De ontdekking van het langzame leven [3]

Tweede Deel: John Franklin leert zijn beroep

6. Naar Kaap de Goede Hoop

Na de zeeslag en het om het leven brengen van de Deen staat John er vaak verloren bij en is hij nog langzamer dan hij al was. Het schip waarop hij voer heette nu de Investigator. Eén van de geschutsmeesters kon de naam van ontdekker niet meer horen, zonder aan het bloedvergieten te denken. De investigator was een oorlogsschip. Maar de kapitein en oom van John, Matthew zei: ‘wij zijn onderzoekers.’

John wilde een man zijn als ieder ander en luisterde daarom goed bij gesprekken over vrouwen. Hij keek de kunst af en stelde praktische vragen over het wanneer en hoe. John deed zijn eerste ervaringen op.

De investigator had inmiddels haar papieren en zou buiten de wateren van Europa gaan varen, waar het alleen zou gaan om verkenningen en goede kaarten.

John’s dromen over de oorlog werden minder. Er was veel werk op het schip en dat hielp.

John kreeg navigatielessen en maakte kennis met het hemelruim, de sextant, de chronometer (tijdbewaker), het kompas, land- en zeekaarten. John keek het liefst toe als de snelheid werd gemeten met de loglijn en de zandloper.

‘Zoals altijd wanneer John over iets een eigen gedachte had, die door anderen wellicht niet werd gedeeld, voelde hij bezorgdheid in zich opkomen’.

Over snel en juist handelen.
Wie gevaar wilde onderkennen moest eerst goed kijken. Maar bij het handelen had je nodig wat je jezelf had aangeleerd, blindheid.
In plaats van te opperen dat er mogelijk iets aan de hand is, had hij een bevel moeten roepen; dat wat gedaan moest worden om de boel te redden.
John kwam tot de overtuiging dat hij ook alles moest instuderen wat niet te voorzien was.

John wist dat er heel langzaam iets nieuws begon. Niet lang meer, en hij was op en top zeeman.

7. Terra Australis

Niets aan boord was onbelangrijk, naar iedereen werd geluisterd. Dat alles gaf John het gevoel helemaal niet meer zo langzaam te zijn als maanden geleden.

Denis Lacy was de nieuwe midshipman. Een kerel die veel over zichzelf sprak, omdat hij vond dat de anderen moesten weten wie ze voorhadden.

John zegt tegen Matthew: ‘Ik geloof dat ik altijd daar zou willen zijn waar het niet om lichamen gaat, of wanneer wel, dan vol respect.’ Matthew wist wat John bedoelde. ‘Waar wij terechtkomen, daar kun je een oorlog nog in de kiem smoren.’

De nieuwe kwelgeest werd Denis Lacy. Lacy werd ongeduldig van John. Lacy viel iedereen in de rede, sprong om de haverklap op, wilde de snelste zijn en dat laten zien. Iedereen voelde zich een schildpad vergeleken met Lacy.

Matthew geeft instructies de inboorlingen van Terra Australis te respecteren. Het is aftasten en John maakt daarbij een schrandere opmerking. Dat de inboorlingen weten dat wij hen niet verstaan en dat ze daarom opzettelijk onzin uitkramen en daarom lachen.

Iedereen die John nog niet goed kende, wilde hem overbluffen.

John zat het liefst in de voortop. Riffen kon hij tijdig zien en horen, want hij deed of dacht nooit twee dingen tegelijk. Belangrijk hierbij was dat iemand niet van verveling met zijn gedachten afdwaalde of zelfs wegdroomde.

De wereld kon, net als op een schip, mooi zijn, als iedereen maar iets deed waar de anderen iets aan hadden.

De ‘Investigator’ was een schip voor onderzoekers en niet voor veroveraars. In Kopenhagen was er gevochten, toen had John angst en paniek ervaren. Nu was hij bij geschut niet meer bij voorbaat bang. Hij zou na nauwkeurige observatie en logisch denken het verstandigst doen.

8. De lange thuisreis

Omdat John zo langzaam is verliest hij nooit tijd en wist hij wanhopigen te overtuigen dat er voldoende tijd was.

Alles wat John aan de wal zag stond ten dienste van de handel. Zonder geduld was de handel geen handel en waren kooplieden slechts rovers.

John was een vragensteller, maar wist ook goed dat je het lang niet altijd met de antwoorden eens kon zijn. Behalve met een bevreemdend antwoord zat je dan ook nog met een gevoel van onvrede.

Dennis Lacy was neergestort van de grootbraam op het dek. Waarom leefde de snelste man van het schip niet meer en de langzaamste wel?

John besluit kapitein te worden, daarom wil hij liever zoveel mogelijk willen kennen.

Michel Foucault – De moed tot waarheid [2]

Foucault wil het onderzoek in het jaar van zijn colleges voortzetten naar het vrijmoedig spreken, de parrêshia als een modaliteit van het waarheidspreken.

De analyse hiervan wordt gedaan door middel van alèthurgische vormen. Het betreft het voortbrengen van de handeling waardoor de waarheid onthuld wordt.

Wat is de relatie tussen subject en waarheid?

Het gaat om het vertoog van de waarheid, die het subject in staat is over zichzelf te spreken. Bekende vormen hiervan zijn de bekentenis, de biecht en het gewetensonderzoek. Andere vormen zijn briefwisselingen, notities of dagboeken.

Waarheidspreken kan verbonden worden met het socratische principe ‘ken uzelf'(gnôthi seauton). Echter wil Foucault het nog breder trekken, namelijk naar het epimeleia beauton, de zorg voor zichzelf, de toewijding voor zichzelf.

Bekommer je om jezelf.

De ander is onmisbaar voor het waarheidspreken over zichzelf. Dat kan een beroepsfilosoof zijn, of een persoonlijke vriend, een geliefde, een leidsman. De rol van deze ander raakt de pedagogie, geestelijke leiding en politieke raadgeving.

De zorg van de ziel en de bepaling van een leefregel.

De partner voor het waarheidspreken moet een bepaalde kwalificatie bezitten. De partner moet vrijmoedig kunnen spreken (parrhêsia). Denk aan een tijdelijk leidsman of een voor het hele leven blijvend raadsman.

Plutarchus was een van de velen die over Parrhêsia schreef. In zijn ‘Hoe men een pseudovriend van een echte vriend kan onderscheiden’ zet hij vleierij tegenover parrhêsia (vrijmoedig spreken).

Galenus wijdt uit over de kwalificaties van degen die vrijmoedig over zichzelf kan spreken. Door het gekwalificeerd zijn, moet deze de parrhêsia gebruiken en zo als subject over zichzelf spreken.

Foucault onderzoekt de Parrhêsia en de Parrhêsiast. Hij vergelijkt deze twee met de biechtvader en de biechteling, de geleide en de geestelijk leidsman, de zieke en de psychiater, de patient en de psychoanalyticus.

Echter het begrip parrhêsia is in de eerste plaats een politiek begrip. Echter het werd in de loop van de tijd verlegd naar een morale vraag. Daarom is de vraag naar het subject en de waarheid gestoeld op wat je het bestuur van zichzelf en de anderen kunt noemen.

Foucault probeert met zijn zoektocht een verbinding te leggen tussen de wijzen van waarheidspreken, de technieken van bestuurlijkheid en de zelfpraktijken.

In structuren waar geen plaats is voor het subject, daar is kennis niets anders dan een pure karikatuur.

Onderzocht moeten worden:
– kennis op haar specifieke wijze van waarheidspreken
– machtsrelaties in het licht van procedures waardoor het gedrag van de mensen wordt bestuurd
– de wijze waarop het subject (het individu) gevormd wordt door middel van zelfpraktijken

Etymologisch betekent parrhêsia: alles zeggen, zonder voor iets terug te deinzen, zonder iets te verbergen. (blz. 28)

Je kunt de parrhêsia op twee manieren gebruiken.
De ongunstige manier bestaat in alles zeggen, in de zin dat je om het even wat zegt (wat je ook maar denkt, alles wat de zaak die je verdedigt maar ten goede kan komen, alles wat de hartstocht of het belang van de spreker maar kan dienen.) Iedereen kan wat dan ook zeggen. Een pejoratief gebruik van het principe. De onverbeterlijke kletsmajoor, die zich niet weet in te houden en die niet in staat is zijn spreken af te stemmen op principes van de rede of de waarheid.

