Over chocola, broodbeleg en een paar kippen.

“Als je daarop gaat staan, kun je er beter bij. Ik ben ook zo klein, dus ik doe dat altijd.” Naast mij bij het chocoladeschap in de supermarkt staat een wat oudere vrouw. Een volgeladen rijdbaar mandje naast haar. Ze wijst naar een buis, onder aan het schap. Even denk ik: kan dat? Maar ze kijkt me vriendelijk aan en ze meent wat ze zegt. Ik waag het erop. Inderdaad, stevig genoeg en zo kan ik makkelijk bij het bovenste rek. Ik ben op zoek naar een plak heel donkere chocola, met een zo hoog mogelijk percentage cacao. Omdat dit merk in de aanbieding is, hebben veel klanten erin zitten grutten en ligt alles rommelig door elkaar, pistache, sinaasappel, karamel… Dank zij haar advies lukt het me uiteindelijk een 85-%-plak te bemachtigen. “Dat is zó lekker”, gaat ze verder, “dit is zó’n goede winkel.” Ik kan het beamen, er is inderdaad veel keus en de kwaliteit is over het algemeen goed. “Ik kom hier vanaf mijn vierentwintigste. Ik ben nu achtentachtig, dus ik kom hier al…” “Vierenzestig jaar… Sorry, ik praat voor mijn beurt. Maar achtentachtig jaar, dat kan ik bijna niet geloven, u ziet er veel jonger uit!” Ze glimlacht, stapt op de buis, pakt eenzelfde plak chocola en dumpt dat in haar mandje. Naast het pakje marsen waar ze met een ondeugende grijns op wijst: “Dit heb ik ook!” Haar Engelse accent hoor je vaag. “Ja uit Londen, na vierenzestig jaar hoor je dat nog steeds.” Ik hoor het vooral als ze goed op dreef is. Ik wijs op het zakje drop in mijn mandje: “Kijk, dit heb ík ook nog, maar dat is dan vast niet aan u besteed.” Inderdaad, ze gruwt ervan, maar zegt dat ze Engelse drop wel kan waarderen; vooral die met kokos en die met roze of blauwe spikkels.

Aan de andere kant van het pad staat het broodbeleg, waar we op de Engelse toer kunnen verdergaan: Marmite en lemon curd zijn haar favorieten. Als ze hoort dat die potjes ook bij mij in de kast staan, lacht ze tevreden. Een geanimeerd gesprek volgt, over granny’s die zelf curd maakten, over andere familieleden, over gezondheid en ziekte, over huis en tuin, over kippen. Wonderlijk, wonderlijk, een gesprek tussen twee wildvreemden, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, alsof we elkaar al jaren kennen, op een doodgewone zonnige zaterdagmiddag in een doodgewone supermarkt in een doodgewone kleine provincieplaats.

Het slot van het liedje is een uitwisseling van adressen en telefoonnummers. De uitnodiging om haar enorm diepe tuin vol fruitbomen en haar twee kippen te komen bewonderen, neem ik dankbaar aan.
En dat gaat er 85, nee 100% van komen. Sure as eggs is eggs!

Killerbird

In de voortuin woedt een strijd. Nog nooit eerder was dat aan de orde. Ik weet niet zo goed wat ik ervan moet denken.

Op een kaal stukje grond, dat ik vanuit de kamer goed kan zien, heb ik wat bijen- en vlinderbloemenzaad uitgestrooid. Het zijn een soort kleikorreltjes; het zaad is omhuld, zodat vogels er niet direct mee aan de haal zullen gaan en het bevordert het ontkiemen. Toch strooi ik er ook nog een dun laagje aarde overheen. So far, so good. Nu maar afwachten en straks genieten van een mooi perkje bloemen waar de nodige zoemers en fladderaars op afkomen.

Al vrij snel komen er minuscule groene puntjes boven de aarde uit. Voorzichtig begiet ik ze, en het al te felle zonlicht wordt gefilterd door wat struikjes. Het plan lijkt te lukken.

Als ik op een ochtend aankom met de gevulde gieter, volgt er een diepe teleurstelling. De groene blaadjes zijn weg. Allemaal. Niet weggekrabd door poezen, daar heb ik zo’n twintigtal stokjes voor gestoken. Nee, het zijn slakken die zich tegoed hebben gedaan aan het jonge groen. Daar liggen ze met zijn vieren bij elkaar op een beschaduwd plekje te glanzen.
Wat nu. Dit wordt een strijd die ik niet zal winnen, weet ik uit ervaring. Slakkenkorrels strooi ik niet. En biervallen zetten, vind ik zielig, ook al gaan de slakken min of meer verdoofd ten onder. Bloem strooien, bedenk ik ineens. Zodat de bloemen in wording met rust worden gelaten. Meel dus. Want toen Luilak nog uitgebreid gevierd werd in dit dorp en alle ramen in de nacht van vrijdag op zaterdag voor Pinksteren werden besmeurd met boter, eieren en meel had ik gemerkt dat de gemorste bloem een enorme aantrekkingskracht uitoefende op slakken. Heerlijk vonden ze het. Ik voeg de daad bij het woord en strooi een hoopje bloem op het stoepje.
Het helpt niet; nu is er zelfs een voor- en hoofdgerecht beschikbaar. Maar ik ben niet voor één gat te vangen, dus strooi ik goudsbloemenzaad waarvan ik vorige zomer bakken vol heb geoogst en waar slakken hun neus voor ophalen. Ik ben gek op goudsbloemen. Insecten ook, trouwens.

