De lichtheid van het opvoeden [4] [Denken / aandacht]

Denken / aandacht    Jan Masschelein

‘Alleen in zover hij denkt,
… leeft de mens,
in de volle actualiteit van zijn concrete zijn,
in de bres tussen verleden en toekomst.’
(Hannah Arendt)

Wat doet Olivier in de film? Hij denkt en is aandachtig.

Het denken zelf houdt een omgang met iets in de wereld in. Denken is een activiteit die zich afspeelt in een toestand van onrust en ‘opheffing’. Het betreft geen kritische (zelf-)reflectie, denken en aandacht zijn ook geen competenties of aan te leren vaardigheden. Iedereen kan het, het is niet voorbehouden aan intelligente, gevormde en geleerde geesten, maar vraagt wel overgave en inspanning (werk).

De aandachtige, denkende houding van Olivier is verbonden met het vinden van het juiste handelen, wat een nieuw begin mogelijk maakt.

‘Je ne sais pas’

In de film gaat het om het ‘Ik weet het niet’. Het is het antwoord van Oliviers ‘vrouw op de vraag waarom hij doet wat hij doet.  Het is geen verklaring, het is wat de film toont. ‘Ik weet het niet’ tonen is moeilijk. Olivier heeft het gevonden in de twee krachten die elkaar tegelijkertijd opheffen of neutraliseren: het verlangen naar wraak en te doden en daarnaast de onbekende kracht van de humaniteit.

De onrust, bruutheid van beweging, indringende blikken getuigen van het tegelijkertijd op zich inwerken en opheffen van deze krachten. Het lichaam gefilmd in een permanent onevenwicht, een ‘état de suspension’ (een toestand van opheffing). Dit voortdurend zijn plaats zoeken kunnen we verbinden met het denken.

Er is gelijkenis met de beschrijving van Hannah Arendt over denken. Zie het citaat aan het begin van dit hoofdstuk. Het punt waar twee krachten botsen en opheffen is de bres tussen verleden en toekomst.  In de bres staat hij die het gevecht met de krachten aangaat en op een bepaalde manier in stand houdt door zijn constant vechten. Bij dit denken staat het ik in gesprek met zichzelf.

Het denken kent hierbij een soort pluraliteit en is een vorm van aanwezig zijn en zich inlaten met het heden (lees alinea twee, bladzijde 41). Het betreft een toestand waarin een nieuw begin mogelijk is.

De lichtheid van het opvoeden [3] [Meesterschap]

Meesterschap – Maarten Simons

Op zoek naar de ordinaire leerkracht

Is de leerkracht iemand die voor de toekomst leeft en zichzelf daarvoor gerust wil wegcijferen? Iemand in het heden die op een deskundige wijze of met ‘kennis van zaken’ mee vorm geeft aan een toekomst. Het heden als pedagogisch scharniermoment, wat de belofte in zich draagt van een betere, mooiere toekomst.

De tekst probeert van dat grootse denken afstand te nemen.

Hiertegenover wordt geplaatst een klein denken: een denken over de leerkracht als onopvallende, zoekende randfiguur. Een leerkracht als iemand die zijn leven heel erg gewoon leeft, die heel erg kleine dagelijkse dingen beleeft, maar daar nauwgezet en op een meesterlijke manier mee bezig is.

Kortom het gaat over de meesterlijke leerkracht van het kleine moment en de gewone situatie èn niet over de deskundige leerkracht van de grootse toekomst en de nieuwe samenleving.

Aanvaarden en een filosofische houding zijn daarbij samenhangend. Denk aan een volgehouden en dagelijkse zoektocht naar meesterschap en perfectie. Het gaat om de kleine levensfilosofie van de filosoof als levenskunstenaar. Onopvallend.

Een registratie van ‘bezig zijn met zichzelf en z’n vak’

De film ‘le Fils’ is een registratie van momenten en situaties (waarin verleden en toekomst gecomprimeerd en in die zin onbelangrijk zijn) en vooral van houdingen die Olivier op deze momenten en in deze situaties aanneemt.

Registratie wil zeggen dat er iets wordt getoond en dat de kijker dat kan meevolgen, de film vertelt in eerste instantie dus niet een verhaal.

