links in de verdediging, dan kan wellicht ooit vanuit (het belang van) de kunst beredeneerd worden hoe overheden erover dienen te oordelen.

Welzijn is geen kerntaak van musea, maar van zorgsector

Schermafbeelding van deel artikel ‘NEMO publiceert nieuw rapport over welzijn in het museum’ van Katrijn d’Hamers

Dat musea (en erfgoedinstellingen) door zorgsector en samenleving een rol toebedeeld krijgen op het gebied van welzijn, zorg en herstel is niet nieuw. Wel nieuw is dat de musea die actieve rol zelf opzoeken en opeisen. Vraag is of musea daar verstandig aan doen.

Het berichtNEMO publiceert nieuw rapport over welzijn in het museum‘ van FARO (Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed) besteedt aandacht aan de welzijnsrol die musea op zich kunnen nemen. NEMO staat voor Network of European Museum Organisations dat in december 2025 het rapport Art, healing and museums heeft gepubliceerd.

Het bericht van FARO dat verslag doet van de bevindingen van NEMO in genoemd rapport besteedt uitgebreid aandacht aan het programma No Words van de National Gallery of Ireland. Dat is ‘het eerste structurele, museumgebaseerde kunstpsychotherapieprogramma in Ierland en richt zich op mensen die trauma, geweld, sociale uitsluiting of migratiestress ervaren‘.

Om dat te realiseren worden een betrekkelijk nieuw beroep opgewaardeerd: de kunsttherapeut. FARO omschrijft de functie daarvan als ‘Die bewaakt de psychologische veiligheid, ontwikkelt de methodiek, begeleidt de groep, stuurt de emotionele dynamiek en fungeert als brug tussen de museale wereld en de zorgsector.’ En: ‘Daarnaast helpt de kunsttherapeut het museum om op een ethische en effectieve manier om te gaan met trauma, inclusie en kwetsbare publieken.

Het is onduidelijk of de kunsttherapeut als intermediair tussen zorg- en museumsector in de eerste plaats een verlengde van museum of zorginstelling is.

FARO lijkt in navolging van NEMO het ‘kunstpsychotherapieprogramma‘ te zien als middel voor groei én het vergroten van de maatschappelijke relevantie van musea door in te zetten op het welzijnsaspect. En kan men tussen de regels door lezen, het vergroten van het eigen budget doordat musea door de afslag te nemen naar het welzijnsaspect fondsen uit de zorgsector kunnen aanboren.

Het probleem met dit soort rapporten is dat ze steevast uitgaan van een beperkte opvatting van musea en kunst die daar getoond wordt. Museumkunst wordt bij voorbaat getemd en gefatsoeneerd om in het frame van een veilige omgeving te passen. Musea worden daartoe als rustgevend, stabiel, ‘waardig‘ en veilig voorgesteld.

Maar dat zijn musea per definitie niet. Kunst in musea kan ontregelen, verwarren en hoeft niet altijd tot een sluitende betekenis te leiden dat kwetsbare, getraumatiseerde mensen door het aangeboden kunstpsychotherapieprogramma voert.

Zo beredeneerd kan men stellen dat zo’n programma eerder een verlengde van de zorgsector is dat een uitstapje naar de museumsector maakt, dan dat het een structurele toevoeging aan musea is. Ofwel, de kunsttherapeut kan met specifieke beperkende afspraken ruimte in een museum huren zonder dat het programma geïntegreerd wordt in de museale organisatie. Want dan zouden musea zich programmatisch en qua sfeer moeten beperken in wat ze zijn.

Zo’n kunstpsychotherapieprogramma kan een verrijking voor de zorgsector zijn omdat het kwetsbare mensen incidenteel in een museale omgeving plaatst. Voor de museumsector zitten aan zo’n programma echter nadelen die niet opwegen tegen de voordelen van een verhoogd budget en toegenomen maatschappelijke relevantie. Hoewel sommige musea de verleiding niet zullen kunnen weerstaan om zich maatschappelijk te profileren.

Musea die zich teveel verbreden moeten echter oppassen om activiteiten in zich op te nemen die slecht passen bij de eigen bedrijfstak. Zodat het museum voor een karretje gespannen wordt waarmee het het bos ingestuurd wordt. Het zou gewenst zijn als FARO of NEMO in hun publicaties dit besef signaleren van overstrekken in de richting van de zorg- en welzijnssector.

Moet museumbezoek rendement hebben voor persoonlijke ontwikkeling? Reactie op een opinie van Anja van den Hurk

Schermafbeelding van deel gastopinieVerrijk jezelf door vaker een museum te bezoeken‘ van Anja van den Hurk in het BD, 17 januari 2026.

