Vorige week begon ik mijn blog ermee: ‘Milaan, nog nooit geweest’. Nu dus wel. Met als aanleiding de eerste echt grote overzichtstentoonstelling van mijn kunsticoon Leonor Fini (1907 Buenos Aires -1996 Parijs). In het Palazzo Reale, het Koninklijk Paleis.

Ooit het machtscentrum van de stadstaat Milaan, toen dat van het Koninkrijk Lombardije-Venetië en nu een gigantisch groot cultureel centrum. Waar tijdens ons bezoek zelfs vijf verschillende tentoonstellingen gaande waren. Waaronder dus, in één van de vele grote vleugels, ‘Io sono Leonor Fini’ (Ik ben Leonor Fini, van 26/02 tot 22/06).

Op wankel geworden etalagebenen haalde ik na zo’n drie uur museumslenteren nog net de uitgang. Dus die andere vleugels konden me helemaal gestolen worden. Maar wat was ’t de moeite waard! Want hoe toon je de kunstzinnige veelzijdigheid van een gecompliceerd, eigenzinnig en volkomen onafhankelijk ingesteld type als Leonor Fini? Daarover en over een persoonlijke verrassing even verderop.
Over Leonor heb ik hier in TOOS&ART al vaker geschreven. Over mijn ‘ontdekking’ van haar, over de Fini-link met mijn galerie Quadrige in Nice, over de herwaardering van de vrouwelijke surrealistische kunstenaars op de Biënnale van Venetië in 2022, over ………. Over nog veel meer. Alles lezen? Klik dan maar hier.
Nu die voorbeeldige expositie waarvan al vast wat beelden.







Er wordt echt recht gedaan aan heel veel facetten van Leonor Fini’s leven. Aan de invloed van haar jeugd en opvoeding op haar kunst. Aan haar schilderijen in die unieke stijl, haar kunstbijdragen aan het typisch Franse livre d’art en haar eigen literatuurbijdragen. Aan haar voor die tijd revolutionaire manier van samenleven met meerdere mannen en nog veel meer katten. Aan haar leven als societyfiguur in Parijs en als gekostumeerd hoofdpersoon in geënsceneerde foto’s. Aan de kleding plus decors die ze ontwierp voor ballet, toneel, opera en film. Vorige week kwam dat laatste via Maria Callas en het Scala Theater in Milaan al even ter sprake. Het beroemde La Scala waarvoor ze meerdere opera’s aankleedde. Net zoals trouwens voor de Opéra de Paris en de Metropolitan Opera in New York. Dat leerde ik allemaal in een van de laatste zalen van de expositie.



Dat ze voor de beroemde regisseur Federico Fellini en zijn bekende film 8½ kostuums had ontworpen was ook nieuw voor me.


Maar een speciale verrassing voor mij persoonlijk trof ik aan in een vitrine nog een zaal eerder. Want wat jaartjes geleden tikte ik via mijn galerie Quadrige in Nice een steendruk van Leonor op de kop. Één uit de reeks die ze maakte voor een speciale livre d’art uitgave van de destijds behoorlijk scandaleuze erotische roman L’Histoire d’O. Google maar eens, best interessant. En wat zie ik in die vitrine? Die speciale uitgave met zo’n steendruk ernaast. Welke? Juist ja, de afbeelding die ik ook bezit! Zo kon die expositie voor mij natuurlijk al helemaal niet meer stuk.


Nu toch maar eens naar de beginzalen, naar de nog zeer jonge Leonor die met moeders vanuit geboortestad Buenos Aires terugkeerde naar haar Italiaanse familie in Triëst. Vanwege een problematische relatie met de vader. Die zelfs een paar keer probeerde zijn dochter vanuit Triëst te (laten) ontvoeren. Moeder kleedde haar daarom zelfs af en toe aan als een jongetje. Waarover Leonor later zelf zegt: “Ik heb altijd gehouden van vermommingen. Een gedeeltelijke verklaring daarvan kan zijn dat, toen ik een kind was, mijn familie vreesde dat ik zou worden gekidnapt zodat ze me bij bepaalde gelegenheden vermomden als jongen”. Voor de hand liggende handboekpsychologie waaraan we in ieder geval de nodige foto’s hebben te danken. Van Leonor met zelf ontworpen extravagante kostuums en buitenissige hoofdtooien.




Van foto’s met wat minder kledij was ze trouwens ook niet vies.


Maar met of zonder kleren, altijd zijn daar die intens donkere ogen. Die me vaak doen denken aan die doordringende kooltjes-ogen van Picasso. Die ze natuurlijk als ook bekend figuur in Parijs wel kende.
Terug naar haar jeugd. Waaraan we nog meer kunstinspiratie hebben te danken. Zoals de intrigerende beeltenis van een vrouwelijke sfinx die in allerlei vormen opduikt in haar nu niet meer te betalen schilderijen. Maar gelukkig ook in veel goedkopere litho’s. Want de tweede foto hieronder is van bij mij thuis.


