
Het kluffie af
– zoals de Zaankanter zegt –
en dan ben je al in de luwte
je rondt de bocht
daar zijn de wilde moestuinen
met wat schapen achter het hek
En aan de linkerhand,
rood-genummerd,
kop aan kont, de woonboten
liever arken genoemd
door wie ze bewonen
in een lang lint tot aan de sluis
Rechts van het pad de overtuinen
van de gelukkigen die ze
lang geleden
kochten voor een appel en een ei
Bomen, struiken, bloemen
een kattenkerkhof
Een plastic kraai boven de poort
bewaakt het paradijs
Genoeglijk wandelen
genietend van de rust
een groet, een glimlach
een praatje hier en daar
filosoferen over het leven
met de oude baas, bijna negentig
de dame die op witte reigers wacht
Een enkele keer een visser
of een boer die nog
voor de regen hooien moet
maar nooit in haast
Daarna de woonhuizen
aan een slootje, geurende berm
eenden, een meerkoet, kikkerconcert
eieren te koop
de fanfare, tot de nek in het water
een bok op een eilandje
een waakse hond
Reuring brengt een nieuwe ark
traag door de smalle sloot getrokken
Dan het sluisje, de brug
zicht op fabrieken
erfgoed aan de Zaan
Rechtsaf
en weer voldaan
op huis aan