Heeft het zin voor jezelf om (vaker) een museum te bezoeken? Ik heb geen idee. Ik bezoek al decennia lang musea, maar zou niet durven zeggen dat het me verrijkt heeft. Of in elk geval niet meer dan het bezoek aan een kunstgalerie, supermarkt, kerk, stadsbuurt of kroeg. Of het lezen van een boek of krant. Hoe moet je trouwens meten of je door iets verrijkt wordt?

‘Cultuurliefhebster’ Anke van den Hurk denkt daar anders over. Zij schrijft in de gastopinieVerrijk jezelf door vaker een museum te bezoeken‘ in het BD van 17 januari 2026 dat ‘Wie regelmatig een museum bezoekt een bredere blik op de wereld krijgt.’ Ze meent zelfs dat mensen zich dat door stijgende inkomens vaker kunnen veroorloven.

Ze heeft een selectieve blik die kan kloppen, maar ook niet kan kloppen. Ze vergeet haar opinie af te grenzen. Ze voert drie argumenten op,

Ten eerste is een museumbezoek een investering in persoonlijke ontwikkeling. Van den Hurk: ‘Bezoekers leren er over geschiedenis, kunst, wetenschap en cultuur op een toegankelijke en visuele manier.’ Dat zou uiteindelijk leiden tot ‘reflectie en het overwegen van verschillende perspectieven, wat bijdraagt aan een bredere blik op de wereld.

Van den Hurk maakt een museumbezoek therapeutisch en schools educatief. Dat kan zou zijn. maar hoeft het niet te zijn. Een presentatie in een museum kan ontregelen. desoriënteren of verwarren. Dan is het maar net de vraag wat dat per saldo oplevert voor de persoonlijke ontwikkeling van de bezoeker.

Ten tweede is een museumbezoek ‘een ontspannen en inspirerende activiteit. Bezoekers kunnen zich verwonderen over kunst en komen er in contact met gelijkgestemden. Bovendien hangt er vaak een ontspannen en aangename sfeer, wat bijdraagt aan ontspanning.’

Niet in alle musea is kunst te zien. Er zijn ook historische of thematische musea zonder kunstobjecten. Dat kan bij de bezoeker tot onrust en onzekerheid leiden. Neem een historisch museum over oorlog en vervolgingen. Dat leidt tot het tegendeel van een ontspannen en aangename sfeer.

Het is de vraag hoe bezoekers in contact komen met gelijkgestemden. Wie in museumzalen de bezoekers ziet die een audiotour volgen en volkomen geïsoleerd rondlopen vraagt zich af hoe die met anderen contact leggen. Ze lijken tijdens de audiotour zelfs zichzelf kwijt.

Ten derde is een museum een leuk en schermvrij uitje voor en met kinderen. Van den Hurk: ‘Musea bieden daarentegen een unieke, zintuiglijke leeromgeving waarin kinderen actief worden gestimuleerd tot fantasie, reflectie en interactie. Door hands-onactiviteiten, echte objecten en gezamenlijke ontdekkingstochten leren kinderen weer écht kijken en de wereld buiten het scherm ervaren.’

Die opinie staat haaks op de ontwikkeling van musea waarin bezoekers niet zozeer informatie of kennis, maar een ervaring of beleving wordt geboden. Dat gebeurt via touchscreens, computers en beeldprojecties. Vaak zijn museumpresentaties, ook van moderne en hedendaagse kunst, zo’n overkill van beelden en geluiden dat de bezoeker overbodig geprikkeld wordt.

Van den Hurk besluit: ‘Persoonlijke ontwikkeling, ontspanning en schermvrije tijd: ik kan niet anders concluderen dan dat een museumbezoek een uitstekend idee is!‘. Dat laatste ben ik niet met haar oneens, maar haar argumentatie kan beter en ziet er selectief en niet solide uit.

De stap die Van den Hurk zet is dat ze vindt dat een museumbezoek iets op moet leveren voor de persoonlijke ontwikkeling. Maar waarom moet een vrijetijdsbesteding profijt hebben? Waarom moet een museumbezoek rendement hebben en kan het niet gewoon een tijdspassering zijn zonder nut en resultaat?

Datzelfde rendementsdenken werd op 17 januari 2026 behandeld in Nieuwsweekend op NPO Radio 1. Hoogleraar arbeid, organisatie en werk-privé vraagstukken Laura den Dulk deed verslag van haar onderzoek naar positieve effecten van het hebben van hobby’s op werk. Volgens haar moeten hobby’s leiden tot persoonlijke ontwikkeling en meer geluk.

Het lijkt er sterk op dat een museumbezoek niet zomaar mag bestaan, maar een hoger doel moet hebben. Die door deskundigen die zich er als expert voor opwerpen voor ons wordt bepaald. Dat lijkt me ongewenst en onnodig. Museumbezoek hoeft geen rendement te hebben.

