De ontdekking van het langzame leven – Sten Nadolny (uitgave Manteau)
Eerste deel – John Franklins jeugd
1. Het dorp
John Franklin was al tien jaar oud en kon nog steeds geen bal vangen. Hij kon het spel niet volgen. Wel kon hij een touw vasthouden en dat uren volhouden. John liet niet los. Tom Barker was zijn tegenpool: snel, die zag alles in één seconde en bewoog zich zonder ooit te blijven steken, foutloos. Sherard was klein van stuk, vijf jaar oud en zijn vriend. Sherar zei altijd ‘ik moet opletten als adelaar’.
John lette op afstanden en hoe verder de dingen weg, hoe meer de dingen verschenen en verdwenen in een plechtig en rustgevend ritme. De verste bergen waren als John, ze stonden gewoon te kijken.
Van spelen snapte John niets. Alles ging te snel, zowel het spel, als het praten van de anderen, als de drukte buiten op het plein. Eén van de ooms van de stenen ridder van de kerk van Spilsby, het dorp waar john woont, was varensgezel geweest. Hij had het noordelijkste deel van de aarde ontdekt, zo ver weg dat de zon er niet onderging en de tijd er niet verstreek.
De grafstenen konden ook zien. Ze namen bewegingen waar die voor het menselijke oog te geleidelijk waren; de dans van de wolken bij windstilte, het omzwenken van de torenschaduw van west naar oost, de bewegingen van de bloemhoofdjes naar de zon, zelfs het groeien van het gras. De kerk was de plaats van John Franklin, alleen was daar niet veel te doen. De moeder van John heette Hannah en was in heinde en verre de langzaamste moeder.
Zijn tante Ann Chapel loopt met Matthew, de zeeman. Hij droeg een kokarde aan zijn pet, zoals alle marineofficieren wanneer ze aan wal waren. John werd geroepen met ‘Hé, slome’ en was weer eens aan het dagdromen geweest. Kinderen reageerden voor John zo snel, dat hij steeds stukken tijd kwijt was. Hij werd ook afgeleid bijvoorbeeld door wat aan vegen voor zijn oog voorbij kwam, zoals slijm. Het schuiven voor zijn oog hield hem bezig. Hij kon de regel erachter niet ontdekken. John was geinteresseerd in regels, methoden, systemen en hulpmiddelen. Omdat zijn vader poogde hem te veranderen had hij bedacht de snelheid te gaan bestuderen. Hij zou echter willen zijn als de zon die haar baan beschreef. Haar stralen zijn even snel als het oog.
2. Een jongen van tien en de kust
John zijn ogen lieten zich niet opjagen. John wist dat hij er vreemd uitzag als hij iets haastigs deed. Dit alleen al vanwege zijn wijd opengesperde ogen. Als hij zich bewoog hing zijn tong in zijn mondhoek, het voorhoofd gespannen, de adem hijgend en de anderen zeiden: ‘Hij is weer aan het spellen!’ Zijn vader had die uitdrukking ingevoerd. Hij keek te langzaam. Blind zou het er beter uit zien. John kreeg een idee. Er was een olm en die leerde hij van buiten, iedere tak, iedere handgreep van onder af aan. Hij deed het ook met een kous om zijn hoofd. De methode was goed, maar gevaarlijk. Zijn mond telde terwijl hij bewoog en John nam zich voor zo snel te worden, dat zijn mond het tellen niet bij kon houden.
Daarbij wilde hij zich listig van de domme houden, alsof er niets was veranderd. En dan zou er een publiek optreden volgen over dat John Franklin de snelste man van de wereld was. Hij kon dan de snelste spreker volgen, de snelste zinswendingen en snel antwoorden. John leerde de takken van de olm uit zijn hoofd, en nog eens en nog eens.
Daarna oefende hij het balspel. Dat ging niet zo goed. Wel nam hij totaal andere besluiten. Hij bedacht het hulpmiddel van de strakke blik. Hij keek niet naar de bal, maar hield zijn ogen gericht op een bepaalde plaats. Hij wist dat hij de bal niet zou vangen als hij hem volgde, maar alleen als hij hem opwachtte.
