Identiteit – Paul Verhaeghe (8)

8. Het goede leven

Hoe verhoudt onze huidige maatschappelijke organisatie zich tot de twee fundamentele processen waarmee identiteit uitgebouwd wordt, de identificatie (gelijkheid) en de separatie (verschil), elk met hun kenmerkende angst?

Maatschappelijke organisatie: gelijkheid en verschil

Tegenwoordig legt de maatschappij het accent op het individu, met als resultaat een daling van het veiligheidsgevoel en een sterk toegenomen sociaal wantrouwen. Agressie treedt sneller naar buiten, als verdediging tegen elke ander die als potentieel bedreigend wordt ervaren.

Toch wordt de behoefte aan een ander door iedereen gevoeld en is de angst om verlaten te worden en nog eenzamer te zijn, erg groot.

De belangrijkste oorzaak van het verdwijnen van het gemeenschapsgevoel en de opkomst van doorgedreven individualisme ligt in het huidige economische model dat op systematische manier mensen tegen elkaar opzet en een toenemende mate van ongelijkheid doet postvatten.

Een nieuwe arbeidsorganisatie kan het best gericht zijn op een meritocratisch systeem, waarin kwalitatieve evaluaties centraal staan en waarbij de beloning niet alleen maar financieel is.

De combinatie tussen neoliberalisme, digitalisering en een overmatig accent op cijfers heeft een dubbelzinnig effect: wij leven in een zeer dwingende maatschappij waarin de autoriteit zoek is.

Voor de hedendaagse figuur valt gezag samen met degene die het draagt, waardoor de klassieke, symbolisch onderbouwde autoriteit verglijdt naar brute macht. p.217. Hierdoor vinden we macht verdacht en gaan we hem zoveel mogelijk bestrijden, of roepen juist om een sterke leider die onze problemen krachtdadig zal oplossen.

Hierdoor komen we vaak in situaties waar het ‘recht’ van de sterkste speelt.

Arbeidsorganisatie

De inhoud van onze identiteit hangt samen met ons liefdesleven (kind van, ouder van, partner van) en met onze professionele identiteit.

Wat maakt arbeid efficiënt en wat maakt mensen gelukkig op het werk?

Werkgerelateerde depressie is niet het gevolg van te hard werken of te hoge arbeidsdruk, maar van de manier waarop het werk georganiseerd wordt en vooral de bijbehorende sociale verhoudingen. Gebrek aan respect of waardering behoren tot de belangrijkste oorzaken van burn-out.

Bij extrinsieke motivatie zoals beloning worden slechtere resultaten opgeleverd dan bij intrinsieke motivatie.

Intrinsieke motivatie wordt door Pink samengevat: autonomie, meesterschap en doel.

Frank van Massenhove leidt al tien jaar de Belgische Federale Overheidsdienst Sociale Zaken op een compleet atypische manier. ‘Bij ons zijn mensen de regisseur van hun eigen leven. Mensen werken waar, wanneer en hoe ze willen. […] Maar doordat ze veel vrijheid hebben, moeten we wel precies weten wat we van iedereen verwachten. De resultaten zijn verbluffend……’

Digitalisering en de illusie van ‘meten is weten’

Als wetenschapper koestert Verhaeghe een diep wantrouwen tegen statistieken. Cijfers geven de illusie van het pretenderen van een correcte weergave van ‘de’ werkelijkheid. Bij het merendeel is het het tegenovergestelde, zij creëren een bepaald beeld over de werkelijkheid, dit om te beantwoorden aan vooraf bestaande verwachtingen die steeds berusten op een min of meer verborgen ideologie.

Bij het effect van meten is weten op individueel zijn cijfermatig gestuurde evaluatie- en functioneringsgesprekken dodelijk voor werktevredenheid, motivatie, loyaliteit en identificatie met het bedrijf. Dit fnuikt elke vorm van creativiteit en autonomie en lokt een gevoel van vernedering en verlies van zelfrespect uit.

Evaluatie is nodig. De kernidee is kwalitatief onderzoek, waarbij mensen bevraagd worden op de verschillende deelaspecten van hun werk.

De ander moet veranderen – de ander, dat zijn wij

De roep om verandering begint steeds harder te klinken. Populisten leggen de schuld bij corrupte leiders, intellectuelen bij het systeem, politici en economen bij de markten. Ze vinden elkaar in de overtuiging: het is allemaal de schuld van De Ander, ikzelf ben alleen maar slachtoffer.

De postmoderne mens leidt aan een vreemde dissociatie, een nieuwe vorm van persoonlijkheidsverdubbeling. We klagen het systeem aan, staan er vijandig tegenover, voelen ons machteloos. Anderzijds bevestigen en breiden we dit systeem voortdurend uit.

In plaats van alleen maar consument te zijn moeten we weer burger worden. Niet alleen in het stemhokje, maar in de manier waarop we ons leven leiden.

Loslaten van het TINA-syndroom (There is no alternative)

Het lijdt geen twijfel dat het egoïstische, het competitieve, het agressieve in de mens zit – de banaliteit van het kwaad is een realiteit. Maar het altruïstische, het willen samenwerken, solariditeit – de banaliteit van het goede – zit evenzeer in ons en het is de omgeving die beslist welke kenmerken zich dominant manifesteren.

Als we iets betekenen voor de ander, zal bovendien ons geluksgevoel toenemen.

Een depressief iemand is dat vaak op grond van machteloosheid. Opklimmen kan door zich te richten op waar hij nog beslissingsrecht over heeft en waarvoor hij een bepaalde verantwoordelijkheid draagt. Bij de depressieve consument is het veranderen van het consumptiepatroon mogelijk

Burgerzin als uitbouw van een nieuwe ethiek, mogelijk gebaseerd op materiële inlevering.

Burgerzin betekent niet alleen dat we ons onderwerpen aan wie we op democratische manier gezag hebben gegeven, maar ook dat wij dit gedrag zelf durven dragen wanneer een situatie het vereist.

Michel Foucault had het aangaande dit laatste over de noodzaak aan parrhesia, de moed om de waarheid te spreken.

Verandering van en via waarden

Respect is een sleutelwoord dat de deur opent naar een onderbuikgevoel dat mensen in beweging zet.

De reclamewereld weet het wel, als je gedrag wilt veranderen, dan moet je waarden verkopen, het liefst in een emo-verpakking.

Freud had al ontdekt dat als je toegang wilde verkrijgen tot complexen en affecten dat lukte via bepaalde kernwoorden, deep frames.

Onze identiteit berust op de deep frames van de groep waartoe wij behoren.

Als je een aspect van een bepaald complex activeert, roep je ook andere aspecten van dat complex op en is het zo dat tegenovergestelde complexen aan kracht inboeten p. 235.

Activeer je autonomie, dan neemt automatisch het belang van de bijbehorende elementen toe en daalt het belang van bijvoorbeeld populariteit en competitie.

Onze huidige economisch-maatschappelijke organisatie stimuleert enkel het deep frame van het individualisme en separatie.

Verandering moet bij het buikgevoel aansluiting vinden, waarbij we de moet moeten hebben opnieuw gemeenschapswaarden naar voren te schuiven, waar ook het individu baat bij heeft.

Zelfzorg en het goede leven

Als steeds meer mensen het gevoel hebben dat er iets fout gaat, hangt er verandering in de lucht.

In het licht van de huidige ego-cultus kan verandering het best haar vertrekpunt vinden in een bezorgdheid om het eigen welzijn. Dit is de klassiek Griekse Epimeleia, de zorg voor zichzelf.

Wat is het goede leven, wat voelt er goed aan, voor mij?

De epimeleia omvat in haar oorspronkelijke klassiek betekenis de verantwoordelijkheid voor een ethische vormgeving van het eigen leven op zo’n manier dat die vormgeving aansluit bij het belang van de gemeenschap.

Wat opvalt is dat elk ethisch systeem de nadruk legt op matiging en zelfbeheersing, met op de achtergrond de idee van vrijheid.

Hoe gaan we om met het existentieel tekort, met het ontbreken van materiële antwoorden op de grote levensvragen, met schuld en verantwoordelijkheid?

We verliezen uit het oog dat het juist de gedachte dat we niet alles kunnen controleren, dat we geen greep hebben op bijvoorbeeld liefde en dood is, dat precies dit tekort de bron is van menselijke creativiteit en de basis voor een hoger doel waar we samen met anderen naar streven.

Individu en gemeenschap

Als individu zijn wij vandaag de dag helemaal niet vrij, er is teveel inmenging van bovenaf. Maar we hebben ook te weinig ‘staat’; de huidige politieke overheid heeft zo ongeveer niets meer te zeggen.

De eerste paradox van de neoliberale marktideologie is het uitmonden in een overmaat aan inmenging.

De tweede paradox betreft de zogenaamde bevrijding van het individu. Echter we leven in een vreemde combinatie van doorgedreven individualisme en collectief consumentisme, waarbij we de illusie koesteren uniek te zijn ipv kuddegedrag te vertonen.

De zorg voor zichzelf ontbreekt, omdat het consumentisme elk idee van zelfbeheersing en inperking van tafel veegt.

Michel Foucault plaatst het opgelegde consumeren en produceren van het neoliberalisme (anarcho-kapitalisme) tegenover het liberalisme, dit laatste niet in partijpolitieke betekenis van het woord, maar als benaming voor een kritische beweging tegen de alomtegenwoordige disciplinering.

Een dergelijke beweging is tegenwoordig heel erg nodig, waarbij er opnieuw een politiek bestel moet komen dat de steeds moeilijke en noodzakelijke evenwichtsoefening uitvoert tussen gelijkheid en verschil, tussen groep en individu, tussen verplichte gelijkheid en vrije keuze.

