Onderstaande opiniebijdrage verscheen vandaag in De Standaard onder de titel ‘Thuis is waar mijn auto staat’. Wie door de lectuur zin zou krijgen om verkeerskunde te gaan studeren (om bijvoorbeeld zo in de cast van ‘Thuis’ te geraken, mag me altijd een seintje geven.
“Mijn thuis is waar mijn Stella staat.” Als ik ooit een top tien van reclameslogans zou moeten maken, zou die erin staan. Niet omdat ik zo’n fervente Stella-drinker ben. Daarvoor is Anheuser-Busch InBev, met zijn dubieuze bonusbonzen en wurgcontracten voor dorpscafés, mij net iets te onsympathiek. Wel omdat de slagzin perfect inspeelt op de tijdgeest. Hij reikt de moderne ontwortelde mens een herkenbaar en vertrouwd en op de koop toe verplaatsbaar baken aan. Noem het “mobiele verankering”.
Het is geniale marketing die niet voor niets een onderdeel werd van ons collectieve geheugen. Je zou eruit kunnen concluderen dat Stella een sterk merk is, maar het echt sterke merk is natuurlijk het woordje ‘thuis’. Vraag het maar aan de VRT. Die kluistert er dagelijks een miljoen mensen mee aan de buis. Eerlijk gezegd heb ik nog nooit tot dat miljoen behoord. Hoogstens sla ik wenkbrauwfronsend gade hoe Frank en Simonneke voor veel mensen een verlengstuk van hun bestaan zijn geworden.
Uiteraard zijn de makers zich daarvan bewust. Sinds 1995 toont de soap hoe mensen (kunnen) omgaan met de universele thema’s van het leven – liefde, vriendschap, jaloezie, ziekte, rouw, geluk en tegenslag –, maar ook met nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. Getuige daarvan (zo leert Wikipedia mij) dat de scenaristen op zeker moment inspeelden op het lgbti-debat door zoon Franky zich eerst als homo en daarna als transgender te laten outen. Een prachtig voorbeeld van hoe je ‘moeilijke’ thema’s tot gespreksonderwerp in de huiskamer kunt maken en mensen aan het denken kunt zetten, zonder ze (zo hoop ik toch) een bepaalde waarheid in te lepelen.
Zoveelste BOB-campagne
Zou het dan geen goed idee zijn om ook het thema ‘mobiliteit’ in de serie te verwerken? Enkele dagen geleden nam ik deel aan een door het departement Mobiliteit en Openbare Werken (MOW) georganiseerde brainstorm om het nieuwe Vlaamse Verkeersveiligheidsplan 2025-2030 vorm te geven. Voor de zoveelste keer ging het over de individuele verantwoordelijkheid van weggebruikers en de nood aan ‘sensibilisering’. Daarbij werd dan al vlug in de richting van enkele specifieke doelgroepen gekeken: ongedisciplineerde fietsers, automobilisten met een zware voet en/of een drankprobleem en ook en vooral onze kinderen die dringend de regels moeten leren. Allemaal dingen die ik al eens eerder hoorde. Om precies te zijn: al dertig jaar lang.
En toch zitten we nog altijd niet op het pad dat ons leidt naar de door het beleid officieel nagestreefde nul verkeersslachtoffers in 2050. 2024 was officieel een ‘goed’ jaar, wat in de feiten betekent dat er in het Vlaams Gewest ‘maar’ 248 doden en 26.565 gewonden vielen.
Met alleen maar een zoveelste BOB-campagne zal het heus niet lukken. De beoogde ‘mentaliteitswijziging’ blijft grotendeels uit. We vertrekken te laat. We rijden te veel en te snel. We drinken te veel. We kijken te veel op onze smartphone. We maken aan de lopende band mobiliteitskeuzes met grote maatschappelijke gevolgen, op het vlak van veiligheid, maar ook van klimaat, gezondheid, energie- en grondstoffenverbruik en ruimtebeslag. Neem ik de fiets of de auto naar de bakker? Respecteer ik de snelheidslimiet of schat ik zelf wel in wat verantwoord is? Koop ik een auto of stap ik in een deelsysteem? Kies ik voor een obese SUV om me te pantseren tegen de Grote Boze Wereld of juist een lichter voertuig dat vriendelijk is voor z’n omgeving? Wat doe ik als ik in een rolstoel beland en het busperron blijkt ontoegankelijk? Waar ga ik wonen: aan een station in de daarbij horende drukte? Of in het ‘rustige’ buitengebied waar ik met mijn auto moet laveren tussen de tractoren en de recreatieve fietsers?
Stuk voor stuk vragen die wij ons dagelijks vaker niet dan wel stellen, want mobiliteitsgedrag is in hoge mate gewoontegedrag en dus een zaak van ‘gedachteloze automatismen’. Die af en toe expliciteren in een soap, zou ze op een unieke manier bespreekbaar kunnen maken. De personages zouden spreken vanuit verschillende perspectieven: dat van een autoliefhebber, een gepensioneerde op een elektrische fiets, iemand met een beperking, een hippe jongere met een step of fatbike, een moeder met een bakfiets en, waarom niet, een wijsneuzige eerstejaarsstudent verkeerskunde die af en toe binnenvalt met weer een duizelingwekkend fris inzicht.
Stof tot nadenken
Laat die ervaringen en visies maar lekker botsen en situeer ze in de concrete contexten die elke kijker herkent. Samen ontdekken we dat wie niet met de fiets naar de bakker rijdt, daar soms een goede reden voor heeft. Bijvoorbeeld dat er in de eigen rijwoning geen plaats is om een fiets te stallen. Dat er geen veilige fietsstallingen in het publieke domein zijn. Dat sommige politiezones (en parketten) fietsdiefstallen nog altijd niet ernstig nemen. Of gewoon dat er nog altijd alleen maar een niet door fluohesje of fietshelm te compenseren moordstrookje naar de winkel leidt. Dat kan leiden tot het besef dat niet iedereen dezelfde mobiliteitsbehoeften heeft en dat veel zogezegd individuele keuzes eigenlijk het gevolg zijn van elders gemaakte technologische en politieke keuzes.
Hu? Politieke keuzes in een soap? Begeven we ons dan niet op het hellende vlak van de indoctrinatie? Dat zijn legitieme vragen en ik wou dat we ze ook wat vaker stelden als het gaat over de ‘boodschappen’ van bedrijven die winst nastreven en niet noodzakelijk het algemeen belang.
Dat gezegd zijnde: maatschappelijke thema’s aan de orde stellen werkt bevrijdend als je de nuance bewaakt, als je zowel het belerende vingertje als de opgestoken middelvinger achterwege laat en als het scenario stof tot nadenken biedt, eerder dan denksjablonen op te solferen. Dan stijgt zo’n soap boven zichzelf uit. Dan is hij in plaats van opium voor het volk een emanciperende kracht die mensen doet nadenken over thema’s die hen aanbelangen. Dat die behalve maatschappelijk ook politiek zijn, zegt alleen maar iets over de relevantie van het politieke.
Politiek is dan ook zo belangrijk dat we haar niet alleen maar aan de politici mogen overlaten. En voor wie het ook daarmee lastig zou hebben, is er George Orwell om er schrander op te wijzen dat ook politieke kwesties negeren een politieke keuze is.
Welaan dan, laat Frank, Simonneke en co. maar eens stevig discussiëren over hoe ze hun volgende verplaatsing maken of tot de conclusie komen dat ze, geconfronteerd met een afgeschafte bus of een staking bij de NMBS, genoopt zijn – wel ja – gewoon thuis te blijven.