Dat moeder Hannah bijna net zo liep en praatte als John en ook niet woedend kon worden, maakte de vijandelijke partij brutaal.
De strakke blik was ook geschikt om na te denken. Hij overzag zo alles, zonder dat zijn oog op en neer wipte of hem opjoeg. John begaf zich liever onder vreemde mensen, die misschien wel net zo waren als hijzelf.
John wilde het snelle leven beter leren kennen èn graag de zee zien!
Hij had zijn plannen goed uitgedacht en liep weg. Hij had zich nog nooit zo blij gevoeld en stond nu helemaal op zichzelf. John zocht een plaats waar niemand hem te langzaam vond. Die kon echter nog wel ver weg zijn.
Als stuurman was hij misschien bruikbaar, maar anderen moesten hem dan ook nog vertrouwen. Toen ze maanden geleden de weg waren kwijt geraakt wist John waar ze waren. Hij had de geleidelijke veranderingen van de zon gadegeslagen en wist hoe ze terug konde. De anderen wilden niet, want zij namen haastige beslissingen, die ze even zo haastig weer herriepen.
De zee was zijn vriend dat voelde hij, ook al zag de zee er niet altijd even vriendelijk uit. Hoe kwam hij op een schip? John liep langs de kade en keek. Hij zag een fregat. Dat is een oorlogsschip. John wilde op weg naar vreemde werelddelen. Hij zou de snelheid bestuderen en snel leren zijn. Toen zijn vader hem terughaalde van het weglopen wilde John niets meer leren en zich ten dode toe verlangzamen. Hij werd ziek en ziekte was geen slechte methode om het overzicht terug te krijgen. Er kwamen bezoekers aan zijn bed. Uiteindelijk kwam Matthew de zeeman. Zijn moeder was vrijwel voortdurend aanwezig. Zwijgend en onhandig, maar nooit hulpeloos en altijd kalm. Iedereen was haar de baas en toch hadden ze haar nodig. De ziekte beschermde John en hielp hem bestuderen wat er verder allemaal nog kwam. Van zijn tante Eliza leerde hij dat bij een al te snel gepraat de inhoud veelal even overbodig was als de snelheid. Matthew echter sprak verstandig en lastte pauzes in. Hij beweerde volstrekt niet dat op zee alles heel snel moest gaan. Hij zij alleen: ‘Op een schip moet je kunnen klimmen en veel uit je hoofd leren.’ De blik van Matthew was scherp en zeker, het was altijd duidelijk waarheen hij keek en wat hem werkelijk interesseerde. Matthew wilde van John een heleboel horen en wachtte geduldig tot de antwoorden klaar waren en hem over de lippen kwamen.
Als iemand enig verstand van de zee had, dan heette dat navigatie. Het betekende: sterren, instrumenten en zorgvuldige overwegingen. Dat beviel John en hij zei: ‘Ik zou graag zeilen willen hijsen.’
Matthew gaat met de Terra australis reizen en blijft twee jaar weg. Hij drukt John op het hart dat hij ook zeeman kan worden. Maar omdat hij wat neigt tot nadenken moet hij officier worden, anders krijgt hij het zwaar te verduren. Hij zou raadt hem aan op school het uit te houden, zal hem boeken sturen over navigatie en later als midshipman (officer cadet) op zijn schip in dienst nemen. Toen John dit hoorde wilde hij meteen weer sneller worden. Na zijn weglopen naar de zee, was John ziek geworden en wat gedeprimeerd. Dat was nu met dit nieuwe perspectief verleden tijd.
3. Dr. Orme
Alle knopen zijn verkeerd geknoopt, er wordt driftig geoefend. John is ervan overtuigd dat je op iedere plek van de wereld iets voor het leven kon leren, dus ook op school.
Leren in het onderwijs. Als John te haastig antwoordde, begon hij te stotteren en te hakkelen, dat stoorde de toehoorders. Maar dr. Orme had gezegd: ‘Wie het juiste antwoord geeft, hoeft er daarbij niet goed uit te zien!’
Leren in je vrije tijd ’s avonds. John had zijn klimboom, hij las en oefende iets, bijvoorbeeld met een mes handig worden of schrijven. Op school was het moeilijk een ander te worden. Ze kenden zijn zwakke plek, niemand geloofde in zijn oefeningen en iedereen was er slechts van overtuigd dat hij altijd zo zou blijven als hij was.