En dat maatschappelijke bestel zullen we in eerste instantie zelf moeten uitbouwen via de keuzes die wijzelf maken.

Het boek eindigt met een korte tekst van Shakespeare.

Savanha

Op de omslagfoto staat een meisje van twee die meedoet aan een schoonheidswedstrijd. Verhaeghe koos deze foto uit een reeks van dit soort foto’s. Reden voor specifiek Savanha was dat je het kind nog een beetje in deze tweejarige kunt zien. Verhaeghe hoopt dat het verzet is wat de houding van het meisje toont.

 

 

 

 

 

Identiteit – Paul Verhaeghe (7)

7. De nieuwe stoornissen: Rank and Yank

Het meest gebruikte handboek voor mental disorders de DSM toont bij iedere nieuwe editie een spectaculaire stijging van het aantal labels. Onlangs is de DSMV uitgekomen met een stijging van 500 labels (ten opzichte van de eerste editie, noot van de samenvatter)

Er is een exponentiële stijging in het gebruik van psychofarmaca, en het doel van psychotherapie is heel sterk aan het opschuiven in de richting van verplichte aanpassing – disciplinering is zelfs een betere benaming.

Er is weinig kritisch geluid, en het kritisch geluid dat er is komt vanuit de Scientology Church, waardoor menig therapeut en wetenschapper zich niet met de nieuwste versie van antipsychiatrie wenst te associëren

Ook bij de patiënten zelf is weinig protest. In tegendeel Jan met de pet neemt de labelcultuur met een zekere gretigheid over.

Ook is de grote meerderheid van de jonge clinici en zelfs hoogleraren overtuigd van de bonafide bewijzen voor de veronderstelde neurobiologische en genetische ondergrond van de stoornissen. En dat de DSM-labeling grotendeels betrouwbaar is.

Paradigmatisch geloof versus kritische wetenschap

Binnen de psychiatrie zien we twee benaderingen:

1. ogenschijnlijk  identieke symptomen en symptomatische gedragingen kunnen bij verschillende patiënten zeer verschillende betekenissen en functies hebben. De diagnose dient zich te richten op de ruimere context (bio-psychosociaal) en neemt de vorm aan van een uitgebreid verslag waarbij de eigenheid van de patiënt ruim plaats krijgt.

2. psychiatrische symptomen zijn gebaseerd op onderliggende lichamelijke processen, waarbij de omgeving hoogstens een rol speelt als factor die deze processen uitlokt. Deze benadering is een ziektemodel. De diagnose kan beperkt blijven tot een label en de behandeling verloopt protocollair.

Dit laatste model domineert in de hedendaagse psychiatrie, al durft men dit niet hardop te beweren en hanteert men in plaats van ‘ziekte’ liever de vage term ‘stoornis’.

Het is ontluisterend dat de vraag of een stoornis al dan niet in het handboek komt meer af hangt van belangengroepen dan van wetenschappelijk onderzoek.

In de huidige psychodiagnostiek is de validiteit, de mate waarin een diagnose een in de realiteit ondubbelzinnig herkenbare ziekte aanduidt, bedroevend laag.

Het vreemde is dat ongeveer niemand daarvan wakker ligt en dat iedereen rustig verder gaat alsof er niets aan de hand is.

In de overtuiging dat iedereen het moet maken en dat het de eigen schuld, of die van de ouders is, als dat mislukt, wordt elk (pseudo)medisch label in dank aanvaardt.

Mentale stoornissen als sociale problemen

De SHO (Wereldgezondheidsorganisatie) kwam met kritiek. Volgens haar rapporten ligt de oorzaak van mentale stoornissen grotendeels in het sociale veld. P. 189

Psychodiagnostische criteria berusten op sociale normen, op wat al dan niet aanvaardbaar is binnen een bepaalde maatschappij.

Gestoord-zijn is in wezen ‘abnormaal’ zijn: afwijkend van de verwachte norm en daarop volgt straf of behandeling, waarbij de laatste tijd het onderscheid tussen die beiden steeds kleiner wordt.

Verbanden tussen een bepaalde maatschappij en mentale stoornissen hard maken is niet eenvoudig. Een nieuwe vorm van oppervlakkige aandacht en onmiddellijke reactie bij het mee kunnen komen met social media zou wel eens een aanpassing aan de omgeving kunnen zijn, maar hoe bewijs je dat?

Richard Wilkinson deed onderzoek. Neoliberaal beleid doet de inkomstenverschillen spectaculair stijgen, hetgeen verregaande gevolgen heeft voor nagenoeg alle criteria voor gezondheid. Bij hogere inkomensongelijkheid zijn de sociale verhoudingen beduidend lager van kwaliteit: meer agressie, minder vertrouwen, meer angst, minder deelname aan het gemeenschapsleven.

Wetenschappers zijn het eens over vijf factoren die bepalend zijn voor onze gezondheid: onze vroege kindertijd, de hoeveelheid angst en zorg die we ervaren, de kwaliteit van onze sociale relaties, de mate waarin we zelf controle hebben over ons leven en tot slot onze sociale status

In werk is een opvallende stressfactor de mate waarin iemand beslissingsrecht heeft in de organisatie van zijn werk. Machteloosheid en hulpeloosheid behoren tot de meest ziekmakende emoties.

Te grote ongelijkheid als dooddoener

In zijn boek Respect in a World of Inequality concludeert Richard Sennett dat te veel ongelijkheid voor een verlies aan respect, zelfrespect zorgt. Iets wat op psychosociaal vlak zo ongeveer het ergste is wat iemand kan overkomen.

Een vanaf 1986 nog steeds lopend onderzoek onder ambtnaren toont dat de laagstgerangschikten de meeste stress ervaren. Medisch onderzoek bevestigt dat zij hogere cortisolwaarden en meer bloedstollingsfactoren (groter risico op hartinfarct) hebben.

Mentale stoornissen als morele stoornissen

Vroeger was bescheidenheid een deugd, nu is ze een afwijking.

Van ons wordt verwacht competitiviteit en sociale vlotheid en daarnaast moeten we genieten van dure hypes met een korte levensduur.

Als succes het criterium is voor een normale identiteit dan is falen het symptoom van een gestoorde.

Op school is er de hoogbegaafde of de gestoorde. ‘Gewone’ kinderen worden een zeldzaam goed, en de normale middelmaat van vroeger is taboe.

Bij de diagnostiek gaat de aandacht niet uit naar de problemen die kinderen zèlf ervaren, maar naar de problemen die de omgeving met het kind heeft.

Verhaeghe noemt psychodiagnostische classificatie à la DSM een morele ordening waarmee mensen via labeling beschuldigd en afgevoerd worden.

De farmaceutische industrie voelt het verantwoordelijkheidsgevoel van de maakbare mens aan en adverteert aan hen die dreigen te falen en redding kunnen vinden in de juiste pil.

Wat in de labels zelden aan bod komt is dat veel consulterende mensen leiden aan doorgedreven controledwang, hyperperfectionisme en het ambitieuze. Eenzaamheid is zonder twijfel de meest frequente ‘stoornis’ van onze tijd. In combinatie met de verplichting tot genieten mondt dit uit bij wat Mark Fisher depressive hedonia, depressief genot noemt.

Disciplinering als behandeling

Er is een nieuwe markt ontstaan: opvoedingsondersteuning, onderwijsbegeleiding, psychotherapie, parent counseling en medicalisering van psychosociale problemen. Business waar grof geld mee valt te verdienen, met als gemeenschappelijke noemer: disciplinering.

Alle huidige psychiatrische labels bevatten drie lagen: een psychologische, een sociale en een medische.

Normering en disciplinering zijn inherent aan psychiatrie.

Als hoogleraar psychodiagnostiek maakt Verhaeghe onderscheid tussen ‘juridische’ psychodiagnostiek en een klinische. De eerste is gericht op bescherming van de groep en maatschappij, desnoods tegen het individu – denk aan Breivik.                   De tweede is gericht op de bescherming van het individu, desnoods tegen de maatschappij – denk aan Semmelweis p187

Hallo, met Vanessa, wat kan ik voor u doen?

Hoe kunnen we de verschuiving binnen de psi-wereld van behandeling naar disciplinering begrijpen?

De huidige mens is opgegroeid in een zeer onstabiele omgeving, waarin zo ongeveer alles mag en kan, met genieten en consumeren als verplichting. De adder onder het gras is dat je het zelf moet maken, waarbij mislukking wijst op een stoornis of op luiheid. Hierdoor is de huidige identiteit minder stabiel en zijn er meer ontsporingen. Men roept de therapeut om het tekort aan disciplinering aan te vullen

Daarom verschuiven behandelingen naar praktijken zoals elementaire gedragstherapie en psycho-educatie met als doel het inperken van ontsporingen.

Psychiater en psychotherapeut worden de nieuwe morele autoriteiten die in de naam van de wetenschap ons opleggen hoe we ons moeten gedragen. Velen vinden deze disciplinering nodig. Bovendien gaat het in toenemende mate met het gebruik van medicijnen gepaard.

In wezen functioneren de psychiater en psychotherapeut als supernanny’s die datgene bestrijden wat alle flatscreens aanprijzen: fastfood, fast pleasure, verplicht constant online zijn, enzovoort.

We leven in een wereld met een anonieme macht die nergens te lokaliseren valt, en ook geen morele autoriteit meer uitoefent. Deze kunnen we ook niet meer ter verantwoording roepen. Denk aan het callcenter met de eindeloze doorschakelingen. Michel Foucault was een van de eersten die dit opmerkte en noemde het biopolitiek.

Als metafoor verwijst hij daarbij naar het panopticonmodel van Bentham.

De vraag is niet of een maatschappij ziek- of gezondmakend is, maar hoe zij haar afwijkingen definieert en wat daarvan de consequenties zijn.

