Identiteit – Paul Verhaeghe (6)

6. Identiteit: machteloze maakbaarheid

De formele kant van de identiteitsontwikkeling

Een optimale identiteitsontwikkeling verloopt in een omgeving met duidelijke autoriteitsfiguren die voor veilige hechting zorgen. Oftewel: het kind voelt zich bemind door mensen die op consequente wijze beslissingen voor hem/haar nemen tot het in staat is het zelf te doen.

De inhoud van de identiteit hangt af van de ruimere groep, waarin iemand opgroeit, vooral van de dominerende gemeenschappelijke opvattingen en het door de groep ‘gedeelde’ verhaal. De weerspiegeling van deze opvattingen vinden we in de mores of de ethiek, waarvan het rechtswezen de officiële neerslag vormt.

De spiegelingen komen in deze tijd minder van ouders en meer van flatscreens met als boodschap de dominante marktwerking. ‘Iedereen kan perfect zijn, alles hebben, als je maar voldoende je best doet’.

Het generatieconflict van de huidige tijd geeft als antwoord op de vraag waarom de nieuwe generatie anders is het antwoord: de nieuwe identiteit is een spiegeling van het nieuwe, neoliberale verhaal. Vraag is wat dit doet met jongeren en of er meer aan de hand is dan alleen maar een generatieconflict.

Morele ontwikkeling

Als driejarigen testen kinderen de autoriteit van hun ouders en rond de leeftijd van vijf beginnen ze de oorspronkelijk externe regelgeving over te nemen: ‘interiorisatie’, als basis van het morele geweten.

Via coming of age, beslissingen leren nemen op basis van normen en waarden anders dan die van de ouders gaat opvoeding naadloos over in Bildung. Vorming, waarbij een zo rijk mogelijke cultuur borg staat voor een rijk palet aan identificatiemogelijkheden. Kennis staat centraal als in de klassiek Griekse betekenis, phronesis, wijsheid

Wie legaal volwassen is, wordt verantwoordelijk voor zijn gedrag, omdat hij/zij de morele norm voldoende overgenomen heeft. Hij/zij wordt burger, volwassen lid van een maatschappij, met bijbehorende rechten en plichten.

Als dit mis gaat wordt de persoon als gestoord, abnormaal verklaard, afwijkend van de norm dus. Zie voor statistieken p.152

In onze veranderde maatschappij komen de pedagogische vormvereisten ernstig in het gedrang. Daarbij is de vraag naar inhoud nog belangrijker. Welke spiegel krijgen kinderen voorgehouden: 1. prestatiegerichte hyperindividualisten, 2. niet bereid tot inspanningen, werk verrichten, alleen maar profiteren, 3. zij die een stoornis opgeplakt krijgen?

De fopspeenjongeren

Vacatures raken niet vervuld, jongeren stoppen snel weer nadat zij al werk hadden gevonden. Ze vinden het werk te zwaar, het verdient te weinig, geef ons toch liever maar die uitkering.

Zij kregen allemaal de boodschap te horen elke behoefte te bevredigen, op korte termijn en dat genieten via consumptie het belangrijkste levensdoel is.

Fospeenjongeren verwachten de bevrediging volledig van een ander.

De kwaliteit van de opvoeding is af te meten aan de mate waarin jongeren met frustratie moesten leren omgaan.

De overgang van het mythische paradijs naar de realiteit van verantwoordelijkheid nemen is cruciaal en de omgeving heeft daarin een doorslaggevende rol.

Deze overgang wordt door rituelen gekenmerkt: dat was je van de ander kunt krijgen moet je vanaf nu zelf doen.

Make it or Break it

Deze tweede groep jongeren is opgevoed met de basisovertuiging: toeval bestaat niet, alles is controleerbaar, op elk tekort bestaat een antwoord. Zij zijn in eerste instantie uit op het eigen succes.

Vanuit het laat kinderen in vrijheid leren, zonder opgelegde waarden of autoriteit, en ze ontpoppen zich vanzelf tot integere, volwassen burgers, heeft het competentiemodel een vruchtbare voedingsbodem gevonden.

De docent hoeft niets meer op te leggen. Let op de newspeak: Compentiegericht onderwijs: in een aangepaste leeromgeving (school) moeten leerprocesbegeleiders (onderwijzers of leerkrachten) in hun functie van coach het leerproces faciliteren zodat jongeren hun competenties kunnen kapitaliseren.

In het huidige competentiemodel wordt het individu voorgesteld als een vrije ondernemers die met hulp van anderen zijn eigen vaardigheden uitbouwt.

Neoliberalistisch taalgebruik: kennis is menselijk kapitaal, competenties als kapitaal dat jongeren moeten leren beheren en ontwikkelen, leren is een langetermijninvestering, nb. talent en competentie zijn in beleidsteksten steeds inwisselbaar.

Het huidige doel van het onderwijs heet zelfmanagement en ondernemerschap. De leerlingen van dit onderwijs vragen dan ook: wat brengt het op Voor mij?

