Michel Foucault – De moed tot waarheid [3]

Degene die onderwijst is de technicus. Plato noemt hen en doelt dan vaak op de geneeskundige, de musicus, de schoenmaker, de timmerman, schermmeester of sportleraar)

De onderwijzer beschikt over een kunnen, een technê, know-how. Dat wil zeggen dat het kennis impliceert, zij het kennis die vorm krijgt in een praktijk en, om erin geschoold te raken niet alleen theoretische kennis maar een hele oefening met zich meebrengt.

De technicus heeft een zekere plicht tot spreken. Zijn kennis en waarden zijn verbonden met een lange overlevering. Hij is ook leerling van een leermeester geweest.

Wie les geeft knoopt een band aan, of hoopt en verlangt een band aan te knopen met degenen die naar hem luisteren, een band van gedeelde kennis, overerving, traditie, die ook een band van persoonlijke herkenning of vriendschap kan zijn.

Het waarheidsspreken van de technicus en leraar verenigt en verbindt. Terwijl het waarheidsspreken van de parrèsiast zijn leven in het spel brengt, risico neemt op woede, vijandschap, oorlog, haat en dood.

Als het juist is dat de waarheid van de parrèsiast op dat moment verenigen en verzoenen kan, dan gebeurt dat alleen na een wezenlijk, fundamenteel en structureel noodzakelijk moment gecreëerd te hebben, namelijk de mogelijkheid van haat en verdeeldheid.

De parrèsiast is geen profeet, geen wijze en geen leraar.

De parrèsiast neemt het risicio met anderen de strijd aan te gaan, in plaats van de traditionele band te verstevigen, door uit eigen naam en in alle duidelijkheid te spreken en het ware vertoog van het êthos in te zetten.

Profetie, wijsheid, onderwijs en parrhêsia zijn vier wijzen van waarheidsspreken, die verschillende personages impliceren, verschillende soorten spreken met zich meebrengen en betrekking hebben op verschillende domeinen, namelijk het lot, zijn, technê en êthos.

Michel Foucault – De moed tot waarheid [2]

Foucault wil het onderzoek in het jaar van zijn colleges voortzetten naar het vrijmoedig spreken, de parrêshia als een modaliteit van het waarheidspreken.

De analyse hiervan wordt gedaan door middel van alèthurgische vormen. Het betreft het voortbrengen van de handeling waardoor de waarheid onthuld wordt.

Wat is de relatie tussen subject en waarheid?

Het gaat om het vertoog van de waarheid, die het subject in staat is over zichzelf te spreken. Bekende vormen hiervan zijn de bekentenis, de biecht en het gewetensonderzoek. Andere vormen zijn briefwisselingen, notities of dagboeken.

Waarheidspreken kan verbonden worden met het socratische principe ‘ken uzelf'(gnôthi seauton). Echter wil Foucault het nog breder trekken, namelijk naar het epimeleia beauton, de zorg voor zichzelf, de toewijding voor zichzelf.

Bekommer je om jezelf.

De ander is onmisbaar voor het waarheidspreken over zichzelf. Dat kan een beroepsfilosoof zijn, of een persoonlijke vriend, een geliefde, een leidsman. De rol van deze ander raakt de pedagogie, geestelijke leiding en politieke raadgeving.

De zorg van de ziel en de bepaling van een leefregel.

De partner voor het waarheidspreken moet een bepaalde kwalificatie bezitten. De partner moet vrijmoedig kunnen spreken (parrhêsia). Denk aan een tijdelijk leidsman of een voor het hele leven blijvend raadsman.

Plutarchus was een van de velen die over Parrhêsia schreef. In zijn ‘Hoe men een pseudovriend van een echte vriend kan onderscheiden’ zet hij vleierij tegenover parrhêsia (vrijmoedig spreken).

Galenus wijdt uit over de kwalificaties van degen die vrijmoedig over zichzelf kan spreken. Door het gekwalificeerd zijn, moet deze de parrhêsia gebruiken en zo als subject over zichzelf spreken.

Foucault onderzoekt de Parrhêsia en de Parrhêsiast. Hij vergelijkt deze twee met de biechtvader en de biechteling, de geleide en de geestelijk leidsman, de zieke en de psychiater, de patient en de psychoanalyticus.

Echter het begrip parrhêsia is in de eerste plaats een politiek begrip. Echter het werd in de loop van de tijd verlegd naar een morale vraag. Daarom is de vraag naar het subject en de waarheid gestoeld op wat je het bestuur van zichzelf en de anderen kunt noemen.

Foucault probeert met zijn zoektocht een verbinding te leggen tussen de wijzen van waarheidspreken, de technieken van bestuurlijkheid en de zelfpraktijken.

In structuren waar geen plaats is voor het subject, daar is kennis niets anders dan een pure karikatuur.

Onderzocht moeten worden:
– kennis op haar specifieke wijze van waarheidspreken
– machtsrelaties in het licht van procedures waardoor het gedrag van de mensen wordt bestuurd
– de wijze waarop het subject (het individu) gevormd wordt door middel van zelfpraktijken

Etymologisch betekent parrhêsia: alles zeggen, zonder voor iets terug te deinzen, zonder iets te verbergen. (blz. 28)

Je kunt de parrhêsia op twee manieren gebruiken.
De ongunstige manier bestaat in alles zeggen, in de zin dat je om het even wat zegt (wat je ook maar denkt, alles wat de zaak die je verdedigt maar ten goede kan komen, alles wat de hartstocht of het belang van de spreker maar kan dienen.) Iedereen kan wat dan ook zeggen. Een pejoratief gebruik van het principe. De onverbeterlijke kletsmajoor, die zich niet weet in te houden en die niet in staat is zijn spreken af te stemmen op principes van de rede of de waarheid.

