Onderstaande opiniebijdrage verscheen, in een iets andere vorm, eerder deze week in De Standaard. Intussen heeft de Vlaamse Regering naar eigen zeggen een ‘therapeutisch gesprek’ gehad over de besparingen bij De Lijn. Het therapeutische slaat dan wel niet op de reizigers of op De Lijn, maar alleen op de ministers. Die hebben nu beslist dat de Vervoerregioraden nu zelf mogen beslissen over de door te voeren besparingen. Ze zullen blij zijn dat ze mogen kiezen tussen de pest en de cholera.
We leren er alvast uit dat de cumul van lokale mandaten en Vlaamse mandaten geen waarborg is voor beslissingen die rekening houden met de lokale situatie…
Vorige week nam ik me op deze pagina’s voor mijn bullshitdetector consequenter aan te zetten. Helaas ging hij sindsdien al een paar keer af.
Ik ga u niet met elk alarm lastigvallen, maar dat van afgelopen woensdag wil ik u toch niet besparen. In De Standaard, en overigens ook in alle andere media, luchtten lokale politici van Vooruit en van de N-VA hun verontwaardiging over de door minister De Ridder opgelegde nieuwe besparingsronde bij De Lijn.
Mijn eerste reactie was: dat heeft lang geduurd. Die extra bezuiniging van 35,5 miljoen euro werd toch al een maand geleden aangekondigd? Daalt pas nu het besef in dat dit onvermijdelijk gevolgen heeft voor het aanbod? Of hoopten al die schepenen en burgemeesters dat de besparing alleen andere gemeenten zou treffen?
Mijn tweede reactie was: wat hadden ze dan verwacht? Ook op deze pagina’s schreef ik een dik jaar geleden een kritische analyse van de beleidsnota ‘mobiliteit’. De titel blijkt profetisch: ‘Annick De Ridder minister van Mobiliteit? Alsof je de sleutels van het Antwerpstadion toevertrouwt aan een Beerschotsupporter.’ Toegegeven: gezien haar track record waren er voor deze voorspelling geen grote zienersgaven nodig.
Minister De Ridder doet wat van haar verwacht wordt. Wat ik van haar verwachtte, maar ook wat haar toenmalige partijvoorzitter van haar verwacht: Vlaams geld naar Antwerpen draineren, niet om het amechtige tramnet aldaar te reanimeren, maar om Oosterweel van het financiële infuus te verzekeren.
Mag ik dus verbaasd zijn over de verbazing van burgemeesters en schepenen? Sommigen onder hen cumuleren hun lokale mandaat met een Vlaams, een federaal of nog een ander bestuursmandaat – een huzarenstuk qua tijdsmanagement dat wordt gelegitimeerd met de evergreen ‘onze stem in Brussel laten klinken’.
Als die stem al heeft geklonken, dan is ze in dovemansoren gevallen. In het artikel in De Standaard komen drie lokalo’s aan het woord: Koen Kennis, Joris Vandenbroucke en Jan Bertels. Koen Kennis, schepen van de stad Antwerpen en voorzitter van de vervoersregio Antwerpen, is ook lid van de Raad van bestuur van De Lijn. Gents schepen van mobiliteit Joris Vandenbroucke is daar zelfs de voorzitter van. Jan Bertels, burgemeester van Herentals en voorzitter van de vervoerregio Kempen, is ook federaal parlementslid. Is het dan niet een beetje vreemd dat zij de media nodig hebben om hun stem in Brussel te laten klinken?
Zeker, voor de laatste geldt de verzachtende omstandigheid dat De Lijn een Vlaamse bevoegdheid is, geen federale. Maar de NMBS is een federale bevoegdheid.
Een van de vele bedjes waarin ons mobiliteitsbeleid ziek is, is dat elk netwerk afzonderlijk wordt bekeken. Behalve dan wanneer het onze beleidsverantwoordelijken goed uitkomt. Zo was de ‘treinparallelliteit’ bij de invoering van de ‘basisbereikbaarheid’ één van de leidende principes. In mensentaal: wanneer een bus van De Lijn en een trein van de NMBS een ‘parallel’ traject volgden, werd in veel gevallen beslist om de buslijn op te heffen wegens ‘inefficiënt’. Dat klinkt logischer dan het is. Omdat dat hetzelfde is als lokale wegen afschaffen omdat er een snelweg naast ligt. Voor reizigers betekent het dat ze zich eerst naar een station moeten verplaatsen (te voet, met de fiets, met de auto?), dan de trein nemen en ten slotte te voet, met de deelfiets of met de bus op hun bestemming moeten zien te geraken. In het laatste geval betekent het dat de reiziger voortaan twee abonnementen nodig heeft, één voor de trein en één voor de bus.
