Meesterschap – Maarten Simons
Op zoek naar de ordinaire leerkracht
Is de leerkracht iemand die voor de toekomst leeft en zichzelf daarvoor gerust wil wegcijferen? Iemand in het heden die op een deskundige wijze of met ‘kennis van zaken’ mee vorm geeft aan een toekomst. Het heden als pedagogisch scharniermoment, wat de belofte in zich draagt van een betere, mooiere toekomst.
De tekst probeert van dat grootse denken afstand te nemen.
Hiertegenover wordt geplaatst een klein denken: een denken over de leerkracht als onopvallende, zoekende randfiguur. Een leerkracht als iemand die zijn leven heel erg gewoon leeft, die heel erg kleine dagelijkse dingen beleeft, maar daar nauwgezet en op een meesterlijke manier mee bezig is.
Kortom het gaat over de meesterlijke leerkracht van het kleine moment en de gewone situatie èn niet over de deskundige leerkracht van de grootse toekomst en de nieuwe samenleving.
Aanvaarden en een filosofische houding zijn daarbij samenhangend. Denk aan een volgehouden en dagelijkse zoektocht naar meesterschap en perfectie. Het gaat om de kleine levensfilosofie van de filosoof als levenskunstenaar. Onopvallend.
Een registratie van ‘bezig zijn met zichzelf en z’n vak’
De film ‘le Fils’ is een registratie van momenten en situaties (waarin verleden en toekomst gecomprimeerd en in die zin onbelangrijk zijn) en vooral van houdingen die Olivier op deze momenten en in deze situaties aanneemt.
Registratie wil zeggen dat er iets wordt getoond en dat de kijker dat kan meevolgen, de film vertelt in eerste instantie dus niet een verhaal.
Je mag als het ware een tijdje met iemands’ leven meekijken.
Je zit iemand letterlijk en figuurlijk op de huid. Tegelijkertijd is het ook een verhaal, maar niet met helden en anti-helden en het is niet het doel van de film. Deze film betreft de registratie van iemand die bezig is met zijn vak (houtbewerking), die de wereld aanvaardt, die van daar uit voor zichzelf probeert te zorgen en daarin een soort meesterschap toont.
Niet door stilstaan tot aanvaarding komen, maar doorheen het leven en aanvaarding als houding. Géén willen weten, willen kennen, begrijpen of willen veranderen.
Olivier ziet in de moordenaar van zijn zoon als allereerste zijn leerling, die gefascineerd raakt voor zijn vak van houtbewerking.
In de film zie je registraties van het snelle denken, kleine zoeken, ingehouden spreken, onopvallend transpireren. Het bestaande is niet langer iets groots dat veranderd moet worden.
De werkelijkheid verschijnt als iets waar je zoekend, zorgend, perfectionerend mee probeert om te gaan (het betreft kleine wijzigingen in klemtoon, aandacht en aanwezigheid). Het proberen voor zichzelf te zorgen wordt geregistreerd.
Het gaat ietwat in tegen de eigentijdse houding in de pedagogiek: die van deskundige.
De eigentijdse leerkracht-als-deskundige
De deskundige leerkracht is expert en kundig op basis van kennis en/of handelt met ‘kennis-van-zaken’.
In drie relaties staat deze kennis centraal: in zijn relatie tot de wereld, de ander en zichzelf.
De deskundige leerkracht heeft weet van de wereld, van zijn vak, wetenschap en wil deze kennis overdragen of de leerling helpen deze zelf te ontdekken, construeren. Hij beschikt over vakdidactische en algemeen pedagogische kennis. Op basis van kennis over klassenmanagement, leerprocessen, individuele leerbehoeften, leerstijlen, leerplannen, eindtermen e.d. geeft de deskundige leerkracht gestalte aan de relatie met de leerling.
Ook het zelf staat in het teken van kennis, bewustwording en ‘professioneel’ oordelen.
Bladzijde 25 spreekt van scheiding tussen werk en privé en het onderkennen van eigenbelang en het belang van kennis ten dienste van de leerling.
Ook bij de eigentijdse leerkracht is sprake van een verschuiving van het kennisgebied. Er wordt meer gevraagd over kennis van de relatie tot de ander.
De leerkracht als expert in het begeleiden van leerprocessen. Het gaat minder om inhouden en vakken (kennis) en meer om competenties en modules (kunde).
Van de leerkracht wordt ook verwacht dat hij zichzelf steeds reflecteert en de eigen impliciete ‘kennisbasis’ steeds vernieuwt.
Er is een focus op ‘correctheid’ en ‘gezag’ en deze leerkracht distantieert zich van mensen die niet over deze kennis bezitten (leerlingen en ouders). Er ligt daarmee een claim op exlusiviteit. De eigentijdse leerkracht neemt een opvoedkundige, pedagogische taak op zich en werkt met leerlingen aan waarden en normen.
De leerkracht als deskundige is eigentijds. Het type wat beleidsmakers voor ogen hebben.
In de film is Olivier oneigentijds. Hij gaat veel te veel in de liefde voor zijn vak op.
Oneigentijds meesterschap
In dit hoofdstuk, de uitnodiging voor de leerkracht om op een andere wijze naar zichzelf te kijken.
