RSS feed

Ten vrede!

Geplaatst op

Niets makkelijker dan pacifist zijn in vredestijd. Niets moeilijker dan het te zijn in oorlogstijd. Is dat misschien de reden waarom pacifistische stemmen zo afwezig zijn in onze media?

Te oordelen naar de vele reacties die ik kreeg op onderstaand stuk (gisteren in een andere versie verschenen in De Standaard) helemaal niet. Veel meer mensen dan we denken stellen zich vragen bij het oorlogsgeweld en de oorlogsretoriek die vandaag bon ton lijkt te zijn in politieke hoofdkwartieren (waar bijvoorbeeld een Theo Francken er zijn hand niet voor omdraait om met terugwerkende kracht zijn woorden aan te passen wanneer de dingen toch een beetje anders uitdraaien dan gedacht: een minister herschrijft de geschiedenis terwijl we er bij staan, maar er wordt nauwelijks een zaak van gemaakt.)

Zoals ik al schreef in mijn boek ‘Weg van het systeem’ (Uitgeverij Vrijdag/Pelckmans) is een systeem dat van de ene crisis naar de andere sukkelt dringend aan herziening toe. Dan is een restauratie ervan het laatste wat we moeten willen. Toch is het precies dat wat vandaag het discours is bij politici (soms zelfs van zogenaamd progressieve komaf) en bij de meeste media. Ze zijn – de eersten moedwillig, de tweeden uit kortzichtigheid – blind voor het feit dat crisissen niet de uitzondering zijn maar onderdeel uitmaken van ons economisch en politiek regime. Wie daar meer over wil weten, raad ik de lectuur van Naomi Kleins ‘De shockdoctrine’ aan: grote, door het regime zelf georganiseerde shocks worden aangegrepen om te besparen en te reorganiseren. Begint er iets te dagen?

Wie een andere, rechtvaardiger samenleving wil, moet niet ten oorlog trekken, maar ten vrede. Wie dat naïef vindt, nodig ik uit om vandaag even de krant ter hand te nemen en te kijken waar het beleid van de ‘realisten’ ons vandaag gebracht heeft.

Misschien moeten we eens werk maken van het beter zichtbaar maken van alle mensen van goede wil. Nu eisen de bullebakken alle aandacht op.

Wat startte als een ‘gerichte’ aanval op Iran zaaide in drie weken uit tot een slagveld met meer dan tien betrokken en dus ook getroffen landen. Als dit zich enkele duizenden kilometer meer naar het westen afspeelde, hadden we het vandaag al over de Derde Wereldoorlog. Voorlopig houden we het op ‘de oorlog in het Midden-Oosten’.

Het begon met de moord op ayatollah Khamenei en trawanten die werd geframed als de instantbevrijding van de Iraniërs. Het enige wat de onderdrukte burgers nog moesten doen, was op straat komen. Maar mogelijk was er voetbal op televisie, want ze deden het niet of nauwelijks.

Het narratief evolueerde naar een hoofdstuk ‘Oorlog als ongemak’. We kregen beelden van landgenoten – gestrande toeristen, expats en fiscale vluchtelingen – die zich in luxueuze hotelkamers beklaagden over een uitblijvende dan wel te omslachtige of te dure repatriëring. Maar eind goed, al goed. Achteraf getuigden enkelen ‘nu pas te beseffen wat oorlog echt betekent’: ze hadden de rookwolken met eigen ogen gezien. Soms worden bubbels transparant.

Intussen zette de conflictmetastase door, overzichtelijk in beeld gebracht met kaartjes die konden komen uit een Zeeslagspel. De oorlog als game, met een Amerikaanse president die daadwerkelijk ‘voor de fun’ schepen tot zinken bracht. Geen van zijn bondgenoten riep hem tot de orde. Daddy heeft zijn eigenaardigheden, daar moeten we mee leven. Wel was er de verbazing, soms zelfs de verontwaardiging, dat Iran terugsloeg en zich daarbij niet aan het draaiboek hield.

Vorige week belandden we in een nieuwe fase. Daarin breekt af en toe de reële gruwel door, maar nooit voor lang. Aanvallen op woonwijken, markten, scholen, ziekenhuizen, ambulances, hulpverleners en journalisten verschrompelen tot faits divers bij de massale aandacht voor de vernietiging van tankers en olie- en gasinstallaties.

Het aantal menselijke slachtoffers en gewonden wordt terloops vermeld, als een abstract en voorbijgaand neveneffect. Over de gigantische milieu- en klimaatschade op korte en lange termijn wordt niet gerept. Dat is spielerei voor in naïeve vredestijden. In plaats daarvan wordt de aangerichte schade consequent vertaald in financiële en economische termen: de verwachte effecten op de beurs en op de energieprijzen en wat de uiteindelijke gevolgen zullen zijn voor ‘de consument bij ons’.

Ocharme wij

Ziedaar de baseline van deze oorlog: niet de gewone Palestijnen, Libanezen of Iraniërs – om maar die te noemen – zijn de grootste slachtoffers van de criminele capriolen van twee leiders op de loop voor het gerecht. Nee, dat zijn wij. Zo wordt ongemakkelijk medelijden met duizenden dode, tienduizenden gewonde en miljoenen ontheemde en getraumatiseerde mensen omgezet in makkelijke mercantiele bezorgdheid over de consequenties voor onze koop- en concurrentiekracht. Prijsstijgingen worden het meest zichtbare en schijnbaar belangrijkste gevolg van de oorlog.

Zo ontstaat het beeld dat met die oorlog niks mis zou zijn als die vervelende prijsstijgingen er maar niet waren. Dan wordt het een kwestie van ‘gezond verstand’ om de normalisering van de relaties met een agressor te bepleiten. Dan wordt de organisatie van een kindvriendelijke wapenbeurs plots een logische manier om bij jongeren ‘burgerzin’ aan te kweken. Enkele maanden geleden zou dat nog algemene verontwaardiging hebben uitgelokt. Vandaag wordt het geaccepteerd als de natuurlijke gang van zaken.

Perverse economie

De prijs aan de pomp is de belangrijkste indicator geworden van de gezondheid van onze economie. En ‘dus’ ook van onze maatschappij. De neoliberale markteconomie is geen afgeleide van de behoeften van de samenleving, wel omgekeerd: de laatste wordt geboetseerd naar de behoeften van de eerste. Ook wanneer die verandert in een oorlogseconomie die publieke dienstverlening ondergeschikt maakt aan beweerde militaire noden. De besparingen op openbaar vervoer, onderwijs, zorg, sociale huisvesting, pensioenen en langdurig zieken worden verkocht als ‘noodzakelijk’ – zelfs wanneer dat leven zich moet behelpen met een leefloon onder de armoedegrens.