In de positieve betekenis bestaat de parrhêsia in het spreken van de waarheid zonder veinzerij, zonder voorbehoud, zonder frasen en zonder retorische opsmuk die haar zou kunnen versleutelen of kunnen maskeren. De goede parrhêsiast wil niet redeloos spreken, wil zich niet tot beledigingen verlagen en niet ‘terugslaan’, zoals in twistgesprekken, waarin men elkaar wil raken.

Zie bladzijde 29 in het midden. Parrhêsia betekent alles zeggen, zij het afgestemd op de waarheid: de hele waarheid zeggen, niets van de waarheid verbergen, de waarheid zeggen zonder haar door wat dan ook te maskeren.

Hierbij zijn twee aanvullende voorwaarden nodig:
De Parrhêsiast verbindt zich aan zijn waarheid en kan die aan andere onderwijzen.
Verder neemt hij een zeker risico met degene tot wie hij zich richt (hij zet de relatie op het spel).
Hij kan de ander kwetsen, ergeren of boosmaken.
Hiervoor is moed nodig omdat de relatie kans loopt beeindigd te worden.

De parrhêsia kan zich alleen organiseren in een parrhêsiastisch spel. De ander moet accepteren dat hem de waarheid wordt gezegd, hoe krenkend deze ook mag zijn.

Samengevat is parrhêsia de moed tot waarheid van de spreker die, ondanks alles, het risico neemt de hele waarheid te zeggen die hij denkt, maar ze is ook de moed van de gespreksgenoot om de krenkende waarheid die hij hoort voor waar aan te nemen.

De retorica is het tegenovergestelde van de parrhêsia en is een techniek om de dingen te zeggen, maar bepaalt niet de relatie tussen de spreker en wat hij zegt. Maar geeft wel een dwingende band tussen de spreker en de luisteraar.

Een goed retor is een man die in staat is iets heel anders te zeggen dan wat hij weet, gelooft of denkt. Hij weet dit zo te zeggen dat de luisteraars het gaan denken, geloven en menen te weten.

Samengevat.
De retor is een doeltreffende leugenaar die macht afdwingt bij zijn luisteraars. De parrhêsiast is een moedige die met het uitspreken van de waarheid de relatie met de ontvanger op het spel zet.

De parrhêsiast is geen vakman, de parrhêsia geen metier (ambacht, professie, beroep). Het is een houding, een zijnswijze die verwant is aan de deugd, een manier van handelen. Het is een modaliteit van het (uit de antieke filosofie bestaande) waarheidspreken.

Er zijn vier grondmodaliteiten van het waarheidspreken.
1. De profetie (de profeet)
2. De parrhêsia (de parrhêsiast)
3. De wijsheid (de wijze)
4. De techniek (de technicus, de leraar, onderwijzer)

De profeet neemt een bemiddelende positie in en spreekt per definitie niet uit eigen naam. Hij is een spreekbuis voor iemand die van elders komt. Hij onthult wat de tijd voor de mensen verborgen houdt. Hij staat tussen het heden en de toekomst. Hij onthult niet zonder duister te zijn en spreekt in raadselen.

De parrhêsiast daarentegen spreekt uit eigen naam en moet zijn woorden als het ware ondertekenen. De profeet hoeft niet vrijmoedig te zijn. Hij licht de sluier van dat wat is.
Hij helpt de mensen in hun verblinding van wat zij zijn, bijvoorbeeld vanwege een fout, verstrooidheid, morele nalatigheid, die het gevolg is van onachtzaamheid, zelfvoldaanheid of lafheid. De parrhêsiast spreekt ook niet in raadselen, maar probeert zo helder en direct mogelijk te zijn. Onverbloemd, zodat zijn woorden onmiddellijk een voorschrijvende waarde kunnen krijgen. Opdat er een nieuwe gedragsregel zal ontstaan.

De wijze kan spreken namens een door God of een esoterische leer ingegeven wijsheid. De wijze houdt echter zijn wijsheid op de achtergrond. Hij houdt het voor zich en hoeft niet te spreken. Hij zwijgt structureel en antwoordt alleen op vragen. Ook zijn antwoorden kunnen raadselachtig zijn.

Bladzijde 36 en 37 verhalen over Heraclitus die als parrhêsiast werd verbannen.

Socrates herinnert ook aan de opdracht om de mensen aan te spreken, ze aan de mouw te trekken en vragen te stellen. Een gave van God gekregen.

De parrhêsiast zegt in tegenstelling tot de wijze dat wat is, maar ditmaal met betrekking tot singuliere individuen, situaties en omstandigheden. Ze stelt ter discussie en verwijst naar de waarheid omtrent personen zelf, hun feitelijke situatie, karakter, tekortkomingen, de betekenis van hun gedrag en de mogelijke gevolgen van hun beslissingen. Hij ontsluiert en helpt inzien wat de persoon is.

Het waarheidsspreken van de leraar, de technicus en leermeester wordt in het volgende hoofdstuk besproken.

De ontdekking van het langzame leven [2]

4. De reis naar Lissabon

Nu was hij op een schip, midden op zee! John had het naar zijn zin. Misschien was dat hier reeds de hele vrijheid. Over vrijheid had hij nagedacht: je was vrij als je de anderen niet van tevoren hoefde te zeggen wat je van plan was. Of als je het verzweeg. Half vrij: als je het ruim te voren moest aankondigen. Slavernij: als de anderen je voorspelden wat je zou doen.

John wilde midshipman worden, dat werd je alleen via relaties. Zonder dr. Orme zou hij nog thuis zitten en niet op zee uitkijken. Dr. Orme had zich voor Johns bijzondere geval geïnteresseerd, uit nieuwsgierigheid en zonder greintje medelijden. Hij had Johns ogen, oren, zijn begrijpen en onthouden onderzocht. Bij dr. Orme voelde John zich veilig, die interesseerde zich niet voor leerlingen, als hij dat wel deed, dan stond dat ergens voor. Hij zei nooit wat hij dacht en als hem iets te binnenschoot, dan lachte hij alleen maar.

Zijn vader hoopte dat hij overboord zou spoelen. Zijn moeder wilde dat alles hem lukte, maar mocht dat alleen niet zeggen.

John kreeg last van zeeziekte, hij probeert sommen te maken om het niet te hoeven voelen, het helpt niet erg. Wat heb ik eraan dat ik de positie van een schip kan bepalen, maar niet tegen zijn bewegingen kan?!

Tijdens storm zocht een ieder van het schip, op precies de juist gekozen momenten nieuw houvast.

John leerde een nieuwe kameraad kennen, een Hollander. Deze wist dat zijn toehoorder alles begreep als hij pauzes kreeg.

John leert Gwendolyn kennen, zij spreekt gejaagd. John wist na een gesprek met haar, dat hij te lang had nagedacht. Dat was de storende uitwerking van de echo. Hij stond te lang stil bij de door hem gehoorde of bij zijn eigen woorden.

Denken is goed, maar niet zo lang tot het aanbod aan iemand anders wordt gedaan. John moest proberen de juiste tijdstippen, even als de bal, op te vangen. Dit door tijdig de strakke blik toe te passen, want dan was zijn grijpbeweging al begonnen alvorens de gelegenheid zich voor deed. Een kwestie van oefening.

Ieder schip had een topsnelheid, waar het ook bij de meest gunstige wind, niet bovenuit kwam. John bekeek het werk op het schip heel nauwkeurig. Hij liet zich ook bijbrengen hoe je knopen moest leggen. Bij het oefenen ging het om snelheid, maar bij het echte werk, om hoe goed de knoop zich hield. John leerde alle zeilmanoeuvres uit het hoofd. Als hem de gek werd aangestoken, besloot hij, dat hij over zulke opmerkingen niet na hoefde te denken.

5.   Kopenhagen 1801

Johns ogen en oren houden iedere indruk merkwaardig lang vast had dr. Orme gezegd en dat hij zo slecht van begrip en traag leek, was niets anders dan een overgrote zorgvuldigheid van zijn hersenen ten op zichte van alle mogelijke details. Zijn grote geduld….

John kent geen zelfmedelijden. ’s Nachts herhaalde John de al te snelle gebeurtenissen van overdag in zijn eigen tempo. Hij prentte zich ook alle vragen in die tot dusver niet waren beantwoord. Het ging erom ze precies op het juiste moment te stellen en daarom moest je ze goed in je hoofd hebben. Hij moest ook de vragen die aan hem gesteld konden worden direct herkennen.

Hele vloten van woorden had hij van buiten geleerd en batterijen van antwoorden, om zich te wapenen. Zowel wanneer hij iets zei als wanneer hij iets deed, moest hij op alles wat komen ging al zijn voorbereid. Wanneer hij het eerst nog moest begrijpen – dat duurde te lang. Alleen zo bleef de aanmerking van de ander uit en ging het antwoord door.

