Toen levensgezel wat maanden geleden wist te melden dat er over ‘The Pre-Rafaelite Brotherhood’ het nodige viel te ontdekken in het Italiaanse Forlì wist ik ’t gelijk. “Mooi, dan hoeven we daarvoor dus niet meer naar Londen. Trouwens, wáár ligt dat Forlì eigenlijk?”

Goed, één ding tegelijk Toos. Eerste ding. Die ‘The Pre-Raphaelite Brotherhood’, of op z’n Nederlands ‘De Broederschap van de Prerafaëlieten, wat is dat eigenlijk? Een of ander geheim genootschap dat een rol speelt in allerlei complottheorieën? Nee hoor! Dat wás een heel net Engels kunstclubje. Maar wel een clubje dat in de 19e eeuwse kunstgeschiedenis een speciale rol is gaan spelen. Komt zo.
Tweede ding. Dat Forlì, met de klemtoon op de i? Een eeuwenoude stad in Noord-Italië. Die, zo had levensgezel al uitgezocht, bijna voorbestemd keurig lag langs onze route richting Gubbio. Voor mijn al geplande vierweekse keramiekverblijf daar. Gewoon even een ander afslagje, niet al teveel kilometers extra, hotelletje, Italiaans ontbijtje, weer in de auto en een halve kilometer verder uitstappen. Bij een prachtig groot en eeuwenoud Dominicaans klooster. Zonder monniken weliswaar. Want verbouwd tot het San Domenico Museum.

Terug naar de Prerafaëlieten. Wat hield dat gezelschap dan in, met dat van ‘voor Rafaël’? Zoals gezegd, een clubje Engelse kunstenaars, vooral schilders, dat de voorgeschreven regels van de conservatieve en machtige Royal Academy niet meer zag zitten. Volgens die Academy hoorde kunst te zijn zoals die van de grote renaissance-kunstenaars Rafaël (1483-1520) en Michelangelo (1475-1564). Met hun streven naar perfecte schoonheid en ingewikkelde composities. Maar naar de smaak van William Holman Hunt, John Everett Millais en Dante Gabriel Rossetti werd dat veel te veel geïdealiseerd. Zij wilden terug naar eerder. Naar de grotere eenvoud van één, twee kunstgeneraties daarvoor. Naar het zogenaamde Italiaanse Quattrocento. Denk aan Botticelli (1445-1510) en Signorelli (1441-1523). Of aan de nog eerdere Jan van Eijck (1390-1441), de grote man van de Vlaamse Primitieven. Sorry van al die namen en jaartallen, maar die zijn nodig voor de duiding van dat wat recalcitrante clubje van de Brotherhood. Met een voorkeur voor melancholie, diepe romantiek, natuurlijke natuur, vrouwelijke sensualiteit, Bijbelse en middeleeuwse geschiedenis, ridderlijkheid tot in het kwadraat, de sagen over King Arthur. Geschilderd in voor die tijd contrasterende kleuren.
Tijd voor foto’s dus, veel foto’s! Van ook de na de entree gelijk al overdonderende kerkruimte van het oude klooster. Met daarin een aantal van de prerafaëlitische voorkeuren uit de 15e eeuw. Die dus prachtig de ruimte kregen.







Het begin van een ongelooflijk uitgebreide expositie in zo’n 20 zalen. Waren we na een kleine twee uur op de begane grond uitgekeken, bleek dat er voor ons op de eerste etage nog net zoveel hing te wachten. Logisch dus dat de club-oprichters ruim aan bod konden komen. Met expositiebruiklenen van echt alle kanten. Maar vooral uit Engeland. Vandaar mijn uitspraak over Londen hierboven.






Maar niet alleen de oprichters kregen een grote beurt. Want hoewel met vallen en opstaan, met meer en minder succes, met goeie en slechte kunstkritieken, het kunstminnende deel van Victoriaans Engeland raakte op den duur toch wel geïnteresseerd. Net als ook andere kunstenaars, een tweede generatie Prerafaëlieten. Met namen die nu volop rondzingen in de kunstgeschiedenis. Edward Burne-Jones, William Morris, Frederic Leighton en John William Waterhouse.






Ook vrouwen begonnen een partijtje mee te blazen in de bus. Van een daarvan kende ik de naam al wel en natuurlijk ook schilderijenplaatjes. Maar nu zag ik voor ’t eerst een aantal werken van haar in het echt. Die Evelyn de Morgan (1855-1919) kon er wat van! Over blazen gesproken, die blaast zo een aantal mannen van hierboven weg.



Dat ze daarnaast ook nog politiek actief was als pacifiste en suffragette maakt haar helemaal interessant. Dat wordt vast nog wel eens een ander verhaal. Vrouwen in de kunst, weet je wel!

Ondanks al die kunstenaars op de tentoonstelling miste ik er toch nog een. Onze eigen Laurens Alma Tadema (1836-1912). De Fries die verhuisde naar Londen, daar wereldberoemdheid verwierf, geschaard werd bij de Prerafaëlieten en ook nog eens een officiële Sir werd. Ondanks de vele buitenlandse Prerafaëlietennavolgers in Forlì, nergens Alma Tadema. Gjin skilderij fan him, gjin inkeld (even wat Fries er tussendoor via Google Translate). Maar ……… uit december 2018 vind je hier een blog over hem. Van toen hij in het Fries Museum in Leeuwarden een grote en succesvolle overzichtstentoonstelling had. Kijk, zo leg ik toch maar even de missing link tussen Forlì en Friesland. Oh ja, en de grote Rafaël hing er toch ook nog. Maar hij lag wel dood te gaan op zijn sterfbed. Op een schilderij van nog een van de Prerafaëlieten.

Als dat geen dramatiek is, wat dan wel. Tot volgende week.
TOOS


















































































Zondag en maandag had ik gereserveerd om zoveel mogelijk locaties van andere kunstenaars te bezoeken. Zoals die van stadsgenoot Janpeter Muilwijk. Toch leuk om elkaar op Ameland als twee Middelburgse kunstenaars tegen te komen.
Dit jaar moest ik er nog een heel eind voor weg (zie afleveringen eind juni en begin juli), in 2018 niet meer. Voor wat? Nou, die Culturele Hoofdstad van Europa dus. Dit jaar Marseille, maar in 2018 Ljouwert. Oftewel Leeuwarden. Eindelijk weer eens ” Fryslân boppe” zullen ze daar in het Noorden nu wel denken nadat de laatste echt grote overwinning op de Hollanders die was bij de slag bij Warns in 1345. Nu hebben ze trouwens zowat heel Nederland overwonnen. Want in een eerdere ronde waren de kandidaten Den Haag en Utrecht al afgevallen. En nu ook nog de overgebleven steden Eindhoven en Maastricht.
De afgelopen week moest ik twee keer denken aan een uitspraak van vissers van Arnemuiden begin dit jaar. Volgens een vriend van mij dan. Dus ik heb ’t niet uit de eerste hand.





En juist omdat dit zo bijzonder is, is er ook een twee pagina’s groot artikel over mij en mijn werk verschenen in het juli/augustus nummer van de KunstKrant. Dat is een kunstblad met grote oplage en verspreiding over heel Nederland. Bij galeries, musea, culturele centra, enz. Niet slecht dus. Zeker niet omdat de voorpagina ook nog eens geheel in beslag wordt genomen door een schilderij van mij (zie foto).

vanuit Friesland zat het toch al wat moeilijker door al die veren in dat bepaalde lichaamsdeel. Tot volgende week.
