In de publieke perceptie is er een kortsluiting ontstaan waardoor ‘besparingen’ en ‘noodzakelijke’ als een siamese tweeling verstrengeld zijn geraakt. Met uitzondering dan wanneer het gaat over gevechtsvliegtuigen, drones, munitie, soldaten aan stations en synagogen, vrachtwagens in camouflagekleuren en gesofisticeerde afweersystemen tegen mensen op de vlucht voor oorlogen die wij niet eens durven afkeuren.

Het is geen kwestie van geld. Het is een keuze. Van destructie boven constructie. We besparen op samenlevingsopbouw en ‘investeren’ in potentiële en almaar vaker ook feitelijke vernietiging. Zo wordt het eerst opgeofferd wat we beweerden te verdedigen: de verzorgingsstaat, de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten, kortom: onze normen en waarden.

Vrij naar Bill Clinton: it’s the stupid economy. Een door ‘vrije’ markten gedicteerde economie is amoreel: elke behoefte is legitiem, als ze zich maar als een economische vraag presenteert. De stap van amoreel naar immoreel is vervolgens slechts een kwestie van tijd. Zwaarden of ploegscharen? Geen belang, zo lang ze maar winst opleveren.

Wie zich vastklampt aan een economie die ons reduceert tot onmondige slaafjes van gewetenloze gekken, getuigt niet van realisme, maar van een tekort aan verbeeldingskracht. ‘Wat als er geen zon is en geen wind?’ heette het tot voor kort. De vraag had moeten luiden: ‘Wat als er geen straat van Hormuz, geen Suezkanaal of geen olieproductie in het Midden-Oosten is?’ Maar dat konden we ons niet inbeelden. 

Waar willen we naartoe?

Elke crisis is een kans, houden managementboekjes ons voor. Onze politici hebben ze duidelijk niet gelezen. Ze blijven hangen bij het ‘tijdelijk’ loslaten van klimaat-, milieu- en gezondheidsnormen. Alsof klimaat, milieu en gezondheid eventjes in de koelkast kunnen worden gezet. Het is paniekvoetbal dat pijnlijk blootlegt hoe onze weigering om het systeem planmatig te veranderen ertoe leidt dat het bij elke crisis ongecontroleerd vastloopt.

Zo missen we quickwins zoals ‘tempo 100’ op snelwegen: winst voor de portemonnee, de veiligheid, het klimaat en zelfs de files. Maar het is een taboe, alsof ‘vrijheid’ pas begint boven 100km/u. Daardoor maken we ook geen werk van sociaal gecorrigeerd rekeningrijden, hoewel iedereen weet dat het verstandig zou zijn. Liever spenderen we miljarden aan individueel vervoer in overgedimensioneerde salariswagens dan aan ruimte- en energiesparend openbaar vervoer. Thomas Piketty verklaart die neiging om alles aan de vals neutrale markt over te laten door ‘de angst voor democratische deliberatie’. De markt is gepretendeerde frictieloosheid. Debat is ongemak.

Heeft het zogenaamde realisme van ‘haalbaar en betaalbaar’ ons ook maar één stap dichter bij het ‘goede leven’ gebracht? Zijn we minder kwetsbaar voor de grillen van autocraten? Is er nu minder antisemitisme? Zitten we op koers om de in Parijs afgesproken 1,5°-grens te respecteren? Of stevenen we af op +2°, een verschil, zoals filosoof Roman Krznaric ons voorrekent, van 150 miljoen klimaatdoden, het equivalent van 25 holocausts? Zijn er minder vluchtelingen? Is het leven van iemand rijker geworden, een handvol techmiljardairs en wapenhandelaars niet te na gesproken? Met ‘business as usual’ verliest vrijwel iedereen. Met alleen maar ‘business’ al helemaal.

‘We hebben een economie die moet groeien, ongeacht of die ons wel of niet doet gedijen,’ schrijft econome Kate Raworth, ‘wat we nodig hebben is een economie die ons doet gedijen, ongeacht of die wel of niet groeit.’ Laten we dus groeidogmatisme vervangen door groei-agnosticisme. Dat vraagt een maatschappelijk en een politiek debat over wat voor soort samenleving we willen. In de woorden van Mark Van De Voorde: geen Realpolitik zonder Idealpolitik.

Aan politici die alleen de markt achterna lopen, hebben we niets.

Bouwrijp

Geplaatst op

Om te zien wat er mis is met de wereld, hoef ik niet eens mijn wijk te verlaten.

Neem bijvoorbeeld onze wijkwinkel. Die is vijf jaar geleden moeten wijken.

Hij is intussen vervangen door druk over- en weergerij naar de concurrentie verderop. En door nog meer pakmannen uiteraard. UPS, DHL, Bpost en Postnl racen de klok rond tegen de klok om onze bevoorrading veilig te stellen.

De economie wordt er naar verluidt beter van, onze maatschappij in geen geval.

Het gebouw werd verkocht aan een projectontwikkelaar. Aan wie anders?

Het stadsbestuur (CD&V-N-VA) legde hem uit dat een nieuwe invulling tot een levendige plint zou moeten leiden. Versta: er zou opnieuw een winkel moeten komen. Logisch, want beter voor de wijk.

Vervolgens moeten er wat ‘contacten’ zijn geweest, want het nieuwe gemeentebestuur (Vooruit-N-VA) liet de voorwaarde vallen. Nu mogen het ook alleen nog woningen zijn. Een winkel was ‘economisch niet haalbaar’. Dat géén winkel ‘maatschappelijk niet wenselijk’ is, heeft geen belang. De markt is de baas. De politici zijn haar slippendragers.

De nieuwe eigenaar zette de vensters open voor een nieuwe frisse wind (en regen, koude en duiven) en maakte de bijhorende tuin, ooit de trots van de vorige bewoners, alvast met de grond gelijk: Een beproefde methode om wat er straks ook komt te kunnen presenteren als een verbetering.

Want niet het perceel moet bouwrijp worden gemaakt, maar de bewoners van de wijk.

Afscheid van de wereld van gisteren

Geplaatst op

Stefan Zweig doet flink zijn best er een stokje voor te steken, maar ik begin waarmee ik mijn vorig bericht eindigde: de ‘Afhankelijkheidsverklaring’ van Rebekka de Wit. Op pagina 44 meer bepaald:

‘(…) wat zegt het dat een vredesdemonstratie gemakkelijk naïef kan worden genoemd, maar een oorlogsmars niet? Waar zegt dat iets over? Zegt het dat oorlog nu eenmaal de natuurlijke toestand van de wereld is? Dat lijkt me nogal een gevaarlijke abstractie, aangezien het het leed zo echt is dat je wel met een beter argument moet kunnen komen dan ‘de aard van de wereld’. Bovendien is het maar de vraag of je niet juist heel veel naïviteit nodig hebt om een oorlog te beginnen.’

