De ontdekking van het langzame leven [3]

Tweede Deel: John Franklin leert zijn beroep

6. Naar Kaap de Goede Hoop

Na de zeeslag en het om het leven brengen van de Deen staat John er vaak verloren bij en is hij nog langzamer dan hij al was. Het schip waarop hij voer heette nu de Investigator. Eén van de geschutsmeesters kon de naam van ontdekker niet meer horen, zonder aan het bloedvergieten te denken. De investigator was een oorlogsschip. Maar de kapitein en oom van John, Matthew zei: ‘wij zijn onderzoekers.’

John wilde een man zijn als ieder ander en luisterde daarom goed bij gesprekken over vrouwen. Hij keek de kunst af en stelde praktische vragen over het wanneer en hoe. John deed zijn eerste ervaringen op.

De investigator had inmiddels haar papieren en zou buiten de wateren van Europa gaan varen, waar het alleen zou gaan om verkenningen en goede kaarten.

John’s dromen over de oorlog werden minder. Er was veel werk op het schip en dat hielp.

John kreeg navigatielessen en maakte kennis met het hemelruim, de sextant, de chronometer (tijdbewaker), het kompas, land- en zeekaarten. John keek het liefst toe als de snelheid werd gemeten met de loglijn en de zandloper.

‘Zoals altijd wanneer John over iets een eigen gedachte had, die door anderen wellicht niet werd gedeeld, voelde hij bezorgdheid in zich opkomen’.

Over snel en juist handelen.
Wie gevaar wilde onderkennen moest eerst goed kijken. Maar bij het handelen had je nodig wat je jezelf had aangeleerd, blindheid.
In plaats van te opperen dat er mogelijk iets aan de hand is, had hij een bevel moeten roepen; dat wat gedaan moest worden om de boel te redden.
John kwam tot de overtuiging dat hij ook alles moest instuderen wat niet te voorzien was.

John wist dat er heel langzaam iets nieuws begon. Niet lang meer, en hij was op en top zeeman.

7. Terra Australis

Niets aan boord was onbelangrijk, naar iedereen werd geluisterd. Dat alles gaf John het gevoel helemaal niet meer zo langzaam te zijn als maanden geleden.

Denis Lacy was de nieuwe midshipman. Een kerel die veel over zichzelf sprak, omdat hij vond dat de anderen moesten weten wie ze voorhadden.

John zegt tegen Matthew: ‘Ik geloof dat ik altijd daar zou willen zijn waar het niet om lichamen gaat, of wanneer wel, dan vol respect.’ Matthew wist wat John bedoelde. ‘Waar wij terechtkomen, daar kun je een oorlog nog in de kiem smoren.’

De nieuwe kwelgeest werd Denis Lacy. Lacy werd ongeduldig van John. Lacy viel iedereen in de rede, sprong om de haverklap op, wilde de snelste zijn en dat laten zien. Iedereen voelde zich een schildpad vergeleken met Lacy.

Matthew geeft instructies de inboorlingen van Terra Australis te respecteren. Het is aftasten en John maakt daarbij een schrandere opmerking. Dat de inboorlingen weten dat wij hen niet verstaan en dat ze daarom opzettelijk onzin uitkramen en daarom lachen.

Iedereen die John nog niet goed kende, wilde hem overbluffen.

John zat het liefst in de voortop. Riffen kon hij tijdig zien en horen, want hij deed of dacht nooit twee dingen tegelijk. Belangrijk hierbij was dat iemand niet van verveling met zijn gedachten afdwaalde of zelfs wegdroomde.

De wereld kon, net als op een schip, mooi zijn, als iedereen maar iets deed waar de anderen iets aan hadden.

De ‘Investigator’ was een schip voor onderzoekers en niet voor veroveraars. In Kopenhagen was er gevochten, toen had John angst en paniek ervaren. Nu was hij bij geschut niet meer bij voorbaat bang. Hij zou na nauwkeurige observatie en logisch denken het verstandigst doen.

8. De lange thuisreis

Omdat John zo langzaam is verliest hij nooit tijd en wist hij wanhopigen te overtuigen dat er voldoende tijd was.

Alles wat John aan de wal zag stond ten dienste van de handel. Zonder geduld was de handel geen handel en waren kooplieden slechts rovers.