Dan sta ik op een ochtend met een kop koffie in de hand voor het raam te kijken naar een vrouwtjesmerel die driftig in de grond staat te wroeten. Wormen, denk ik. Maar nee, er komt een dik met aarde besmeurde klont naar boven, die ze met kunst en vliegwerk op het stoepje weet te krijgen. Ik zie een platte, crèmekleurige ovale onderkant: een slak! Dan begint er een gepik, gehak, geveeg, gescheur en gegooi; kluitjes aarde en slak vliegen in het rond. Af en toe stopt het gedoe even, zodat het losgekomen stukje kan worden verorberd. Als het arme beest op is, begint het hele theater van voren af aan. Maar twee is genoeg, blijkbaar.

De volgende dag wordt de slachtpartij hervat. Ik sta er met gemengde gevoelens naar te kijken. Het is de natuur, ik weet het. Ik zie het. Het is eten of gegeten worden.

Triest vind ik het wel. Nee, geen tranen, al scheelt het niet veel. De goudsbloemen komen gelukkig op.

Trijntje Zwijgers

Zou hij ooit nog wel eens aan haar denken, mijn broer in Amerika? Aan Trijntje Zwijgers?
Toen ik twaalf jaar was verhuisden wij naar Oud-Beijerland, in de Hoekse Waard. Van de stad naar het boerenland. Voor mijn vader was dat heerlijk; hij heeft zijn afkomst nooit verloochend. Bovendien had hij promotie gemaakt. Het gaf hem een goed gevoel dat hij door zelfstudie zo ver gekomen was. Voor mijn moeder was het moeilijk; zij miste de stad. Waar ze erg van genoot was haar rol van alwetende vrouw en moeder: in de nieuwe wijk streken veel pas getrouwde paartjes neer. Ze werd vraagbaak, raadgeefster en luisterend oor.

DSC06649

Ik kan me niet herinneren dat wij, mijn broers en ik, er ook maar iets van vonden: wij namen het zoals het was. Maar we genoten wel van de ruimte. Niet meer in de flat, driehoog, maar zo de deur uit. Fietsen, vissen, salamanders vangen. Zwemmen in de rivier.

Door het werk van mijn vader (hij werkte bij de belastingdienst) had hij veel contact met de boerenbevolking. Hij hielp waar hij kon. En vaak kreeg hij daarvoor uit dankbaarheid een beloning in natura. Wij spreidden maar wat graag een hele kist cox op de zolder uit. Wekenlang rodekool eten was niet zo’n probleem. Een mud aardappels in een jute zak in de schuur, naast het kolenhok, prima. Maar de twee hazen die een keer voor Kerst werden gebracht deden me de adem in de keel stokken. We hadden daar allemaal gemengde gevoelens over. De twintig eieren met Pasen kwamen beter tot hun recht.

Die eieren kwamen van boer Zwijgers. Hij woonde een half uur fietsen bij ons vandaan. Op een zonnige zaterdagmiddag – in mijn herinnering was het daar altijd mooi zomerweer op die ene winter van 1963 na – fietsten mijn ouders, mijn broers en ik naar de boerderij. De bruine, leren boodschappentas hing bij mijn moeder aan het stuur. Eieren kopen was het plan.

Na die keer zijn we dat nog veel vaker gaan doen. Meestal gingen mijn broer G en ik alleen. En nooit, maar dan ook nooit ging mijn moeder meer mee. De ‘geur’ van onverschoonde kattenbak was te veel voor haar geweest. Erg veel zeep zal er in huize Zwijgers niet gebruikt zijn.

Wanneer mijn broer en ik terugfietsten hadden we het steevast over de groene tanden van de dochter des huizes, Trijntje. En op de dijk haalden we diep adem. De eieren, zorgvuldig in krant verpakt in de bruine boodschappentas aan het stuur, zullen zeker door mijn moeder voor gebruik zijn afgespoeld.

Na veertien dagen gingen wij weer. Met een heerlijk gevoel van afschuw en ons verheugend op het gesprek op de terugweg over de tanden van Trijntje Zwijgers.

boerderij-10