Je mag als het ware een tijdje met iemands’ leven meekijken.

Je zit iemand letterlijk en figuurlijk op de huid. Tegelijkertijd is het ook een verhaal, maar niet met helden en anti-helden en het is niet het doel van de film. Deze film betreft de registratie van iemand die bezig is met zijn vak (houtbewerking), die de wereld aanvaardt, die van daar uit voor zichzelf probeert te zorgen en daarin een soort meesterschap toont.

Niet door stilstaan tot aanvaarding komen, maar doorheen het leven en aanvaarding als houding. Géén willen weten, willen kennen, begrijpen of willen veranderen.

Olivier ziet in de moordenaar van zijn zoon als allereerste zijn leerling, die gefascineerd raakt voor zijn vak van houtbewerking.

In de film zie je registraties van het snelle denken, kleine zoeken, ingehouden spreken, onopvallend transpireren. Het bestaande is niet langer iets groots dat veranderd moet worden.

De werkelijkheid verschijnt als iets waar je zoekend, zorgend, perfectionerend mee probeert om te gaan (het betreft kleine wijzigingen in klemtoon, aandacht en aanwezigheid). Het proberen voor zichzelf te zorgen wordt geregistreerd.

Het gaat ietwat in tegen de eigentijdse houding in de pedagogiek: die van deskundige.

De eigentijdse leerkracht-als-deskundige

De deskundige leerkracht is expert en kundig op basis van kennis en/of handelt met ‘kennis-van-zaken’.

In drie relaties staat deze kennis centraal: in zijn relatie tot de wereld, de ander en zichzelf.

De deskundige leerkracht heeft weet van de wereld, van zijn vak, wetenschap en wil deze kennis overdragen of de leerling helpen deze zelf te ontdekken, construeren. Hij beschikt over vakdidactische en algemeen pedagogische kennis. Op basis van kennis over klassenmanagement, leerprocessen, individuele leerbehoeften, leerstijlen, leerplannen, eindtermen e.d. geeft de deskundige leerkracht gestalte aan de relatie met de leerling.

Ook het zelf staat in het teken van kennis, bewustwording en ‘professioneel’ oordelen.

Bladzijde 25 spreekt van scheiding tussen werk en privé en het onderkennen van eigenbelang en het belang van kennis ten dienste van de leerling.

Ook bij de eigentijdse leerkracht is sprake van een verschuiving van het kennisgebied. Er wordt meer gevraagd over kennis van de relatie tot de ander.

De leerkracht als expert in het begeleiden van leerprocessen. Het gaat minder om inhouden en vakken (kennis) en meer om competenties en modules (kunde).

Van de leerkracht wordt ook verwacht dat hij zichzelf steeds reflecteert en de eigen impliciete ‘kennisbasis’ steeds vernieuwt.

Er is een focus op ‘correctheid’ en ‘gezag’ en deze leerkracht distantieert zich van mensen die niet over deze kennis bezitten (leerlingen en ouders). Er ligt daarmee een claim op exlusiviteit. De eigentijdse leerkracht neemt een opvoedkundige, pedagogische taak op zich en werkt met leerlingen aan waarden en normen.

De leerkracht als deskundige is eigentijds. Het type wat beleidsmakers voor ogen hebben.

In de film is Olivier oneigentijds. Hij gaat veel te veel in de liefde voor zijn vak op.

Oneigentijds meesterschap

In dit hoofdstuk, de uitnodiging voor de leerkracht om op een andere wijze naar zichzelf te kijken.

Voor de leerkracht-als-meester staat niet kennis centraal maar zorg.

Kennis helpt bemeesteren, bewerken en bewonen. De meester vat de wereld en wat erin is op als datgene wat om zorg vraagt.

Olivier draagt zorg voor het hout, een docent Nederlands draagt zorg voor de taal en bij Wiskunde voor het rekenen.

Zorgdragen voor omvat de aspecten respect, overgave en passie en komt samen in de liefde voor het vak.

In deze eerste dimensie is de meester iemand die op bepaalde wijze bezig is met zichzelf en zijn leven, het ligt nooit vast. Er is sprake van een zoeken, een bezig zijn en het is niet allemaal eender. Het betreft de zorg voor de wereld.