In een poging om het onderwijs waardevrij te maken en te bevrijden van welke vorm van morele dictatuur, heet het competentieonderwijs het ideologisch gedachtegoed van het neoliberalisme volledig geïmplementeerd in de scholing van onze kinderen.

In plaats van te zeuren over een egoïstische en materialistische jeugd dienen we dringend vragen te stellen over het onderwijs en ruimer, de bijbehorende pedagogiek.

Het idee dat onderwijs waardevrij kan zijn is een illusie. Onderwijs geeft waarden door en kan zich daarvan maar beter bewust zijn. Dat autoriteit overbodig is, kan alleen uit de mond van iemand komen die nooit voor de klas heeft gestaan.

Verhaeghe is het er niet mee eens dat een kenniseconomie nu eenmaal competentiegericht onderwijs als sleutel tot economisch succes nodig heeft. Het opleidingsniveau is namelijk ernstig gedaald, zowel op het vlak van culturele bagage als van basisvaardigheden zoals taal en wiskunde. Er is tegenwoordig een groeiende behoefte aan middelmatig opgeleiden die liefst niet al te kritisch zijn.

En succes met het nieuwe contract!

MacIntyre, de Schotse moraalfilosoof beschrijft de nieuwe moraal volgens het gebod van measurable effectiveness, wat het mantra is van de hedendaagse hogepriester, de manager en het volgende mantra luidt aanpassing volgens de tweede pastor de psychotherapeut. MacIntyre noemt het morele aspect bij zijn naam: manipulatie van mensen op grote schaal.

De nieuwe immorele mens is de mislukkeling, die door de eerste hogepriester (de manager) voor verdere afhandeling wordt doorverwezen naar de tweede (de psychotherapeut).

De besten worden beloond volgens een meetsysteem. Dit op basis van een topdown-‘kwaliteitshandboek’ zie p.166.

De neoliberale moraal veegt het vroegere spanningsveld tussen het gemeenschappelijk belang en het belang van de burger weg. ‘There is no such thing as society’. Het vervangt het door de tegenstelling tussen een organisatie en een individu, een tegenstelling die binnen de kortste keren een vijandige vorm aanneemt, waarbij beiden het onderste uit de kan willen.

Tegen deze achtergrond verdwijnt de arbeidsethiek en beetje bij beetje ook de gemeenschapsethiek. In plaats daarvan verschijnt het contract, met als typisch kenmerk de voortdurende uitbreiding van regeltjes. Dit binnen een bestel dat deregulering hoog in het vaandel voert.

Survivalweekends als teambuilding

In een neoliberale organisatie verdwijnt de teamgeest snel, ‘survival (of the fittest)’ – weekends blijken een noodzaak. In de plaats van solidariteit komt wantrouwen.

Een neoliberale meritocratie produceert haar eigen uitgangspunt: universeel egoïsme. Met een nieuwe morele maatstaf die puur utilitair is. Men gaat alles afmeten, liefst letterlijk in termen van productie, groei en winst. Waarbij evaluaties binnen de kortste keren het allure van controle krijgen.

De vroegere autoriteit verdwijnt en wordt vervangen door bureaucratische macht binnen een anonieme organisatie.

Het gevolg is een contractsamenleving met cameracontrole, twee symptomen van een mislukte gemeenschap.

Nieuwe persoonlijkheidskernmerken

Een neoliberale meritocratie doet nogal wat met mensen. Solidariteit wordt een kostbare luxe en moet het veld ruimen voor tijdelijke coalities, steeds met als voornaamste zorg dat men er meer winst uithaalt dan de anderen.

Pesten, vroeger een probleem op scholen, nu ook volop aanwezig op de werkvloer. Een typische symptoom van onmacht.

Een daling van de autonomie en groeiende afhankelijkheid van externe, vaak verschuivende normen veroorzaken wat Richard Sennett ‘infantilisering van de werknemers’ noemt.

Zelfrespect hangt in grote mate af van de erkenning die men krijgt van de ander. Iemand als een kind behandelen is centrale aantasting van het zelfrespect.

Een groeiende groep medemensen behoren tot de ‘overbodigen’ hun waarheid is: YOU don’t really matter.

Machteloze maakbaarheid

Nil volentibus arduum. Vocavit servos suos. Niets is moeilijk voor hen die willen. Hij riep zijn slaven.

De hedendaagse zogenaamde ‘zelfsturing’ verbergt onze onderwerping aan een ‘permanent economisch tribunaal’, zegt Michel Foucault.

De vrijheid die we in het Westen ervaren is samen met het idee van de maakbare mens de belangrijkste leugen van vandaag. Zygmunt Baumann vatte de paradox van onze tijd samen: ‘Nooit waren we zo vrij. Nooit hebben we ons zo machteloos gevoeld.’

In ons evolutionaire erfgoed schuilen twee tegenover elkaar staande gedragspatronen: egoïstisch (gericht op verdeel en heers) en altruïstisch (gericht op geef en krijg).