Het oranje knipperlicht genaamd Trump ging even het Iraanse varkentje wassen. Enkele bommen op Teheran en de ayatollahs zouden het veld hebben geruimd. Pakte dat even anders uit! Als de tragedie zich niet in het Midden-Oosten maar in Europa afspeelde, spraken we al lang van de Derde Wereldoorlog met meer dan tien betrokken landen, duizenden doden, tienduizenden gewonden, miljoenen vluchtelingen, miljarden euro schade.

Premier Bart De Wever beroemt zich nogal eens op ‘gezond verstand’. Welnu, van elk mens met gezond verstand zou je verwachten dat hij zich distantieerde van die blinde, uit de hand lopende agressie zonder duidelijk doel.

Bij gebrek aan een foto van een echt leger:
een verzameling van wat verkeerskundigen kennen als ‘sergeanten’

Maar nee. We moeten het ons laten welgevallen om door de centurion van Deurne te worden weggezet als naïef en dom. Dat pik ik dus niet meer. Zijn zogenaamde realisme is in twee weken tijd afgegleden naar opportunisme, cynisme en hypercynisme. We stonden er bij en keken er naar terwijl de afgelopen dagen voor de bijl gingen:

  • het internationaal recht: ‘dat werkt niet,’ declameerde minister van oorlog Theo Francken. En dus vertikten we het een niet door de VN goedgekeurde militaire interventie openlijk af te keuren.
  • het oorlogsrecht: Israël en de VS schenden het aan de lopende band. Of het nu gaat om het onder vuur nemen van hulpverleners, journalisten, ontwapende gijzelaars of burgerlijke doelwitten of het gebruik van ongeoorloofde wapens. België zwijgt als vermoord.
  • de verwerpelijkheid van een genocide: er zijn nog altijd Palestijnen, dus ‘bewezen’ is het nog niet, om MR-voorzitter Bouchez te parafraseren. (Plots is het internationaal recht dan wél een argument, zij het in een heel verwrongen en perverse vorm.) De federale regering sloot vorig najaar een compromis (nadat premier BDW de vernietiging van Gaza vanuit zijn vakantieoord in Zuid-Afrika ‘geruis in de marge’ had genoemd) over zijn positie tegenover Israël en Gaza. Daar werd vervolgens geen uitvoering aan gegeven. Vooruit, CD&V en Les Engagés kijken braaf de andere kant op. Intussen wordt de genocide uitgebreid naar de Westbank en Zuid-Libanon. Kritiek daarop heet inmiddels ‘antisemitisme’ en dat heeft intussen al geleid tot een kapotte ruit in Luik…
  • de vrouwenrechten: N-VA-europarlementslid Assita Kanko kapittelde de voorbije jaren iedereen die durfde stellen dat het dragen van een hoofddoek een recht is als dat uit vrije wil gebeurt. Toen haar partijgenoot Michaël Freilich ging lobbyen voor de legalisering van de genitale verminking van Joodse jongetjes verloor ze al haar stem en nu haar partij openlijk pleit voor het actief militair steunen van onze ‘partner’ Saudi-Arabië (wel ja, dat land waar vrouwen geen rechten hebben, homoseksuelen geëxecuteerd worden, andersdenkenden al eens letterlijk in mootjes worden gehakt bij het bezoeken van een ambassade) ook haar tong. Daarmee is meteen ook elke illusie opgeborgen dat de aanval op Iran ook maar iets met vrouwen- laat staan mensenrechten zou te maken hebben.
  • (Intussen verklaarde N-VA-minister Jan Jambon, de dag na Internationale Vrouwendag, dat vrouwen zich maar moeten ‘aanpassen’ om ook van een fatsoenlijk pensioen te kunnen genieten. Verontwaardigd ontkende hij zoiets gezegd te hebben, maar gelukkig was er beeldmateriaal. Ooit traden op een leugen betrapte ministers af. Nu worden ze door hun voorzitter tot slachtoffer gepromoveerd: ‘hij werd ocharme verkeerd begrepen’. Merci Valerie!)
  • de rechtsstaat: staatssecretaris Van Bossuyt botste vorige week een zoveelste keer tegen een vonnis van het Grondwettelijk Hof aan. Voor haar geen reden om haar inhumane praktijken stop te zetten, integendeel. Geef toe. Het getuigt van lef. Aan de ene kant met miljoenen gooien om oorlogsstokers te vriend te houden, aan de andere kant vluchtelingen tot profiteurs verklaren. Gelukkig buigt Vooruit zich ijverig over het probleem van ‘onze koopkracht’. De Internationale is een liedje om te zingen aan een gezellig kampvuur.
  • (Intussen wierp Conner Rousseau ook nog even het laatste restje politiek fatsoen voor de bus, door zijn ‘personal brandmanager’ op de loonlijst van het parlement te zetten. Hij krabbelde intussen terug. Een sprankel hoop.)
  • de parlementaire democratie: België stemde in met de plaatsing van Franse kernraketten op ons grondgebied. Zonder parlementair debat. Wat zeg ik? Zonder debat. Wat u en ik er over denken, is van geen belang.
  • het principe van solidariteit: een inventaris van de bezittingen van mensen in sociale woningen is er al, een vermogenskadaster nog altijd niet. We subsidiëren luchthavens die voornamelijk door privéjets voor plezierreisjes worden gebruikt en schaffen de bussen op het platteland af, ‘want er moet nu eenmaal bespaard worden’. Intussen worden er nog wat wapens bijbesteld, want Trump heeft ons opgelegd dat 5% van ons BBP naar wapentuig moet gaan. Hoe harder we werken, hoe meer oorlogstuig zal worden gekocht. Welkom in de Nieuwe Wereld van de Realisten.

Kers op de walgelijke taart was deze week de organisatie van een ‘kindvriendelijke’ wapenbeurs (Orwell, je vergat dit te verzinnen!).

Enfin, dat dacht ik. Want toen kwam Opperrealist De Wever met zijn ‘gezond verstand’-ideetje om Oost-Oekraïne toch maar te offeren aan de Russen. ‘We hebben nu eenmaal olie nodig.’

Olie dus voor onze asfalteconomie. Had u nu écht gedacht dat dit blogbericht niet over mobiliteitsbeleid ging?

Tussen begrip en grip

Geplaatst op

Dit weekend publiceerde Tom Naegels een ‘Pleidooi voor onverschilligheid’ in De Standaard. Aanleiding daarvoor was de oproep van Rutger Bregman om ‘ChatGPT’ te boycotten (abonnement opzeggen of eenvoudig niet meer gebruiken): een eenvoudig gebaar waardoor je als gebruiker alvast geen middelen meer laat stromen naar een bedrijf dat één van de belangrijkste sponsors van oorlogsstoker Trump is. Naegels koppelt aan die oproep een eerdere, voor hem kennelijk ongemakkelijke ervaring in de winkel toen hij een navulling wou kopen voor zijn Sodastream-apparaat: de verkoper liet hem zijn afkeuring blijken omdat Sodastream een Israëlisch bedrijf is dat het niet zo nauw neemt met de mensenrechten.