De tweede dimensie is de relatie tot het zelf die in het teken staat van meditatie, meesterschap, oefeningen, belichaamd weten en perfectie.

Voor de meester staat zelfbetrokkenheid of reflexiviteit niet in het teken van kennis. Foucault onderscheidt drie vormen van reflexiviteit: herinnering (Plato), meditatie en methode (Descartes).

Bij herinnering is het verleden de drager van de waarheid. In de methode gaat de moderne onderzoeker aan de slag, hij wil neutraal zijn en objectief. Bij de meester gaat het om de meditatie en niet de methode of de herinnering (blz. 29).

Meditatie moet gezien worden in de context van de Griekse oudheid, waarin meditatie ‘ascese’ is, een levenslange oefening waarin men nagaat (of test, aftoetst) of wat men denkt en wat men doet in overeenstemming zijn, en waarin men poogt zichzelf zodanig te transformeren dat die overeenstemming er is.

Het gaat niet om diepe zieleroerselen of verborgen verlangens, maar al denkend aftoetsen of wat men doet wel in overeenstemming is met de waarheid die men voorop stelt of de ideeën die men heeft.

Het zelf hoeft niet gekend, ontdekt, bevrijd, ontcijferd te worden, maar ligt aan het handelen ten grondslag en heeft voortdurende zorg nodig.

Men moet wel nagaan in hoeverre denken en doen in overeenstemming zijn. Deze zelfkennis staat ten dienste van het zorgen voor zichzelf.

Het meesterschap van iemand toont zich in de mate dat iemand aanwezig is bij wat hij doet en dat iemand in dat wat hij doet en zegt ook toont wie hij is of waar hij voor staat.

Een aandachtige en geconcentreerde manier van houtbewerken toont meesterschap.

Voor de meester staat er steeds iets op het spel. Het kost moeite en vraagt inspanning om bij de zaak aanwezig te zijn. Hij worstelt met zichzelf en zoekt. Foucault merkt in dezen op dat de Grieken wat dit betreft steeds verwijzen naar de figuur van de atleet die aan zijn conditie werkt. Meesterschap impliceert oefening en voorbereiding. Denk aan het aftoetsen wat men denkt en doet, het bijhouden van een dagboek, het memoriseren van teksten, het declameren van teksten, het aandachtig luisteren etc. (bijv. de leraar die voor hij de les in gaat leest, niet over de les, maar om aandachtig te worden en zich te concentreren, of een die een lesvoorbereiding uitschrijft niet om exact uit te voeren, maar om zich te prepareren, niet om te plannen of zich in te dekken). De voorbereiding betreft respect voor de zaken waar hij mee bezig is.

Nogmaals het gaat niet om prestatie, maar om een gevoeligheid, aandacht en concentratie voor het vak. Hetgeen ons brengt bij twee andere elementen die centraal staan in de relatie tot het zelf: belichaamd weten en perfectie.

In meesterschap is kennis iets wat belichaamd wordt, het staat niet buiten de persoon. Bijv. het toont zich bij de houtbewerker in zijn handen, zijn lichaam en de blik (ik denk aan mijn Opa die organist was en vaak naar zijn handen keek en daarbij zijn vingers voor het lenig worden oefende, zijn gezicht toewendde en zo zichtbaar muziek tot zich nam en zijn lijf dat zichtbaar innerlijk bewogen was. Zijn houding was naar de klanken van de muziek gericht) Zo iemand kan niet op de ‘automatische piloot’, routineus handelen of zijn lesje opzeggen en gaat dus ook nooit helemaal op in datgene waar hij mee bezig is. Op blz. 31 onderaan wordt beschreven hoe het niet gaat om effectiviteit, efficiëntie en performativiteit (met minder meer bereiken). In meesterschap gaat het om perfectie, niet in de zin van het correcte. Perfectie is geen toestand, maar heeft te maken met juistheid van woorden en gepaste daden.

Juistheid hangt af van de aard van de situatie. In het stellen van het juiste gebaar of het uitspreken van de juiste woorden brengt de meester ook steeds zijn denken, handelen in overeenstemming. En de meester kan dit omdat hij niet samenvalt met de zaak en met zichzelf en dezen ook niet vastliggen. Er kan en moet dus steeds iets vastgesteld worden. In de film is er de juistheid van Olivier die zijn leerlingen af en toe terecht wijst en ook de juistheid van zorgvuldige woorden en gebaren.