John speelde het zo klaar! Een schip, door de zee begrensd, was te leren.

Als John verklaringen gaf, had dat meestal tot gevolg dat er bevelen kwamen. Bijvoorbeeld dat snelle bewegingen tot een streep werden leidde tot het in de top van de mast moeten klimmen om de streep van het landschap te bestuderen.

John was tevreden. Geestelijke discipline maakte zijn langzame tempo goed.

John had zich aangeleerd alle vragen die met hoge toon eindigden af te doen met de automatische repliek ‘natuurlijk niet’. Iets waarmee de steller van de vraag zich onmiddellijk tevreden gaf.

John had nu het gevoel dat hij de dingen kon bijhouden, omdat hij van te voren wist wat er komen kon.

John kon snelle bewegingen en geluiden negeren en zich daardoor tot veranderingen richten die vanwege hun kalme tempo voor anderen nauwelijks nog waarneembaar waren.

Als midshipman moest je je als gentleman gedragen had zijn neef gezegd.
Tijdens een zeeslag probeerde John dit principe ook toe te passen. Echter hij doodde door zijn langzaamheid iemand anders, door deze met een wurggreep om het leven te brengen. John wil daarna zelf niet meer leven, maar wordt van de verdrinkingsdood gered. John geeft aan dat hij bij plotselinge veranderingen ongelukkig wordt en in verwarring raakt. Langzaam zijn kan dodelijk zijn. Hier heeft John het moeilijk mee. Dr. Orme helpt hem verder en zegt: ‘Je houdt toch van de zee, dat hoeft niet altijd met oorlog te maken te hebben.’ John zegt: ‘Met de oorlog, daar heb ik me vergist.’

Michel Foucault – De moed tot waarheid [1]

Michel Foucault - De moed tot waarheid [1]

Michel Foucault leefde tot 1984. Sinds 1970 was zijn leerstoel Geschiedenis van denksystemen.
Foucault moest als hoogleraar onderzoek verrichten. Dat onderzoek dwong hoogleraren hun onderwijs te vernieuwen. Dit boek gaat over de laatste colleges die Foucault voor zijn dood gaf.
Foucault droomde van een seminar dat de plaats zou zijn van een werkelijk collectieve arbeid. De laatste jaren besteedde hij in zijn colleges veel tijd aan het beantwoorden van vragen van toehoorders.
Toehoorders die regelmatig kwamen werden geboeid door het verhaal dat week na week werd opgebouwd. Ze werden verleid door de strengheid van de uiteenzetting en vonden verheldering in de actualiteit. Foucaults kracht lag in een kruising van geleerde eruditie, persoonlijk engagement en een werken aan de gebeurtenis.

De lichtheid van het opvoeden [4] [Denken / aandacht]

Denken / aandacht    Jan Masschelein

‘Alleen in zover hij denkt,
… leeft de mens,
in de volle actualiteit van zijn concrete zijn,
in de bres tussen verleden en toekomst.’
(Hannah Arendt)

Wat doet Olivier in de film? Hij denkt en is aandachtig.

Het denken zelf houdt een omgang met iets in de wereld in. Denken is een activiteit die zich afspeelt in een toestand van onrust en ‘opheffing’. Het betreft geen kritische (zelf-)reflectie, denken en aandacht zijn ook geen competenties of aan te leren vaardigheden. Iedereen kan het, het is niet voorbehouden aan intelligente, gevormde en geleerde geesten, maar vraagt wel overgave en inspanning (werk).

De aandachtige, denkende houding van Olivier is verbonden met het vinden van het juiste handelen, wat een nieuw begin mogelijk maakt.

‘Je ne sais pas’

In de film gaat het om het ‘Ik weet het niet’. Het is het antwoord van Oliviers ‘vrouw op de vraag waarom hij doet wat hij doet.  Het is geen verklaring, het is wat de film toont. ‘Ik weet het niet’ tonen is moeilijk. Olivier heeft het gevonden in de twee krachten die elkaar tegelijkertijd opheffen of neutraliseren: het verlangen naar wraak en te doden en daarnaast de onbekende kracht van de humaniteit.

De onrust, bruutheid van beweging, indringende blikken getuigen van het tegelijkertijd op zich inwerken en opheffen van deze krachten. Het lichaam gefilmd in een permanent onevenwicht, een ‘état de suspension’ (een toestand van opheffing). Dit voortdurend zijn plaats zoeken kunnen we verbinden met het denken.

Er is gelijkenis met de beschrijving van Hannah Arendt over denken. Zie het citaat aan het begin van dit hoofdstuk. Het punt waar twee krachten botsen en opheffen is de bres tussen verleden en toekomst.  In de bres staat hij die het gevecht met de krachten aangaat en op een bepaalde manier in stand houdt door zijn constant vechten. Bij dit denken staat het ik in gesprek met zichzelf.

Het denken kent hierbij een soort pluraliteit en is een vorm van aanwezig zijn en zich inlaten met het heden (lees alinea twee, bladzijde 41). Het betreft een toestand waarin een nieuw begin mogelijk is.

Verder gaan dan Socrates? [2]

Onderwijs, ongemak en bezieling

– Van Riessen benoemt de paradox van Kierkegaard ‘dat iets wat onderwijs heet geen onderwijs genoemd kan worden als de voorwaarden voor het leren al aanwezig zijn’,  ‘het ongemak van onderwijs’
– Van Riessen vervolgt: ‘De ontdekking dat onderwijs zijn conditie vindt in een situatie die juist niet meer als gewoon onderwijs kan worden omschreven. Het is een ongemak dat tegelijk voor bezieling zorgt’
– Het leraarschap van Socrates betreft de menselijke verhouding, communicatie
– Echter Kierkegaard zegt hier: als we de waarheid zouden opsluiten in alleen maar het menselijke gebied zonder de verwijzing naar een verlossend en vernieuwend handelen van God, dan zou communicatie wel eens een klemmend contract kunnen worden
– Een ander leren is mogelijk
– Kierkegaard  in zijn schrijversrol als Climacus denkt aan de mogelijkheid filosofisch en existentieel te leren van iemand die tegelijk een representant is van het menselijke en het niet-meer of meer-dan menselijke
– Dat ongemakkelijke en tegelijk paradoxale exces van menselijkheid vindt hij in Christus, de evangelische gestalte van de leraar die tegelijkertijd mens en verlosser is
– Met Christus bevindt de waarheid zich zowel buiten als in de menselijke ziel
– Een waarheid die van buitenaf verkondigd moet worden. Omdat hij ‘niet bij ons is opgekomen’

Het exces van het menselijke

– Het exces van het menselijke is de overmaat van het menselijke, het gebied waarin de mens in aanraking komt met wat we niet-meer-menselijk of zelfs onmenselijk moeten noemen
– Socrates leert ons hoe we mens moeten worden
– Christus leert ons dat menselijkheid het meer-dan-menselijke nodig heeft, wat tegelijk het niet-meer-menselijke is
– Daarom is Christus geen gewone leraar
– Voor Kierkegaard is hij de eenmalige leraar die verbinding tot stand brengt tussen het menselijke en God
– Door Christus kunnen wij ons heden verbinden aan het eeuwige of de eeuwigheid
Van Riessen stelt: Kunnen we ons daar ongestraft mee in laten? Hebben we daarmee ongemerkt het terrein van de filosofie en de mogelijkheid tot kritiek verlaten? Dit brengt haar naar de filosofie van Levinas

 

 

De lichtheid van het opvoeden [3] [Meesterschap]

Meesterschap – Maarten Simons

Op zoek naar de ordinaire leerkracht

Is de leerkracht iemand die voor de toekomst leeft en zichzelf daarvoor gerust wil wegcijferen? Iemand in het heden die op een deskundige wijze of met ‘kennis van zaken’ mee vorm geeft aan een toekomst. Het heden als pedagogisch scharniermoment, wat de belofte in zich draagt van een betere, mooiere toekomst.

De tekst probeert van dat grootse denken afstand te nemen.

Hiertegenover wordt geplaatst een klein denken: een denken over de leerkracht als onopvallende, zoekende randfiguur. Een leerkracht als iemand die zijn leven heel erg gewoon leeft, die heel erg kleine dagelijkse dingen beleeft, maar daar nauwgezet en op een meesterlijke manier mee bezig is.

Kortom het gaat over de meesterlijke leerkracht van het kleine moment en de gewone situatie èn niet over de deskundige leerkracht van de grootse toekomst en de nieuwe samenleving.