In de positieve betekenis bestaat de parrhêsia in het spreken van de waarheid zonder veinzerij, zonder voorbehoud, zonder frasen en zonder retorische opsmuk die haar zou kunnen versleutelen of kunnen maskeren. De goede parrhêsiast wil niet redeloos spreken, wil zich niet tot beledigingen verlagen en niet ‘terugslaan’, zoals in twistgesprekken, waarin men elkaar wil raken.

Zie bladzijde 29 in het midden. Parrhêsia betekent alles zeggen, zij het afgestemd op de waarheid: de hele waarheid zeggen, niets van de waarheid verbergen, de waarheid zeggen zonder haar door wat dan ook te maskeren.

Hierbij zijn twee aanvullende voorwaarden nodig:
De Parrhêsiast verbindt zich aan zijn waarheid en kan die aan andere onderwijzen.
Verder neemt hij een zeker risico met degene tot wie hij zich richt (hij zet de relatie op het spel).
Hij kan de ander kwetsen, ergeren of boosmaken.
Hiervoor is moed nodig omdat de relatie kans loopt beeindigd te worden.

De parrhêsia kan zich alleen organiseren in een parrhêsiastisch spel. De ander moet accepteren dat hem de waarheid wordt gezegd, hoe krenkend deze ook mag zijn.

Samengevat is parrhêsia de moed tot waarheid van de spreker die, ondanks alles, het risico neemt de hele waarheid te zeggen die hij denkt, maar ze is ook de moed van de gespreksgenoot om de krenkende waarheid die hij hoort voor waar aan te nemen.

De retorica is het tegenovergestelde van de parrhêsia en is een techniek om de dingen te zeggen, maar bepaalt niet de relatie tussen de spreker en wat hij zegt. Maar geeft wel een dwingende band tussen de spreker en de luisteraar.

Een goed retor is een man die in staat is iets heel anders te zeggen dan wat hij weet, gelooft of denkt. Hij weet dit zo te zeggen dat de luisteraars het gaan denken, geloven en menen te weten.

Samengevat.
De retor is een doeltreffende leugenaar die macht afdwingt bij zijn luisteraars. De parrhêsiast is een moedige die met het uitspreken van de waarheid de relatie met de ontvanger op het spel zet.

De parrhêsiast is geen vakman, de parrhêsia geen metier (ambacht, professie, beroep). Het is een houding, een zijnswijze die verwant is aan de deugd, een manier van handelen. Het is een modaliteit van het (uit de antieke filosofie bestaande) waarheidspreken.

Er zijn vier grondmodaliteiten van het waarheidspreken.
1. De profetie (de profeet)
2. De parrhêsia (de parrhêsiast)
3. De wijsheid (de wijze)
4. De techniek (de technicus, de leraar, onderwijzer)

De profeet neemt een bemiddelende positie in en spreekt per definitie niet uit eigen naam. Hij is een spreekbuis voor iemand die van elders komt. Hij onthult wat de tijd voor de mensen verborgen houdt. Hij staat tussen het heden en de toekomst. Hij onthult niet zonder duister te zijn en spreekt in raadselen.

De parrhêsiast daarentegen spreekt uit eigen naam en moet zijn woorden als het ware ondertekenen. De profeet hoeft niet vrijmoedig te zijn. Hij licht de sluier van dat wat is.
Hij helpt de mensen in hun verblinding van wat zij zijn, bijvoorbeeld vanwege een fout, verstrooidheid, morele nalatigheid, die het gevolg is van onachtzaamheid, zelfvoldaanheid of lafheid. De parrhêsiast spreekt ook niet in raadselen, maar probeert zo helder en direct mogelijk te zijn. Onverbloemd, zodat zijn woorden onmiddellijk een voorschrijvende waarde kunnen krijgen. Opdat er een nieuwe gedragsregel zal ontstaan.

De wijze kan spreken namens een door God of een esoterische leer ingegeven wijsheid. De wijze houdt echter zijn wijsheid op de achtergrond. Hij houdt het voor zich en hoeft niet te spreken. Hij zwijgt structureel en antwoordt alleen op vragen. Ook zijn antwoorden kunnen raadselachtig zijn.

Bladzijde 36 en 37 verhalen over Heraclitus die als parrhêsiast werd verbannen.

Socrates herinnert ook aan de opdracht om de mensen aan te spreken, ze aan de mouw te trekken en vragen te stellen. Een gave van God gekregen.

De parrhêsiast zegt in tegenstelling tot de wijze dat wat is, maar ditmaal met betrekking tot singuliere individuen, situaties en omstandigheden. Ze stelt ter discussie en verwijst naar de waarheid omtrent personen zelf, hun feitelijke situatie, karakter, tekortkomingen, de betekenis van hun gedrag en de mogelijke gevolgen van hun beslissingen. Hij ontsluiert en helpt inzien wat de persoon is.

Het waarheidsspreken van de leraar, de technicus en leermeester wordt in het volgende hoofdstuk besproken.