Als dat van een bedenkelijk ethisch niveau is, waardoor een maatschappij ingaat tegen haar eigen fundamenten, vernietigt zij haar sociale verbanden. Verhaeghe schrijft: dat is thans het geval.

 

 

 

 

Identiteit – Paul Verhaeghe (6)

6. Identiteit: machteloze maakbaarheid

De formele kant van de identiteitsontwikkeling

Een optimale identiteitsontwikkeling verloopt in een omgeving met duidelijke autoriteitsfiguren die voor veilige hechting zorgen. Oftewel: het kind voelt zich bemind door mensen die op consequente wijze beslissingen voor hem/haar nemen tot het in staat is het zelf te doen.

De inhoud van de identiteit hangt af van de ruimere groep, waarin iemand opgroeit, vooral van de dominerende gemeenschappelijke opvattingen en het door de groep ‘gedeelde’ verhaal. De weerspiegeling van deze opvattingen vinden we in de mores of de ethiek, waarvan het rechtswezen de officiële neerslag vormt.

De spiegelingen komen in deze tijd minder van ouders en meer van flatscreens met als boodschap de dominante marktwerking. ‘Iedereen kan perfect zijn, alles hebben, als je maar voldoende je best doet’.

Het generatieconflict van de huidige tijd geeft als antwoord op de vraag waarom de nieuwe generatie anders is het antwoord: de nieuwe identiteit is een spiegeling van het nieuwe, neoliberale verhaal. Vraag is wat dit doet met jongeren en of er meer aan de hand is dan alleen maar een generatieconflict.

Morele ontwikkeling

Als driejarigen testen kinderen de autoriteit van hun ouders en rond de leeftijd van vijf beginnen ze de oorspronkelijk externe regelgeving over te nemen: ‘interiorisatie’, als basis van het morele geweten.

Via coming of age, beslissingen leren nemen op basis van normen en waarden anders dan die van de ouders gaat opvoeding naadloos over in Bildung. Vorming, waarbij een zo rijk mogelijke cultuur borg staat voor een rijk palet aan identificatiemogelijkheden. Kennis staat centraal als in de klassiek Griekse betekenis, phronesis, wijsheid

Wie legaal volwassen is, wordt verantwoordelijk voor zijn gedrag, omdat hij/zij de morele norm voldoende overgenomen heeft. Hij/zij wordt burger, volwassen lid van een maatschappij, met bijbehorende rechten en plichten.

Als dit mis gaat wordt de persoon als gestoord, abnormaal verklaard, afwijkend van de norm dus. Zie voor statistieken p.152

In onze veranderde maatschappij komen de pedagogische vormvereisten ernstig in het gedrang. Daarbij is de vraag naar inhoud nog belangrijker. Welke spiegel krijgen kinderen voorgehouden: 1. prestatiegerichte hyperindividualisten, 2. niet bereid tot inspanningen, werk verrichten, alleen maar profiteren, 3. zij die een stoornis opgeplakt krijgen?

De fopspeenjongeren

Vacatures raken niet vervuld, jongeren stoppen snel weer nadat zij al werk hadden gevonden. Ze vinden het werk te zwaar, het verdient te weinig, geef ons toch liever maar die uitkering.

Zij kregen allemaal de boodschap te horen elke behoefte te bevredigen, op korte termijn en dat genieten via consumptie het belangrijkste levensdoel is.

Fospeenjongeren verwachten de bevrediging volledig van een ander.

De kwaliteit van de opvoeding is af te meten aan de mate waarin jongeren met frustratie moesten leren omgaan.

De overgang van het mythische paradijs naar de realiteit van verantwoordelijkheid nemen is cruciaal en de omgeving heeft daarin een doorslaggevende rol.

Deze overgang wordt door rituelen gekenmerkt: dat was je van de ander kunt krijgen moet je vanaf nu zelf doen.

Make it or Break it

Deze tweede groep jongeren is opgevoed met de basisovertuiging: toeval bestaat niet, alles is controleerbaar, op elk tekort bestaat een antwoord. Zij zijn in eerste instantie uit op het eigen succes.

Vanuit het laat kinderen in vrijheid leren, zonder opgelegde waarden of autoriteit, en ze ontpoppen zich vanzelf tot integere, volwassen burgers, heeft het competentiemodel een vruchtbare voedingsbodem gevonden.

De docent hoeft niets meer op te leggen. Let op de newspeak: Compentiegericht onderwijs: in een aangepaste leeromgeving (school) moeten leerprocesbegeleiders (onderwijzers of leerkrachten) in hun functie van coach het leerproces faciliteren zodat jongeren hun competenties kunnen kapitaliseren.

In het huidige competentiemodel wordt het individu voorgesteld als een vrije ondernemers die met hulp van anderen zijn eigen vaardigheden uitbouwt.

Neoliberalistisch taalgebruik: kennis is menselijk kapitaal, competenties als kapitaal dat jongeren moeten leren beheren en ontwikkelen, leren is een langetermijninvestering, nb. talent en competentie zijn in beleidsteksten steeds inwisselbaar.

Het huidige doel van het onderwijs heet zelfmanagement en ondernemerschap. De leerlingen van dit onderwijs vragen dan ook: wat brengt het op Voor mij?

In een poging om het onderwijs waardevrij te maken en te bevrijden van welke vorm van morele dictatuur, heet het competentieonderwijs het ideologisch gedachtegoed van het neoliberalisme volledig geïmplementeerd in de scholing van onze kinderen.

In plaats van te zeuren over een egoïstische en materialistische jeugd dienen we dringend vragen te stellen over het onderwijs en ruimer, de bijbehorende pedagogiek.

Het idee dat onderwijs waardevrij kan zijn is een illusie. Onderwijs geeft waarden door en kan zich daarvan maar beter bewust zijn. Dat autoriteit overbodig is, kan alleen uit de mond van iemand komen die nooit voor de klas heeft gestaan.

Verhaeghe is het er niet mee eens dat een kenniseconomie nu eenmaal competentiegericht onderwijs als sleutel tot economisch succes nodig heeft. Het opleidingsniveau is namelijk ernstig gedaald, zowel op het vlak van culturele bagage als van basisvaardigheden zoals taal en wiskunde. Er is tegenwoordig een groeiende behoefte aan middelmatig opgeleiden die liefst niet al te kritisch zijn.

En succes met het nieuwe contract!

MacIntyre, de Schotse moraalfilosoof beschrijft de nieuwe moraal volgens het gebod van measurable effectiveness, wat het mantra is van de hedendaagse hogepriester, de manager en het volgende mantra luidt aanpassing volgens de tweede pastor de psychotherapeut. MacIntyre noemt het morele aspect bij zijn naam: manipulatie van mensen op grote schaal.

De nieuwe immorele mens is de mislukkeling, die door de eerste hogepriester (de manager) voor verdere afhandeling wordt doorverwezen naar de tweede (de psychotherapeut).

De besten worden beloond volgens een meetsysteem. Dit op basis van een topdown-‘kwaliteitshandboek’ zie p.166.

De neoliberale moraal veegt het vroegere spanningsveld tussen het gemeenschappelijk belang en het belang van de burger weg. ‘There is no such thing as society’. Het vervangt het door de tegenstelling tussen een organisatie en een individu, een tegenstelling die binnen de kortste keren een vijandige vorm aanneemt, waarbij beiden het onderste uit de kan willen.

Tegen deze achtergrond verdwijnt de arbeidsethiek en beetje bij beetje ook de gemeenschapsethiek. In plaats daarvan verschijnt het contract, met als typisch kenmerk de voortdurende uitbreiding van regeltjes. Dit binnen een bestel dat deregulering hoog in het vaandel voert.

Survivalweekends als teambuilding

In een neoliberale organisatie verdwijnt de teamgeest snel, ‘survival (of the fittest)’ – weekends blijken een noodzaak. In de plaats van solidariteit komt wantrouwen.

Een neoliberale meritocratie produceert haar eigen uitgangspunt: universeel egoïsme. Met een nieuwe morele maatstaf die puur utilitair is. Men gaat alles afmeten, liefst letterlijk in termen van productie, groei en winst. Waarbij evaluaties binnen de kortste keren het allure van controle krijgen.

De vroegere autoriteit verdwijnt en wordt vervangen door bureaucratische macht binnen een anonieme organisatie.

Het gevolg is een contractsamenleving met cameracontrole, twee symptomen van een mislukte gemeenschap.

Nieuwe persoonlijkheidskernmerken

Een neoliberale meritocratie doet nogal wat met mensen. Solidariteit wordt een kostbare luxe en moet het veld ruimen voor tijdelijke coalities, steeds met als voornaamste zorg dat men er meer winst uithaalt dan de anderen.

Pesten, vroeger een probleem op scholen, nu ook volop aanwezig op de werkvloer. Een typische symptoom van onmacht.

Een daling van de autonomie en groeiende afhankelijkheid van externe, vaak verschuivende normen veroorzaken wat Richard Sennett ‘infantilisering van de werknemers’ noemt.

Zelfrespect hangt in grote mate af van de erkenning die men krijgt van de ander. Iemand als een kind behandelen is centrale aantasting van het zelfrespect.

Een groeiende groep medemensen behoren tot de ‘overbodigen’ hun waarheid is: YOU don’t really matter.

Machteloze maakbaarheid

Nil volentibus arduum. Vocavit servos suos. Niets is moeilijk voor hen die willen. Hij riep zijn slaven.

De hedendaagse zogenaamde ‘zelfsturing’ verbergt onze onderwerping aan een ‘permanent economisch tribunaal’, zegt Michel Foucault.