Bij Naegels wordt er naar eigen zeggen moe van. Veel van de gedragingen waarbij mensen op hun verantwoordelijkheid worden gewezen, zegt hij, zijn juist zaken ‘waar mensen plezier aan beleven’: ‘Als je dat gaat besmetten met de zwaarte, de negativiteit van de politiek – en zeker als je dat doet op zoveel domeinen tegelijkertijd – dan riskeer je in plaats van bewustwording, alleen maar irritatie op te wekken.’ Naegels gooit hier wel veel op een hoop: een ander product aankopen wordt opeens ‘zwaarte’, politiek wordt vereenzelvigd met ‘irritatie’ en ‘ze’ hebben het godverdomme altijd weer gemunt op wat plezant is. Bwah, het volstaat om de blog van Steven Vromman te lezen, om te weten dat dit een wel erg selectieve appreciatie is. Niet voor niets is de leuze van de Low Impact Man ‘goed leven binnen de grenzen van één planeet’.

Maar Naegels vervolgt: ‘Het gevoel om persoonlijk afgerekend te worden op, ja zelfs de schuld te krijgen van enorme calamiteiten, die niet in proportie staan tot de begane ‘misstap’, is een van de voornaamste redenen waarom progressieven de laatste tijd zo’n irrationele afkeer oproepen.’

De verleiding is groot om de schrijver met dit soort klaagzang onder te brengen bij de grumpies die zich constant beklagen dat je tegenwoordig niks meer mag, dat ze de schuld krijgen van alles en dat ze dat zelfs niet meer mogen zeggen (maar ze zeggen het dan toch maar) – een opeenvolging van hyperbolen die van hén het slachtoffer maakt en niet, pakweg, de Palestijnen. Want zeg nu zelf: gebombardeerd worden met argumenten over de gevolgen van je consumptiegedrag of gebombardeerd worden met echte bommen, zoveel verschil maakt het nu ook weer niet.

Maar ik berg mijn cynisme weer op, strijk over mijn hart en toon begrip, al was het maar omdat ik, naar aanleiding van een concert van Rammstein, al eens een lans brak voor het behoud van plezier in tijden van ecoschaamte. Mijn argumentatie was evenwel minder individualistisch van aard (ik wees op het belang van het wij- en weigevoel) en ik stelde dat het uitzonderlijke karakter van het evenement maakte dat het kon dienen als een broodnodig ventiel. Zie het verschil tussen systematisch zondigen en jezelf af en toe een guilty pleasure toestaan.

Vastpakken of loslaten? Noem het ‘levenskunst’.

Dat gezegd zijnde wil ik de argumentatie van Tom Naegels graag omkeren: wat als we in al die kleine boycotacties nu eens even zovele handvatten zagen?

Progressieve én conservatieve mensen voelen zich dezer dagen veelal machteloze toeschouwers van de rampen die door idiote, gewetensloze ‘wereldleiders’ worden ontketend. Dan lijkt het mij wel een mooi antidotum als we af en toe tegen mensen kunnen zeggen dat ze wél iets kunnen doen: Tesla en ChatGPT aan de kant laten, San Pellegrino en Chaudfontaine inruilen voor Ordal, ING de wacht aanzeggen – je kunt het telkens framen als iets ‘dat nu ook al niet meer mag’, maar ook als een mogelijkheid om de wereld een heel klein beetje de goede kant op te duwen.

Dat heeft dan niks te maken met de ‘Gutmensch’ uithangen (al is daar echt niks mis mee). Het geeft vooral een goed gevoel dat je daardoor verschuift van ‘deel van het probleem’ naar ‘deel van de oplossing’. En als genoeg mensen dat doen, helpt het nog ook.

PS. En voor wie nu denkt: ‘naïef’, heb ik een uitstekende leestip om ook daarvan te genezen: ‘De Afhankelijkheidsverklaring’ van Rebekka de Wit (Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2019)

Het plaatje klopt

Geplaatst op

Sommigen vloeken bij elke flitspaal dat hun privacy wordt geschonden. Anderen leggen met plezier duizend ruggen op de toonbank om niet onopgemerkt te blijven.

Dikwijls resulteert dat in patserige nummerplaten waar de testosteron van afdruipt.

Heel af en toe voegt iemand een gezonde dosis zelfrelativering toe.

En soms klopt het (nummer)plaatje gewoon. Zoals hier, op een wekelijkse markt in Oostende, waar ik getuige was van gewenste handtas-telijkheid. Ik kan mij zo inbeelden wat die man heeft gedacht toen zijn nummerplaat in de bus viel: ‘Yes, het is in de sjakos!’

Busje komt zo niet meer

Geplaatst op

Onderstaande opiniebijdrage verscheen, in een iets andere vorm, eerder deze week in De Standaard. Intussen heeft de Vlaamse Regering naar eigen zeggen een ‘therapeutisch gesprek’ gehad over de besparingen bij De Lijn. Het therapeutische slaat dan wel niet op de reizigers of op De Lijn, maar alleen op de ministers. Die hebben nu beslist dat de Vervoerregioraden nu zelf mogen beslissen over de door te voeren besparingen. Ze zullen blij zijn dat ze mogen kiezen tussen de pest en de cholera.

We leren er alvast uit dat de cumul van lokale mandaten en Vlaamse mandaten geen waarborg is voor beslissingen die rekening houden met de lokale situatie…

Bus 511, al afgeschaft bij een vorige besparingsronde

Vorige week nam ik me op deze pagina’s voor mijn bullshitdetector consequenter aan te zetten. Helaas ging hij sindsdien al een paar keer af.

Ik ga u niet met elk alarm lastigvallen, maar dat van afgelopen woensdag wil ik u toch niet besparen. In De Standaard, en overigens ook in alle andere media, luchtten lokale politici van Vooruit en van de N-VA hun verontwaardiging over de door  minister De Ridder opgelegde nieuwe besparingsronde bij De Lijn.

Mijn eerste reactie was: dat heeft lang geduurd. Die extra bezuiniging van 35,5 miljoen euro werd toch al een maand geleden aangekondigd? Daalt pas nu het besef in dat dit onvermijdelijk gevolgen heeft voor het aanbod? Of hoopten al die schepenen en burgemeesters dat de besparing alleen andere gemeenten zou treffen?