John was een vragensteller, maar wist ook goed dat je het lang niet altijd met de antwoorden eens kon zijn. Behalve met een bevreemdend antwoord zat je dan ook nog met een gevoel van onvrede.

Dennis Lacy was neergestort van de grootbraam op het dek. Waarom leefde de snelste man van het schip niet meer en de langzaamste wel?

John besluit kapitein te worden, daarom wil hij liever zoveel mogelijk willen kennen.

De ontdekking van het langzame leven [2]

4. De reis naar Lissabon

Nu was hij op een schip, midden op zee! John had het naar zijn zin. Misschien was dat hier reeds de hele vrijheid. Over vrijheid had hij nagedacht: je was vrij als je de anderen niet van tevoren hoefde te zeggen wat je van plan was. Of als je het verzweeg. Half vrij: als je het ruim te voren moest aankondigen. Slavernij: als de anderen je voorspelden wat je zou doen.

John wilde midshipman worden, dat werd je alleen via relaties. Zonder dr. Orme zou hij nog thuis zitten en niet op zee uitkijken. Dr. Orme had zich voor Johns bijzondere geval geïnteresseerd, uit nieuwsgierigheid en zonder greintje medelijden. Hij had Johns ogen, oren, zijn begrijpen en onthouden onderzocht. Bij dr. Orme voelde John zich veilig, die interesseerde zich niet voor leerlingen, als hij dat wel deed, dan stond dat ergens voor. Hij zei nooit wat hij dacht en als hem iets te binnenschoot, dan lachte hij alleen maar.

Zijn vader hoopte dat hij overboord zou spoelen. Zijn moeder wilde dat alles hem lukte, maar mocht dat alleen niet zeggen.

John kreeg last van zeeziekte, hij probeert sommen te maken om het niet te hoeven voelen, het helpt niet erg. Wat heb ik eraan dat ik de positie van een schip kan bepalen, maar niet tegen zijn bewegingen kan?!

Tijdens storm zocht een ieder van het schip, op precies de juist gekozen momenten nieuw houvast.

John leerde een nieuwe kameraad kennen, een Hollander. Deze wist dat zijn toehoorder alles begreep als hij pauzes kreeg.

John leert Gwendolyn kennen, zij spreekt gejaagd. John wist na een gesprek met haar, dat hij te lang had nagedacht. Dat was de storende uitwerking van de echo. Hij stond te lang stil bij de door hem gehoorde of bij zijn eigen woorden.

Denken is goed, maar niet zo lang tot het aanbod aan iemand anders wordt gedaan. John moest proberen de juiste tijdstippen, even als de bal, op te vangen. Dit door tijdig de strakke blik toe te passen, want dan was zijn grijpbeweging al begonnen alvorens de gelegenheid zich voor deed. Een kwestie van oefening.

Ieder schip had een topsnelheid, waar het ook bij de meest gunstige wind, niet bovenuit kwam. John bekeek het werk op het schip heel nauwkeurig. Hij liet zich ook bijbrengen hoe je knopen moest leggen. Bij het oefenen ging het om snelheid, maar bij het echte werk, om hoe goed de knoop zich hield. John leerde alle zeilmanoeuvres uit het hoofd. Als hem de gek werd aangestoken, besloot hij, dat hij over zulke opmerkingen niet na hoefde te denken.

5.   Kopenhagen 1801

Johns ogen en oren houden iedere indruk merkwaardig lang vast had dr. Orme gezegd en dat hij zo slecht van begrip en traag leek, was niets anders dan een overgrote zorgvuldigheid van zijn hersenen ten op zichte van alle mogelijke details. Zijn grote geduld….

John kent geen zelfmedelijden. ’s Nachts herhaalde John de al te snelle gebeurtenissen van overdag in zijn eigen tempo. Hij prentte zich ook alle vragen in die tot dusver niet waren beantwoord. Het ging erom ze precies op het juiste moment te stellen en daarom moest je ze goed in je hoofd hebben. Hij moest ook de vragen die aan hem gesteld konden worden direct herkennen.

Hele vloten van woorden had hij van buiten geleerd en batterijen van antwoorden, om zich te wapenen. Zowel wanneer hij iets zei als wanneer hij iets deed, moest hij op alles wat komen ging al zijn voorbereid. Wanneer hij het eerst nog moest begrijpen – dat duurde te lang. Alleen zo bleef de aanmerking van de ander uit en ging het antwoord door.