De vrijheid die we in het Westen ervaren is samen met het idee van de maakbare mens de belangrijkste leugen van vandaag. Zygmunt Baumann vatte de paradox van onze tijd samen: ‘Nooit waren we zo vrij. Nooit hebben we ons zo machteloos gevoeld.’

In ons evolutionaire erfgoed schuilen twee tegenover elkaar staande gedragspatronen: egoïstisch (gericht op verdeel en heers) en altruïstisch (gericht op geef en krijg).

 

 

Identiteit – Paul Verhaeghe (5)

5. De Enron-maatschappij

Nooit had de westerse mens het zo goed, nooit voelde hij zich zo slecht.

Om te reiken naar het tegenovergestelde van de verzorgingsstaat, zoals in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten is ook niet de oplossing. zie p.113.

Het verloren gaan van de grote verhalen zou een aanknopingspunt kunnen zijn. Er zijn dan bijgevolg geen ankerpunten meer voor de identiteit.

Het nieuwe verhaal: neoliberalisme

Nog niet lang geleden werd onze cultuur en identiteit bepaald door een wisselwerking tussen politiek, religie, economie en kunst. Tegenwoordig telt alleen nog de economie.

In De utopie van de vrije markt toont Hans Achterhuis aan hoe wij die moderne utopie voor realiteit aannemen en haar daardoor ook realiseren. Als je gelooft in een bepaald mensbeeld en een bepaalde visie op de wereld, bepaalt dit je gedrag en lok je die dingen uit, met een ‘zie je wel’-reactie tot gevolg.

Religie, ethiek en maatschappij worden ondergeschikt aan ‘de markt’. In die zin is het neoliberalisme niet langer een economische theorie, maar een veel ruimere ideologie.

Klassiek liberalisme wil een strikte scheiding tussen staat en samenleving. Neoliberalisme wil de staat ondergeschikt maken aan de verondersteld vrije markt. De staat wordt omgevormd tot een verzorgingsmaatschappij voor banken en multinationals. School, zorg en veiligheid is een zaak van privépersonen.

Loon naar werken in naam van de vrijheid

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het idee van meritocratie maatschappelijke vormgeving. Elk kind moest maximale ontwikkelingsmogelijkheden krijgen. Eigen capaciteiten in combinatie met een volgehouden inspanning werden de nieuwe criteria voor maatschappelijk succes.

In Amerika leeft The American Dream. De economische variant van meritocratie. Geen staatsinmenging in business. Bij Europa was deze invulling oorspronkelijk politiek.

De combinatie tussen de twee denkbeelden – vrijheid en loon naar werken (meritis) – verklaart de aantrekkingskracht die meritocratie op ons uitoefent.

Inmiddels is er een neoliberale meritocratie ontstaan. ‘If you are so smart, why aren’t you rich?’ In 1985 beschreef Michael Young in zijn satirische roman ‘The Rise of the Meritocracy’ hoe de besten in een utopische maatschappij worden beloond en de anderen afgestraft en dat dit snel leidt tot giftig worden voor haar burgers wat eindigt in chaos en opstand.

Toch oogt het onderwijskundig aantrekkelijk: iedereen gelijke kansen en een beloning voor wie het hardst zijn best doet. Echter verschillen bij de start bepalen zeer sterk het eindresultaat. Bovendien betekent een kapitaalkrachtig milieu vaak goede scholing. De vrije keuze is minder groot dan men verwacht.

Ad Verbrugge merkt als een van de grootste waandenkbeelden van onze tijd op, het idee van het zogenaamde ‘vrije’ individu met onbeperkte keuzemogelijkheden dankzij eigen inspanning.

Sociaaldarwinisme in een economische verpakking

Net als het sociaaldarwinisme beoogt een neoliberale meritocratie een ‘survival of the fittest’, waarbij de besten voorrang krijgen en de anderen weggeselecteerd worden. Bij het sociaaldarwinisme zijn enkel de erfelijke factoren van belang.

Vervang nu genen door talent en de overeenkomst is duidelijk: het individu is doorslaggevend, hij kan het maken op grond van inzet en aangeboren kenmerken. Beiden wekken de indruk van nature de besten te bevoordelen. De wijze waarop ze dit vervolgens gaan meten, houdt die besten ook systematische bevoordeelt en daarmee blijvend aan de top. We kunnen spreken van neoliberale markteconomie. Deze biedt het antwoord op de vraag wie de ideale mens is, die voor de hoogste productie zorgt.

Een paar eeuwen geleden schreef David Hume, een van de belangrijkste filosofen van de Verlichting, dat een maatschappij georganiseerd op grond van ‘merit’ onvermijdelijk eindigt in het uit elkaar vallen van de gemeenschap.

Vandaag de dag is meritocratie volledig ingebed in een gedigitaliseerde, razendsnelle en geglobaliseerde vrije markt. Zonder dat er nog denkwerk aan te pas komt, wordt er op grond van cijfers, over hoofden heen, besloten. Zo komen deze cijfers tot leven. Hierdoor ontstaat reïficatie, ‘dingen maken’.

Enron, een Amerikaanse multinatioal, voerde eind vorige eeuw een ‘Rank and Yank appraisal system’ in. De prestaties van iedere werknemer werden continu competetief beoordeeld, op grond waarvan jaarlijks één vijfde zijn ontslag kreeg, echter eerst na publiekelijk vernederd te worden: hun naam en foto én hun mislukking kwam op de website van het bedrijf.

Resultaat: binnen de kortste keren vervalste zo ongeveer iedereen de cijfers en heerste er paranoia. De grootschalige fraude leidde tot een proces en een bankroet.

Toepassingen van het Enron-model vind je vandaag de dag overal. Ook wel bekend onder de 20/70/10-regel. 20% van het bedrijf zijn de besten, 70% de kritische massa en 10% moet aan de dijk gezet.

De universiteit als kennisbedrijf

Waar universiteiten publicaties van Alumni niet durven te publiceren uit angst voor gevolgen vanuit hun subsidiegevers is de Academische Vrijheid in het geding. Kritisch hoogopgeleide burgers af te leveren vindt men vandaag de dag een oubollig idee. Men screent liever kleuters op hun vaardigheden om ze meteen de juiste economische richting in te sturen. Een redacteur wetenschap van de belgische krant, De Standaard vindt dat geesteswetenschappen niets bijdragen, menswetenschappers zouden er beter aan doen Darwin te lezen en met het neoliberalisme is niks mis.

Verhaeghe staat hier even bij stil, huivert en denkt terug aan 1930 (p.127). Waar is onze mondigheid gebleven?

De universiteit is lang het spiegelbeeld geweest van een statische maatschappij. De invoering van een meritocratisch personeelsbeleid wijzigde de partijpolitiek, waarbij iedereen op zijn eigen stoel bleef zitten. Hierdoor kwam er meer dynamiek waar de jongere generatie zich goed voelde.

Echter binnen de tijdsspanne van één generatie veranderde deze situatie zich dramatisch, waardoor jonge academici nog nauwelijks het gevoel hebben invloed uit te kunnen oefenen op hun carrière. Ze hebben de overtuiging te moeten dansen naar de pijpen van een onzichtbare administratie.

De oorzaak ligt in de evolutie van de aanvankelijke meritocratie naar een neoliberaal evolutiesysteem. Neoliberaal, omdat alle accent op kwantitatieve productie ligt.

Het gaat om meten, tellen van productie en output. Het accent kwam te liggen op onderzoek en projecten, het belang van onderwijs en maatschappelijke dienstverlening ging pijlsnel omlaag.

De beste academicus is hij die de meeste externe fondsen kan werven, bij voorkeur bekroond met patenten. ‘Hij’ want vrouwen passen niet goed in dit systeem.

Een meritocratie functioneert op grond van een centraal geleid en strak gepland meetsysteem . De beste is hierbij de baas en slechts enkelingen mogen doorgroeien. Er ontstaat bikkelharde concurrentie waardoor de succescriteria steeds strakker en strenger worden.

Grootschalig doet zich dit ook voor. Rankings van universiteiten krijgen beursgenoteerde waarden, waarop bestuurders wakker gaan liggen.

Out of the box-denken, de voorwaarde voor innovatie en ontdekking kan niet langer. Verhaeghe verwijst naar Foucault, met zijn opvattingen over disciplinering. De meritis rondom het publiceren van artikelen werkt, net als bij Enron, fraude in de hand. Daarnaast is het merendeel van de onderzoeksresultaten onjuist. Wetenschappers krijgen simpelweg de tijd niet meer om iets grondig te overdenken en uit te zoeken.

Een neoliberale ‘vrije’ markt kan alleen functioneren via onderlingen afspraken tussen bedrijven en op grond van globale beleidsbeslissingen. Bentham, Achterhuis en Richard Sennett hebben dat eerder al aangetoond.

Als de huidige toekomst doorzet zijn er twee mogelijkheden voor de universiteiten:

1. het hoger onderwijs wordt een door de burger betaald, voor multinationals goedkoop, onderzoekscentrum, met als bonus persoonlijkheidsvorming voor hun toekomstige werknemers

2. universiteiten worden opgekocht en omgevormd tot beursgenoteerde bedrijven, waarbij input (studenten) en output (werknemers) afhangen van de markt.

Het ziekenhuis als zorgbedrijf

Cardiobedden brengen drie maal zoveel meer op dan psychiatrische bedden. Zoals elke marktspeler kiest een ziekenhuis voor wat het meest opbrengt en stoot het die zaken af die het minst opleveren. Patiënten zijn daarbij helemaal niet meer het doel, wel het middel.

Naast het maximaliseren van de winst beoogt het ziekenhuis ook het minimaliseren van de kosten, zoals besparing op personeel en de voorkeur naar goedkoper en dus minderwaardig materiaal (borstimplantaten, heupprothesen).