Perfectionisme verwijst hier niet naar een ziekelijke ingesteldheid, maar naar een levenslange bezigheid, met als doel die houding of conditie te verwerven die het mogelijk maakt ‘het juiste’ te doen en te zeggen.

Voor de ‘deskundige’ is de meester een overdreven perfectionist. Voor de meester is de ‘deskundige’ iemand zonder beroepseer, die een onverschillige relatie heeft met dat waar hij mee bezig is.

De oneigentijdse meester-als-leerkracht

De eerste twee dimensies zijn de wereld en het zelf. De derde dimensie is de relatie tot de ander, of de relatie tot de leerling. Voor de meester staat het vak centraal en de relatie tot de leerling is daar een afgeleide van. Pagina 33 vermeldt: ‘het pedagogische is de schitterende schaduwzijde van het meesterschap.’

Wie eerst voor zichzelf heeft leren zorgen, kan voor anderen zorgen. Iemand met meesterschap offert zich niet op voor anderen.

Meesterschap is niet egoïstisch en heeft betrekking op de relatie tot de wereld (een overgave aan iets in de wereld), zorg voor de wereld en voor zichzelf. Hierdoor nodigt de meester mensen uit om zorg te dragen voor zichzelf.

Dit heeft tot gevolg dat Oliviers’ leerlingen, gezellen worden, in een houding geplaatst  waarin ze kunnen en willen ‘leren’. Dit sluit aan bij de gedachte van Hannah Arendt: ‘enkel mensen die verantwoordelijkheid voor de wereld opnemen mogen zich inlaten met opvoeding en onderwijs’. Anders worden jongeren beroofd van de mogelijkheid of het ‘vermogen’ de wereld te vernieuwen (zie blz. 33 onderaan). De leerling wil een meester die niet alleen in de leerling, maar ook zelf in iets geïnteresseerd is en daardoor interesse kan opwekken.

De begrippen gezag, uitnodiging en toetssteen maken het mogelijk de relatie tot de leerling die uit het meesterschap voortvloeit specifieker te beschrijven.

Meesterschap als belichaming van het vak, als presentatie van de wereld ipv representatie zoals bij de deskundige leerkracht, is op zichzelf niet overdraagbaar en ‘de liefde voor het vak’ niet aan te leren. Je kunt leerlingen wel laten oefenen en zich laten voorbereiden. Het gaat niet om leren als ‘overdracht’, maar ook niet dat alles uit de leerling zelf moet komen. Zie alinea 2 bladzijde 34. De leraar grijpt wel in, want hij kan niet verhullen en zal het ondanks zichzelf tonen. Dit gezag is niet gebaseerd op kennis of deskundigheid, maar op een vorm van overgave van de meester zelf en het weten wat hij belichaamt.

In de gezagsrelatie tussen de meester-als-leerkracht en de leerling komen twee zaken samen: de uitnodiging zich in te laten met de zaak (en voor zichzelf en de wereld te leren zorgen), het aanbieden van een voortdurende toetssteen (wat betreft perfectionisme in de zaak zoals houtbewerking, taal, wiskunde). En de oproep dit met liefde en meesterschap te doen.

Het roept een vrij klassiek pedagogische setting in het leven: hij nodigt leerlingen uit met teksten, houtbewerking, formules, romans bezig te zijn. Hij stelt iets ter beschikking met de uitnodiging gevoelig te worden voor de aard van de zaak. Socrates vertelde anderen niet hoe het te doen, maar leefde het voor.

De aanvaarding

Aanvaarding verwijst naar overgave aan werkelijkheid. Het willen weten, willen veranderen, willen ontwerpen, willen zoeken en willen vinden (eigen voor de houding van deskundigheid) op te geven en zorgend aanwezig te zijn voor wat is. Deze aanvaarding is een ingesteldheid waar aan gewerkt moet worden. In de film Le Fils wordt dit getoond. Olivier heeft een perfectionistische houding in houtbewerking. Hij is vakleraar met meesterschap, hij geeft zich aan de aard van de zaak over, zonder zich erin te verliezen. In de film overwint het meesterschap op wraak of woede. Dit impliceert ook aanvaarding van de ‘toekomst’ of van het nieuwe. Hij creëert een pedagogische schaduwruimte waarin Francis kan proberen te zorgen voor zichzelf en zichzelf kan voorbereiden op de toekomst.