Aanvaarden en een filosofische houding zijn daarbij samenhangend. Denk aan een volgehouden en dagelijkse zoektocht naar meesterschap en perfectie. Het gaat om de kleine levensfilosofie van de filosoof als levenskunstenaar. Onopvallend.

Een registratie van ‘bezig zijn met zichzelf en z’n vak’

De film ‘le Fils’ is een registratie van momenten en situaties (waarin verleden en toekomst gecomprimeerd en in die zin onbelangrijk zijn) en vooral van houdingen die Olivier op deze momenten en in deze situaties aanneemt.

Registratie wil zeggen dat er iets wordt getoond en dat de kijker dat kan meevolgen, de film vertelt in eerste instantie dus niet een verhaal.

Je mag als het ware een tijdje met iemands’ leven meekijken.

Je zit iemand letterlijk en figuurlijk op de huid. Tegelijkertijd is het ook een verhaal, maar niet met helden en anti-helden en het is niet het doel van de film. Deze film betreft de registratie van iemand die bezig is met zijn vak (houtbewerking), die de wereld aanvaardt, die van daar uit voor zichzelf probeert te zorgen en daarin een soort meesterschap toont.

Niet door stilstaan tot aanvaarding komen, maar doorheen het leven en aanvaarding als houding. Géén willen weten, willen kennen, begrijpen of willen veranderen.

Olivier ziet in de moordenaar van zijn zoon als allereerste zijn leerling, die gefascineerd raakt voor zijn vak van houtbewerking.

In de film zie je registraties van het snelle denken, kleine zoeken, ingehouden spreken, onopvallend transpireren. Het bestaande is niet langer iets groots dat veranderd moet worden.

De werkelijkheid verschijnt als iets waar je zoekend, zorgend, perfectionerend mee probeert om te gaan (het betreft kleine wijzigingen in klemtoon, aandacht en aanwezigheid). Het proberen voor zichzelf te zorgen wordt geregistreerd.

Het gaat ietwat in tegen de eigentijdse houding in de pedagogiek: die van deskundige.

De eigentijdse leerkracht-als-deskundige

De deskundige leerkracht is expert en kundig op basis van kennis en/of handelt met ‘kennis-van-zaken’.

In drie relaties staat deze kennis centraal: in zijn relatie tot de wereld, de ander en zichzelf.

De deskundige leerkracht heeft weet van de wereld, van zijn vak, wetenschap en wil deze kennis overdragen of de leerling helpen deze zelf te ontdekken, construeren. Hij beschikt over vakdidactische en algemeen pedagogische kennis. Op basis van kennis over klassenmanagement, leerprocessen, individuele leerbehoeften, leerstijlen, leerplannen, eindtermen e.d. geeft de deskundige leerkracht gestalte aan de relatie met de leerling.

Ook het zelf staat in het teken van kennis, bewustwording en ‘professioneel’ oordelen.

Bladzijde 25 spreekt van scheiding tussen werk en privé en het onderkennen van eigenbelang en het belang van kennis ten dienste van de leerling.

Ook bij de eigentijdse leerkracht is sprake van een verschuiving van het kennisgebied. Er wordt meer gevraagd over kennis van de relatie tot de ander.

De leerkracht als expert in het begeleiden van leerprocessen. Het gaat minder om inhouden en vakken (kennis) en meer om competenties en modules (kunde).

Van de leerkracht wordt ook verwacht dat hij zichzelf steeds reflecteert en de eigen impliciete ‘kennisbasis’ steeds vernieuwt.

Er is een focus op ‘correctheid’ en ‘gezag’ en deze leerkracht distantieert zich van mensen die niet over deze kennis bezitten (leerlingen en ouders). Er ligt daarmee een claim op exlusiviteit. De eigentijdse leerkracht neemt een opvoedkundige, pedagogische taak op zich en werkt met leerlingen aan waarden en normen.

De leerkracht als deskundige is eigentijds. Het type wat beleidsmakers voor ogen hebben.

In de film is Olivier oneigentijds. Hij gaat veel te veel in de liefde voor zijn vak op.

Oneigentijds meesterschap

In dit hoofdstuk, de uitnodiging voor de leerkracht om op een andere wijze naar zichzelf te kijken.

Voor de leerkracht-als-meester staat niet kennis centraal maar zorg.

Kennis helpt bemeesteren, bewerken en bewonen. De meester vat de wereld en wat erin is op als datgene wat om zorg vraagt.

Olivier draagt zorg voor het hout, een docent Nederlands draagt zorg voor de taal en bij Wiskunde voor het rekenen.

Zorgdragen voor omvat de aspecten respect, overgave en passie en komt samen in de liefde voor het vak.

In deze eerste dimensie is de meester iemand die op bepaalde wijze bezig is met zichzelf en zijn leven, het ligt nooit vast. Er is sprake van een zoeken, een bezig zijn en het is niet allemaal eender. Het betreft de zorg voor de wereld.

De tweede dimensie is de relatie tot het zelf die in het teken staat van meditatie, meesterschap, oefeningen, belichaamd weten en perfectie.

Voor de meester staat zelfbetrokkenheid of reflexiviteit niet in het teken van kennis. Foucault onderscheidt drie vormen van reflexiviteit: herinnering (Plato), meditatie en methode (Descartes).

Bij herinnering is het verleden de drager van de waarheid. In de methode gaat de moderne onderzoeker aan de slag, hij wil neutraal zijn en objectief. Bij de meester gaat het om de meditatie en niet de methode of de herinnering (blz. 29).

Meditatie moet gezien worden in de context van de Griekse oudheid, waarin meditatie ‘ascese’ is, een levenslange oefening waarin men nagaat (of test, aftoetst) of wat men denkt en wat men doet in overeenstemming zijn, en waarin men poogt zichzelf zodanig te transformeren dat die overeenstemming er is.

Het gaat niet om diepe zieleroerselen of verborgen verlangens, maar al denkend aftoetsen of wat men doet wel in overeenstemming is met de waarheid die men voorop stelt of de ideeën die men heeft.

Het zelf hoeft niet gekend, ontdekt, bevrijd, ontcijferd te worden, maar ligt aan het handelen ten grondslag en heeft voortdurende zorg nodig.

Men moet wel nagaan in hoeverre denken en doen in overeenstemming zijn. Deze zelfkennis staat ten dienste van het zorgen voor zichzelf.

Het meesterschap van iemand toont zich in de mate dat iemand aanwezig is bij wat hij doet en dat iemand in dat wat hij doet en zegt ook toont wie hij is of waar hij voor staat.

Een aandachtige en geconcentreerde manier van houtbewerken toont meesterschap.

Voor de meester staat er steeds iets op het spel. Het kost moeite en vraagt inspanning om bij de zaak aanwezig te zijn. Hij worstelt met zichzelf en zoekt. Foucault merkt in dezen op dat de Grieken wat dit betreft steeds verwijzen naar de figuur van de atleet die aan zijn conditie werkt. Meesterschap impliceert oefening en voorbereiding. Denk aan het aftoetsen wat men denkt en doet, het bijhouden van een dagboek, het memoriseren van teksten, het declameren van teksten, het aandachtig luisteren etc. (bijv. de leraar die voor hij de les in gaat leest, niet over de les, maar om aandachtig te worden en zich te concentreren, of een die een lesvoorbereiding uitschrijft niet om exact uit te voeren, maar om zich te prepareren, niet om te plannen of zich in te dekken). De voorbereiding betreft respect voor de zaken waar hij mee bezig is.

Nogmaals het gaat niet om prestatie, maar om een gevoeligheid, aandacht en concentratie voor het vak. Hetgeen ons brengt bij twee andere elementen die centraal staan in de relatie tot het zelf: belichaamd weten en perfectie.

In meesterschap is kennis iets wat belichaamd wordt, het staat niet buiten de persoon. Bijv. het toont zich bij de houtbewerker in zijn handen, zijn lichaam en de blik (ik denk aan mijn Opa die organist was en vaak naar zijn handen keek en daarbij zijn vingers voor het lenig worden oefende, zijn gezicht toewendde en zo zichtbaar muziek tot zich nam en zijn lijf dat zichtbaar innerlijk bewogen was. Zijn houding was naar de klanken van de muziek gericht) Zo iemand kan niet op de ‘automatische piloot’, routineus handelen of zijn lesje opzeggen en gaat dus ook nooit helemaal op in datgene waar hij mee bezig is. Op blz. 31 onderaan wordt beschreven hoe het niet gaat om effectiviteit, efficiëntie en performativiteit (met minder meer bereiken). In meesterschap gaat het om perfectie, niet in de zin van het correcte. Perfectie is geen toestand, maar heeft te maken met juistheid van woorden en gepaste daden.