Het werven van klanten is nog not done, maar het kan ook anders. Overtuig mensen dat ze potentieel ziek zijn en dat ze zich daartegen moeten wapenen. Screening en preventief onderzoek.

De controle van de prestaties door de zorgverzekeraar vragen om een uitgebreid management.

Een toename van een topdownmanagement is een wezenlijk onderdeel van neoliberale werking. Een niet productieve toplaag die zichzelf in stand houdt via het controleren van anderen, met als resultaat een groeiende regelgeving. Gepromoot onder de noemer van transparancy.

Een dergelijke organisatie leidt tot een excessieve ontwikkeling van regels en regeltjes, in combinatie met een nooit gezien controlesysteem en een loodzware administratie. Deze combinatie is vaak dodelijk voor creativiteit en productiviteit, met als gevolg vaak een pleidooi voor …. meer neoliberalisme.

In zijn Open brief van een arts schrijft Marc Desmet over vier managementsymptomen:

1. voortdurende veranderingen (verbouwingen, ict, roosteren, fusie) waarbij alles steeds getoetst wordt en de mensen die het betreft weinig inspraak krijgen

2. het Big Brother-gevoel. Niet de veranderingen, maar de werknemers worden voortdurend geëvalueerd, middels functioneringsgesprekken, audits etc. Het komt de teamgeest niet ten goede.

3. het systeem leidt ertoe dat er almaar minder aandacht naar de kern van het werk gaat.

4. ontmoedigende contradicties. Bijvoorbeeld iedereen wordt steeds aangemaand te besparen, maar ziet ook hoeveel geld er gaat naar zaken die het werk niet ten goede komen. Symptomatisch is ook het bombastische taalgebruik: topverpleegkundigen, speerpuntenonderzoek, expertgroepen.

Effecten op de kwaliteit

Wat het afleveren van betere producten in de meritocratie bemoeilijkt:

1. het is niet eenvoudig om kwaliteit cijfermatig uit te drukken; met als gevolg dat men de redenering vaak omkeert: enkel datgene wat in de cijfers verschijnt, is kwaliteit.

2. de enige bedoeling van een neoliberale marktwerking is winst maken; kwaliteit is op zich geen doel. Waardoor producten van vroegere openbare diensten zoals de spoorwegen of electriciteitsvoorzieningen vaak duurder en minder efficiënt zijn geworden, consumptiegoederen sneller aan vervanging toe zijn.

Bij kennis en dienstverlening wordt kwaliteitsmeting bijzonder moeilijk. Meten is niet zomaar passief registreren, het is actief ingrijpen in de praktijk en daardoor sturend op het gedrag van de betrokkenen. Hierdoor ontstaat tunnelvisie, wat buiten het meetbare valt is niet belangrijk.

De meting houdt geen rekening met lokale en contextuele factoren en de meetlat moet voor iedereen gelijk zijn en gestandaardiseerd verlopen, anders heet deze niet objectief. Vaak zijn deze systemen bedacht door externe ‘taskforces’ en consultants, die nauwelijks voeling hebben met de praktijk die ze dienen te meten.

De eigenlijke professionals moeten ook nog tijd besteden aan het registreren ten behoeve van deze metingen, wat de kwaliteit van het eigenlijke werk niet ten goede komt. De verplichting om te scoren leidt tot het volgen van hypes, waardoor men geen inhoudelijke expertise kan opbouwen, enkel formele.

Overal waar men kwantitatieve meetlatten hanteert, duwt de lat het gedrag zeer snel in dezelfde richting, met als onvermijdelijk gevolg het verdwijnen van diversiteit.

Hoe minder verschillen, hoe moeilijker te rangschikken. Vandaar dat kandidaten het accent verleggen van de inhoud naar de verpakking: resultaten worden aangeboden in glossy rapporten, opgesteld door gespecialiseerde bedrijfjes.

Statistieken richten ons op een papieren werkelijkheid. In het onderwijs wekken de volgende woorden de indruk dat kwaliteit te meten valt: onderwijsrendement, output, ranking, benchmarks etc.

Maatschappelijke gevolgen

Een neoliberale meritocratie installeert een nieuwe, statische klassenmaatschappij door de combinaties van diploma’s en geld, waarbij de top de eigen privileges zorgvuldig bewaakt en zal uitbreiden. Dit leidt tot zeer snelle toename van ongelijkheid tussen verschillende groepen.

De middenklasse is aan het verdwijnen en er ontstaat een kleine groep bovenop een grote onderklasse. De sociale verhoudingen worden hoe langer hoe grimmiger.

Als je volgens de toplaag tot de onderklasse behoort is dat je eigen schuld door te weinig inzet en talent.

De hulp die de topgroep biedt is welfare, liefdadigheid. De onderklasse verdient geen hulp. Dit is opleving van de caritasgedachte, een negentiende-eeuws concept. Dit blijft beperkt tot het lenigen van materiële nood, sociale emancipatie blijft buiten beschouwing. Dit definieert sociale problemen als armoedeproblemen; denk aan ‘kansarmoede’, ‘gekleurde armoede’.

Hierbij vergeet men het effect van puur toeval, naast de sociale effecten van etniciteit, sociale klasse, ouderdom, ziekte, tegenslag en zelfs geslacht.

Meritocratie sluit aan bij de typisch mannelijke fallische competitie.

De ondergroep verwijt de top arrogantie, gebrek aan zelfkritiek, en in toenemende mate zelfbevoordeling. De verliezers krijgen te horen dat hun mislukking hun verantwoordelijkheid is; van binnenuit voelen ze zich onmachtig er iets aan te veranderen.

Zowel op mondiaal niveau als tussen sociale klassen en zelfs individuen is de stap van vernedering en wanhoop naar wraakgevoelens en het daaruit voortvloeiende geweld bijzonder klein. Geopolitiek van emoties. In Hoe culturen van angst, vernedering en hoop de wereld veranderen paste Dominique Moïsi deze redenering toe op de wereldpolitiek om de verhoudingen tussen Europa, China, de moslimlanden en de Verenigde Staten beter te begrijpen.

 

 

 

 

 

 

Identiteit – Paul Verhaeghe (4)

4. Het wezen van de mens

Korte samenvatting vorige hoofdstukken

  • Identiteit als iets wat van buitenaf komt, waarbij cultuur wel zeer bepalend is; normen en waarden staan daar nooit los van.
  • Onder invloed van het christendom verschoof ethiek naar iets buiten de mens; God is overal, wij zijn slecht en worden voortdurend beoordeeld.
  • De Verlichting brengt de idee dat verandering mogelijk is, de maatschappij maakbaar, al vraagt ook dat heel wat inspanningen.
  • In de postmoderne tijd verschuift de maakbaarheid naar de individu met als criterium economisch succes.

Dit hoofdstuk gaat over de biologie en genetica

Nature or nurture?

Draait het om erfelijkheid of om omgeving, opvoeding?

Ligt alles vast in de genen of bestaat er vrije wil en keuzemogelijkheden?

  • pro erfelijkheid
  • de mens bezit een wezenlijke identiteit
  • opgroeien is zelfrealisatie, worden wie je bent
  • zelfkennis helpt
  • bij Darwin draait het om evolutionaire selectie, zelfbehoud
  • progressieve denkstromingen sloten zich hierbij aan

 

  • pro omgeving
  • leven start als onbeschreven blad
  • de mens heeft een enorm aanpassingsvermogen
  • ‘geef mij het onderwijs en ik verander de natie’
  • doelbewuste sturing door conditionering en leerprocessen
  • Antropologie, gedragswetenschappen
  • aanhangers van conservatieve ideologieën

Het sociaaldarwinisme zweert bij struggle for life als biologisch bepaalde essentie van het leven en heeft bijgevolg geen oog voor alles wat samenwerking is. The selfish gene van Dawkins kan trouwens wel herschreven worden naar de coöperative gene. Men wijst af dat mondiale verhoudingen drijven op emoties.

Beide strekkingen ‘vergeten’ de gegevens die de eigen overtuiging tegenspreken. Op de koop toe heeft men de centrale stelling van de tegenpartij nodig om de eigen redenering overeind te houden.

In de wezenlijkheid is veel variatie mogelijk. Bij vrije keuze heeft de mens te maken met de prefrontale cortex die betrokken is bij cognitieve en emotionele functies. Een product van trage evolutie.

Ethiek en biologie

Het neoliberalisme is de laatste versie van het sociaaldarwinisme. Frans de Waal trekt in zijn boek Een tijd voor empathie van leer tegen hun eenzijdige recuperatie van de biologie. We moeten het totaalplaatje proberen te zien en daarin krijgt empathie een centrale plaats.

De mens is een sociaal dier, een zooӧn politikon (Aristoteles). Hobbes en Thatcher (‘There is no such thing as society’) en de bedenkers van de sociaalcontracttheorieën dachten daar anders over. In de achttiende eeuw, had men als uitgangspunt de mens in zijn natuurlijke staat, die een solitair en vrij wezen zou zijn. Enkel op grond van de rede zouden zij kiezen voor de groep en wel onder voorwaarden. Deze krijgen de vorm van een contract.

Het is een onjuiste visie. De biologie toont aan dat wij groepsdieren zijn, een solitair levend wezen is of ziek of uitgestoten. Primaten leven in hiërarchisch geordende groepen, waarin sociale verhoudingen van belang zijn voor overleving en voortplanting.

Affectieve onderbouw (‘het buikgevoel’) is voor het regelsysteem belangrijker dan de rationeel-cognitieve bovenbouw. In cruciale situaties is er voor bewust nadenken nauwelijks tijd, we vinden achteraf een verklaring. De kennis die hierbij hoort functioneert vanuit een soort collectief geheugen, dat ons gedrag mee helpt sturen. Henri Bergson spreekt hierbij over collectief onbewuste en pre-wired gedrag. Deze vorm van sturen bevat geen zwart-witbeslissingensysteem; dit laatste klopt ook niet met onze enorme capaciteit tot aanpassing. We moeten ons tevreden stellen met het vaststellen van ruimere gerichtheden en het corrigeren van misvattingen.