Mijn tweede reactie was: wat hadden ze dan verwacht? Ook op deze pagina’s schreef ik een dik jaar geleden een kritische analyse van de beleidsnota ‘mobiliteit’. De titel blijkt profetisch: ‘Annick De Ridder minister van Mobiliteit? Alsof je de sleutels van het Antwerpstadion toevertrouwt aan een Beerschotsupporter.’ Toegegeven: gezien haar track record waren er voor deze voorspelling geen grote zienersgaven nodig.

Minister De Ridder doet wat van haar verwacht wordt. Wat ik van haar verwachtte, maar ook wat haar toenmalige partijvoorzitter van haar verwacht: Vlaams geld naar Antwerpen draineren, niet om het amechtige tramnet aldaar te reanimeren, maar om Oosterweel van het financiële infuus te verzekeren.

Mag ik dus verbaasd zijn over de verbazing van burgemeesters en schepenen? Sommigen onder hen cumuleren hun lokale mandaat met een Vlaams, een federaal of nog een ander bestuursmandaat – een huzarenstuk qua tijdsmanagement dat wordt gelegitimeerd met de evergreen ‘onze stem in Brussel laten klinken’.

Als die stem al heeft geklonken, dan is ze in dovemansoren gevallen. In het artikel in De Standaard komen drie lokalo’s aan het woord: Koen Kennis, Joris Vandenbroucke en Jan Bertels. Koen Kennis, schepen van de stad Antwerpen en voorzitter van de vervoersregio Antwerpen, is ook lid van de Raad van bestuur van De Lijn. Gents schepen van mobiliteit Joris Vandenbroucke is daar zelfs de voorzitter van. Jan Bertels, burgemeester van Herentals en voorzitter van de vervoerregio Kempen, is ook federaal parlementslid. Is het dan niet een beetje vreemd dat zij de media nodig hebben om hun stem in Brussel te laten klinken?

Zeker, voor de laatste geldt de verzachtende omstandigheid dat De Lijn een Vlaamse bevoegdheid is, geen federale. Maar de NMBS is een federale bevoegdheid. 

Een van de vele bedjes waarin ons mobiliteitsbeleid ziek is, is dat elk netwerk afzonderlijk wordt bekeken. Behalve dan wanneer het onze beleidsverantwoordelijken goed uitkomt. Zo was de ‘treinparallelliteit’ bij de invoering van de ‘basisbereikbaarheid’ één van de leidende principes. In mensentaal: wanneer een bus van De Lijn en een trein van de NMBS een ‘parallel’ traject volgden, werd in veel gevallen beslist om de buslijn op te heffen wegens ‘inefficiënt’. Dat klinkt logischer dan het is. Omdat dat hetzelfde is als lokale wegen afschaffen omdat er een snelweg naast ligt. Voor reizigers betekent het dat ze zich eerst naar een station moeten verplaatsen (te voet, met de fiets, met de auto?), dan de trein nemen en ten slotte te voet, met de deelfiets of met de bus op hun bestemming moeten zien te geraken. In het laatste geval betekent het dat de reiziger voortaan twee abonnementen nodig heeft, één voor de trein en één voor de bus.

Terecht haalt burgemeester Bertels de afschaffing van de rechtstreekse ‘studenten- en patiëntenbus’ naar Leuven aan als voorbeeld van hoe het niet hoort. Maar hij vergeet dat zo’n situaties in zijn vervoerregio vandaag al bestaan, bijvoorbeeld voor studenten voor Thomas More in Geel. Die stapten vroeger voor de campus van de bus. Vandaag moeten ze eerst hun campus met de trein voorbijrijden om dan op een of andere manier de drie kilometer naar de hogeschool te overbruggen. Die situatie is niet uniek. In zijn ledenblad vermeldt TreinTramBus-voorzitter Peter Meukens het voorbeeld van iemand die zich wil verplaatsen van de Korenstraat in Mol naar het centrum van Geel: ‘Wat je eerst op een kwartier voor 1,70€ kon doen, kost nu 4,70€ en duurt vier keer zo lang.’ Dat was voor de prijsverhoging van De Lijn. En we hebben het maar niet over het comfortverlies door overstappen en wachten op soms ongezellige locaties.

Cumulerende lokale mandatarissen zijn niet machteloos als het over openbaar vervoer gaat. Ook niet wanneer ze in het federale parlement zetelen. In dat geval kunnen ze bijvoorbeeld ijveren voor tarief- en ticketintegratie opdat reizigers tenminste al met één vervoersabonnement zouden toekomen.

De tranen van veel schepenen en burgemeesters lijken mij vaak krokodillentranen. De problemen waar ze nu tegenaan kijken zijn in hoge mate het resultaat van eigen keuzes, hetzij door hun goedkeuring van de begroting in een van onze parlementen, door lokaal meer te investeren in parkeerplaatsen dan in toegankelijke haltes of door in de eigen vervoerregioraad de zegen te geven aan het basisbereikbaarheidsplan met z’n onderliggende perverse principes.

Met die vervoerregioraden is er trouwens iets structureel mis: de gebruikers, zeg maar de mensen met ervaringsdeskundigheid, zijn er niet in vertegenwoordigd. Het verklaart allicht de ‘vertraagde reacties’ waarmee ik dit stuk begon. Pas wanneer de reizigers lucht krijgen van wat er aan zit te komen schieten de mandatarissen, zelden trouwe OV-gebruikers, in gang. Ziehier een verbetering die de schepenen en burgemeesters zelf in handen hebben: geef reizigers een (in afwachting van een decreetswijziging) waarnemende stem in uw vervoerregioraad.

Tot slot wordt het stilaan tijd om toch eens te praten over wat wij als samenleving eigenlijk van het openbaar vervoer verwachten. Minister De Ridder pretendeert er een technocratisch antwoord op te geven. Ze noemt het ‘efficiëntie’ en vertaalt het als ‘zoveel mogelijk mensen verplaatsen voor zo weinig mogelijk (belasting)geld’. Dat is natuurlijk even goed een ideologische keuze.

We zouden openbaar vervoer ook de opdracht kunnen geven om de auto-afhankelijkheid te verminderen of bij te dragen aan het klimaatbeleid. Dan zou ‘duurzaamheid’ het criterium worden.

Anderen menen misschien dat openbaar vervoer mensen vooral in staat moet stellen om deel te nemen aan onze maatschappij. Dan zouden we er over kunnen discussiëren of bereikbaarheid van school en werk in de week daarvoor voldoende zijn dan wel of ook de parochie- en cultuurcentra op een weekendavond verantwoorde bestemmingen zijn. ‘Het vermijden van mobiliteitsarmoede’ zou dan de toetssteen worden. Vanzelf zou de vraag rijzen hoe dat zich verhoudt tot onze ruimtelijke ordening: hoe voorkomen we dat goed openbaar vervoer de sprawl beloont of zelfs stimuleert, zonder de mensen dorpsarrest te geven?