In plaats van barmhartigheid of beloftes en schuldbekentenis blijft Olivier handelen vanuit meesterschap, vanuit wat hij graag lijkt te doen.

 

Niet de grootse leerkracht die het bestaande wil veranderen met het oog op (en in naam van) een gedroomde toekomst (of het herbeleven van een gedroomd verleden), maar de leerkracht van het kleine moment en zijn kleine ‘vak’domein die zichzelf in zijn relatie tot het bestaande wil perfectioneren.

Zie op bladzijde 37 voor uitwijding van beschrijving. Het gaat eigenlijk om het moment waarop leerkracht en leerling, opgenomen in het meesterlijke moment van de les, even de tijd uit het oog verliezen.

De lichtheid van het opvoeden [2]

Notities en aantekeningen bij het lezen

Inleiding

Het boek wil een handboek zijn.

De film Le Fils (de zoon) had ook de volgende titels kunnen hebben: Vivre (Leven), ‘L épeuvre (De beproeving) of Le Père (De vader).

De film daagt ons eigen denken uit en vraagt of wij ons ermee willen inlaten, het willen bestuderen en onze eigen verhouding ertoe op de kaart willen zetten.

De film toont ons iets, zet ons aan in ons denken over wat het betekent opvoeder te zijn, wat opvoeden is, vormt onszelf mee.

Het boek wil een inzet van opvoeden uit de schaduw halen van de pedagogische actualiteit en in dit boek onder woorden brengen.

Het boek laat een verhouding tussen generaties zien. Het toont bekende pedagogische situaties: re-integratie of heropvoeding, het leren van een vak, de betekenis van het vaderschap.

Op bladzijde tien van het boek, staat in het midden dat de film geen einde kent, geen afsluiting en geen doel. Dat sluit aan bij mijn eigen overgrootvaders’ ideeën en de cirkel van het leven.

De film is een mirakelfilm, omdat de werkelijkheid in een nieuw licht verschijnt, men geïnspireerd wordt, waardoor nieuw leven wordt ingeblazen en er toekomst is.

De zwaartekracht heeft niet het laatste woord. Het verlangen naar wraak en de zwaarte van daden uit het verleden kunnen opgeheven worden.

De lichtheid van het opvoeden heeft te maken met het verlichten van de werkelijkheid en van de zwaartekracht van gebruiken, wetten en condities en met het verlichten van de geest (het inspireren, begeesteren).

Bladzijde elf meldt dat de lichtheid ook nog naar iets anders verwijst. Een nieuw begin wordt niet bepaald door heldhaftige ingrepen, door grootse opoffering voor de andere of door met goede bedoelingen geplande deskundige interventies.

De hoofdrolspeler is in zijn handelen erg gewoon. De lichtheid is dus ook gewoon, banaal en triviaal en anderzijds door ‘ethos’ bepaald.

Ethos vanuit een manier van in de werkelijkheid aanwezig zijn, van bestaan, een wijze van handelen, een levenshouding.

De acteur levert zich over aan de camera en stelt zo iets aan het licht (wordt waarheid).

= = =

Een handboek is volgens van Dale een beknopte verhandeling waaruit men de beginselen van een kunst kan leren.

De schrijvers zien het als een voorbereidingsboek wat helpt juist te kunnen handelen.

Wat niet hetzelfde is als ‘deskundig’ handelen, maar gaat om handelen wat zich inlaat met de situatie, dat recht doet aan de situatie en de zaak en in die zin ‘gepast’ is, zonder dat we weten wat gepast of ongepast is.

Dat moet in iedere situatie opnieuw uitgevonden worden. Denk aan troosten. Aanwezig zijn bij de dingen is het kenmerk van juist handelen.

Het boek bevat geen theoretisch kader, geen methoden of kennis om te kunnen oordelen over de situatie. De oefeningen kunnen wel helpen de levenshouding van aanwezig-zijn en recht-doen-aan-de-situatie te oefenen.