‘Do ut des’ en ‘An eye for an eye’

‘Geef op dat je zal krijgen’ en ‘Oog om oog, tand om tand’ Primaten zijn niet wezenlijk goed of slecht, de omstandigheden bepalen in welke richting het gedrag gaat.

Marcel Maus, grondlegger moderne antropologie stelde: een gemeenschap bestaat bij gratie van de gift, en elke cultuur kan getypeerd worden door de manier waarop uitwisselingen plaats vinden.

Bij primaten is bewijsmateriaal voor een sterke, hiërarchische structuur, waarin dominantie en agressie duidelijk aanwezig zijn. Het rooskleurige ‘Iedereen is gelijk’-idee vindt hier geen bevestiging. Er treedt juist onrust en agressie op als de autoriteit verdwenen is.

Frans de Waal toont een genuanceerder beeld. Bij sociale diersoorten is sprake van het bestaan van wederzijdse hulp, altruïstisch gedrag onderling en ook jegens andere diersoorten. De dieren verdelen ook hun buit en krijgen ‘loon’ in de vorm van voedsel. Echter een oneerlijke verdeling wordt niet geaccepteerd, dan heeft het dier nog liever niets. Bij studies is ook gekeken naar het belang van de blik – zodra een ander uit het gezichtsveld is verdwenen, daalt het niveau van de uitwisseling.

Het omgekeerde van delen is leedvermaak. Echter de aanblik van pijn roept meestal meevoelen op, tenzij de persoon je bedrogen heeft. Dan licht, met name bij mannen, het genotscentrum in de hersenen op.

Empathie is het kunnen voelen wat de ander voelt. Schopenhauer vond daarin de basis voor zijn ethiek. Doe een ander niets aan wat je zelf ook niet wilt voelen. Empathie en reflexief vermogen brengt ons bij het geweten

Elke identiteit krijgt haar invulling door de gemeenschap waarin ze gevormd wordt en bijgevolg door de typische manier van uitwisseling binnen die bepaalde maatschappij.

Freud: de mens als spanningsveld

In het gemeenschappelijke onderbewuste herkent Freud twee aan elkaar tegengestelde basisdriften: Eros, de levensdrift en Thanatos, de doodsdrift.

Hier gaat het over hechting en separatie, met de bijbehorende vertatings- en intrusieangst. Er is ook altijd een kantelpunt. Bij het versmelten van twee lichamen volgt via de orgastische ontlading en uit elkaar vallen van de individuen. Bij versmelting in een bedrijf volgt er daarna de eis tot onafhankelijkheid.

Het gaat hier over nabijheid en afstand in combinatie met genot. Freud vraagt zich af hoe deze basisdriften leefbaar gehouden kunnen worden. Hij antwoord met het maken van een koppeling tussen collectieve, ethische regelgeving, individuele regulering van lichamelijke spanning en de sociale verhoudingen (versmelting versus splitsing).

Genot

Op organisch vlak functioneert ons lichaam op grond van energetische spanningen. Freud acht een beheersing van ons driftleven nodig. In zijn overtuigingen zijn de aristotelische koppeling tussen zelfkennis en zelfbeheersing makkelijk herkenbaar.

Op het einde van zijn leven begrijpt Freud de interne rem als gevolg van een steeds aanwezige vermenging van levens- en doodsdrift. De een houdt de ander in toom en samen bepalen ze het leven op alle niveaus, van individu tot maatschappij.

Een maatschappij is nu juist een gemeenschap op grond van haar do’s-and-dont’s.

Essentie?

Dit klopt niet: identiteit zit in de genen, wij zijn competetief en moge de sterkste winnen, zoals bij het sociaaldarwinisme.

Identiteit wordt grotendeels door de omgeving bepaald, de mens is wezenlijk een sociaal dier wiens evolutionaire erfenis zowel een gerichtheid op solidariteit als op egoïsme bevat. Omgevingsfactoren bepalen wat de overhand krijgt.

Elke maatschappij is georganiseerd rond uitwisseling, waarbij voedsel en seks de eerste ruilobjecten zijn.

De sociale regulering ervan gaat terug op hoe het lichaam zelf voor evenwicht zorgt tussen spanningsopbouw en spanningsontlading.

Dit is hetzelfde evenwicht als dat tussen versmelting met en afstandname van de ander, de mechanismen die aan de basis liggen van onze identiteit.

Intermezzo

Maatschappij en stoornis

Een vergelijking tussen onze identiteit vandaag de dag en die van twee generaties geleden leg radicale veranderingen bloot op cruciale vlakken. Dit wordt geïllustreerd door het geweeklaag over de teloorgang van normen en waarden.

Een maatschappij bepaalt vanuit de sociale norm: de normale identiteit en de stoornissen, de afwijkingen.

Zijn psychiatrische stoornissen geen ziekten die in genen en hersenen zitten? Er zijn geen biologische markers. Het huidige geloof in neurobiologie zegt meer iets over de behoefte aan verontschuldiging (ik kan er niks aan doen), wat laat zien hoezeer wij ons beschuldigd voelen.

Psychische stoornissen zijn morele stoornissen. ‘Patiënten’ beantwoorden niet aan de dominante normen en waarden van hun maatschappij en lijden daaronder en/of doen er anderen onder lijden.

Stoornissen zijn typisch voor bepaalde samenlevingen. In Freuds tijd was die patriarchaal, de tweede helft vorige eeuw bracht de bevrijding van het individu. Plichten werden doorgeschoven naar de gemeenschap. Vandaag de dag wordt hier tegen gereageerd, we moeten terug naar normen en waarden. De linkse verzorgingsmaatschappij is de oorzaak van alle kwaad, en tot voor kort boekte overal in West-Europa rechts tot extreem rechts hiermee vooruitgang.

Verhaeghe wijst naar de ‘Enron-maatschappij’. Een nieuw maatschappelijk model met nieuwe identiteit en andere normen en waarden. Meest typische kenmerk: depressief genot op afbetaling.

 

Identiteit – Paul Verhaeghe (3)

3. Jongens en wetenschap: de maakbare mens

De Verlichting had de doodsteek toegebracht aan het christelijke kernidee van onveranderlijkheid. Men neemt aan dat de studie van het heelal (Newton, Kepler) hiertoe de aanzet heeft gegeven.

Jean-Baptiste de Lamarck formuleert al vroeg in de negentiende eeuw een evolutietheorie, maar vindt nog geen gehoor. Pas een halve eeuw later laat Darwin met zijn goed beargumenteerde theorie de hemelpoorten definitief begeven.

De laatste mokerslagen worden toegebracht door een obscure monnik Mendel, zijn resultaten krijgen in de twintigste eeuw hun volle gewicht. Erfelijke kenmerken worden doorgegeven via ouders en af en toe vinden er mutaties plaats.

Evolutie betekent verandering.

Utopia: de maakbare maatschappij

Thomas Hobbes deed met Levithian (1651) al een voorstel voor een seculiere maatschappij. Echter de achterliggende gedachte bleef parallel aan de christelijke: de mens is slecht en moet gecontroleerd worden door een oppermacht.

Er zijn vele voorstellen geweest voor een ideale maatschappij, waarin de ideale mens kan opgroeien. Dit heet ‘utopie’.

Utopie betekent zowel goede plaats (eu topos) als geen plaats (= onmogelijkheid) (ou topos).

Utopia verwijst naar het boek van Thomas More (1516) waarin hij de ideale staat beschrijft, als reactie tegen de toenmalige verscheurde Engelse maatschappij.

Als literair genre kent het twee polen: 1. de oprechte pleidooi voor een betere samenleving 2. de satirische versie, dystopia (= slechte plaats) wat ons waarschuwt voor de gevaren van deze ideologische paradijzen. Denk aan Brave new world (Aldous Huxley) en Nineteen Eighty-Four (George Orwell). Of The Rise of the Meritocracy (Michael Young). De laatste wordt besproken in hoofdstuk vijf.

Vooruitgang

De overtuiging is nu dat niets vast is, maar dat alles steeds in evolutie is. Deze evolutie gaat alsmaar in de richting van het betere. Wij zeggen dan ‘Stilstaan is achteruitgang!’.

Argument voor gelijkschakeling aan vooruitgang is dat onze levenskwaliteit in vergelijking met onze voorouders gestegen is.  We vergeten dat het vooral om een technologische vooruitgang gaat, geldend voor een beperkt deel van de wereldbevolking ten koste van de rest en met ecologische ravage.

Er zijn een aantal misverstanden rondom evolutieleer. Darwin leert ons dat de mate waarin we aangepast zijn bepalend is voor het aantal nakomelingen. De evolutionaire geschiedenis leert ons dat de richting van evolutie random is, onvoorspelbaar en steeds tijdelijk. Vooruitgang is een moreel oordeel van een wezen wat zichzelf o zo graag in de spiegel bekijkt.

Verder wijst Darwin ons op de lagere en hogere soorten, waarbij wij de rechtopstaande übermensch zijn.

Verandering is ingebakken in het leven, gebeurt bij toeval en kent geen richting.

De interpretatie van evolutionaire verandering als vooruitgang is een christelijke lezing, want gekoppeld aan de idee van persoonlijke inspanning.

Maakbaarheid

‘Survival of the fittes’ komt niet van Darwin, maar van Herbert Spencer. We kunnen het toeval een handje helpen en de verandering sturen. Het sociaaldarwinisme is hiermee geboren. Een ideologie vanaf eind negentiende eeuw. Fittest betekende bij Darwin ‘het best aangepast aan de omgeving’. Bij Spencer verglijdt dat naar ‘meest succesvol’ in de betekenis van ‘meeste macht’.