Met andere scholieren leren omgaan. Ook op een schip zou hij met heel wat mensen te maken hebben, en als te velen hem niet mochten, werd het wel moeilijk. Men merkte het gelijk als iemand achterbleef. Het ongeduld van anderen verdragen. De meesten keken hem met één oog aan, het andere zei: ‘Je verveelt ons, zet er eens een punt achter.’ Tom Barker was de zwaarste dobber, bij hem kon je het op geen enkele wijze goed doen.
Toch kon niets John ellendig maken, zijn hoop was die van een reus. Aan hindernissen die hij niet kon overwinnen zag hij voorbij. Meestal wist hij er een mouw aan te passen.
Zo had hij zo’n honderd zinswendingen uit het hoofd geleerd, ze lagen klaar en hielpen hem goed. De vlotheid hielp de ander wachten tot John bij de kern kwam (bladzijde dertig). John wilde gesprekken leren voeren. Hij luisterde graag en was blij als de brokstukken betekenis opleverden. Met foefjes was hij voorzichtig. Bij ‘ja’ viel je door de mand, maar bij het zeggen van ‘nee’ had je pas echte problemen, dan wilde men de reden weten.
De boom. Van tak tot tak kon je samenhangend nadenken, veel beter dan op de grond. Als hij diep moest ademhalen zag hij de ordening der dingen.
De strafdag. Wie de roede spaart haat zijn leerlingen. Dr. Orme kreeg voor John iets navigatorisch, een op geheimzinnige wijze verbonden bondgenoot. Bij een ander had hij straf gekregen omdat hij had gezegd voor het antwoord wat tijd nodig te hebben.
Aantekenboeken. Elke dag iets noteren in boeken voor uitspraken en gedachten, voor gebruikelijke latijnse zinswendingen. John maakte er van: voor opmerkelijke zinswendingen en –constructies die ik moet onthouden.
De slaapzaal. John Franklin maakte op zijn gemak reizen onder de dekens en hij leerde vlak voor het slapen gaan. Er was een onzichtbare vriend Sagal met wie hij sprak en die geduld met hem had. Zijn ja was ja, zijn neen was neen.
Hij leerde over navigatie (blz. 33) en hoopte wiskundeles te krijgen.
In zijn cahier noteerde John nu alleen nog maar Engelse zinnen voor persoonlijk gebruik, verklaringen van zijn eigenzinnigheid en tijdgevoel die hij in vloeiende bewoordingen wilde kunnen geven.
De nieuwe docent Burnaby was er voor de zwakke broeders. Hij maakte altijd een wat gespannen indruk. Wie er voor iedereen was, die had weinig tijd. ‘Je hebt voor alles twee tijdstippen: het juiste en gemiste.’
John wilde Tom Barker mee naar de Marine. Tom was het tegenovergestelde van John. Daardoor keek hij naar zichzelf met misnoegen.
John keek met glasstrakke blik naar het jaarmarkttumult, alsof hij een bal moest vangen. Zo weerde hij zich in het leven.
Als luisteraar was John intussen graag gezien, juist omdat hij het vroeg wanneer hij iets niet had begrepen. Zelfs Tom had gezegd: ‘Wanneer jij iets hebt begrepen, moet het wel juist zijn.’ John zei daarop: ‘Ik begrijp in ieder geval niets te vroeg.’
Over zijn toekomst: Burnaby vond hem uit het goede hout gesneden met begrip voor gezag. Dr. Orme vond hem iemand die alles van buiten leert, iemand aan wie oude talen niet besteed waren. Hij vond dat John ergens in de leer moest gaan. Burnaby had het over het goede geheugen van John.
Dr. Orme mocht geen wiskunde geven door een paragraaf in de stichtingsbrief (blz. 38)
John ontdekte dat hij niets kan loslaten, geen beeld, geen mens, geen leraar.
Inmiddels had hij een goed argument tegen alle overhaaste maatregelen. ‘Er zijn drie tijdstippen, een juist, een gemist en een te vroeg tijdstip.’
Vind-ik-leuk Aan het laden...