Juistheid hangt af van de aard van de situatie. In het stellen van het juiste gebaar of het uitspreken van de juiste woorden brengt de meester ook steeds zijn denken, handelen in overeenstemming. En de meester kan dit omdat hij niet samenvalt met de zaak en met zichzelf en dezen ook niet vastliggen. Er kan en moet dus steeds iets vastgesteld worden. In de film is er de juistheid van Olivier die zijn leerlingen af en toe terecht wijst en ook de juistheid van zorgvuldige woorden en gebaren.

Perfectionisme verwijst hier niet naar een ziekelijke ingesteldheid, maar naar een levenslange bezigheid, met als doel die houding of conditie te verwerven die het mogelijk maakt ‘het juiste’ te doen en te zeggen.

Voor de ‘deskundige’ is de meester een overdreven perfectionist. Voor de meester is de ‘deskundige’ iemand zonder beroepseer, die een onverschillige relatie heeft met dat waar hij mee bezig is.

De oneigentijdse meester-als-leerkracht

De eerste twee dimensies zijn de wereld en het zelf. De derde dimensie is de relatie tot de ander, of de relatie tot de leerling. Voor de meester staat het vak centraal en de relatie tot de leerling is daar een afgeleide van. Pagina 33 vermeldt: ‘het pedagogische is de schitterende schaduwzijde van het meesterschap.’

Wie eerst voor zichzelf heeft leren zorgen, kan voor anderen zorgen. Iemand met meesterschap offert zich niet op voor anderen.

Meesterschap is niet egoïstisch en heeft betrekking op de relatie tot de wereld (een overgave aan iets in de wereld), zorg voor de wereld en voor zichzelf. Hierdoor nodigt de meester mensen uit om zorg te dragen voor zichzelf.

Dit heeft tot gevolg dat Oliviers’ leerlingen, gezellen worden, in een houding geplaatst  waarin ze kunnen en willen ‘leren’. Dit sluit aan bij de gedachte van Hannah Arendt: ‘enkel mensen die verantwoordelijkheid voor de wereld opnemen mogen zich inlaten met opvoeding en onderwijs’. Anders worden jongeren beroofd van de mogelijkheid of het ‘vermogen’ de wereld te vernieuwen (zie blz. 33 onderaan). De leerling wil een meester die niet alleen in de leerling, maar ook zelf in iets geïnteresseerd is en daardoor interesse kan opwekken.

De begrippen gezag, uitnodiging en toetssteen maken het mogelijk de relatie tot de leerling die uit het meesterschap voortvloeit specifieker te beschrijven.

Meesterschap als belichaming van het vak, als presentatie van de wereld ipv representatie zoals bij de deskundige leerkracht, is op zichzelf niet overdraagbaar en ‘de liefde voor het vak’ niet aan te leren. Je kunt leerlingen wel laten oefenen en zich laten voorbereiden. Het gaat niet om leren als ‘overdracht’, maar ook niet dat alles uit de leerling zelf moet komen. Zie alinea 2 bladzijde 34. De leraar grijpt wel in, want hij kan niet verhullen en zal het ondanks zichzelf tonen. Dit gezag is niet gebaseerd op kennis of deskundigheid, maar op een vorm van overgave van de meester zelf en het weten wat hij belichaamt.

In de gezagsrelatie tussen de meester-als-leerkracht en de leerling komen twee zaken samen: de uitnodiging zich in te laten met de zaak (en voor zichzelf en de wereld te leren zorgen), het aanbieden van een voortdurende toetssteen (wat betreft perfectionisme in de zaak zoals houtbewerking, taal, wiskunde). En de oproep dit met liefde en meesterschap te doen.

Het roept een vrij klassiek pedagogische setting in het leven: hij nodigt leerlingen uit met teksten, houtbewerking, formules, romans bezig te zijn. Hij stelt iets ter beschikking met de uitnodiging gevoelig te worden voor de aard van de zaak. Socrates vertelde anderen niet hoe het te doen, maar leefde het voor.

De aanvaarding

Aanvaarding verwijst naar overgave aan werkelijkheid. Het willen weten, willen veranderen, willen ontwerpen, willen zoeken en willen vinden (eigen voor de houding van deskundigheid) op te geven en zorgend aanwezig te zijn voor wat is. Deze aanvaarding is een ingesteldheid waar aan gewerkt moet worden. In de film Le Fils wordt dit getoond. Olivier heeft een perfectionistische houding in houtbewerking. Hij is vakleraar met meesterschap, hij geeft zich aan de aard van de zaak over, zonder zich erin te verliezen. In de film overwint het meesterschap op wraak of woede. Dit impliceert ook aanvaarding van de ‘toekomst’ of van het nieuwe. Hij creëert een pedagogische schaduwruimte waarin Francis kan proberen te zorgen voor zichzelf en zichzelf kan voorbereiden op de toekomst.

In plaats van barmhartigheid of beloftes en schuldbekentenis blijft Olivier handelen vanuit meesterschap, vanuit wat hij graag lijkt te doen.

 

Niet de grootse leerkracht die het bestaande wil veranderen met het oog op (en in naam van) een gedroomde toekomst (of het herbeleven van een gedroomd verleden), maar de leerkracht van het kleine moment en zijn kleine ‘vak’domein die zichzelf in zijn relatie tot het bestaande wil perfectioneren.

Zie op bladzijde 37 voor uitwijding van beschrijving. Het gaat eigenlijk om het moment waarop leerkracht en leerling, opgenomen in het meesterlijke moment van de les, even de tijd uit het oog verliezen.

De ontdekking van de wereld – Over Hannah Arendt [1]

De ontdekking van de wereld – Over Hannah Arendt – Peter Venmans (uitgave Atlas)

Vooraf

Hannah Arendt had het boek The Origins of Totalitarianism geschreven en zag zichzelf terug op coverbladen. Arendt had het daar niet mee op, zij vertrouwde de roem niet en sprak van Nobody tot Covergirl.  ‘Niets in onze wereld is vluchtiger , minder stabiel en solide dan die vorm van succes die de faam brengt; niets komt sneller en gemakkelijker dan vergetelheid.’ Arend wilde met het boek, begrijpen wat er onder het nazisme in Duitsland werkelijk was gebeurd.

Het ‘ik’ valt niet samen met de rol die we spelen. We hebben een ziel, en die mogen we niet versjacheren. Dit tekent Arendts behoedzame relatie tot de wereld. Met de moderne massamedia had zij het moeilijk.

Haar passie lag al jong bij de wijsbegeerte. Ze ging studeren bij de grote duitse filosofen van die tijd, met name bij Martin Heidegger, een paar jaar voor hij Zijn en tijd publiceerde.  Hier vloeide een liefdesrelatie en een levenslange vaak moeizame vriendschap uit voort die pas na hun beider dood openbaar zijn gemaakt.

Arendts gevoel van vervreemding en thuisloosheid vindt zijn biografische oorsprong in haar ervaringen als vluchtelinge. Bij het verschijnen van het boek The Origins of Totalitarianism was ze vijfenveertig en leefde ze al achttien jaar als stateloze in de Verenigde Staten.

Arendt behield altijd het gevoel van displaced person.

In Amerika bereikten haar de eerste berichten over de concentratiekampen in 1943. De schok was groot en ze sprak van het radicale kwaad.

Na het Eichmann-proces herformuleerde ze dit tot de ‘banaliteit van het kwaad’.

In 1963 schreef Arendt het boek Eichmann in Jeruzalem, dit werd als een zeer emotionele controverse ervaren. Hierna hield ze zich bezig met kwesties die zij als meest urgent beschouwde, namelijk de filosofische kwesties van het denken, het willen en het oordelen. Postuum verscheen het boek The life of mind wat weer aansluiting zocht bij de wereld.

De paradox van Arendt is dat zij terughoudend was tegenover de bedreigende wereld en toch ook een niet-aflatende theoretische lofzang op het publieke bestaan liet horen.

Ze was één van de grootste pleitbezorgers van de vita activa, de aanvankelijke titel van haar tweede boek in 1958 The human condition.

Arendt wenste geen filosofe genoemd te worden, maar politiek denkster. Van dit denken vormde de Amor Mundi, de liefde tot de wereld, de kern.