John speelde het zo klaar! Een schip, door de zee begrensd, was te leren.

Als John verklaringen gaf, had dat meestal tot gevolg dat er bevelen kwamen. Bijvoorbeeld dat snelle bewegingen tot een streep werden leidde tot het in de top van de mast moeten klimmen om de streep van het landschap te bestuderen.

John was tevreden. Geestelijke discipline maakte zijn langzame tempo goed.

John had zich aangeleerd alle vragen die met hoge toon eindigden af te doen met de automatische repliek ‘natuurlijk niet’. Iets waarmee de steller van de vraag zich onmiddellijk tevreden gaf.

John had nu het gevoel dat hij de dingen kon bijhouden, omdat hij van te voren wist wat er komen kon.

John kon snelle bewegingen en geluiden negeren en zich daardoor tot veranderingen richten die vanwege hun kalme tempo voor anderen nauwelijks nog waarneembaar waren.

Als midshipman moest je je als gentleman gedragen had zijn neef gezegd.
Tijdens een zeeslag probeerde John dit principe ook toe te passen. Echter hij doodde door zijn langzaamheid iemand anders, door deze met een wurggreep om het leven te brengen. John wil daarna zelf niet meer leven, maar wordt van de verdrinkingsdood gered. John geeft aan dat hij bij plotselinge veranderingen ongelukkig wordt en in verwarring raakt. Langzaam zijn kan dodelijk zijn. Hier heeft John het moeilijk mee. Dr. Orme helpt hem verder en zegt: ‘Je houdt toch van de zee, dat hoeft niet altijd met oorlog te maken te hebben.’ John zegt: ‘Met de oorlog, daar heb ik me vergist.’

De ontdekking van het langzame leven [1]

De ontdekking van het langzame leven – Sten Nadolny (uitgave Manteau)

Eerste deel – John Franklins jeugd

1. Het dorp
John Franklin was al tien jaar oud en kon nog steeds geen bal vangen. Hij kon het spel niet volgen. Wel kon hij een touw vasthouden en dat uren volhouden. John liet niet los. Tom Barker was zijn tegenpool: snel, die zag alles in één seconde en bewoog zich zonder ooit te blijven steken, foutloos. Sherard was klein van stuk, vijf jaar oud en zijn vriend. Sherar zei altijd ‘ik moet opletten als adelaar’.
John lette op afstanden en hoe verder de dingen weg, hoe meer de dingen verschenen en verdwenen in een plechtig en rustgevend ritme. De verste bergen waren als John, ze stonden gewoon te kijken.
Van spelen snapte John niets. Alles ging te snel, zowel het spel, als het praten van de anderen, als de drukte buiten op het plein. Eén van de ooms van de stenen ridder van de kerk van Spilsby, het dorp waar john woont, was varensgezel geweest. Hij had het noordelijkste deel van de aarde ontdekt, zo ver weg dat de zon er niet onderging en de tijd er niet verstreek.
De grafstenen konden ook zien. Ze namen bewegingen waar die voor het menselijke oog te geleidelijk waren; de dans van de wolken bij windstilte, het omzwenken van de torenschaduw van west naar oost, de bewegingen van de bloemhoofdjes naar de zon, zelfs het groeien van het gras. De kerk was de plaats van John Franklin, alleen was daar niet veel te doen. De moeder van John heette Hannah en was in heinde en verre de langzaamste moeder.
Zijn tante Ann Chapel loopt met Matthew, de zeeman. Hij droeg een kokarde aan zijn pet, zoals alle marineofficieren wanneer ze aan wal waren. John werd geroepen met ‘Hé, slome’ en was weer eens aan het dagdromen geweest. Kinderen reageerden voor John zo snel, dat hij steeds stukken tijd kwijt was. Hij werd ook afgeleid bijvoorbeeld door wat aan vegen voor zijn oog voorbij kwam, zoals slijm. Het schuiven voor zijn oog hield hem bezig. Hij kon de regel erachter niet ontdekken. John was geinteresseerd in regels, methoden, systemen en hulpmiddelen. Omdat zijn vader poogde hem te veranderen had hij bedacht de snelheid te gaan bestuderen. Hij zou echter willen zijn als de zon die haar baan beschreef. Haar stralen zijn even snel als het oog.