Burgemeester Bertels gaf alvast een aanzet tot het debat met de vaststelling dat ‘als een bus in de Kempen het moet afleggen tegen een tram in Antwerpen we altijd de sigaar zijn’. Minister-president Matthias Diependaele leek in het Vlaams Parlement te vertrouwen op de politieke schizofrenie van zijn collega’s. Zelf kan ik mij niet voorstellen dat plattelandsadvocaten als Jo Brouns en Hilde Crevits als minister helemaal anders zouden denken dan als titelvoerend burgemeester van Kinrooi of voorzitter van de Torhoutse gemeenteraad.

Om maar te zeggen: ‘basisbereikbaarheid’ gaat om veel meer dan alleen maar te weinig centen.

Over afwisseling van perspectief (en het nut van een ‘nutteloze’ toren)

Geplaatst op

Ik kom nog eens terug op het boekje ‘Van bloempot tot landschap’ van Jan Vilain. Een klein boekje, maar een fijn boekje.

Daarin breekt hij onder meer een lans voor uitkijkpunten over het landschap. ‘Het ontbreken van noemenswaardige hoogteverschillen en de zeldzaamheid van weidse uitzichten maken het moeilijk om ons vlakke landschap als een omvattend en verbindend geheel te ervaren.’ analyseert hij. En hij besluit: ‘Hoe fijn zou het niet zijn om in elke gemeente toegankelijke plekken te vinden die uitnodigen tot beklimming, uitkijk, kinderlijke verwondering en misschien tot introspectie over onze eigen plek in het landschap?’

Dit citaat is niet zonder risico, besef ik. Voor je het weet leest een projectontwikkelaar er een extra argument in om hoge torens, de maaltafels van zijn winst, te mogen bouwen. Dat is niet wat Vilain bedoelt. Hij pleit voor publieke plekken met zicht op een landschap, niet voor private plekken met zicht op andere private plekken zonder landschap – waar de verdichting zoals ze vandaag wordt vormgegeven toch vaak op neerkomt.

Graag breid ik zijn inzichten over uitzicht nog een beetje uit.

Om ‘onze plaats te kennen’ is afwisseling van perspectief essentieel. Niet alleen in het landschap, maar ook in stedelijke omgevingen. Zo bracht ik enkele maanden geleden een bezoek aan de nieuwe uitkijktoren in het Hasseltse begijnhof. Eerlijk gezegd vond ik de woorden niet waarom dit ogenschijnlijk ‘nutteloze’ bouwwerk zo waardevol is. Nu dus wel: de gratis en publiek toegankelijk toren helpt mensen om hun plaats te leren kennen. Letterlijk en, wat mij betreft, ook figuurlijk, waardoor zo’n toren zeker in een begijnhof niet misstaat.

Maar terug naar de letterlijke functie: afwisseling is essentieel. Voor de doorsnee landschaps- of stadsgebruiker is het kikvorsperspectief dagelijkse kost en het vogelperspectief dus de welgekomen aanvulling.

Voor de doorsnee landschaps-, stads- of verkeersplanner is het meestal omgekeerde het geval. Tijdens besluitvormingsprocessen slaan ze ons om de oren met plannen vanuit vogelperspectief, zoals we de omgeving dus nooit – of uitzonderlijk, vanop een toren – zullen beleven. Daarom is het van het grootste belang van die planners ook altijd plannen, renderings of simulaties te vragen van hoe hun projecten er vanop het maaiveld zullen uitzien.

Spoiler: meestal ziet het er dan allemaal een stuk minder groen uit en maakt het maaiveldperspectief zichtbaar dat de verdichting nog wel wat meer verluchting kan gebruiken.

Bullshit

Geplaatst op

Ooit was ik een angry young man. Toen probeerde ik een vriendelijke oudere man te zijn. Een al te vriendelijke, realiseerde ik me, want het hielp het debat geen centimeter vooruit. Integendeel. Ik stak tijd in tijdverlies, investeerde energie in wat alleen maar bedoeld was om te vermoeien. Ik heb het gehad met de handelaars in onzin. Gisteren verscheen onderstaande opinie in De Standaard. Klik die toch maar eens open, al was het maar voor de bijhorende illustratie van de onvolprezen Lectrr.

Overigens liet ik één verwijtend zinnetje aan het adres van de NMBS weg in onderstaande versie. Omdat het morgen haar honderdste verjaardag is, maar ook en vooral omdat het in dat zinnetje aangekaarte euvel kennelijk lokaal van aard was. De NMBS greep in en het zou verholpen moeten zijn. Zeg nu nog dat de Belgische Spoorwegen niet snel kunnen reageren. Als het bullshit is, zeg ik het. Als het goed is ook.

(AI-gegenereerd beeld)

Enkele weken geleden woonde ik een voorstelling bij van het Nieuwstedelijk. De zaal zat halfvol. De andere helft had ongelijk. Kellyanne Conway – The Musical, genoemd naar de illustere bedenkster van het concept ‘alternative facts’, capteerde niet alleen de vermoeide verontwaardiging van het publiek. Ze wist die ook om te buigen tot assertieve weerbaarheid. Bij wijze van apotheose stuiterden er megagrote drollen door de zaal en deelden Sara Vertongen, Rashif El Kaoui en Aline Goffin ‘Dit is bullshit’-stickers uit. Als het echte leven meer en meer theater wordt, waarom zou het theater dan dat leven niet kunnen veranderen? Daar en toen besliste ik te doen wat rechtse politici al jaren vragen: vanaf nu noem ik stier en stront.

Het mag dan een tikje ordinair klinken, als het bullshit is, zeg ik het voortaan. Met zoveel woorden. Of beter: met zo weinig woorden, want dat is dus de kwintessens van de zaak. Al te lang hebben wij de shitshow voorzien van een intellectueel odeur van fatsoen. Daardoor wekten we de indruk dat een en ander nog een ernstig gesprek waard was. Alsof elke mening, hoe feitenvrij ook, evenwaardig was. Uit respect. Meer bepaald uit misplaatst respect, van het soort dat elk respect waardeloos en inhoudloos maakt.

Roland Duchâtelet die een paar duizend wetenschappelijke studies later in De afspraak op VRT Canvas verkondigt dat een beetje meer CO2 geen kwaad kan? Hef er voor mijn part 22 procent btw op, maar verspil er geen woorden meer aan.

Vlaanderen dat zichzelf verkoopt als ‘innovatieve topregio’, maar tegelijk bespaart op onderwijs en onderzoek? Minister Zuhal Demir (N-VA) die klaagt dat het onderwijs te gronde gaat doordat de lat almaar lager wordt gelegd, en die tegelijkertijd pleit voor een versoepeling van de regels en de normen op vlak van klimaat, milieu en gezondheid?