Menselijke waardigheid is niet louter een kwestie van zorg voor het eigen innerlijk, maar heeft ook te maken met de positie die iemand inneemt, temidden van derden.

Wat een mens voorstelt, wordt bepaald door zijn handelen en spreken, activiteiten die tegelijk een publieke ruimte vooronderstellen en creëren. Cruciaal daarbij is het oordeelsvermogen, dat ons in staat stelt ons in de wereld te oriënteren.

Zij legde de nadruk niet op een zijnsleer, maar op de politeia, dat wil zeggen het politieke handelen van verantwoordelijke mensen in concrete historische situaties.

De burger vormt de kern van het mens-zijn. Ze druist in tegen het liberale idee, dat het moet gaan om individuele vrijheid. Arendt was juist trots een staatsburger te zijn, die door de wetten van een land beschermd werd, het recht zat om rechten te bezitten en zodoende het recht om desgewenst politiek actief te kunnen zijn.

Amor Mundi is dankbaarheid en geluk, verbonden met het politieke vrijheid, de mogelijkheid zich met de politieke zaak bezig te houden.

Hannah had zich tegen oprukkende barbariteit (nazis en stalinisme) verdedigd en niet lijdzaam toegekeken. In het verzet ontdekte ze gevoel van solidariteit, dat een leven zin kan geven en publiek geluk betekent, zich met de republiek te kunnen bemoeien.

Haar boek Over revolutie (1963) wijdde zich aan dit thema en spreekt over de Founding Fathers. Ze liet zien dat de geest van de Amerikaanse Revolutie nog springlevend was, maar dit belette haar niet scherpe kritiek te leveren op allerlei ontwikkelingen in de jaren vijftig, zestig en zeventig.

De basisconstante in het oevre van Hannah Arendt vormt de paradox tussen filosofische nood aan distantie en politiek engagement, tussen liefde voor het eenzame denken en amor mundi, tussen haar pleidooi voor privacy en haar lofzang op de publieke zichtbaarheid. De paradox is niet steeds goed begrepen. Ambivalentie doortrok haar werk, zie bladzijde veertien bovenaan. Arendt was revolutionair en toch conservatief, zij leek cultuurpessimist, maar koos voor de hoop.

Wat als zwakte in haar werken werd gezien (men noemde het door de contradicties rommelig en onzorgvuldig), is vaak echter een principiële keuze.

Arendt had een hekel aan mooi afgeronde doctrines en alomvattende theoretische kaders waarin de werkelijkheid eens en voorgoed een plaats toegewezen kreeg, zoals dat het geval was bij hegeliaanse of marxistische denkers. Er was beweging in plaats van statisch denken.

Arendt ging liever uit van concrete ervaringen of gebeurtenissen die per definitie onderbrekingen zijn van historische processen.

Een gebeurtenis komt onverwacht, is niet te voorspellen en kan alleen achteraf in een zinvol verband geplaatst worden. (kantiaanse denkers gaan niet zo zeer naar het particuliere – blz. 14).

Een gebeurtenis wordt zinvol als ze mededeelbaar wordt, een zekere voorbeeldigheid krijgt.

Ze laveert tussen het universele en particuliere, ervaring en veralgemening van oordeel, evenement en concept. Het essay is daarvoor geschikt het kan een denkweg in plaats van een resultaat presenteren.

Dit beweeglijke denken leidt tot laveren. Dit boek doet dat dan ook evenzo.

De ontdekking van het langzame leven [1]

De ontdekking van het langzame leven – Sten Nadolny (uitgave Manteau)

Eerste deel – John Franklins jeugd

1. Het dorp
John Franklin was al tien jaar oud en kon nog steeds geen bal vangen. Hij kon het spel niet volgen. Wel kon hij een touw vasthouden en dat uren volhouden. John liet niet los. Tom Barker was zijn tegenpool: snel, die zag alles in één seconde en bewoog zich zonder ooit te blijven steken, foutloos. Sherard was klein van stuk, vijf jaar oud en zijn vriend. Sherar zei altijd ‘ik moet opletten als adelaar’.
John lette op afstanden en hoe verder de dingen weg, hoe meer de dingen verschenen en verdwenen in een plechtig en rustgevend ritme. De verste bergen waren als John, ze stonden gewoon te kijken.
Van spelen snapte John niets. Alles ging te snel, zowel het spel, als het praten van de anderen, als de drukte buiten op het plein. Eén van de ooms van de stenen ridder van de kerk van Spilsby, het dorp waar john woont, was varensgezel geweest. Hij had het noordelijkste deel van de aarde ontdekt, zo ver weg dat de zon er niet onderging en de tijd er niet verstreek.
De grafstenen konden ook zien. Ze namen bewegingen waar die voor het menselijke oog te geleidelijk waren; de dans van de wolken bij windstilte, het omzwenken van de torenschaduw van west naar oost, de bewegingen van de bloemhoofdjes naar de zon, zelfs het groeien van het gras. De kerk was de plaats van John Franklin, alleen was daar niet veel te doen. De moeder van John heette Hannah en was in heinde en verre de langzaamste moeder.
Zijn tante Ann Chapel loopt met Matthew, de zeeman. Hij droeg een kokarde aan zijn pet, zoals alle marineofficieren wanneer ze aan wal waren. John werd geroepen met ‘Hé, slome’ en was weer eens aan het dagdromen geweest. Kinderen reageerden voor John zo snel, dat hij steeds stukken tijd kwijt was. Hij werd ook afgeleid bijvoorbeeld door wat aan vegen voor zijn oog voorbij kwam, zoals slijm. Het schuiven voor zijn oog hield hem bezig. Hij kon de regel erachter niet ontdekken. John was geinteresseerd in regels, methoden, systemen en hulpmiddelen. Omdat zijn vader poogde hem te veranderen had hij bedacht de snelheid te gaan bestuderen. Hij zou echter willen zijn als de zon die haar baan beschreef. Haar stralen zijn even snel als het oog.

2. Een jongen van tien en de kust
John zijn ogen lieten zich niet opjagen. John wist dat hij er vreemd uitzag als hij iets haastigs deed. Dit alleen al vanwege zijn wijd opengesperde ogen. Als hij zich bewoog hing zijn tong in zijn mondhoek, het voorhoofd gespannen, de adem hijgend en de anderen zeiden: ‘Hij is weer aan het spellen!’ Zijn vader had die uitdrukking ingevoerd. Hij keek te langzaam. Blind zou het er beter uit zien. John kreeg een idee. Er was een olm en die leerde hij van buiten, iedere tak, iedere handgreep van onder af aan. Hij deed het ook met een kous om zijn hoofd. De methode was goed, maar gevaarlijk. Zijn mond telde terwijl hij bewoog en John nam zich voor zo snel te worden, dat zijn mond het tellen niet bij kon houden.
Daarbij wilde hij zich listig van de domme houden, alsof er niets was veranderd. En dan zou er een publiek optreden volgen over dat John Franklin de snelste man van de wereld was. Hij kon dan de snelste spreker volgen, de snelste zinswendingen en snel antwoorden. John leerde de takken van de olm uit zijn hoofd, en nog eens en nog eens.
Daarna oefende hij het balspel. Dat ging niet zo goed. Wel nam hij totaal andere besluiten. Hij bedacht het hulpmiddel van de strakke blik. Hij keek niet naar de bal, maar hield zijn ogen gericht op een bepaalde plaats. Hij wist dat hij de bal niet zou vangen als hij hem volgde, maar alleen als hij hem opwachtte.
Dat moeder Hannah bijna net zo liep en praatte als John en ook niet woedend kon worden, maakte de vijandelijke partij brutaal.
De strakke blik was ook geschikt om na te denken. Hij overzag zo alles, zonder dat zijn oog op en neer wipte of hem opjoeg. John begaf zich liever onder vreemde mensen, die misschien wel net zo waren als hijzelf.
John wilde het snelle leven beter leren kennen èn graag de zee zien!
Hij had zijn plannen goed uitgedacht en liep weg. Hij had zich nog nooit zo blij gevoeld en stond nu helemaal op zichzelf. John zocht een plaats waar niemand hem te langzaam vond. Die kon echter nog wel ver weg zijn.
Als stuurman was hij misschien bruikbaar, maar anderen moesten hem dan ook nog vertrouwen. Toen ze maanden geleden de weg waren kwijt geraakt wist John waar ze waren. Hij had de geleidelijke veranderingen van de zon gadegeslagen en wist hoe ze terug konde. De anderen wilden niet, want zij namen haastige beslissingen, die ze even zo haastig weer herriepen.