Oefeningen in kijken, lezen en denken om ethos te vormen. Dit vraagt werk, studie en inspanning.

Het boek bevat geestelijke oefeningen die kenmerkend waren voor filosofie in de oudheid.

Het ethos doet denken aan ascese. De oefeningen voor het kijken, lezen en denken staan in dat licht. Een manier van bestaan en concreet handelen krijgt daardoor vorm. Epictetus, een stoïcijnse filosoof zegt dat filosofie voorbereidend is op handelen.

Daardoor raak je toegerust om gepast op concrete situaties te reageren, bij de zaak te blijven en aanwezig te zijn. Het zijn oefeningen waardoor wat de film toont in het licht gesteld wordt en in werkelijkheid kan werken.

Dat wil zeggen, dat ze betekenis krijgen voor wie wij zijn en hoe wij ons verhouden tot de wereld en de anderen. Er wordt zich een waarheid eigen gemaakt. Hetgeen leidt tot het verbindend worden in doen en laten.

= = =

Het woord gezag komt van zeggen. De film heeft bij de oefeningen gezag en reveleert iets, openbaart ons iets. Het griekse woord voor openbaarheid niet-verborgen-zijn is alèthea.

Wat openbaart of zegt de film ons?

Hiervoor is een bepaalde inspanning nodig en een moeten we ons een bepaalde discipline opleggen.

Meestal interpreteren we en beoordelen we in plaats van te kijken. We vertrekken dan vanuit een bepaalde visie (opvatting) en definitie (concept). We hebben dan al een mening over het thema klaar.

= = =

Als we vooropgesteld kijken, dan toetsen we een film direct aan onze eigen mening.  Het betekent onze eigen begrippen aanwenden, zien wat we denken. Het zien wordt direct een oordelen, ‘dit is goed of slecht, dat kan beter’ en het gaat uit van een zien op basis van onze mening, die de juiste is.

De schrijvers willen het anders. Namelijk zien vanuit het aandachtig zijn bij de zaak. Daardoor krijgt de film gezag in plaats van dat het gezag ligt bij onze eigen mening en begrippen.

In de kijkoefening gaat het erom zo klaar en helder mogelijk uit te drukken wat er te zien is en wat er gezegd wordt. Aanwijzingen voor het kijken zijn dan bedoeld om de waarheid van de film te vernemen, dat zich iets toont en ons iets gezegd wordt.

Kijkaanwijzingen
–       Kijk zonder specifieke verwachtingen (heb ik er iets aan, levert het iets op, leer ik er iets van)
–       Wees bereid het ongewone en bevreemdende te aanvaarden, zonder meteen te zoeken naar uitleg of verklaring
–       Schort de neiging om te beoordelen op en de vaak impliciete en expliciete verwachting dat men over alles een mening moet hebben (blijf bij de zaak)
–       De vragen reeds beschreven dienen om bij de zaak te blijven en kunnen tijdens de film meegenomen worden, of voor achteraf met anderen te bespreken
–       De vragen betreffen beschrijvingen en precieze weergaves van wat er gezegd wordt
–       Je kunt daar nog aan toe voegen: Waar staat de camera, hoe beweegt die?
–       Dit kan ons helpen na te denken over wat we zien in plaats van te zien wat we denken

Leesoefeningen
–       De teksten van het boek vormen het materiaal
–       De schrijvers proberen zich na het kijken met het schrijven erover uit te spreken
–       Verneem en articuleer helder en klaar
–       De kijk- en leesoefeningen zijn in een bepaald opzicht luisteroefeningen
–       Wat wordt er gezegd, wat valt er te lezen, wat valt er te zien?
–       Wat verneem je?
–       Laat het zelf zwijgen
–       Schuif je eigen mening, verwachting en oordeel op
–       Niet meteen iets willen tegenwerpen, niet meteen een eigen opinie willen inbrengen
–       In ‘doe’oefeningen is het vormende gesitueerd
–       De oefeningen zelf zijn praktijken waarin men werkt aan een bepaalde (ver)houding tot de wereld (beelden, woorden, zaken) en tot de andere, een houding waarin men zich met die wereld en die ander inlaat
–       Kijken en lezen bieden het materiaal om te denken, ze geven woorden, zinnen, beweringen, uitspraken, beelden, gebaren die overdacht moeten worden

Het denken zelf is een oefening die van groot belang is in de omzetting van een (vernomen) waarheid in een ethos of levenshouding.