2. Een jongen van tien en de kust
John zijn ogen lieten zich niet opjagen. John wist dat hij er vreemd uitzag als hij iets haastigs deed. Dit alleen al vanwege zijn wijd opengesperde ogen. Als hij zich bewoog hing zijn tong in zijn mondhoek, het voorhoofd gespannen, de adem hijgend en de anderen zeiden: ‘Hij is weer aan het spellen!’ Zijn vader had die uitdrukking ingevoerd. Hij keek te langzaam. Blind zou het er beter uit zien. John kreeg een idee. Er was een olm en die leerde hij van buiten, iedere tak, iedere handgreep van onder af aan. Hij deed het ook met een kous om zijn hoofd. De methode was goed, maar gevaarlijk. Zijn mond telde terwijl hij bewoog en John nam zich voor zo snel te worden, dat zijn mond het tellen niet bij kon houden.
Daarbij wilde hij zich listig van de domme houden, alsof er niets was veranderd. En dan zou er een publiek optreden volgen over dat John Franklin de snelste man van de wereld was. Hij kon dan de snelste spreker volgen, de snelste zinswendingen en snel antwoorden. John leerde de takken van de olm uit zijn hoofd, en nog eens en nog eens.
Daarna oefende hij het balspel. Dat ging niet zo goed. Wel nam hij totaal andere besluiten. Hij bedacht het hulpmiddel van de strakke blik. Hij keek niet naar de bal, maar hield zijn ogen gericht op een bepaalde plaats. Hij wist dat hij de bal niet zou vangen als hij hem volgde, maar alleen als hij hem opwachtte.
Dat moeder Hannah bijna net zo liep en praatte als John en ook niet woedend kon worden, maakte de vijandelijke partij brutaal.
De strakke blik was ook geschikt om na te denken. Hij overzag zo alles, zonder dat zijn oog op en neer wipte of hem opjoeg. John begaf zich liever onder vreemde mensen, die misschien wel net zo waren als hijzelf.
John wilde het snelle leven beter leren kennen èn graag de zee zien!
Hij had zijn plannen goed uitgedacht en liep weg. Hij had zich nog nooit zo blij gevoeld en stond nu helemaal op zichzelf. John zocht een plaats waar niemand hem te langzaam vond. Die kon echter nog wel ver weg zijn.
Als stuurman was hij misschien bruikbaar, maar anderen moesten hem dan ook nog vertrouwen. Toen ze maanden geleden de weg waren kwijt geraakt wist John waar ze waren. Hij had de geleidelijke veranderingen van de zon gadegeslagen en wist hoe ze terug konde. De anderen wilden niet, want zij namen haastige beslissingen, die ze even zo haastig weer herriepen.

De zee was zijn vriend dat voelde hij, ook al zag de zee er niet altijd even vriendelijk uit. Hoe kwam hij op een schip? John liep langs de kade en keek. Hij zag een fregat. Dat is een oorlogsschip. John wilde op weg naar vreemde werelddelen. Hij zou de snelheid bestuderen en snel leren zijn. Toen zijn vader hem terughaalde van het weglopen wilde John niets meer leren en zich ten dode toe verlangzamen. Hij werd ziek en ziekte was geen slechte methode om het overzicht terug te krijgen. Er kwamen bezoekers aan zijn bed. Uiteindelijk kwam Matthew de zeeman. Zijn moeder was vrijwel voortdurend aanwezig.  Zwijgend en onhandig, maar nooit hulpeloos en altijd kalm. Iedereen was haar de baas en toch hadden ze haar nodig. De ziekte beschermde John en hielp hem bestuderen wat er verder allemaal nog kwam. Van zijn tante Eliza leerde hij dat bij een al te snel gepraat de inhoud veelal even overbodig was als de snelheid. Matthew echter sprak verstandig en lastte pauzes in. Hij beweerde volstrekt niet dat op zee alles heel snel moest gaan. Hij zij alleen: ‘Op een schip moet je kunnen klimmen en veel uit je hoofd leren.’ De blik van Matthew was scherp en zeker, het was altijd duidelijk waarheen hij keek en wat hem werkelijk interesseerde. Matthew wilde van John een heleboel horen en wachtte geduldig tot de antwoorden klaar waren en hem over de lippen kwamen.

