Degene die onderwijst is de technicus. Plato noemt hen en doelt dan vaak op de geneeskundige, de musicus, de schoenmaker, de timmerman, schermmeester of sportleraar)
De onderwijzer beschikt over een kunnen, een technê, know-how. Dat wil zeggen dat het kennis impliceert, zij het kennis die vorm krijgt in een praktijk en, om erin geschoold te raken niet alleen theoretische kennis maar een hele oefening met zich meebrengt.
De technicus heeft een zekere plicht tot spreken. Zijn kennis en waarden zijn verbonden met een lange overlevering. Hij is ook leerling van een leermeester geweest.
Wie les geeft knoopt een band aan, of hoopt en verlangt een band aan te knopen met degenen die naar hem luisteren, een band van gedeelde kennis, overerving, traditie, die ook een band van persoonlijke herkenning of vriendschap kan zijn.
Het waarheidsspreken van de technicus en leraar verenigt en verbindt. Terwijl het waarheidsspreken van de parrèsiast zijn leven in het spel brengt, risico neemt op woede, vijandschap, oorlog, haat en dood.
Als het juist is dat de waarheid van de parrèsiast op dat moment verenigen en verzoenen kan, dan gebeurt dat alleen na een wezenlijk, fundamenteel en structureel noodzakelijk moment gecreëerd te hebben, namelijk de mogelijkheid van haat en verdeeldheid.
De parrèsiast is geen profeet, geen wijze en geen leraar.
De parrèsiast neemt het risicio met anderen de strijd aan te gaan, in plaats van de traditionele band te verstevigen, door uit eigen naam en in alle duidelijkheid te spreken en het ware vertoog van het êthos in te zetten.
Profetie, wijsheid, onderwijs en parrhêsia zijn vier wijzen van waarheidsspreken, die verschillende personages impliceren, verschillende soorten spreken met zich meebrengen en betrekking hebben op verschillende domeinen, namelijk het lot, zijn, technê en êthos.