In dat mythisch wezen waren voor Leonor natuur en cultuur, beschaving en mysterie verweven. Zelf zei ze: “Dat startte allemaal met mijn liefde voor de kleine roze marmeren sfinx aan de waterkant van het park onderaan het Miramare kasteel in Triëst. Die sfinx was mijn favoriete plek in de wereld”. Ze zat er graag bovenop. Of ze dat ook nog deed toen ze zo’n beeld kreeg in haar eigen tuin in Frankrijk? Geen idee. Maar intrigerend zijn ze, die sfinxen.




Bij het laatste schilderij is er ook gelijk een link naar de mannen in haar werk. Meestal van die androgyne types. Best logisch, want de twee mannen met wie ze lange tijd samenleefde waren ook zo. Kijk maar.






Achteraf gezien liep Leonor destijds in beeld, woord en daad al ver vooruit op de discussies van nu over identiteit en gender. Dus wordt daaraan in de expositie ook uitgebreid aandacht gegeven. Toch laat ik dat item naast heel veel ander interessants voorlopig maar even schieten. Gewoon teveel allemaal. Maar reken maar dat ik er in toekomstige verhalen haakjes voor vind!

Tot volgende week.
TOOS

















































































Dat waren dus twee kunstvliegen, nu de derde. Bij mijn diverse bezoeken aan dat Musée Picasso raakte ik telkens weer geïntrigeerd door een paar beelden die lekker meditatief op de terrasmuur van het kasteel van hun Mediterrane omgeving stonden te genieten. Beelden van ene Germaine Richier (1902-1959). En nu bleek er van haar een solotentoonstelling te zijn. Gaan dus!





































































In de jaren 90 was dat alles toch eenvoudiger. Toen was ik een keer uitgenodigd voor de opening, ’s avond vanaf 6 uur. En één beeld daarbij staat me nog steeds helder op het netvlies gebrand. Met levensgezel op weg van Eindhoven, waar ik toen nog woonde, naar Maastricht peuzelden we in de auto al vast een boterhammetje op ter maagvulling. Op de beurs liepen al heel wat bezoekers rond. Vooral heel veel gesoigneerde heren in grijzige maatkostuums en feestelijk opgetuigde dames die kort daarvoor nog bij de kapper hadden gezeten. Je hoorde Engels, Frans, Duits, Italiaans, absoluut een internationaal gezelschap. In de gangpaden stonden her en der grote langwerpige tafels met, naar ik aannam, etenswaar. Omdat er grote, damasten tafellakens overheen lagen kon je namelijk niet zien wat zich daaronder bevond. En nu dat beeld. Toen die lakens om klokke zeven werden verwijderd stortte de fine de fleur de l’Europe zich op het aldaar getoonde exquise voedsel alsof ze door dagen vasten uitgehongerd waren. Zagen die tafels er bij aanvang nog als culinaire kunstwerken uit, een kwartier later waren het voedselruïnes. Eén groot slagveld aan etensresten. Ik heb ’t verbijsterd waargenomen. Echt tenenkrommend. En door de plaatsvervangende schaamte heb ik zelf geen hap meer tot me genomen. Ik had ten slotte in de auto al die boterham met kaas verorberd.
Ik neem aan dat ’t tegenwoordig door de spreiding bij de opening anders gaat. Pre-preview met de eerste gretige, voorrang hebbende kopers. Dan de preview met geïnteresseerden en kooplustigen van wat lagere maar nog altijd hoge orde. En ten slotte de officiële opening met museumdirecteuren, tentoonstellingscuratoren, verzamelaars en andere bobo’s van allerlei kunstinstituties als genodigden. Zo’n 10.000 in totaal, die eerste dag, volgens het persbericht. ’t Zou eigenlijk best een studie waard zijn om na te gaan in hoeverre de TEFAF het beeld bevestigt dat tegenwoordig in diverse economische studies naar voren komt. Namelijk dat het verschil tussen arm en rijk op onze aarde de laatste decennia weer duidelijk toeneemt. Maar dat is een heel ander verhaal.








Lang, lang geleden, in de grijze oudheid toen ik zelf nog niet grijs was, studeerde ik af aan de Academie in Tilburg. Met Francisco José De Goya y Lucientes (1746-1828), kortweg Goya, als scriptie onderwerp. De man en zijn kunst fascineerden mij heel sterk. Niet dat ik zijn werk in werkelijkheid kon zien. Want in Nederland is er niet zoveel van hem te vinden in openbare collecties. In Spanje, in het Madrileense Prado, echter des te meer. Maar ja, prijsvechters als Ryanair, easyJet en Transavia bestonden toen nog niet. Dus een vliegreisje naar de Spaanse hoofdstad was destijds toch iets te begrotelijk voor een arm academiestudentje. Zodoende werden het boekenplaatjes waarmee ik ’t moest doen. Plaatjes van schilderijen en van de serie etsen Los desastres de la guerra (De gruwelen van de oorlog). Of van Los caprichos. Die andere serie etsen waarin Goya vaak met ironie de corrupte heerschappij van staat en kerk verbeeldt. Maar altijd heb ik de wens gehouden zijn kunst in werkelijkheid in dat Prado te mogen bewonderen.





















