Als iemand enig verstand van de zee had, dan heette dat navigatie. Het betekende: sterren, instrumenten en zorgvuldige overwegingen.  Dat beviel John en hij zei: ‘Ik zou graag zeilen willen hijsen.’

Matthew gaat met de Terra australis reizen en blijft twee jaar weg. Hij drukt John op het hart dat hij ook zeeman kan worden. Maar omdat hij wat neigt tot nadenken moet hij officier worden, anders krijgt hij het zwaar te verduren. Hij zou raadt hem aan op school het uit te houden, zal hem boeken sturen over navigatie en later als midshipman (officer cadet) op zijn schip in dienst nemen. Toen John dit hoorde wilde hij meteen weer sneller worden. Na zijn weglopen naar de zee, was John ziek geworden en wat gedeprimeerd. Dat was nu met dit nieuwe perspectief verleden tijd.

3. Dr. Orme

Alle knopen zijn verkeerd geknoopt, er wordt driftig geoefend. John is ervan overtuigd dat je op iedere plek van de wereld iets voor het leven kon leren, dus ook op school.

Leren in het onderwijs. Als John te haastig antwoordde, begon hij te stotteren en te hakkelen, dat stoorde de toehoorders. Maar dr. Orme had gezegd: ‘Wie het juiste antwoord geeft, hoeft er daarbij niet goed uit te zien!’

Leren in je vrije tijd ’s avonds. John had zijn klimboom, hij las en oefende iets, bijvoorbeeld met een mes handig worden of schrijven. Op school was het moeilijk een ander te worden. Ze kenden zijn zwakke plek, niemand geloofde in zijn oefeningen en iedereen was er slechts van overtuigd dat hij altijd zo zou blijven als hij was.

Met andere scholieren leren omgaan. Ook op een schip zou hij met heel wat mensen te maken hebben, en als te velen hem niet mochten, werd het wel moeilijk. Men merkte het gelijk als iemand achterbleef. Het ongeduld van anderen verdragen. De meesten keken hem met één oog aan, het andere zei: ‘Je verveelt ons, zet er eens een punt achter.’ Tom Barker was de zwaarste dobber, bij hem kon je het op geen enkele wijze goed doen.

Toch kon niets John ellendig maken, zijn hoop was die van een reus. Aan hindernissen die hij niet kon overwinnen zag hij voorbij. Meestal wist hij er een mouw aan te passen.

Zo had hij zo’n honderd zinswendingen uit het hoofd geleerd, ze lagen klaar en hielpen hem goed. De vlotheid hielp de ander wachten tot John bij de kern kwam (bladzijde dertig).  John wilde gesprekken leren voeren. Hij luisterde graag en was blij als de brokstukken betekenis opleverden. Met foefjes was hij voorzichtig. Bij ‘ja’ viel je door de mand, maar bij het zeggen van ‘nee’ had je pas echte problemen, dan wilde men de reden weten.

De boom. Van tak tot tak kon je samenhangend nadenken, veel beter dan op de grond. Als hij diep moest ademhalen zag hij de ordening der dingen.

De strafdag. Wie de roede spaart haat zijn leerlingen. Dr. Orme kreeg voor John iets navigatorisch, een op geheimzinnige wijze verbonden bondgenoot. Bij een ander had hij straf gekregen omdat hij had gezegd voor het antwoord wat tijd nodig te hebben.

Aantekenboeken. Elke dag iets noteren in boeken voor uitspraken en gedachten, voor gebruikelijke latijnse zinswendingen. John maakte er van: voor opmerkelijke zinswendingen en –constructies die ik moet onthouden.

De slaapzaal. John Franklin maakte op zijn gemak reizen onder de dekens en hij leerde vlak voor het slapen gaan. Er was een onzichtbare vriend Sagal met wie hij sprak en die geduld met hem had. Zijn ja was ja, zijn neen was neen.

Hij leerde over navigatie (blz. 33) en hoopte wiskundeles te krijgen.

In zijn cahier noteerde John nu alleen nog maar Engelse zinnen voor persoonlijk gebruik, verklaringen van zijn eigenzinnigheid en tijdgevoel die hij in vloeiende bewoordingen wilde kunnen geven.