Het is een oefening waarin we wat we zagen ons herinneren (de denkoefening als geheugenoefening) en dat we het onderzoeken (het geziene wordt stof tot nadenken). Het gaat dan om de relatie ervan tot de eigen manier van leven en de eigen gedachten.

Men onderzoekt dan of het de eigen wereld en manier van leven verandert. Het denken is dan een vorm van aandacht voor zichzelf waarin men zijn eigen gedachten en overtuigingen in het spel brengt, bereid is ze te beproeven in relatie tot de waarheid die men verneemt.

((( Ik heb moeite met het woord waarheid, ik denk maar steeds dat dat subjectief is en dus te beinvloedbaar. Maar het is ook zo, dat er in het leven meerdere waarheden bestaan en ja, dan klopt het ook nog, dat waarheid subjectief is en ik leer dan dat ik de wijsheid niet in mijn eentje in pacht heb. De moeite die ik er mee heb is precies dat wat de oefeningen van me vraagt. Zonder op voorhand sputteren iets tot me nemen en pas later denken. Daar schuilt ook een gevaar in. Namelijk al meegenomen zijn, door iets wat mogelijk schadelijk kan zijn. Er wordt mij gevraagd mijn voelsprieten uit te zetten. Ik moet hier nog maar eens wat vaker over nadenken. Want ik ben er nog niet uit.)))

De schrijvers hebben hun eigen denken en doen op de proef gezet in plaats van dat van de film. De teksten in het boek proberen denkmateriaal en oefenstof aan te reiken. Ze schrijven niet voor, wat je moet denken of waar je je aan moet houden! (((zie mijn eerdere huivering)))

De eenheid van de materialen in het boek, ligt niet in een totaal of systematische theorie, maar in een geheel van bewegingen die hun motief vinden in de film en voeling trachten te houden met de inzet ervan. Resultante van een gezamenlijke inspanning. Er wordt verwezen en in het algemeen naar ‘Grondslagen van de wetenschappelijke pedagogiek’.

Centraal staat de vraag wie wij vandaag zijn ‘l’homme que nous sommes, de mens die we zijn’. Dat is de vraag die de opvoeder zichzelf stelt. Zo maakt hij plaats voor de nieuwen en vreemden, die kinderen uiteindelijk zijn, en kan een nieuw begin (van de wereld) letterlijk zijn plaats vinden.

De lichtheid van het opvoeden [1]

Jan Masschelein (red.)
De lichtheid van het opvoeden
Een oefening in kijken, lezen en denken

Kleine gebruiksaanwijzing

Het boek is een handboek en als dusdanig een middel.
Start met het bekijken van de film Le Fils.
Le Fils is een film over opvoeding, maar geen gewone film en vraagt een bereidheid het (be)vreemde(nde) ervan uit te houden.
De film vertelt niet zozeer een verhaal, maar toont iets. Houdt de aandacht bij wat er te zien is en wat er gezegd wordt. Zoek niet te veel naar een verklaring.

Eenvoudige opdrachten kunnen behulpzaam zijn:
– Wat doen de hoofdrolspelers Olivier en Francis?
– Wat zeggen ze?
– Wat zijn de precieze gebaren, de letterlijke woorden, de concrete
handelingen?
– Waar doen/zeggen ze dat?
– Wanneer?
– Wat doen/zeggen ze niet?
– Wat is in de film:
+ voorbereiden
+ meten
+ materiaal aanbieden
+ een leerling (op)volgen
+ observeren
+ spreken
+ werken
+ denken
– Wanneer zien we dat en wat zien we dan precies?

Wees hierbij zo letterlijk mogelijk en blijf bij wat er te zien is en wat er gezegd wordt.

Maak de opdracht individueel en schriftelijk.

Dit vormt dan het materiaal waarnaar, bij een verdere bespreking van de film en studie van dit boek, steeds kan en moet worden teruggegrepen. Dit om het denken en de discussie bij de zaak te houden en zo betrokken en concreet mogelijk te laten zijn.