Voor de leerkracht-als-meester staat niet kennis centraal maar zorg.
Kennis helpt bemeesteren, bewerken en bewonen. De meester vat de wereld en wat erin is op als datgene wat om zorg vraagt.
Olivier draagt zorg voor het hout, een docent Nederlands draagt zorg voor de taal en bij Wiskunde voor het rekenen.
Zorgdragen voor omvat de aspecten respect, overgave en passie en komt samen in de liefde voor het vak.
In deze eerste dimensie is de meester iemand die op bepaalde wijze bezig is met zichzelf en zijn leven, het ligt nooit vast. Er is sprake van een zoeken, een bezig zijn en het is niet allemaal eender. Het betreft de zorg voor de wereld.
De tweede dimensie is de relatie tot het zelf die in het teken staat van meditatie, meesterschap, oefeningen, belichaamd weten en perfectie.
Voor de meester staat zelfbetrokkenheid of reflexiviteit niet in het teken van kennis. Foucault onderscheidt drie vormen van reflexiviteit: herinnering (Plato), meditatie en methode (Descartes).
Bij herinnering is het verleden de drager van de waarheid. In de methode gaat de moderne onderzoeker aan de slag, hij wil neutraal zijn en objectief. Bij de meester gaat het om de meditatie en niet de methode of de herinnering (blz. 29).
Meditatie moet gezien worden in de context van de Griekse oudheid, waarin meditatie ‘ascese’ is, een levenslange oefening waarin men nagaat (of test, aftoetst) of wat men denkt en wat men doet in overeenstemming zijn, en waarin men poogt zichzelf zodanig te transformeren dat die overeenstemming er is.
Het gaat niet om diepe zieleroerselen of verborgen verlangens, maar al denkend aftoetsen of wat men doet wel in overeenstemming is met de waarheid die men voorop stelt of de ideeën die men heeft.
Het zelf hoeft niet gekend, ontdekt, bevrijd, ontcijferd te worden, maar ligt aan het handelen ten grondslag en heeft voortdurende zorg nodig.
Men moet wel nagaan in hoeverre denken en doen in overeenstemming zijn. Deze zelfkennis staat ten dienste van het zorgen voor zichzelf.
Het meesterschap van iemand toont zich in de mate dat iemand aanwezig is bij wat hij doet en dat iemand in dat wat hij doet en zegt ook toont wie hij is of waar hij voor staat.
Een aandachtige en geconcentreerde manier van houtbewerken toont meesterschap.
Voor de meester staat er steeds iets op het spel. Het kost moeite en vraagt inspanning om bij de zaak aanwezig te zijn. Hij worstelt met zichzelf en zoekt. Foucault merkt in dezen op dat de Grieken wat dit betreft steeds verwijzen naar de figuur van de atleet die aan zijn conditie werkt. Meesterschap impliceert oefening en voorbereiding. Denk aan het aftoetsen wat men denkt en doet, het bijhouden van een dagboek, het memoriseren van teksten, het declameren van teksten, het aandachtig luisteren etc. (bijv. de leraar die voor hij de les in gaat leest, niet over de les, maar om aandachtig te worden en zich te concentreren, of een die een lesvoorbereiding uitschrijft niet om exact uit te voeren, maar om zich te prepareren, niet om te plannen of zich in te dekken). De voorbereiding betreft respect voor de zaken waar hij mee bezig is.
Nogmaals het gaat niet om prestatie, maar om een gevoeligheid, aandacht en concentratie voor het vak. Hetgeen ons brengt bij twee andere elementen die centraal staan in de relatie tot het zelf: belichaamd weten en perfectie.
In meesterschap is kennis iets wat belichaamd wordt, het staat niet buiten de persoon. Bijv. het toont zich bij de houtbewerker in zijn handen, zijn lichaam en de blik (ik denk aan mijn Opa die organist was en vaak naar zijn handen keek en daarbij zijn vingers voor het lenig worden oefende, zijn gezicht toewendde en zo zichtbaar muziek tot zich nam en zijn lijf dat zichtbaar innerlijk bewogen was. Zijn houding was naar de klanken van de muziek gericht) Zo iemand kan niet op de ‘automatische piloot’, routineus handelen of zijn lesje opzeggen en gaat dus ook nooit helemaal op in datgene waar hij mee bezig is. Op blz. 31 onderaan wordt beschreven hoe het niet gaat om effectiviteit, efficiëntie en performativiteit (met minder meer bereiken). In meesterschap gaat het om perfectie, niet in de zin van het correcte. Perfectie is geen toestand, maar heeft te maken met juistheid van woorden en gepaste daden.
Juistheid hangt af van de aard van de situatie. In het stellen van het juiste gebaar of het uitspreken van de juiste woorden brengt de meester ook steeds zijn denken, handelen in overeenstemming. En de meester kan dit omdat hij niet samenvalt met de zaak en met zichzelf en dezen ook niet vastliggen. Er kan en moet dus steeds iets vastgesteld worden. In de film is er de juistheid van Olivier die zijn leerlingen af en toe terecht wijst en ook de juistheid van zorgvuldige woorden en gebaren.
