B is de Braakdijk

Het kluffie af
– zoals de Zaankanter zegt –
en dan ben je al in de luwte
je rondt de bocht
daar zijn de wilde moestuinen
met wat schapen achter het hek

En aan de linkerhand,
rood-genummerd,
kop aan kont, de woonboten
liever arken genoemd
door wie ze bewonen
in een lang lint tot aan de sluis

Rechts van het pad de overtuinen
van de gelukkigen die ze
lang geleden
kochten voor een appel en een ei
Bomen, struiken, bloemen
een kattenkerkhof
Een plastic kraai boven de poort
bewaakt het paradijs

Genoeglijk wandelen
genietend van de rust
een groet, een glimlach
een praatje hier en daar
filosoferen over het leven
met de oude baas, bijna negentig
de dame die op witte reigers wacht
Een enkele keer een visser
of een boer die nog
voor de regen hooien moet
maar nooit in haast

Daarna de woonhuizen
aan een slootje, geurende berm
eenden, een meerkoet, kikkerconcert
eieren te koop
de fanfare, tot de nek in het water
een bok op een eilandje
een waakse hond

Reuring brengt een nieuwe ark
traag door de smalle sloot getrokken

Dan het sluisje, de brug
zicht op fabrieken
erfgoed aan de Zaan

Rechtsaf
en weer voldaan
op huis aan




Geheel volgens blauwdruk

duiven_blauwdrukMet een klap sloeg de deur achter hem in het slot. Hij slaakte een zucht. De klus was geklaard. Het was een jaar hard werken geweest, maar nu stond het dan ook als een huis. De grote architect had hem van een blauwdruk voorzien en hij had zich perfect aan de voorschriften gehouden. Groot moest het worden, ruim. De maten hadden hem eerst verbaasd, maar commentaar leveren was niet aan de orde. Hoewel de plaats waar het bouwwerk zou verrijzen ongebruikelijk was, ging hij zonder tegenwerpingen aan de slag.

Vaak genoeg waren spot en hoon zijn deel geweest, maar hij liet zich niet afleiden. Laat staan beïnvloeden. Hij had een groot vertrouwen in het hele project. Als zijn personeel het moeilijk kreeg en begon te twijfelen sprak hij de mannen moed in. “Wacht maar af”, zei hij dan, “heb vertrouwen. Ik weet zeker dat het goed komt. Voor ons in elk geval. En als de tijd daar is zal men wel een andere toon aanslaan.”

Toen was het zover: de laatste spijker geslagen, de laatste voeg gedicht. De architect kon tevreden zijn.
De deur werd wagenwijd opengezet. Verwachtingsvol stapten de bewoners over de drempel. Hij keek toe. Was alles naar wens? Had iedereen zijn plaats gevonden? Zouden ze zich hier op hun gemak voelen?
Hij was de laatste die binnenkwam. De deur sloot hermetisch, stelde hij opgelucht vast. Ze hadden vakwerk geleverd.

Hij keerde zich af van het geroezemoes. Trok zich terug. Door het raam zag hij wat hij liever niet had willen zien: er werd gelachen en gewezen.
In de verte betrok de lucht. Donkere wolken pakten zich samen. “Dus toch”, schoot het door hem heen. De wind stak op, geselde de olijfbomen. Terwijl de eerste druppels tegen het raam roffelden, hoorde hij in het vooronder een duif zachtjes koeren.

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: Schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: renoveren.

De foto komt van het internet