Museum Beelden aan Zee is een van mijn favoriete musea. Prachtig verscholen in de duinen aan de nogal commercieel verkwanselde boulevard van Scheveningen. Van buitenaf zie je echt niet wat er op de grote, open terrassen aan verrassingen wacht.


Laat staan dat je ook maar iets meekrijgt van de tijdelijke exposities binnenin. Zoals dieover over Niki de Saint Phalle en Germaine Richier. Vrouwen die een hoog podium verdienen in de kunstgeschiedenis. Maar nu is er ‘Henry Moore: Vorm en Materiaal’. Over een van de grootste beeldhouwers van de 20ste eeuw.

Zoals Rodin (1840-1917) met zijn vernieuwende kijk op de figuratieve beeldhouwkunst de kunstwereld sterk beïnvloedde, deed Moore (1898-1986) dat in de 20e eeuw ook door er een meer abstracte draai aan te geven. Daar moest ik heen!
Want op de academie ontstond mijn bewondering voor Moore al. Door notabene vooral alleen maar zwart-wit foto’s. Want kleurenfoto’s in die tijd in studieboeken? Veel te duur. Daarbij, er was/is van hem in Nederland, voor zover ik weet, nauwelijks werk te vinden in de openbare ruimte. Behalve in Rotterdam dan. Maar dat is een bakstenen reliëf in een muur.

Terwijl het bij Moore’s sculpturen nou juist zo belangrijk is om ze aan alle kanten te kunnen bekijken. Daarvoor moet je naar musea. Bijvoorbeeld museum Kröller-Müller op de Veluwe of de speciale beeldentuin van museum Voorlinden in Wassenaar.


Maar nu kon ik me dus helemaal te buiten gaan in Beelden aan Zee.

Alhoewel mijn feestvreugde nog wel werd verstoord door zo’n would-be-kunst-dissonant. Gelukkig net buiten de hoofdzaal. Een zogenaamd kunstwerk opgebouwd uit pet-flessen: ‘Bottle River‘. Wel allemaal van keramiek. Met natuurlijk het bijbehorend Kunst-Verhaal. Over een harmonisch geheel dat zich manifesteert als een vanzelfsprekendheid, over de laag voor laag te ontdekken betekenissen met reflectie op hedendaagse vraagstukken, over consumentisme, plastic in de oceanen, dat al die flessen apart met de hand zijn gemaakt en dus heel anders zijn dan die van de fabrieksmatige massaproductie, dat ze daardoor allemaal een eigen karakter krijgen, dat daardoor de betekenis en waarde van de fles verandert, en, nou verzin ’t maar. Zoals levensgezel altijd zegt over dit soort gedoe “maak het heel veel en ’t wordt tot kunst verheven”. Maar in werkelijkheid dus pet met petflessen!

Geef mij maar meer Moore. Bij hem zit er echte authenticiteit achter. Hij dwingt je met zijn schijnbaar abstracte en vaak heel organische vormen goed te kijken.

Maar hoe komt ie aan die vormen? Hieronder een voorbeeld en voor mij een hoogtepunt van de expositie.

Een vorm waar ik direct voor viel. Waarom? Puur gevoel, puur intuïtie. Het bleek een gigantische uitvergroting te zijn van een piepklein brokje vuursteen dat Moore ooit ergens vond, in zijn broekzak stak en in zijn atelier had neergelegd. Om later op dat idee van die uitvergroting te komen. In gips. Dat hij daarna op allerlei manieren te lijf ging. Met diep kerven, krassen, schuren, bleken, beschilderen. Gevolg? Een prachtig levend oppervlak. Wie de verfhuid van mijn olieverfschilderijen kent, begrijpt direct mijn fascinatie.

Zo lag Moore’s atelier vol met in de natuur gevonden objecten. Stenen, botten, schelpen, drijfhout. Die hij kon gebruiken voor eerst kleine gipsen maquettes en latere uitvergrotingen.

Maar ook een precolumbiaans beeld dat hij in 1922 in het Louvre zag, leidde tot een lange reeks zogenaamde ‘Reclining Figures‘. Zoek hieronder maar de overeenkomsten tussen die sterk geabstraheerde sculpturen van Moore en dat Chac-Mool beeld.




Duidelijk figuratiever is dan weer het bronzen ‘King and Queen‘, een van zijn beroemdste ontwerpen.

Hé, dacht ik, heb ik dat eerder gezien? En ja hoor, park Middelheim bij Antwerpen popte up. Een groot openbaar beeldenpark waar heel veel interessants is te zien. Maar dat is een ander verhaal.

Want dat is het voordeel van gieten in brons. Met een goed gietmodel kun je meerdere exemplaren maken. Om daarna elk exemplaar uniek te maken door het oppervlak te bewerken met allerlei zuren die allerlei kleureffecten tot gevolg hebben. En moet ’t groter? Gewoon een nieuw model (laten) maken en gieten maar weer. Zo staat in de expositie dit niet al te grote bronzen beeld.

Maar ook is er dit.

Alleen moet je daarvoor wel naar Engeland. Naar het landgoed Perry Green dat Moore ons heeft nagelaten onder beheer van de Henry Moore Foundation. Beeldentuin, galerie, museum, 70 hectare groot, met al zijn ateliers er nog op en een uurtje rijden boven Londen. Ik moet toch nog maar eens een keertje naar Engeland!
Nog even op een andere manier dat klein en groot, maar dan wel beide in Beelden aan Zee.


Voor mij was ’t genieten. Tot volgende week.
TOOS



























































































































Dat kon je toch gewoon zelf wel zien! Maar ja, stel nou eens dat erbij afwezigheid van zo’n bord iemand zomaar zou uitglijden en zich bezeren. Dan zou je als eigenaar best een proces aan je broek of rok kunnen krijgen wegens nalatigheid. ‘Typisch Amerikaans’ dacht ik toen. Tot ik nu in Nederland ook steeds meer van die stomme waarschuwingsborden zie verschijnen. Zou ’t dan toch waar zijn? Dat alles wat in Amerika gebeurt uiteindelijk ook overwaait naar Europa? Nu maar hopen dat dit niet geldt voor het verschijnsel ‘Trump’.