Perfectionisme verwijst hier niet naar een ziekelijke ingesteldheid, maar naar een levenslange bezigheid, met als doel die houding of conditie te verwerven die het mogelijk maakt ‘het juiste’ te doen en te zeggen.
Voor de ‘deskundige’ is de meester een overdreven perfectionist. Voor de meester is de ‘deskundige’ iemand zonder beroepseer, die een onverschillige relatie heeft met dat waar hij mee bezig is.
De oneigentijdse meester-als-leerkracht
De eerste twee dimensies zijn de wereld en het zelf. De derde dimensie is de relatie tot de ander, of de relatie tot de leerling. Voor de meester staat het vak centraal en de relatie tot de leerling is daar een afgeleide van. Pagina 33 vermeldt: ‘het pedagogische is de schitterende schaduwzijde van het meesterschap.’
Wie eerst voor zichzelf heeft leren zorgen, kan voor anderen zorgen. Iemand met meesterschap offert zich niet op voor anderen.
Meesterschap is niet egoïstisch en heeft betrekking op de relatie tot de wereld (een overgave aan iets in de wereld), zorg voor de wereld en voor zichzelf. Hierdoor nodigt de meester mensen uit om zorg te dragen voor zichzelf.
Dit heeft tot gevolg dat Oliviers’ leerlingen, gezellen worden, in een houding geplaatst waarin ze kunnen en willen ‘leren’. Dit sluit aan bij de gedachte van Hannah Arendt: ‘enkel mensen die verantwoordelijkheid voor de wereld opnemen mogen zich inlaten met opvoeding en onderwijs’. Anders worden jongeren beroofd van de mogelijkheid of het ‘vermogen’ de wereld te vernieuwen (zie blz. 33 onderaan). De leerling wil een meester die niet alleen in de leerling, maar ook zelf in iets geïnteresseerd is en daardoor interesse kan opwekken.
De begrippen gezag, uitnodiging en toetssteen maken het mogelijk de relatie tot de leerling die uit het meesterschap voortvloeit specifieker te beschrijven.
Meesterschap als belichaming van het vak, als presentatie van de wereld ipv representatie zoals bij de deskundige leerkracht, is op zichzelf niet overdraagbaar en ‘de liefde voor het vak’ niet aan te leren. Je kunt leerlingen wel laten oefenen en zich laten voorbereiden. Het gaat niet om leren als ‘overdracht’, maar ook niet dat alles uit de leerling zelf moet komen. Zie alinea 2 bladzijde 34. De leraar grijpt wel in, want hij kan niet verhullen en zal het ondanks zichzelf tonen. Dit gezag is niet gebaseerd op kennis of deskundigheid, maar op een vorm van overgave van de meester zelf en het weten wat hij belichaamt.
In de gezagsrelatie tussen de meester-als-leerkracht en de leerling komen twee zaken samen: de uitnodiging zich in te laten met de zaak (en voor zichzelf en de wereld te leren zorgen), het aanbieden van een voortdurende toetssteen (wat betreft perfectionisme in de zaak zoals houtbewerking, taal, wiskunde). En de oproep dit met liefde en meesterschap te doen.
Het roept een vrij klassiek pedagogische setting in het leven: hij nodigt leerlingen uit met teksten, houtbewerking, formules, romans bezig te zijn. Hij stelt iets ter beschikking met de uitnodiging gevoelig te worden voor de aard van de zaak. Socrates vertelde anderen niet hoe het te doen, maar leefde het voor.
De aanvaarding
Aanvaarding verwijst naar overgave aan werkelijkheid. Het willen weten, willen veranderen, willen ontwerpen, willen zoeken en willen vinden (eigen voor de houding van deskundigheid) op te geven en zorgend aanwezig te zijn voor wat is. Deze aanvaarding is een ingesteldheid waar aan gewerkt moet worden. In de film Le Fils wordt dit getoond. Olivier heeft een perfectionistische houding in houtbewerking. Hij is vakleraar met meesterschap, hij geeft zich aan de aard van de zaak over, zonder zich erin te verliezen. In de film overwint het meesterschap op wraak of woede. Dit impliceert ook aanvaarding van de ‘toekomst’ of van het nieuwe. Hij creëert een pedagogische schaduwruimte waarin Francis kan proberen te zorgen voor zichzelf en zichzelf kan voorbereiden op de toekomst.
In plaats van barmhartigheid of beloftes en schuldbekentenis blijft Olivier handelen vanuit meesterschap, vanuit wat hij graag lijkt te doen.
Niet de grootse leerkracht die het bestaande wil veranderen met het oog op (en in naam van) een gedroomde toekomst (of het herbeleven van een gedroomd verleden), maar de leerkracht van het kleine moment en zijn kleine ‘vak’domein die zichzelf in zijn relatie tot het bestaande wil perfectioneren.
Zie op bladzijde 37 voor uitwijding van beschrijving. Het gaat eigenlijk om het moment waarop leerkracht en leerling, opgenomen in het meesterlijke moment van de les, even de tijd uit het oog verliezen.
Vind-ik-leuk Aan het laden...