We zitten in het laatste staartje van maart en de lente is begonnen. Daar is nu even weinig van te merken. Gisteren fietste ik in de zon door een hagelbui. Maart roert zijn staart.
Toch is de natuur wel gewoon doorgegaan. In mijn voortuin bloeien de blauwe druifjes en de muurbloemetjes. In de achtertuin zie ik vooral de tuinkruiden al flink boven de grond staan. En ook de rabarber zit al in het blad, hoewel de stelen nog erg kort zijn.

De rozemarijnstruik staat volop in bloei, die bloeit altijd vroeg. En hij is winterhard. Ik heb er de hele winter van kunnen gebruiken. Aardappeltjes uit de oven met takjes rozemarijn ertussen: een heerlijke geur op je bord en in je keuken. Ook de tijm blijft ’s winters over, hij is wel gedeeltelijk verdroogd. Maar ach er is nog genoeg over. Tijm combineert goed met prei en ook bij tomaten.
Andere kruiden verdwijnen in de winter. Maar ik weet dat ze niet echt weg zijn. Want nu staat de lavas (maggiplant) alweer volop in het blad. Ik zie een flinke pol bieslook en ook de marjolein loopt weer uit.

In een hoekje verscheen uit het niets de kleine veldkers (Cardamine hirsuta). Meestal beschouwd als onkruid, maar de blaadjes zijn eetbaar. De smaak wordt vergeleken met sterrekers. De plantjes hebben niks te maken met kersen, het is een verbastering van het Engelse “Cress”. Ik plukt een paar blaadjes en ik proefde weinig. Voor echt smaak heb je heel veel blaadjes nodig en het zijn maar kleine plantjes. Ik laat ze gewoon staan, misschien wordt het dan volgend jaar meer en kan ik ze eens eten.
Tot mijn vreugde is de lupineplant opnieuw teruggekomen. Hij verdient nu wel een prominentere plaats, maar ik durf hem niet te verplanten. Ik heb zo vaak lupines geprobeerd, die dan maar één jaar bleven.
Well jammer is dat ik dit jaar vrijwel geen Digitalisplanten zie. Meestal zaaien ze zich overvloedig uit, maar nu zie ik ze vrijwel niet. Judaspenning heeft zich dan weer wel royaal uitgezaaid. Ik zie al iets kleur in de knoppen komen. Deze staat wel op een heel erg krappe plek. Zoiets had ik vorig jaar met een Digitalisplant in een krap hoekje bij de keukendeur.

In de vensterbank staan de eerste zaaisels: pompoen- en tomatenplantjes en bietjes. Vooral die bietjes zijn zo goed opgekomen dat ik de hele straat wel van bietjes zou kunnen voorzien. Als ze allemaal blijven leven, jonge bietjes zijn zo lekker! Maar zo gaat het meestal niet. Binnenkort kan ik ze gaan verspenen en dan maar zien wat er van komt.
De meeste bloempotten staan weer buiten, alleen de geraniums nog niet. Voor nu is het weer te koud om buiten wat te doen. Ik heb me bovendien voorgenomen om het wat rustiger aan te doen met de groenten. Vorig jaar een “pauzejaar” met alleen bloemen is me best goed bevallen. Het heeft me meer bepaald bij wat ik wil en kan met de tuin. En dat is wat minder dan eerdere jaren.
Ik ben benieuwd hoe dit tuinjaar wordt!



Het Lalique museum
Nu is er ook een tentoonstelling met werk van Chagall.
Ook al had hij contact met veel Franse kunstenaars, hij is altijd bij zijn eigen stijl gebleven. Op het eerste gezicht lijkt dat sprookjesachtig en dromerig. Maar er is meer in te zien: Chagall vertelde verhalen, vooral met Bijbelse thema’s die hij kende uit zijn jeugd. In deze tentoonstelling zie je de litho’s die hij maakte ter voorbereiding op ramen. Elk raam gaat over een zegenspreuk die Jacob meegaf aan elk van zijn twaalf zonen.
Chagall illustreerde ook andere verhalen: er hangen litho’s over de Odyssee en fabels van Lafontaine. En er ligt een geïllustreerde uitgave van “Het Achterhuis”. Het is een enorm dik boek, het ligt achter glas in een vitrine. Ik had er graag eens in gebladerd.


Niet veel later loop ik “jeugddorp” De Glind in. De Glind is een bijzonder dorp dat is gebouwd rondom een stichting voor jeugdopvang. Kinderen werden vooral opgevangen in gastgezinshuizen. Ik had vroeger een collega die er woonde en ook een paar kinderen in huis had. Ik vind het nog altijd een mooi systeem. Maar een paar jaar geleden kwamen ook uit De Glind verhalen naar buiten van grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik. Ik weet eigenlijk niet hoe het nu met de jeugdopvang van die stichting gaat.
Daarna begin ik aan het tweede deel van de route. Eerst langs een paar bosjes achter een groot wit restaurant dat “Chardonnay” heet. Voor mijn gevoel is het gebouw nogal misplaatst in het boerenland. Dat komt waarschijnlijk omdat het zo nieuw en wit is, de grote parkeerplaats en het gladde grasveld. “Leg er een mooie tuin omheen”, denk ik dan. Op hun website zie ik dat ze een “All you can eat-concept” hebben. Gauw verder maar weer. Ik passeer een groot bijenhotel midden in het land.



Planten met min of meer dezelfde kenmerken, als viltig blad en eenzelfde bloem. Zoals de moerasdroogbloem (Gnaphalium uliginosum). Een inheems plantje dat in ons land vrij algemeen is. Maar dat is hem net niet.

Deze keer is er een tentoonstelling van Kawase Hasui (1883-1957) en eigenlijk ook zijn drukker de Fa. Watanabe. Want het gaat om blokdrukken, die Hasui tekende, daarna op een (kersen)houtblok werden overgenomen en daarna in kleur gedrukt. Zo ging het al eeuwen in Japan. De oplage was afhankelijk van de populariteit. Door ander kleurgebruik kon je een andere sfeer meegeven. Daar zijn een paar mooie voorbeelden van te zien.





een torii is een poort tot een Shinto heiligdom.


Er zijn wel drie Groene Wissels Leiden en nog een heleboel andere stadswandelingen. Ik kies een korte (5 km) want ik wil ook naar het Sieboldhuis.
Na het Rapenburg, wandel ik verder en kom ik opnieuw in het Singelpark. Hier ontmoet ik een heel ander beeldje, dat van de “Venus van Leiden”. Die houten Venus staat er nog niet lang. In 2004 “wild” geplaatst door een kunstenaarscollectief. Verwijderd, na bewonersprotesten teruggezet. Toen een paar jaar later het hoofd werd afgezaagd, is het overdwars teruggezet. Goed idee vind ik, het is nu wat kubistisch geworden.
Na de deftige Herengracht ga ik weer een zijstraatje in. Want dat is toch wel een kenmerk van Leiden, al die smalle straatjes en dan om de hoek ineens weer iets heel anders te zien.


Hierna daal ik weer af, opnieuw langs de Nieuwe Rijn, achter het stadhuis langs. Nu ben ik wel echt in het winkelgebied van de stad.
Recente reacties