Ontoereikend rapport ‘Vooruitgang door verbeeldingskracht – de noodzaak van een sterke culturele sector’ van Triodos Bank

Schermafbeelding van deel rapportVooruitgang door verbeeldingskracht – de noodzaak van een sterke culturele sector’ van Triodos bank, 6 januari 2026.

Tot de kerntaak van een bank behoort het aanbieden van diensten als betalen, sparen, beleggen en hypotheken, én het investeren van geld in projecten en bedrijven. De Triodos Bank is zo’n bank die dat op een duurzame en ethische manier doet.

Op 6 januari 2026 publiceert de Triodos Bank het rapportVooruitgang door verbeeldingskracht – de noodzaak van een sterke culturele sector’. Wat het ermee wil bereiken lijkt duidelijk, als bank een voet aan de grond in genoemde sector zetten. Of het belang erin uitbreiden.

Het rapport roept gemengde gevoelens op. Zinvol is het pleidooi om meer geld te investeren in wat het de culturele sector noemt. Ook is het positief om verbeeldingskracht een grotere rol te geven. Want bestaande oplossingen schieten vaak tekort. Er zijn nieuwe vergezichten nodig. Tevens wordt gewezen op de grenzen aan marktwerking en commercie die tot conservatisme leidt. Experiment en falen moeten bevorderd worden. Dat klinkt aannemelijk, maar hoe wordt dat vertaald?

Minder navolgbaar is de begripsverwarring over wat die sector is en hoe die begrensd wordt. Het rapport rekt het begrip zover op dat het nog de vraag is waar het om gaat. Tevens wordt alles in een economische mal gegoten.

Het rapport probeert weliswaar te onderscheiden, maar gooit toch de begrippen kunsten, culturele sector of cultuur, creatieve sector en gerelateerde sector (onder meer reclame, consumenten elektronica en toerisme) op één hoop. Met als doel om al deze sectoren op te laten tellen tot een macro-economisch getal dat het belang ervan moet benadrukken. Te weten een sector die 5,3% van de totale Nederlandse werkgelegenheid uitmaakt.

Wat zegt het als rijp en groen in één sjabloon worden gepast? Kunstenaars en creatievelingen worden onder één noemer gebracht. Het toont geforceerd dat beeldende kunst en reclame, podiumkunst en onderwijs, letteren en media, erfgoed en audiovisueel vanuit hun bijdrage aan de economie in een mal worden gewrongen. Dat maakt het rapport niet alleen onbegrijpelijk, maar kwalijker is dat het kunst een functie geeft waarvan het de vraag is of het die bezit.

Nou hoeft de uitspraak van Oscar Wilde niet gevolgd te worden die zegt dat een kunstwerk nutteloos is zoals een bloem nutteloos is. Kunst zou alleen gaan om schoonheid en het creëren van stemming. Als men breder kijkt, dan kan kunst op immateriële wijze toch belangrijk zijn. Zoals reflectie op de samenleving, stimulering van het denken of het overbrengen van complexe waarheden. Hoe hoogdravend dat laatste ook klinkt.

Direct praktisch nut moet echter niet aan kunst toegerekend worden. Want dan wordt kunst ondergeschikt gemaakt aan maatschappelijke, economische of politieke doelen waarmee degene die dat in een formule probeert te vatten kunst onderwerpt door het voor het eigen karretje te spannen.

Het rapport doorziet deze valkuil doordat het die probeert die te ondervangen door nuanceringen die zeggen niet ‘enkel in economische tremen te denken’, maar wat zijn deze overwegingen waard als de conclusie de andere kant op wijst? Uiteindelijk redeneert deze bank toch in economische termen vanuit haar kernactiviteit. Het rapport valt uiteindelijk in de valkuil.

Het rapport economiseert en vermaatschappelijkt de kunst. Hoe goed bedoeld het ook is. Aan kunst moet echter niet te veel waarde en functies toegekend worden. Want dan houdt kunst op kunst te zijn. Dan wordt kunst een bijwagen van wat anders.

Neem de opmerking in de Conclusie op p. 25: ‘Culturele instellingen, makers en creatievelingen dienen hun maatschappelijke impact actief zichtbaar te maken, samen te werken en te investeren in duurzame bedrijfsvoering en financiële geletterdheid‘. Dat wordt ingeleid door de opmerking dat de sector (waar kunst ook toe behoort) geïntegreerd moet worden in ‘bredere beleidsdoelstellingen zoals duurzaamheid, gezondheid, onderwijs en sociale inclusie‘. Dat is de doodsteek voor autonome kunst die gered moet worden door het op te sluiten in een keurslijf.

Gedachten na bezoek aan PAN 2025

Young Aboriginal dancers rehearse in Darwin for the 1970 North Australian Eisteddfod. Since 1963, an Aboriginal dancing section has been included in the Eisteddfod in Darwin.

