Niets makkelijker dan pacifist zijn in vredestijd. Niets moeilijker dan het te zijn in oorlogstijd. Is dat misschien de reden waarom pacifistische stemmen zo afwezig zijn in onze media?
Te oordelen naar de vele reacties die ik kreeg op onderstaand stuk (gisteren in een andere versie verschenen in De Standaard) helemaal niet. Veel meer mensen dan we denken stellen zich vragen bij het oorlogsgeweld en de oorlogsretoriek die vandaag bon ton lijkt te zijn in politieke hoofdkwartieren (waar bijvoorbeeld een Theo Francken er zijn hand niet voor omdraait om met terugwerkende kracht zijn woorden aan te passen wanneer de dingen toch een beetje anders uitdraaien dan gedacht: een minister herschrijft de geschiedenis terwijl we er bij staan, maar er wordt nauwelijks een zaak van gemaakt.)
Zoals ik al schreef in mijn boek ‘Weg van het systeem’ (Uitgeverij Vrijdag/Pelckmans) is een systeem dat van de ene crisis naar de andere sukkelt dringend aan herziening toe. Dan is een restauratie ervan het laatste wat we moeten willen. Toch is het precies dat wat vandaag het discours is bij politici (soms zelfs van zogenaamd progressieve komaf) en bij de meeste media. Ze zijn – de eersten moedwillig, de tweeden uit kortzichtigheid – blind voor het feit dat crisissen niet de uitzondering zijn maar onderdeel uitmaken van ons economisch en politiek regime. Wie daar meer over wil weten, raad ik de lectuur van Naomi Kleins ‘De shockdoctrine’ aan: grote, door het regime zelf georganiseerde shocks worden aangegrepen om te besparen en te reorganiseren. Begint er iets te dagen?
Wie een andere, rechtvaardiger samenleving wil, moet niet ten oorlog trekken, maar ten vrede. Wie dat naïef vindt, nodig ik uit om vandaag even de krant ter hand te nemen en te kijken waar het beleid van de ‘realisten’ ons vandaag gebracht heeft.

Wat startte als een ‘gerichte’ aanval op Iran zaaide in drie weken uit tot een slagveld met meer dan tien betrokken en dus ook getroffen landen. Als dit zich enkele duizenden kilometer meer naar het westen afspeelde, hadden we het vandaag al over de Derde Wereldoorlog. Voorlopig houden we het op ‘de oorlog in het Midden-Oosten’.
Het begon met de moord op ayatollah Khamenei en trawanten die werd geframed als de instantbevrijding van de Iraniërs. Het enige wat de onderdrukte burgers nog moesten doen, was op straat komen. Maar mogelijk was er voetbal op televisie, want ze deden het niet of nauwelijks.
Het narratief evolueerde naar een hoofdstuk ‘Oorlog als ongemak’. We kregen beelden van landgenoten – gestrande toeristen, expats en fiscale vluchtelingen – die zich in luxueuze hotelkamers beklaagden over een uitblijvende dan wel te omslachtige of te dure repatriëring. Maar eind goed, al goed. Achteraf getuigden enkelen ‘nu pas te beseffen wat oorlog echt betekent’: ze hadden de rookwolken met eigen ogen gezien. Soms worden bubbels transparant.
Intussen zette de conflictmetastase door, overzichtelijk in beeld gebracht met kaartjes die konden komen uit een Zeeslagspel. De oorlog als game, met een Amerikaanse president die daadwerkelijk ‘voor de fun’ schepen tot zinken bracht. Geen van zijn bondgenoten riep hem tot de orde. Daddy heeft zijn eigenaardigheden, daar moeten we mee leven. Wel was er de verbazing, soms zelfs de verontwaardiging, dat Iran terugsloeg en zich daarbij niet aan het draaiboek hield.
Vorige week belandden we in een nieuwe fase. Daarin breekt af en toe de reële gruwel door, maar nooit voor lang. Aanvallen op woonwijken, markten, scholen, ziekenhuizen, ambulances, hulpverleners en journalisten verschrompelen tot faits divers bij de massale aandacht voor de vernietiging van tankers en olie- en gasinstallaties.
Het aantal menselijke slachtoffers en gewonden wordt terloops vermeld, als een abstract en voorbijgaand neveneffect. Over de gigantische milieu- en klimaatschade op korte en lange termijn wordt niet gerept. Dat is spielerei voor in naïeve vredestijden. In plaats daarvan wordt de aangerichte schade consequent vertaald in financiële en economische termen: de verwachte effecten op de beurs en op de energieprijzen en wat de uiteindelijke gevolgen zullen zijn voor ‘de consument bij ons’.
Ocharme wij
Ziedaar de baseline van deze oorlog: niet de gewone Palestijnen, Libanezen of Iraniërs – om maar die te noemen – zijn de grootste slachtoffers van de criminele capriolen van twee leiders op de loop voor het gerecht. Nee, dat zijn wij. Zo wordt ongemakkelijk medelijden met duizenden dode, tienduizenden gewonde en miljoenen ontheemde en getraumatiseerde mensen omgezet in makkelijke mercantiele bezorgdheid over de consequenties voor onze koop- en concurrentiekracht. Prijsstijgingen worden het meest zichtbare en schijnbaar belangrijkste gevolg van de oorlog.