De zee was zijn vriend dat voelde hij, ook al zag de zee er niet altijd even vriendelijk uit. Hoe kwam hij op een schip? John liep langs de kade en keek. Hij zag een fregat. Dat is een oorlogsschip. John wilde op weg naar vreemde werelddelen. Hij zou de snelheid bestuderen en snel leren zijn. Toen zijn vader hem terughaalde van het weglopen wilde John niets meer leren en zich ten dode toe verlangzamen. Hij werd ziek en ziekte was geen slechte methode om het overzicht terug te krijgen. Er kwamen bezoekers aan zijn bed. Uiteindelijk kwam Matthew de zeeman. Zijn moeder was vrijwel voortdurend aanwezig.  Zwijgend en onhandig, maar nooit hulpeloos en altijd kalm. Iedereen was haar de baas en toch hadden ze haar nodig. De ziekte beschermde John en hielp hem bestuderen wat er verder allemaal nog kwam. Van zijn tante Eliza leerde hij dat bij een al te snel gepraat de inhoud veelal even overbodig was als de snelheid. Matthew echter sprak verstandig en lastte pauzes in. Hij beweerde volstrekt niet dat op zee alles heel snel moest gaan. Hij zij alleen: ‘Op een schip moet je kunnen klimmen en veel uit je hoofd leren.’ De blik van Matthew was scherp en zeker, het was altijd duidelijk waarheen hij keek en wat hem werkelijk interesseerde. Matthew wilde van John een heleboel horen en wachtte geduldig tot de antwoorden klaar waren en hem over de lippen kwamen.

Als iemand enig verstand van de zee had, dan heette dat navigatie. Het betekende: sterren, instrumenten en zorgvuldige overwegingen.  Dat beviel John en hij zei: ‘Ik zou graag zeilen willen hijsen.’

Matthew gaat met de Terra australis reizen en blijft twee jaar weg. Hij drukt John op het hart dat hij ook zeeman kan worden. Maar omdat hij wat neigt tot nadenken moet hij officier worden, anders krijgt hij het zwaar te verduren. Hij zou raadt hem aan op school het uit te houden, zal hem boeken sturen over navigatie en later als midshipman (officer cadet) op zijn schip in dienst nemen. Toen John dit hoorde wilde hij meteen weer sneller worden. Na zijn weglopen naar de zee, was John ziek geworden en wat gedeprimeerd. Dat was nu met dit nieuwe perspectief verleden tijd.

3. Dr. Orme

Alle knopen zijn verkeerd geknoopt, er wordt driftig geoefend. John is ervan overtuigd dat je op iedere plek van de wereld iets voor het leven kon leren, dus ook op school.

Leren in het onderwijs. Als John te haastig antwoordde, begon hij te stotteren en te hakkelen, dat stoorde de toehoorders. Maar dr. Orme had gezegd: ‘Wie het juiste antwoord geeft, hoeft er daarbij niet goed uit te zien!’

Leren in je vrije tijd ’s avonds. John had zijn klimboom, hij las en oefende iets, bijvoorbeeld met een mes handig worden of schrijven. Op school was het moeilijk een ander te worden. Ze kenden zijn zwakke plek, niemand geloofde in zijn oefeningen en iedereen was er slechts van overtuigd dat hij altijd zo zou blijven als hij was.

Met andere scholieren leren omgaan. Ook op een schip zou hij met heel wat mensen te maken hebben, en als te velen hem niet mochten, werd het wel moeilijk. Men merkte het gelijk als iemand achterbleef. Het ongeduld van anderen verdragen. De meesten keken hem met één oog aan, het andere zei: ‘Je verveelt ons, zet er eens een punt achter.’ Tom Barker was de zwaarste dobber, bij hem kon je het op geen enkele wijze goed doen.

Toch kon niets John ellendig maken, zijn hoop was die van een reus. Aan hindernissen die hij niet kon overwinnen zag hij voorbij. Meestal wist hij er een mouw aan te passen.

Zo had hij zo’n honderd zinswendingen uit het hoofd geleerd, ze lagen klaar en hielpen hem goed. De vlotheid hielp de ander wachten tot John bij de kern kwam (bladzijde dertig).  John wilde gesprekken leren voeren. Hij luisterde graag en was blij als de brokstukken betekenis opleverden. Met foefjes was hij voorzichtig. Bij ‘ja’ viel je door de mand, maar bij het zeggen van ‘nee’ had je pas echte problemen, dan wilde men de reden weten.

De boom. Van tak tot tak kon je samenhangend nadenken, veel beter dan op de grond. Als hij diep moest ademhalen zag hij de ordening der dingen.

De strafdag. Wie de roede spaart haat zijn leerlingen. Dr. Orme kreeg voor John iets navigatorisch, een op geheimzinnige wijze verbonden bondgenoot. Bij een ander had hij straf gekregen omdat hij had gezegd voor het antwoord wat tijd nodig te hebben.

Aantekenboeken. Elke dag iets noteren in boeken voor uitspraken en gedachten, voor gebruikelijke latijnse zinswendingen. John maakte er van: voor opmerkelijke zinswendingen en –constructies die ik moet onthouden.

De slaapzaal. John Franklin maakte op zijn gemak reizen onder de dekens en hij leerde vlak voor het slapen gaan. Er was een onzichtbare vriend Sagal met wie hij sprak en die geduld met hem had. Zijn ja was ja, zijn neen was neen.

Hij leerde over navigatie (blz. 33) en hoopte wiskundeles te krijgen.

In zijn cahier noteerde John nu alleen nog maar Engelse zinnen voor persoonlijk gebruik, verklaringen van zijn eigenzinnigheid en tijdgevoel die hij in vloeiende bewoordingen wilde kunnen geven.

De nieuwe docent Burnaby was er voor de zwakke broeders. Hij maakte altijd een wat gespannen indruk. Wie er voor iedereen was, die had weinig tijd. ‘Je hebt voor alles twee tijdstippen: het juiste en gemiste.’

John wilde Tom Barker mee naar de Marine. Tom was het tegenovergestelde van John. Daardoor keek hij naar zichzelf met misnoegen.

John keek met glasstrakke blik naar het jaarmarkttumult, alsof hij een bal moest vangen. Zo weerde hij zich in het leven.

Als luisteraar was John intussen graag gezien, juist omdat hij het vroeg wanneer hij iets niet had begrepen. Zelfs Tom had gezegd: ‘Wanneer jij iets hebt begrepen, moet het wel juist zijn.’ John zei daarop: ‘Ik begrijp in ieder geval niets te vroeg.’

Over zijn toekomst: Burnaby vond hem uit het goede hout gesneden met begrip voor gezag. Dr. Orme vond hem iemand die alles van buiten leert, iemand aan wie oude talen niet besteed waren. Hij vond dat John ergens in de leer moest gaan. Burnaby had het over het goede geheugen van John.

Dr. Orme mocht geen wiskunde geven door een paragraaf in de stichtingsbrief (blz. 38)

John ontdekte dat hij niets kan loslaten, geen beeld, geen mens, geen leraar.

Inmiddels had hij een goed argument tegen alle overhaaste maatregelen. ‘Er zijn drie tijdstippen, een juist, een gemist en een te vroeg tijdstip.’

Verder gaan dan Socrates? [1]

Verder gaan dan Socrates?
Over onderwijs, bezieling en innerlijkheid bij Kierkegaard en Levinas

Uitgave – Prof.dr. R.D.N. van Riessen

Notities bij een Leeropdracht
Notities naar aanleiding van het lezen van de leeropdracht door Wilma Reezigt
Overige literatuur: De lichtheid van het opvoeden – Jan Masschelein (red.)

Leervragen

  • Kan de deugd geleerd worden? [Socrates]
  • Kan de waarheid geleerd worden? [Kierkegaard]
  • Is het mogelijk iets te leren wat ik nog niet weet? [Renée van Riessen]
  • Hoe ontdek ik al schrijvend wie ik ben en wat ik wil? [Onno Zijlstra]
  • Wat zijn beelden, wat is taal, wat is stilte? [Onno Zijlstra]

Theorie

  • Over Sӧren Kierkegaard [Renée van Riessen]
  • Over Levinas [Renée van Riessen]

Nadenken over

  • Leegloop uit gemakzucht
  • Het wonder in leren
  • Je climax ter doop

Persoonlijke vragen

  • Kun jij intrigeren?
  • Kun jij iets nieuws leren?

