De ontdekking van de wereld – Over Hannah Arendt [1]

De ontdekking van de wereld – Over Hannah Arendt – Peter Venmans (uitgave Atlas)

Vooraf

Hannah Arendt had het boek The Origins of Totalitarianism geschreven en zag zichzelf terug op coverbladen. Arendt had het daar niet mee op, zij vertrouwde de roem niet en sprak van Nobody tot Covergirl.  ‘Niets in onze wereld is vluchtiger , minder stabiel en solide dan die vorm van succes die de faam brengt; niets komt sneller en gemakkelijker dan vergetelheid.’ Arend wilde met het boek, begrijpen wat er onder het nazisme in Duitsland werkelijk was gebeurd.

Het ‘ik’ valt niet samen met de rol die we spelen. We hebben een ziel, en die mogen we niet versjacheren. Dit tekent Arendts behoedzame relatie tot de wereld. Met de moderne massamedia had zij het moeilijk.

Haar passie lag al jong bij de wijsbegeerte. Ze ging studeren bij de grote duitse filosofen van die tijd, met name bij Martin Heidegger, een paar jaar voor hij Zijn en tijd publiceerde.  Hier vloeide een liefdesrelatie en een levenslange vaak moeizame vriendschap uit voort die pas na hun beider dood openbaar zijn gemaakt.

Arendts gevoel van vervreemding en thuisloosheid vindt zijn biografische oorsprong in haar ervaringen als vluchtelinge. Bij het verschijnen van het boek The Origins of Totalitarianism was ze vijfenveertig en leefde ze al achttien jaar als stateloze in de Verenigde Staten.

Arendt behield altijd het gevoel van displaced person.

In Amerika bereikten haar de eerste berichten over de concentratiekampen in 1943. De schok was groot en ze sprak van het radicale kwaad.

Na het Eichmann-proces herformuleerde ze dit tot de ‘banaliteit van het kwaad’.

In 1963 schreef Arendt het boek Eichmann in Jeruzalem, dit werd als een zeer emotionele controverse ervaren. Hierna hield ze zich bezig met kwesties die zij als meest urgent beschouwde, namelijk de filosofische kwesties van het denken, het willen en het oordelen. Postuum verscheen het boek The life of mind wat weer aansluiting zocht bij de wereld.

De paradox van Arendt is dat zij terughoudend was tegenover de bedreigende wereld en toch ook een niet-aflatende theoretische lofzang op het publieke bestaan liet horen.

Ze was één van de grootste pleitbezorgers van de vita activa, de aanvankelijke titel van haar tweede boek in 1958 The human condition.

Arendt wenste geen filosofe genoemd te worden, maar politiek denkster. Van dit denken vormde de Amor Mundi, de liefde tot de wereld, de kern.

Menselijke waardigheid is niet louter een kwestie van zorg voor het eigen innerlijk, maar heeft ook te maken met de positie die iemand inneemt, temidden van derden.

Wat een mens voorstelt, wordt bepaald door zijn handelen en spreken, activiteiten die tegelijk een publieke ruimte vooronderstellen en creëren. Cruciaal daarbij is het oordeelsvermogen, dat ons in staat stelt ons in de wereld te oriënteren.

Zij legde de nadruk niet op een zijnsleer, maar op de politeia, dat wil zeggen het politieke handelen van verantwoordelijke mensen in concrete historische situaties.

De burger vormt de kern van het mens-zijn. Ze druist in tegen het liberale idee, dat het moet gaan om individuele vrijheid. Arendt was juist trots een staatsburger te zijn, die door de wetten van een land beschermd werd, het recht zat om rechten te bezitten en zodoende het recht om desgewenst politiek actief te kunnen zijn.

Amor Mundi is dankbaarheid en geluk, verbonden met het politieke vrijheid, de mogelijkheid zich met de politieke zaak bezig te houden.

Hannah had zich tegen oprukkende barbariteit (nazis en stalinisme) verdedigd en niet lijdzaam toegekeken. In het verzet ontdekte ze gevoel van solidariteit, dat een leven zin kan geven en publiek geluk betekent, zich met de republiek te kunnen bemoeien.

Haar boek Over revolutie (1963) wijdde zich aan dit thema en spreekt over de Founding Fathers. Ze liet zien dat de geest van de Amerikaanse Revolutie nog springlevend was, maar dit belette haar niet scherpe kritiek te leveren op allerlei ontwikkelingen in de jaren vijftig, zestig en zeventig.

De basisconstante in het oevre van Hannah Arendt vormt de paradox tussen filosofische nood aan distantie en politiek engagement, tussen liefde voor het eenzame denken en amor mundi, tussen haar pleidooi voor privacy en haar lofzang op de publieke zichtbaarheid. De paradox is niet steeds goed begrepen. Ambivalentie doortrok haar werk, zie bladzijde veertien bovenaan. Arendt was revolutionair en toch conservatief, zij leek cultuurpessimist, maar koos voor de hoop.

Wat als zwakte in haar werken werd gezien (men noemde het door de contradicties rommelig en onzorgvuldig), is vaak echter een principiële keuze.

Arendt had een hekel aan mooi afgeronde doctrines en alomvattende theoretische kaders waarin de werkelijkheid eens en voorgoed een plaats toegewezen kreeg, zoals dat het geval was bij hegeliaanse of marxistische denkers. Er was beweging in plaats van statisch denken.

Arendt ging liever uit van concrete ervaringen of gebeurtenissen die per definitie onderbrekingen zijn van historische processen.

Een gebeurtenis komt onverwacht, is niet te voorspellen en kan alleen achteraf in een zinvol verband geplaatst worden. (kantiaanse denkers gaan niet zo zeer naar het particuliere – blz. 14).

Een gebeurtenis wordt zinvol als ze mededeelbaar wordt, een zekere voorbeeldigheid krijgt.

Ze laveert tussen het universele en particuliere, ervaring en veralgemening van oordeel, evenement en concept. Het essay is daarvoor geschikt het kan een denkweg in plaats van een resultaat presenteren.

Dit beweeglijke denken leidt tot laveren. Dit boek doet dat dan ook evenzo.