De nieuwe docent Burnaby was er voor de zwakke broeders. Hij maakte altijd een wat gespannen indruk. Wie er voor iedereen was, die had weinig tijd. ‘Je hebt voor alles twee tijdstippen: het juiste en gemiste.’

John wilde Tom Barker mee naar de Marine. Tom was het tegenovergestelde van John. Daardoor keek hij naar zichzelf met misnoegen.

John keek met glasstrakke blik naar het jaarmarkttumult, alsof hij een bal moest vangen. Zo weerde hij zich in het leven.

Als luisteraar was John intussen graag gezien, juist omdat hij het vroeg wanneer hij iets niet had begrepen. Zelfs Tom had gezegd: ‘Wanneer jij iets hebt begrepen, moet het wel juist zijn.’ John zei daarop: ‘Ik begrijp in ieder geval niets te vroeg.’

Over zijn toekomst: Burnaby vond hem uit het goede hout gesneden met begrip voor gezag. Dr. Orme vond hem iemand die alles van buiten leert, iemand aan wie oude talen niet besteed waren. Hij vond dat John ergens in de leer moest gaan. Burnaby had het over het goede geheugen van John.

Dr. Orme mocht geen wiskunde geven door een paragraaf in de stichtingsbrief (blz. 38)

John ontdekte dat hij niets kan loslaten, geen beeld, geen mens, geen leraar.

Inmiddels had hij een goed argument tegen alle overhaaste maatregelen. ‘Er zijn drie tijdstippen, een juist, een gemist en een te vroeg tijdstip.’

Managing the unexpected [2]

Een onverwachte gebeurtenis is als een audit:
het beproeft onze veerkracht
– hoe lang we overeind blijven zonder te breken
– hoe lang het duurt voor we weer hersteld zijn

Als kleine incidenten uitgroeien tot rampen, zijn de volgende dingen aan de orde geweest:
–        Kleine fouten bleven onopgemerkt
–        Simpele diagnoses werden geaccepteerd
–        Uitvoeringen werden voor lief genomen
–        Herstelwerkzaamheden beschouwd als routine
–        Deskundigen hielden zich aan wat het gezag hen opdroeg

Creëer een opmerkzame infrastructuur, die voortdurend het volgende doet:
–        Kleine verstoringen op het spoor komen
–        Weerstand bieden tegen oversimplificering
–        Gevoelig blijven voor de uitvoering
–        Het vermogen tot veerkracht op peil houden
–        Het voordeel benutten van deskundigheid op wisselende plekken

Managing the unexpected [1]

Notities bij Managing van het onverwachte

Boek van Karl E. Weick, Kathleen M. Sutcliffe

Dit boek gaat over

HRO’s High Reliability Organisations of tewel hoog betrouwbare organisaties.

Het boek volgt hoe deze organisaties omgaan met het onverwachte, hoe ze crisismanagement [firefighting] voeren.

Er zijn 5 principes voor het bezweren van crises

  1. wees bezorgd om kleine fouten 
  2. weersta veronachtzaming, vereenvoudiging (onderschat de dingen niet)
  3. heb gevoel voor detail
  4. zeg ‘ja’ tegen weerstand
  5. heb respect voor expertise

De kern van het boek betreft

  • Risico management
  • Mindfulness managen
  • Flexibiliteit en structuur

Managen van het onverwachte, met aandacht en zorg doe je door te letten op de volgede quick wins

  1. het onverwachte = norm
  2. capaciteit om nieuwe kennis snel te kunnen ontwikkelen
  3. integer samenwerken bij gezamenlijke investeringen
  4. nieuwe patronen kunnen zien in zwakke signalen

Wat kenmerkt HRO’s

  • Ze hebben geen andere keus dan veilig en betrouwbaar te zijn, anders ontstaat er onherstelbare schade

Wat maakt HRO’s betrouwbaar?

  • Onverwachte problemen worden al van te voren verwacht
  • Ze weten dat kleine fouten, storingen in de gewone gang van zaken uit kunnen groeien onverwacht grote problemen
  • Ze letten op hints
  • Ze staan variatie toe
  • Zelfgenoegzaamheid en opgeblazenheid zijn hun grootste vijanden