Minister Jo Brouns (CD&V) die zeurt over verstikkende regels en een teveel aan controle, terwijl het speelzand en de babymelk uit de mond van kinderen moeten worden gehaald? Laat ons het noemen wat het is: bullshit. Dat niet doen, werkt alleen maar als een stimulans om nog een stapje verder te gaan.

Een eindeloze parade

Sinds mijn voornemen valt het me meer dan ooit op: vooral ons mobiliteitsbeleid bulkt van de bullshit.

Ben Weyts (N-VA) die zijn kiesvee geruststelt dat wie de autowegen vermijdt geen wegenvignet zal hoeven te betalen? Bullshit! We geven zo’n ministeriële aanmoediging tot meer sluipverkeer door dorpskernen en langs schoolomgevingen geen aandacht meer.

Een autotunnel bouwen op de plek die wereldwijd het meest met PFAS is vervuild? Budgetneutraliteit voor De Lijn verdedigen en doen alsof je neus bloedt bij de immense budgetoverschrijdingen voor Oosterweel? Een Europese verscherping van de emissienormen voor nieuwe auto’s torpederen onder druk van de autolobby, en daarna klagen dat steden die normen zelf afdwingen met een lappendeken aan lage-emissiezones? Jarenlang subsidies uitdelen aan verlieslatende luchthavens om bezitters van privéjets te plezieren, maar beknibbelen op buslijnen die een ziekenhuis bedienen? In naam van de ‘efficiëntie’ buslijnen naar Leuven inkorten zodat studenten verplicht zijn halverwege over te stappen op de trein? Zelfs geen debat willen voeren over een verlaging van de snelheidslimiet op snelwegen naar 100 kilometer per uur als quick win voor een Vlaams klimaatbeleid? Een internationale trein van Antwerpen naar Brussel laten rijden en binnenlandse reizigers verbieden er gebruik van te maken?

Bullshit, bullshit, bullshit. Kan ik nog wat klevers krijgen?

De shitparade gaat eindeloos door. Pleiten voor een helmplicht voor fietsers, maar een snelheidsverlaging op straten zonder fietspad te verregaand vinden? Wegtransportbedrijven een deel van hun diesel terugbetalen terwijl het Albertkanaal maar voor 10 procent van z’n capaciteit benut wordt? Beweren dat je mensen niet wil verplichten hun auto te laten staan, maar tegelijk andere mensen huisarrest geven door hun bus af te schaffen?

Bullshit! Het woord klinkt onwelvoeglijk, maar nog altijd vriendelijker dan het dagelijks rimpelloos passerende ‘waanzin’ met een prefix naar keuze: ‘klimaat-’, ‘woke-’, ‘degrowth-’…

Flexbussen presenteren als een wonderoplossing, maar er niet in slagen ze over de grens van een vervoerregio te laten rijden? Een bussenstelplaats bouwen in kwetsbare stadsnatuur en dat verkopen als een groene investering? Alcohol venten in tankstations langs de snelweg en daarna verbaasd zijn dat sensibiliseringscampagnes tegen rijden onder invloed op hun grenzen stuiten? Rekeningrijden in stand houden voor vrachtwagens op wegen waar we willen dat ze rijden, en ze gratis laten rijden waar we ze willen weren? Of vers van de pers: nog een nieuwe spitsstrook erbij op de E403 om de files op te lossen? Dat aankondigen net nu een studie het voorspelde falen aantoont van de al aangelegde spitsstrook op de E314? Politici spelen liever de dure capaciteitssinterklaas dan maatregelen te nemen die echt werken: salariswagens uitfaseren, rekeningrijden invoeren. Toch schaart de federatie van natuur-, milieu- en klimaatverenigingen in West-Vlaanderen zich achter die heilloze keuze, allicht bevreesd om anders als ‘onredelijk’ te worden weggezet. Het neemt niet weg dat het bullshit is. 

Mascotte van spindoctors

Er is zoveel bullshit dat we ons stilaan bevinden in een arena vol stierenuitwerpselen. Het doet me denken aan Dario Fo’s Obscene fabels en hoe een grandioze Jan Decleir de volksbelegering van de citadel van Bologna met excrementen plastisch op de planken bracht. We zitten midden in die scène, maar iedereen doet alsof er alleen met geparfumeerde goudklompjes wordt gegooid.

Zie hoe Bart De Wevers essay Over welvaart wordt onthaald. Daarin voert hij stadstaat Singapore op als het te imiteren model: een soort Antwerpse haven met aangelanden, zeg maar. In ‘De ochtend’ op Radio 1 kwam een professor management vertellen dat hij weinig last heeft van het gebrek aan democratie aldaar. “Integendeel”, zei hij, waarna we mochten gissen wat dat betekent tegen de achtergrond van oneerlijke processen, opposanten die achter de tralies vliegen en executies achter gesloten deuren. Het zet De Wevers oneliner “Makers in plaats van stakers” nochtans wel in een ander daglicht. Het laat zien: dit is bullshit. Maar niemand die het durft te zeggen. Zoals ook niemand vraagt waarom hij het rekeningrijden in Singapore dan ook niet opvoert als een na te volgen voorbeeld.

Het stuk van het Nieuwstedelijk ging over “spindoctors en de mensen die het onverkoopbare verkoopbaar maken”, lees ik op de website. En ook: “De werkelijkheid is te grotesk geworden voor satire.” Het boek van De Wever illustreert het onbedoeld. Het is een pleidooi voor het afbouwen van de sociale zekerheid, “anders zijn we een vogel voor de kat”. Ter compensatie voor de kat schenkt de auteur een deel van de auteursrechten aan het asiel waar de mascotte van de spindoctors vandaan komt: Maximus, de kat die een onverbiddelijk beleid voor mensen aaibaar maakt. “Bullshit van een deugpronker”, zou de premier zelf zeggen, mocht iemand anders het doen. Het zal niemand verwonderen: dat Bart De Wever het land ‘bestiert’, het geeft me een rare smaak in de mond.

De boom, een vak apart

Geplaatst op

Vorige week verscheen in de reeks ‘Zuidzee’ een vierde boekje: ‘Van bloempot tot landschap’. Het is van de hand van landschapsarchitect en stedenbouwkundige Jan Vilain. Wie een beetje bekend is met de (vergroening van) publieke ruimte weet dat dit een referentie is.

De publicatie werd tijdens de boekvoorstelling gepresenteerd als ‘te lezen in een treinreis’ voorgesteld, maar dat zou dan enerzijds wel een treinreis van het diepe binnenland naar de kust moeten zijn en anderzijds afbreuk doen aan de inhoud van het boekje. Wie te snel leest, riskeert veel wetenschappelijk gefundeerde wijsheid te missen. Ik licht er alvast twee ‘wijsheden’ uit.

