B is de Braakdijk

Het kluffie af
– zoals de Zaankanter zegt –
en dan ben je al in de luwte
je rondt de bocht
daar zijn de wilde moestuinen
met wat schapen achter het hek

En aan de linkerhand,
rood-genummerd,
kop aan kont, de woonboten
liever arken genoemd
door wie ze bewonen
in een lang lint tot aan de sluis

Rechts van het pad de overtuinen
van de gelukkigen die ze
lang geleden
kochten voor een appel en een ei
Bomen, struiken, bloemen
een kattenkerkhof
Een plastic kraai boven de poort
bewaakt het paradijs

Genoeglijk wandelen
genietend van de rust
een groet, een glimlach
een praatje hier en daar
filosoferen over het leven
met de oude baas, bijna negentig
de dame die op witte reigers wacht
Een enkele keer een visser
of een boer die nog
voor de regen hooien moet
maar nooit in haast

Daarna de woonhuizen
aan een slootje, geurende berm
eenden, een meerkoet, kikkerconcert
eieren te koop
de fanfare, tot de nek in het water
een bok op een eilandje
een waakse hond

Reuring brengt een nieuwe ark
traag door de smalle sloot getrokken

Dan het sluisje, de brug
zicht op fabrieken
erfgoed aan de Zaan

Rechtsaf
en weer voldaan
op huis aan




A is de Adelaar

Aan de hoogte ben ik gewend
In levenden lijve zou ik hoger stijgen
Losgezongen van deze eeuwenoude sokkel
Deze steenkolos

Mijn blik verruimen
Spiedend in het water van de Zaan
Uitvogelen of er nog een glimp
Van mijn verdronken evenbeeld
Valt te bespeuren

Wind is goed voor wieken
Voor de aanvoer van geuren
Voor een enkel zeil
Een rimpeling in het water
Het gieren om mijn kop

Mijn spanwijdte kent de thermiek
Maar in beton gegoten vleugels
Zijn star en zwaar
In een verenpak zou ik mij laten gaan

Steen te zijn
Zelfs schreeuwen
Voor een blik omhoog
Is mij door de neus geboord

https://nl.wikipedia.org/wiki/De_Adelaar_(Wormerveer)