Socrates over onderwijs
Leren is een vorm van herinnering

– Wat doe je als je iets niet weet? Beweeg naar de toegang
– Kan deugd onderwezen worden? Lees de dialoog tussen Socrates en de Meno
– Waar is kennis aanwezig? Daar waar oefening en associatie geactiveerd worden
– Hoe oefen je? Door van gedachten te wisselen
– Vanuit welke presumpties? We vellen zelfstandig oordeel. We zijn ons bewust dat onze kennis ongefundeerd is
– Hoe associeer je? Met prikkeling om verder door te vragen. Met een leraar om door te zoeken naar een oplossing
– Wat doe ik als leraar? Roep verwarring op en schudt je leerling wakker. Roep herinnering op en laat je leerling zich ongemakkelijk voelen
– Is kennis overdraagbaar? Aan wie de leerling zijn vraagstuk stelt, diens kennis is overdraagbaar. Het heeft geen zin om onwetenden te onderwijzen

Kierkegaard over onderwijs
Door Plato’s anamnese-theorie raakt de tijd uit zicht
Als je nooit iets werkelijk nieuws ervaart is er geen eerder of later
Je hebt tijd nodig om iets nieuws te leren
Bij christelijke filosofie neem je afstand van de aanname dat leren op herinnering berust

Aanvulling vanuit het boek van Jan Masschelein (red.) De lichtheid van het opvoeden

(Zich) wenden, hoofdstuk van Stefan Ramaekers
– De opvoeder helpt kennis te herinneren
Men spreekt hier van maieutiek of verloskunde
Men helpt de blik te wenden, naar zichzelf
Trouw te zijn aan zichzelf; om zelf te horen, te zien en te beslissen
Herinneren is niet het opdelven van vergeten kennis
Herinneren is het zich (opnieuw) toe-eigenen van een stem
Zich wenden betekent het maken van een nieuwe start
Waar de christelijke traditie uitgaat van het normatieve mensbeeld, spreekt men in dit hoofdstuk van het feit van het (voortdurend nieuw) vertrek
Niet ‘wie ben ik?’, maar ‘waar bevind ik mij?’
Het gaat om het (uit)vinden van een antwoord op wat iemand overkomt

Christelijke filosofie

– De kentheoretische kwestie of de waarheid geleerd kan worden wordt een   vraag die heel direct de mogelijkheid van christelijke filosofie raakt
– Kan historische waarheid een bovenhistorische betekenis hebben?
– Kan er een historisch uitgangspunt zijn voor een eeuwig bewustzijn?
– Hoe verhoudt filosofie zicht tot een vorm van geopenbaarde religie?
– Hegel wil denken en religie verzoenen, waarbij filosofie voorop gaat (zijn invloed is nog groot)
– Kierkegaard houdt de plaats open voor een God die ons iets nieuws kan openbaren
– In de huidige tijd wordt religie apart gezet als onwenselijk en bedreigend voor autonoom denken

Van Riessen over Christelijke filosofie

– De vraag ‘of er een historisch uitgangspunt kan zijn voor een eeuwig bewustzijn’ zegt ons volgens van Riessen meer dan we op het eerste gezicht zouden denken
– Godsdienst laten we niet in filosofie opgaan  [in tegenstelling tot het spoor van Hegel]

Van Riessen noemt:‘Een religieus perspectief in filosofie is essentieel,                      want is voorwaarde voor werkelijke innerlijkheid, bezieling en zelfkritiek’

Zij wil dit duidelijk te maken aan de hand van overwegingen over het   leraarschap in relatie tot zelfverhouding [bij Kierkegaard en Levinas]

 
Vraag WR1:  
Betreft bij innerlijkheid, ‘bezieling’ de ander en ‘zelfkritiek’ jezelf?

Het opstapje

– Kierkegaard en Levinas
– Beiden bewonderen Plato dat op het onderwijs van Socrates terug gaat
– Hechten beiden belang aan de vorming van leerlingen tot zelfstandig denkende en kritische personen
– Kritisch vermogen is gefundeerd op de erkenning van het belang van een innerlijke verhouding tot de waarheid
– Stellen vragen hoe (manier waarop) dit innerlijk ontstaat en verder gevormd wordt.
– Hiermee willen ze verder gaan dan Socrates, hetgeen in verband staat met hun verhouding tot de bijbelse geschriften

Gespreksarrangement door van Riessen

– Kennis is herinnering
– Socrates heeft de bemiddelende rol in het gesprek tussen Kierkegaard en Levinas.
– Socrates is het boegbeeld van humanisme
– In het socratisch onderwijs is het een belangrijk uitgangspunt, dat kennis in wezen op herinnering berust
– Kunnen kennis, deugd en waarheid geleerd worden?
– Is er nog een ander leren mogelijk en kunnen we verder komen dan Socrates?
– Bij het niet verder komen dan Socrates is het individu halt gehouden bij een algemene waarheid. De mensen ‘weten niet wat ze weten’
– Het ogenblik en het individu missen daardoor volgens Kierkegaard hun beslissende betekenis, doordat er nooit een nieuw inzicht kan zijn. Dit zou je kunnen zien als een ‘grondmotief’
– De uiteindelijke keuze speelt zich af tussen de socratische herinnering en de christelijke herhaling
– Christendom is de religie die het mogelijk maakt om telkens opnieuw vanaf het nulpunt aan het leven te beginnen.
– Het roept op tot volledige vernieuwing van onszelf
– Levinas signaleert het gevaar dat de eeuwigheid (herinnering) gaat heersen over het individu en het ogenblik
– Levinas stelt filosofie die zich oriënteert op een religieuze transcendentie-ervaring zoals deze in het jodendom aangetroffen wordt
– Van Riessen richt zich nu eerst op de rol die Socrates bij Kierkegaard vervult

De leraar die niet gevolgd wil worden

– Kiekegaard is geboeid door de ironie van Socrates
– Ironie kan ons losmaken van het bestaande, en afstand scheppen tot de wereld waaraan we vast zitten
– De ironicus bevrijdt de leerling tot zelfkennis, door hem het niets te laten zien van de werkelijkheid en onze eigen (vermeende) kennis
– Wie ben ik zelf en hoe kan ik in waarheid een verhouding tot mezelf krijgen? (subjectiviteit)
– Socrates leerde een type waarheid die het innerlijk betreft
– Deze innerlijke, subjectieve waarheid is existentieel, dat de mens die kent, zich met de gevonden waarheid verbindt, uiteindelijk zelfs met de volle inzet van zijn/haar persoon
– Waarheid kan alleen zijn in relatie tot een existerende persoon
– Socrates was geen schoonheid, maar wel tevreden daarmee, want een onaantrekkelijke docent staat op grotere afstand van zijn leerling
– Socrates doorbrak ook met zijn uiterlijk de mimetische verhouding en gaf zijn leerling de ruimte om terug te gaan naar zijn eigen innerlijk

Verder dan Socrates?

– Socrates brengt ons in zijn leraarschap naar een grens
– Kun je verder dan deze grens?
– Kun je tegelijk leerling zijn van Socrates en verder komen dan hij?
– Voor dit waagstuk zijn nieuwe uitgangspunten nodig, die vreemd zijn aan de filosofie.
-Ze hebben te maken met het kenniswerktuig (of ‘orgaan’) van het geloof en met de betekenis van het ogenblik te maken
– Voor Kierkegaard is het in zeker opzicht breken met de ‘meester’
– Dat is ook wat Socrates wil. Je moet iets anders naar voren brengen als hij

Is christelijk denken mogelijk?

– Vier zaken die daarbij een rol spelen: het geloof, het zondebewustzijn, de beslissing in het ogenblik en de verschijning op het toneel van een nieuwe leraar, die een ‘god in de tijd’ moet zijn
– Twee leraren Socrates en Christus
– Socrates treedt op als de leraar in het menselijke, degene die (Martha Nussbaum) onze humaniteit in cultuur kan brengen
– De leraar van het evangelie blijkt een leraar te zijn in het niet-meer menselijke
– Waarom hebben we Christus als leraar nodig?
– In hoeverre kan waarheid geleerd worden? Of tewel: wat zijn voorwaarden die nodig zijn om tot waarheid en tot een waarachtig leven te komen
– Hier ligt een door Socrates niet doordachte mogelijkheid. Stel je zou de waarheid niet willen gaan zoeken en je daardoor buiten de waarheid bevinden? Je zou niet eens weten dat je iets zoeken moest of waar. Deze troosteloze toestand duidt Kierkegaard als ‘geestloosheid’
– De ware leraar wordt nu ook schepper. Hij schept de geestloze een ontvangstruimte, die nodig is om de waarheid te kunnen vernemen