De eugenetica ontstaat als een sociaaldarwinistische praktijk: voortplanting van de sterksten aanmoedigen, die van de minderwaardigen zoveel mogelijk beperken. Vanaf de negentiende eeuw wordt sociaaldarwinisme naar voren geschoven bij kolonisatie en rassenwetten.

Het fascisme was een progressieve ideologie die zich op de toenmalige wetenschap beriep om een zo perfect mogelijke maatschappij gestalte te geven.

Meten is weten. Stel je voor kinderen met verstoringen op te sporen met als doel hen te labelen en vervolgens op te bergen.

Wetenschap: de verlichte samenleving

Het toepassen van natuurwetenschappelijke principes op ondermeer methodes en menswetenschappen noemt men sciëntisme en is tegenwoordig zeer dominant.

Intellectuelen stonden dit voor: wat mensen schade berokkent is verkeerd, wat hun geluk bevordert is juist. Doel: het grootste geluk voor het grootste aantal mensen, zoals bij het utilarisme.

Bij atheïsten vindt beloning of straf op aarde plaats, gebaseerd op inzicht in de menselijke aard.

Studie van die menselijke natuur is voor de groep rond Diderot (eerste encyclopedie) cruciaal. Voor deze radicale verlichtingsdenkers is in identiteit passie de drijvende kracht, gestuurd door de rede, met empathie als toetssteen.

De seculiere godsdiensten volgden zich snel op, elke met hun belofte van een nieuwe, betere wereld: socialisme, communisme, fascisme, liberale democratie.

Wees toch eens redelijk!

Bij Aristoteles was intellect én deugd gegrond in de logos.

De huidige wetenschap heeft een steeds engere visie gekregen op haar eigen vakgebied. Volgens Aristoteles is wetenschap waardebeladen omdat wetenschappers antwoorden zoeken op fundamentele vragen over het leven. En wetenschap zonder passie bestaat niet.

Bij Aristoteles bestaat er een kennisvorm waarvan de bevindingen universeel zijn en dus onafhankelijke van de context. Daarnaast bestaat er een kennisvorm waarvan de bevindingen particulier zijn en de context een bepalende invloed heeft.

Het huidige onderwijs zal binnenkort helemaal ‘competentie’-gericht zijn. Onderzoek berust op feitelijke metingen, waarvan de cijfers objectief verwerkt worden. We werken instrumenteel-rationeel, gebaseerd op evidentie. Opvallend daarbij is het ontstaan van ‘science’ wars. Meerdere groepen staan lijnrecht met hun resultaten tegenover elkaar.

Zowel religie als sciëntisme installeren een verdeelde identiteit, met als vertrekpunt de overtuiging dat men niet voldoet.

Wanneer grote groepen zondig of dom blijven, dan rest die machtigen alleen een radicale aanpak: massale bekering of heropvoeding, of desnoods uitroeien.

Maakbaarheid heeft duidelijk ook haar grenzen.

Hard bidden, hard werken, hard studeren, psychologische behandeling of wachten op genetische wijziging van de soort zal ons verder brengen. Passie is hierbij verboden en intolerantie scheer en inslag.

Het einde van de vorige eeuw is dus startpunt van een radicaal nieuw idee inzake identiteit. Je moet jezelf maken, je moet het maken.

Het maakbare individu

Identiteit werd in het laatste kwartaal van de vorige eeuw plots een heel persoonlijke aangelegenheid, iets wat ‘authentiek’ en ‘waar’ moet zijn, bovendien autonoom en origineel en dus tegen de groep en die oerburgerlijke maatschappij in.

De mens krijgt de opdracht zichzelf te ontdekken. De misvatting over een ‘unieke’ identiteit ontstaat.

De aandacht verschuift naar het lichaam. Het is de tijd dat psychiatrische stoornissen spectaculair toenemen. De beursgestuurde economie wordt leidend. Het gemeenschapsgevoel wordt geleidelijk aan doorbroken, individuen worden meer en meer concurrent van elkaar.

Zichzelf ontdekken, verschuift naar zichzelf maken, naar ‘het’ maken.

Het zal even duren alvorens de postmoderne Narcissus door de leegte van zijn spiegelbeeld heen de achterliggende maatschappelijke puinhoop ontdekt.

Het zijn hoogtijdagen voor de psychologie: het individu is bevrijd en kan zich in alle vrijheid ontplooien. Nu vindt de selectie niet plaats op de soort maar op de individu.  The selfish gene van Dawkins kondigt de nieuwe tijdgeest aan.

Iedereen moet gelijke kansen hebben. Wie mislukt heeft het aan zichzelf te danken. Vooruitgang is een zaak van hard werken. Tegenslag kun je overwinnen en toeval bestaat niet. Wie het niet maakt, is schuldig. Het nieuwe levensdoel is economisch succes en financiële macht. Waarbij het laatste gelijk staat aan moreel gezag.

Bij Aristoteles was de beste leider, hij die de grootste zelfkennis had en dat ten dienste stelde van de gemeenschap.

De nieuwste mutatie van het sociaaldarwinisme heet neoliberalisme en in plaats van de natuur, willen zij vooral ‘de markt’ zijn gang laten gaan.

Maakbaarheid komt neer op het wegnemen van belemmerende factoren, zodat de echte mens naar voren kan treden, zoals hij ‘is’. Daarmee zijn we terug bij af bij het idee van een wezenlijke, ‘natuurlijke’ identiteit.

 

 

 

Identiteit – Paul Verhaeghe (2)

2. Ethiek: van zelfrealisatie naar zelfverloochening

Wat opvalt:
– Er wordt veel gesproken over het verlies van normen en waarden
– Onze tijd is een constante hoogmis voor onheilsprofeten en populistische politici
– Er wordt naar zondebokken gezocht
– Men zoekt de oorzaak in de Verlichting van de achttiende eeuw
– De populaire remedie is: ‘meer kerk, meer politie, meer bestraffing en alles wordt beter.’
– Camerabewaking

Ethiek en moraal bepalen het onderscheid tussen goed en kwaad. Dit leidt naar het wezen van de mens en naar wie wij zijn.

Normen en waarden zijn onze manieren om met ons lichaam en met dat van anderen om te gaan. Ze bepalen wie wij zijn en maken integraal deel uit van onze identiteit.

Ethiek bevat een beoordelend karakter. In deze tijden wordt dat principe veroordeeld.

Door de veranderende maatschappij zijn er normen en waarden ontstaan die niet als zodanig herkenbaar zijn, het betreft materiaal succes als belangrijkste morele maatstaf vandaag de dag.

Ethiek van de Klassieken: een goed karakter heeft mores

Aristoteles koppelt ethos, gewoonte, aan èthos, karakter, waarbij een goed karakter berust op goede gewoontes. Elk organisme kent een levensdoel, een telos, dat het zo optimaal mogelijk probeert te realiseren.

De mens is een zoӧn politokon. Courant vertaald een ‘politiek beest’. Politokon komt van stadstaat, voorloper van westerse democratie. Meer correct vertaald: ‘gemeenschapsdier’.

Binnen de gemeenschap worden deugden ontwikkeld die als kiem in een ieder zitten. De arètai: wijsheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en moed. Zij moeten qua ontwikkeling in evenwicht zijn, anders realiseren we onszelf niet optimaal.

Dit evenwicht is een product van zelfkennis en leidt tot zelfbeheersing.

De idee dat zelfzorg en optimale zelfrealisatie van een individu meteen ten goede komen aan de gemeenschap is zeer veranderd. Wij beschouwen het individu als lijnrecht staand tegenover de groep, elk met hun eigen belang.

Moraal heeft te maken met de manier waarop verhoudingen tussen mensen vorm krijgt door traditie en gewoonte.

Iemand mores leren is iemand verplichten de gewoonten, traditionele omgangsvormen te volgen. De zelfrealisatie van die ander schuift dan op naar zelfverloochening.

Christelijke moraal: de mens is door en door slecht

Voor Aristoteles en de kerk is ethiek niet arbitriar.

Voor het christendom is zelfrealisatie geen goed idee, zelfverloochening is noodzakelijk. <p.50>

Kennis nastreven is ijdel, men dient zich te richten op biecht, boete en zelfpijniging.

Voor de Klassieken was de man met de grootste (zelf)kennis de primus inter pares. Bij de christenen wordt de leider juist door God geroepen en neemt een tussenpositie in tussen het opperwezen en de gelovigen.

Bij de klassieke ethiek ligt de kiem van de normen en waarden in de mens. Bij het christendom duidt het op transcendentie, overstijging. Al het goede ligt bij God, die boven alles uittorent. Waardoor iedereen zijn plaats moet kennen. Zo niet, dan is er sprake van de hoofdzonde: de superbia, hoogmoed.

Gods vrijdenkende handelaars

De mens moet zijn plaats in de hemel verdienen. Als gevolg van de religieuze overtuigingen ontstaat merkwaardig genoeg een toenemend belang van arbeid en handel.

In de late middeleeuwen ontstaat er een nieuwe kapitaalkrachtige klasse, waardoor de standenmaatschappij van clerus, adel en boeren doorbroken wordt. Er komen nieuwe identiteiten, zoals ambachtslui, bankiers en handelaars.

De wetenschap bloeit op, deze mag ongehinderd denken en experimenteren.

Thomas Hobbes stelt een op wetenschap en de rede gebaseerde politiek voor en dus maatschappelijk stelsel.

Met het protestantisme ontstaat er een religieus individualisme dat niet wil buigen voor een wereldlijke autoriteit. Echter het doel blijft meer dan ooit het leiden van een deugdzaam leven onder de alziende blik van een strenge God.