Zo ontstaat het beeld dat met die oorlog niks mis zou zijn als die vervelende prijsstijgingen er maar niet waren. Dan wordt het een kwestie van ‘gezond verstand’ om de normalisering van de relaties met een agressor te bepleiten. Dan wordt de organisatie van een kindvriendelijke wapenbeurs plots een logische manier om bij jongeren ‘burgerzin’ aan te kweken. Enkele maanden geleden zou dat nog algemene verontwaardiging hebben uitgelokt. Vandaag wordt het geaccepteerd als de natuurlijke gang van zaken.
Perverse economie
De prijs aan de pomp is de belangrijkste indicator geworden van de gezondheid van onze economie. En ‘dus’ ook van onze maatschappij. De neoliberale markteconomie is geen afgeleide van de behoeften van de samenleving, wel omgekeerd: de laatste wordt geboetseerd naar de behoeften van de eerste. Ook wanneer die verandert in een oorlogseconomie die publieke dienstverlening ondergeschikt maakt aan beweerde militaire noden. De besparingen op openbaar vervoer, onderwijs, zorg, sociale huisvesting, pensioenen en langdurig zieken worden verkocht als ‘noodzakelijk’ – zelfs wanneer dat leven zich moet behelpen met een leefloon onder de armoedegrens.
In de publieke perceptie is er een kortsluiting ontstaan waardoor ‘besparingen’ en ‘noodzakelijke’ als een siamese tweeling verstrengeld zijn geraakt. Met uitzondering dan wanneer het gaat over gevechtsvliegtuigen, drones, munitie, soldaten aan stations en synagogen, vrachtwagens in camouflagekleuren en gesofisticeerde afweersystemen tegen mensen op de vlucht voor oorlogen die wij niet eens durven afkeuren.
Het is geen kwestie van geld. Het is een keuze. Van destructie boven constructie. We besparen op samenlevingsopbouw en ‘investeren’ in potentiële en almaar vaker ook feitelijke vernietiging. Zo wordt het eerst opgeofferd wat we beweerden te verdedigen: de verzorgingsstaat, de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten, kortom: onze normen en waarden.
Vrij naar Bill Clinton: it’s the stupid economy. Een door ‘vrije’ markten gedicteerde economie is amoreel: elke behoefte is legitiem, als ze zich maar als een economische vraag presenteert. De stap van amoreel naar immoreel is vervolgens slechts een kwestie van tijd. Zwaarden of ploegscharen? Geen belang, zo lang ze maar winst opleveren.
Wie zich vastklampt aan een economie die ons reduceert tot onmondige slaafjes van gewetenloze gekken, getuigt niet van realisme, maar van een tekort aan verbeeldingskracht. ‘Wat als er geen zon is en geen wind?’ heette het tot voor kort. De vraag had moeten luiden: ‘Wat als er geen straat van Hormuz, geen Suezkanaal of geen olieproductie in het Midden-Oosten is?’ Maar dat konden we ons niet inbeelden.
Waar willen we naartoe?
Elke crisis is een kans, houden managementboekjes ons voor. Onze politici hebben ze duidelijk niet gelezen. Ze blijven hangen bij het ‘tijdelijk’ loslaten van klimaat-, milieu- en gezondheidsnormen. Alsof klimaat, milieu en gezondheid eventjes in de koelkast kunnen worden gezet. Het is paniekvoetbal dat pijnlijk blootlegt hoe onze weigering om het systeem planmatig te veranderen ertoe leidt dat het bij elke crisis ongecontroleerd vastloopt.
Zo missen we quickwins zoals ‘tempo 100’ op snelwegen: winst voor de portemonnee, de veiligheid, het klimaat en zelfs de files. Maar het is een taboe, alsof ‘vrijheid’ pas begint boven 100km/u. Daardoor maken we ook geen werk van sociaal gecorrigeerd rekeningrijden, hoewel iedereen weet dat het verstandig zou zijn. Liever spenderen we miljarden aan individueel vervoer in overgedimensioneerde salariswagens dan aan ruimte- en energiesparend openbaar vervoer. Thomas Piketty verklaart die neiging om alles aan de vals neutrale markt over te laten door ‘de angst voor democratische deliberatie’. De markt is gepretendeerde frictieloosheid. Debat is ongemak.
Heeft het zogenaamde realisme van ‘haalbaar en betaalbaar’ ons ook maar één stap dichter bij het ‘goede leven’ gebracht? Zijn we minder kwetsbaar voor de grillen van autocraten? Is er nu minder antisemitisme? Zitten we op koers om de in Parijs afgesproken 1,5°-grens te respecteren? Of stevenen we af op +2°, een verschil, zoals filosoof Roman Krznaric ons voorrekent, van 150 miljoen klimaatdoden, het equivalent van 25 holocausts? Zijn er minder vluchtelingen? Is het leven van iemand rijker geworden, een handvol techmiljardairs en wapenhandelaars niet te na gesproken? Met ‘business as usual’ verliest vrijwel iedereen. Met alleen maar ‘business’ al helemaal.
‘We hebben een economie die moet groeien, ongeacht of die ons wel of niet doet gedijen,’ schrijft econome Kate Raworth, ‘wat we nodig hebben is een economie die ons doet gedijen, ongeacht of die wel of niet groeit.’ Laten we dus groeidogmatisme vervangen door groei-agnosticisme. Dat vraagt een maatschappelijk en een politiek debat over wat voor soort samenleving we willen. In de woorden van Mark Van De Voorde: geen Realpolitik zonder Idealpolitik.
Aan politici die alleen de markt achterna lopen, hebben we niets.