De eerste is ironisch, omdat uitgerekend Jan als slechtziende ons het ‘algemeen ingeburgerde’ probleem van ‘plantblindheid’ onder de neus wrijft: de ‘algemeen ingeburgerde’ ‘afwezigheid van het inzicht dat bomen, andere planten en hun ecosystemen de levensverzekering van onze planeet zijn’. We zien planten en bomen (denk aan de legendarische uitspraak Minister van Milieu Joke Schauvliege dat ‘een boom altijd de functie heeft gehad om gekapt te worden’) collectief als verbruiksartikelen, een fenomeen dat jaarlijks een hoogtepunt kent in de kerstperiode wanneer we bomen in het tijdsbestek van een dikke maand omhakken, versieren en afdanken. Jan Vilain pleit dus voor het bestaansrecht van bomen, niet in de eerste plaats omdat ze ons ecosysteemdiensten leveren (een uitgesproken antropocentrische benadering die vooral appelleert aan ons eigenbelang), wel omdat ze levende wezens zijn en dus intrinsieke rechten hebben.

De tweede wijsheid vestigt de aandacht op de manier waarop wij bomen in onze publieke ruimte inpassen. Dat gebeurt tot vandaag nogal minimalistisch. Ik zeg het even in verkeerstaal: iedereen vindt het gek om een parkeerplaats maar een meter breed en drie meter lang te maken, maar slechts weinigen stellen zich vragen bij een plantvak voor een boom dat nauwelijks groter is dan de stamomtrek.

Al veel beter dan wat we vaak bij ons zien:
de bomen mochten voor de heraanleg van het plein blijven staan (Burgos, Spanje)

Daardoor worden in stedelijke omgevingen voortdurend bomen in de bloei van hun leven omgehakt, omdat ze het trottoir opstuwen of de weg versperren. ‘Een stadsboom leeft gemiddeld niet langer dan 19 tot 28 jaar na aanplanting,’ schrijft Vilain en dat maakt dat, hou je vast, zo’n boom nog niet eens de koolstofuitstoot voor zijn eigen productie heeft gecompenseerd. Laat dat even indalen. En kijk dan nog eens naar je eigen straat.

Vilain breekt dus een lans voor grote bomen en dus ook oude bomen. Die kunnen er alleen komen als we ze de nodige ruimte gunnen en dat kan dan weer alleen als we ophouden met ruimte te morsen. De auteur ziet terecht veel heil in tuinstraten, maar wat mij betreft kunnen we ook eens kritisch kijken naar onze voertuigen.

In dat verband gloort er hoop aan de horizon. We zijn er nog niet, maar het is alvast bemoedigend dat naar verluidt (want nog niet te vinden op de website) in het Brusselse bestuursakkoord het voornemen wordt geformuleerd om werk te maken van LISA(Light and Safe)-zones – een idee waarmee ik zelf ook al zo’n 10 jaar leur. Een van de problemen waar we vandaag tegenaan lopen is dat auto’s almaar breder en langer worden. Daardoor komen sommige ontwerpers in de verleiding om dan maar ‘realistisch’ te zijn en de parkeerplaatsen groter te maken. En al de rest dus kleiner: minder ruimte voor voetgangers, voor fietsers, voor bomen – alsof dat ‘realistisch’ is.

Met de LISA-zone zou van die spiraal naar onder een veer naar beter kunnen worden gemaakt. Stel je voor: van een Brussels Gewest als politiek kneusje naar een Brussels Gewest als gidsstad. Het zou zomaar kunnen verkeren.

Handiger dan een hamertje van de Gamma

Geplaatst op

Er zijn mensen die leven van dooddoeners. Soms hebben ze aan één woord genoeg om een debat dood te slaan nog voor het goed en wel begonnen is. ‘Ecorealisme’ is zo’n woord.

Vanmorgen was het weer zover. Ik schoof aan voor een debat bij ATV. Aan de overkant van de tafel zat de fractieleider van de N-VA, uitgestuurd omdat schepen Kennis liever debiteert dan debatteert. De man had het al in zijn eerste tussenkomst over ‘ecorealisme’. Daarmee bedoelde hij dat wat de andere partij zei ‘niet realistisch, want niet betaalbaar is’. Of vrij vertaald: ‘ecorealisme’ bedoelt te zeggen dat de menselijke wetten van de economie de natuurlijke wetten van de ecologie noodgedwongen opheffen. Wat uiteraard onmogelijk is. In die zin is ‘ecorealisme’ wishful thinking en een oxymoron van het zuiverste water.

Voor wie zich nu afvraagt wat een oxymoron is: het is ‘een stijlfiguur waarbij twee tegengestelde of tegenstrijdige begrippen direct met elkaar worden verbonden’. Denk bijvoorbeeld aan ‘oud nieuws’ of een ‘verplicht vrijwilliger’. In het geval van ecorealisme is het oxymoron minder herkenbaar, doordat het maar uit één woord bestaat. Maar voor wie er even op doordenkt zal het duidelijk zijn. Ecorealisme is noch ecologisch noch realistisch.

Vanochtend ging het over de vraag of het verantwoord is de eerder besliste verstrenging van de Antwerpse Lage Emissiezone terug te draaien of niet. ‘Zeer zeker,’ vond de zelfverklaarde ecorealist, ‘want de doelstellingen zijn behaald.’

Om dat te kunnen beweren moest onze realist wel de werkelijkheid negeren. Op de website van de Vlaamse Milieumaatschappij staat immers het volgende te lezen over de luchtkwaliteit in Antwerpen in 2025: ‘De strengere advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) werden zowel voor fijn stof als NO2 overschreden. Luchtverontreiniging heeft dus ook bij de huidige concentraties nog steeds een significante gezondheidsimpact.’ En verder ook nog dit: ‘Modelberekeningen voor het jaar 2030 tonen aan dat met het geplande Vlaams beleid, zonder verstrenging van de LEZ, de nieuwe luchtkwaliteitsnormen in 2030 niet overal gehaald zullen worden in Antwerpen, vooral in de drukste straten niet.’

Helder, zou je denken. Maar door het woord ‘ecorealisme’ te laten vallen, kan je zoiets dus in één beweging van tafel vegen.

Meer nog: plots is niet meer de luchtkwaliteit het probleem, maar de andere spreker, want die zegt gekke, onrealistische dingen. Handiger dan een hamertje van de Gamma.

Naar analogie met ecorealisme zouden we ook kunnen spreken van ‘ruimterealisme’. Dat betekent dan dat het praktisch niet haalbaar is de ruimte die nodig is om veilig te kunnen fietsen daadwerkelijk aan de fietsers te gunnen. Met andere woorden: laat die bestelwagen daar gerust staan.