Hoe erg kan het zijn? Wat is er voor nodig om door de bomen het bos te kunnen zien? Dat schiet me in gedachten nadat ik vandaag de Kunstbeurs PAN in Amsterdam Rai heb bezocht. Waar steeds meer galeries met hedendaagse kunst te zien zijn. Maar wat voor kunst is dat?

De foto van de dansende aboriginals met zwarte onderbroek was er trouwens niet te zien. Het geeft een idee hoe vals iets kan zijn dat als kunst of in een kunstomgeving wordt gepresenteerd. De foto kan met zwarte lijst besteld worden via internet. Waarom zou je dat doen?

Het is moeilijk voor wie het niet ziet. Dat klinkt als een wijsheid van Johan Cruyff. Of wellicht kun je evengoed zeggen dat het makkelijk is voor wie het niet ziet. Ook op de PAN wordt er veel getoond dat beter niet gezien kan worden. Dat is de vermeende brede keuze die bestaat uit kunst en iets voor een breed publiek. Blijkbaar kan het een niet zonder het ander.

Enfin, de jonge kunstenaar Koen Kievits lag ’s nachts in bed en keek naar het plafond. Zo simpel kan het zijn. Dat kunstwerk kan ik vanaf vandaag in mijn eigen slaapkamer hangen. Vier losse, samengevoegde multiplex panelen die net niet op elkaar aansluiten. Over een plek moet ik nog nadenken. Zo simpel is kunst nou ook weer niet.

Koen Kievits, ‘When I lay in bed at night’ – 2024 Oil on plywood (4) 43 x 28 cm

Naar musea gaan kan het welzijn verbeteren, zo blijkt uit Brits onderzoek. Echt?

Schermafbeelding van deel artikelPicture of health: going to art galleries can improve wellbeing, study reveals‘ van Andrew Gregory in The Guardian, 28 oktober 2025.

Op het eerste gezicht lijkt een gezondheidsonderzoek onder 50 mensen te klein om daar vergaande conclusies aan te verbinden. Eigenlijk zijn het er 25 omdat de helft een controlegroep is. Het gaat om een onderzoek waarvan afgewacht moet worden wat de wetenschappelijke waarde is.

Volgens een verslag van 28 oktober 2025 van gezondheidsredacteur Andrew Gregory in The Guardian kan het bekijken van originele kunstwerken in een museale omgeving stress verlichten, het risico op hart- en vaatziekten verminderen en het immuunsysteem versterken.

Toe maar. Geldt dat in alle situaties of alleen in een ideale laboratoriumsituatie? Wat waren de omstandigheden? Ooit in de zaal van een museum geweest waar pratende, voordringende bezoekers met hard klinkende audiotours op hun hoofd ervoor zorgen dat men de focus niet op het kunstwerk kan richten?

Het is de eerste studie in zijn soort. Een van de opdrachtgevers is het Britse Art Fund. Het verstrekt subsidies en fungeert als kanaal voor vele schenkingen en legaten, en lobbyt ook namens musea en galerieën en hun gebruikers. De studie kan gezien worden als middel om de beeldvorming over musea een impuls te geven.

Kan de doorsnee bezoeker beoordelen of een kunstwerk wel of niet origineel is? In bepaalde gevallen kunnen kunsthistorici dat niet eens. Dus wat doet het ertoe of een kunstwerk origineel is? Belangrijker lijkt dat de bezoeker denkt dat het origineel is.

Wat dubieus lijkt aan het onderzoek is dat kunst in het museum ingezet wordt voor doelen waar kunst niet voor bedoeld was. In dit geval wordt impressionistische kunst een verlengde van de gezondheidszorg.

Kunst is goed voor u‘, kan de nieuwe slogan worden. Niet omdat kunst aanscherpt, iemand even net iets anders naar de realiteit laat kijken of vanzelfsprekendheden ter discussie stelt, maar precies het omgekeerde. Kunst krijgt dan de functie van hulpverlening, de druk van de ketel halen, kalmering en het herstellen van vrede en orde.

Zo wordt kunst vanuit de zorgsector gespiegeld, anders dan de kunstenaar voor ogen stond. De kunst als therapie van Vincent van Gogh wordt therapie voor bezoekers. Het lijden van Van Gogh vergroot hun geestelijk welbehagen.

Het onderzoek roept de vraag op of er een toekomst is waarin musea samenwerken met zorgverzekeraars, psychiatrische instellingen, ziekenhuizen, farmaceutische industrie en gezondheidsconglomeraten? Worden de bouwstenen met dit onderzoek gelegd of blijft het bij een vruchteloze poging om beeldvorming over musea positief te beïnvloeden?