In het zweet des aanschijns zal men werken. Winst is niet om van te genieten, maar om te investeren en nog meer winst te maken.

Spaarzaamheid en keihard werken is het recept voor: de Gouden Eeuw.

Zelfdiscipline van calvinisten en hun wetenschappers hadden het effect dat uit de wetenschap en de religie de menselijke factor verwijderd werd. Godsdienst mocht geen antropologische projecties bevatten en wetenschap moest objectief zijn.

Ethisch goed handelen krijgt de bijklank van ‘zelfoverwinning’. Hoe meer en strenger we ons verzetten tegen onszelf en ons vlees, hoe hoogstaander onze moraal.

Verdeeldheid, zelfverloochening en transcendentie

De christelijke deugden, naastenliefde, hoop en geloof zou Aristoteles als gevaarlijke nieuwlichterij opvatten; onze innerlijke verdeeldheid is een gevolg van te weinig zelfkennis; de zelfverloochening is een stoornis.

Het christendom heeft ook geïntroduceerd dat het enkel het geestelijke (de ziel), het transcendente is, wat telt. Het milieu wat wij aan het vernietigen zijn wordt ervaren als iets buiten ons, wat begint zo ongeveer vier meter voorbij onze voordeur.

In de tweede helft van de vorige eeuw verloor religie haar moreel gezag, wetenschap nam de fakkel over. Deze verschuiving maakte een nieuwe identiteit mogelijk, met andere normen en waarden, gebaseerd op de Rede.

Identiteit – Paul Verhaeghe (1)

Voorwoord

Er is geen wezenlijke, onveranderlijke identiteit; wie wij worden hangt grotendeels af van onze omgeving.

1. Identiteit

Nationalistische politieke formaties winnen terrein. Confrontatie met andere normen en waarden leidt tot onzekerheid. Vervolgens dient de ander als schopsteen om onszelf beter voor te stellen.

Wie ben ik?

Onze identiteit als een verzameling van ideeën die de buitenwereld op ons lijf geschreven heeft. Identiteit is een constructie. Identiteit heeft meer met ‘worden’ te maken dan met ‘zijn’.

Dit ‘worden’ vindt plaats door ‘mirroring’, spiegeling (spiegelneuronen). We worden identiek aan de boodschappen van de ander over ons ‘Wat ben jij toch traag’. Er vindt identificatie plaats.

Separatie is even belangrijk als identificatie

Separatie is even belangrijk als identificatie. Hierbij hoort het streven naar autonomie en ontwikkeld men een eigenheid door zich af te zetten en een keuze te maken voor een andere invulling van het ‘ik’.

Identiteit is steeds het tijdelijke resultaat van de wisselwerking tussen samenvallen (identificatie) en afstand nemen (separatie). Dat geeft een spanningsveld.

De filosoof Hegel legt de basis voor ons bewustzijn in de blik van de ander.

De griekse Empedokles (5vChr) spreekt over twee allesbepalende oerkrachten die voortdurend zowel vereniging als splitsing veroorzaken: Philia, liefde en Neikos, strijd.

Freud noemt dat Eros (liefdevol versmelten) en Thanatos (agressief scheiden). Gelijkheid en verschil.

En ik dan?

Huidigen tendens is: autonomie, opkomen voor jezelf, er moeten staan. Verschijnsel van de moderne mythe van de maakbaarheid van de mens met de daarbij behorende verpletterende verantwoordelijkheid.

Waarom voelen wij ons, zodra er iets fout gaat, als het ware in staat van beschuldiging gesteld? En willen we hier vervolgens van worden vrijgepleit (vaak op grond van onze genen)?

Bij identiteit zijn genen de hardware die de mogelijkheden van onze software (gedrag) bepaalt en begrenst. Het verband tussen genen en gedrag is uiterst complex en daarmee niet van rechtlijnige causaliteit.

Voor identiteit is de belangrijkste genetische hardware het menselijk taalvermogen. Taal kleurt ook het denken over zichzelf.

Als we geboren worden hebben we al bepaalde gerichtheden (naar buiten of binnen) en bepaalde formele processen (snel of traag, volhoudend of afhakend).

De spiegelingen van de ouders (wat er over je gezegd wordt) en de verhalen die om de zoveel tijd weer opgehaald worden maken mede wie je wordt. We zijn een unieke combinatie van alles wat onze ouders en omgeving doorgegeven hebben.

Identiteit tussen lichaam en groep

Als ons gevraagd wordt naar onze identiteit willen we vaak voldoen aan verwachtingen. Eigenlijk zouden we psychologische kenmerken moeten combineren met sociale gegevenheden.

Psychologische kenmerken gaan terug op lichaam, emoties en aandriften. Karaktertrekken op hoe wij ons verhouden ten opzichte van de ander.

Ons gedrag wordt gelabeld, wat onze identiteit en zelfbeeld gaat bepalen.

Boodschappen halen wij uit familieverhalen, die weer ingebed liggen in een ruimere cultuur en geschiedenis.

Zowel ons uiterlijk als de bijbehorende innerlijke ervaring en de omgangsvormen zijn ten volle gedetermineerd door de boodschappen die we te horen krijgen.

Via gedeelde verhalen krijgen we zicht op existentiële vragen. Voor de antwoorden doen we een beroep op het ‘narratieve geheel’. Religie, kunst en wetenschap dragen daar aan bij, maar zijn onderling vaak genoeg tegenstrijdig.

Tot op zekere hoogte kunnen we kiezen voor andere invullingen, gebaseerd op andere verhalen met andere antwoorden.

Zelfvertrouwen, zelfrespect, zelfhaat

Soms bekruipt ons het gevoel: ‘ben ‘ik’ dat wel? Ben ik wel ‘echt’, val ik wel samen met ‘mezelf’?

We kunnen ons verdeeld voelen, maar ook in dialoog treden met onszelf.

Bij zelfhaat of zelfliefde  gaat het om kwaadheid of tevredenheid jegens onszelf.

Op grond van wat je te horen hebt gekregen tijdens je identiteitsuitbouw, ben je zelfzeker, stap je vol vertrouwen de ander tegemoet of ben je angstig of beschaamd over jezelf.

De houding die we aannemen tegenover de ander van het andere geslacht en de ander als gezagsdrager is een belangrijk onderdeel van onze identiteit. (kritisch en opstandig? volgzaam en ondersteunend? angstig of agressief-competetief?)

De ander als autoriteit voert ons naar normen en waarden en ons geweten.

Wie moet ik zijn (en wie of wat niet)?

Identiteit bestaat uit een verzameling kenmerken die ons op het lijf geschreven zijn door de ander.

Onze identiteit is geen neutraal geheel van ‘persoonlijkheidskenmerken’ maar heeft alles te maken met normen en waarden die wij ons al dan niet hebben eigen gemaakt.

Elke identiteit gaat terug op een samenhangende ideologie. Ruim opgevat het geheel van opvattingen over menselijke verhoudingen en de manier waarop men dat het beste kan regelen.

Elke ideologie acht de eigen regelgeving superieur en beschouwt die van de ander als onderontwikkeld, achterlijk of decadent.

Agressie en angst

De verhouding tussen samenvallen met (identificatie) en afstand nemen van (separatie) is bij uitstek bepalend voor onze identiteit.

Een goed evenwicht tussen gelijkheid en verschil met de ander is ontzettend belangrijk.

Risico’s bij identiteitsontwikkeling
1. We gedragen ons als een verzameling individuen zonder gemeenschappelijke band. Dit kan het gevaar dragen van het ontstaan van een groep van gelijken met een autoriteitsfiguur die de agressie naar buiten richt.
2. Bij de ontwikkeling komt het aspect groepsvorming te weinig aanbod, alle accent ligt op separatie en individualisme. Met concurrentie, sociale isolatie en eenzaamheid als gevolg.

Zowel te grote verschillen als uniformiteit bevorderen angst, agressie en geweld. Groepen hebben uitlaatkleppen nodig.

Identiteit is ideologie

Wie we worden hangt af van de interactie met de ander. Ons ‘ik’ is nooit af.

Een maatschappij biedt haar leden een rijk en gediversifieerd aanbod van verhalen waarmee mensen een eigen identiteit kunnen bouwen.

Binnen een maatschappij kun je stereotiepen hebben en te maken krijgen met een open of gesloten karakter. Bijvoorbeeld is Open-minded zijn een effect van een Open-society. En wordt bij een gesloten narratief alles wat anders is onmiddellijk geweerd als slecht en bedreigend.
Verder kan een maatschappij stabiel of labiel zijn.

 

Ik zoek jou

Ik zoek jou die in mij de kwaliteit ziet,
waarvan ik ontken dat het een rol zou kunnen spelen in mijn leven.

Jij, die meer in mij ziet, dan ik in mijzelf ontwaar, dan ik soms durf te bekennen.
Iemand die mij ontgint en mij kan leiden, op basis van zuivere ideeën.

Jij, die mij in de tegenstelling duwt, mij schijnbaar ontkent en mij beticht van dat wat ik niet wens, niet doe, maar wat toch bij mij zou passen en wat jij van mij wilt zien.

Jij leidt mij naar het doel wat zozeer de mijne is, maar wat ik nog niet kan erkennen.

De paternalist

Zie de alwetende verteller
En alles overziende ‘ouder’

Zich bewust van het eigen ego
Daarbij visie willen bewijzen

Wat kan lijken op arrogantie
Die zichzelf ervaring ontneemt

Een manier van doen
Die sterk kan benauwen

Het kan leiden tot vermijding
Zichzelf als betweter hervinden

Advies, een ultieme vorm
Uitlaatklep van paternalisme

Daaronder ligt steeds opnieuw
Het niets