Terecht haalt burgemeester Bertels de afschaffing van de rechtstreekse ‘studenten- en patiëntenbus’ naar Leuven aan als voorbeeld van hoe het niet hoort. Maar hij vergeet dat zo’n situaties in zijn vervoerregio vandaag al bestaan, bijvoorbeeld voor studenten voor Thomas More in Geel. Die stapten vroeger voor de campus van de bus. Vandaag moeten ze eerst hun campus met de trein voorbijrijden om dan op een of andere manier de drie kilometer naar de hogeschool te overbruggen. Die situatie is niet uniek. In zijn ledenblad vermeldt TreinTramBus-voorzitter Peter Meukens het voorbeeld van iemand die zich wil verplaatsen van de Korenstraat in Mol naar het centrum van Geel: ‘Wat je eerst op een kwartier voor 1,70€ kon doen, kost nu 4,70€ en duurt vier keer zo lang.’ Dat was voor de prijsverhoging van De Lijn. En we hebben het maar niet over het comfortverlies door overstappen en wachten op soms ongezellige locaties.
Cumulerende lokale mandatarissen zijn niet machteloos als het over openbaar vervoer gaat. Ook niet wanneer ze in het federale parlement zetelen. In dat geval kunnen ze bijvoorbeeld ijveren voor tarief- en ticketintegratie opdat reizigers tenminste al met één vervoersabonnement zouden toekomen.
De tranen van veel schepenen en burgemeesters lijken mij vaak krokodillentranen. De problemen waar ze nu tegenaan kijken zijn in hoge mate het resultaat van eigen keuzes, hetzij door hun goedkeuring van de begroting in een van onze parlementen, door lokaal meer te investeren in parkeerplaatsen dan in toegankelijke haltes of door in de eigen vervoerregioraad de zegen te geven aan het basisbereikbaarheidsplan met z’n onderliggende perverse principes.
Met die vervoerregioraden is er trouwens iets structureel mis: de gebruikers, zeg maar de mensen met ervaringsdeskundigheid, zijn er niet in vertegenwoordigd. Het verklaart allicht de ‘vertraagde reacties’ waarmee ik dit stuk begon. Pas wanneer de reizigers lucht krijgen van wat er aan zit te komen schieten de mandatarissen, zelden trouwe OV-gebruikers, in gang. Ziehier een verbetering die de schepenen en burgemeesters zelf in handen hebben: geef reizigers een (in afwachting van een decreetswijziging) waarnemende stem in uw vervoerregioraad.
Tot slot wordt het stilaan tijd om toch eens te praten over wat wij als samenleving eigenlijk van het openbaar vervoer verwachten. Minister De Ridder pretendeert er een technocratisch antwoord op te geven. Ze noemt het ‘efficiëntie’ en vertaalt het als ‘zoveel mogelijk mensen verplaatsen voor zo weinig mogelijk (belasting)geld’. Dat is natuurlijk even goed een ideologische keuze.
We zouden openbaar vervoer ook de opdracht kunnen geven om de auto-afhankelijkheid te verminderen of bij te dragen aan het klimaatbeleid. Dan zou ‘duurzaamheid’ het criterium worden.
Anderen menen misschien dat openbaar vervoer mensen vooral in staat moet stellen om deel te nemen aan onze maatschappij. Dan zouden we er over kunnen discussiëren of bereikbaarheid van school en werk in de week daarvoor voldoende zijn dan wel of ook de parochie- en cultuurcentra op een weekendavond verantwoorde bestemmingen zijn. ‘Het vermijden van mobiliteitsarmoede’ zou dan de toetssteen worden. Vanzelf zou de vraag rijzen hoe dat zich verhoudt tot onze ruimtelijke ordening: hoe voorkomen we dat goed openbaar vervoer de sprawl beloont of zelfs stimuleert, zonder de mensen dorpsarrest te geven?
Burgemeester Bertels gaf alvast een aanzet tot het debat met de vaststelling dat ‘als een bus in de Kempen het moet afleggen tegen een tram in Antwerpen we altijd de sigaar zijn’. Minister-president Matthias Diependaele leek in het Vlaams Parlement te vertrouwen op de politieke schizofrenie van zijn collega’s. Zelf kan ik mij niet voorstellen dat plattelandsadvocaten als Jo Brouns en Hilde Crevits als minister helemaal anders zouden denken dan als titelvoerend burgemeester van Kinrooi of voorzitter van de Torhoutse gemeenteraad.
Om maar te zeggen: ‘basisbereikbaarheid’ gaat om veel meer dan alleen maar te weinig centen.

