Maart roert zijn staart; de tuin gaat gewoon door

We zitten in het laatste staartje van maart en de lente is begonnen. Daar is nu even weinig van te merken. Gisteren fietste ik in de zon door een hagelbui. Maart roert zijn staart.

Toch is de natuur wel gewoon doorgegaan. In mijn voortuin bloeien de blauwe druifjes en de muurbloemetjes. In de achtertuin zie ik vooral de tuinkruiden al flink boven de grond staan. En ook de rabarber zit al in het blad, hoewel de stelen nog erg kort zijn.

lavasplant

De rozemarijnstruik staat volop in bloei, die bloeit altijd vroeg. En hij is winterhard. Ik heb er de hele winter van kunnen gebruiken. Aardappeltjes uit de oven met takjes rozemarijn ertussen: een heerlijke geur op je bord en in je keuken. Ook de tijm blijft ’s winters over, hij is wel gedeeltelijk verdroogd. Maar ach er is nog genoeg over. Tijm combineert goed met prei en ook bij tomaten.

Andere kruiden verdwijnen in de winter. Maar ik weet dat ze niet echt weg zijn. Want nu staat de lavas (maggiplant) alweer volop in het blad. Ik zie een flinke pol bieslook en ook de marjolein loopt weer uit.

kleine veldkers

In een hoekje verscheen uit het niets de kleine veldkers (Cardamine hirsuta). Meestal beschouwd als onkruid, maar de blaadjes zijn eetbaar. De smaak wordt vergeleken met sterrekers. De plantjes hebben niks te maken met kersen, het is een verbastering van het Engelse “Cress”. Ik plukt een paar blaadjes en ik proefde weinig. Voor echt smaak heb je heel veel blaadjes nodig en het zijn maar kleine plantjes. Ik laat ze gewoon staan, misschien wordt het dan volgend jaar meer en kan ik ze eens eten.

Tot mijn vreugde is de lupineplant opnieuw teruggekomen. Hij verdient nu wel een prominentere plaats, maar ik durf hem niet te verplanten. Ik heb zo vaak lupines geprobeerd, die dan maar één jaar bleven.

Well jammer is dat ik dit jaar vrijwel geen Digitalisplanten zie. Meestal zaaien ze zich overvloedig uit, maar nu zie ik ze vrijwel niet. Judaspenning heeft zich dan weer wel royaal uitgezaaid. Ik zie al iets kleur in de knoppen komen. Deze staat wel op een heel erg krappe plek. Zoiets had ik vorig jaar met een Digitalisplant in een krap hoekje bij de keukendeur.

In de vensterbank staan de eerste zaaisels: pompoen- en tomatenplantjes en bietjes. Vooral die bietjes zijn zo goed opgekomen dat ik de hele straat wel van bietjes zou kunnen voorzien. Als ze allemaal blijven leven, jonge bietjes zijn zo lekker! Maar zo gaat het meestal niet. Binnenkort kan ik ze gaan verspenen en dan maar zien wat er van komt.

De meeste bloempotten staan weer buiten, alleen de geraniums nog niet. Voor nu is het weer te koud om buiten wat te doen. Ik heb me bovendien voorgenomen om het wat rustiger aan te doen met de groenten. Vorig jaar een “pauzejaar” met alleen bloemen is me best goed bevallen. Het heeft me meer bepaald bij wat ik wil en kan met de tuin. En dat is wat minder dan eerdere jaren.

Ik ben benieuwd hoe dit tuinjaar wordt!

 

 

 

 

 

 

 

Je hoeft niet naar Frankrijk: Lalique en Chagall in Doesburg

Bij Doesburg denkt men al gauw aan mosterd toch? Zeker na die diefstal van zilveren mosterdpotjes uit het mosterdmuseum. Maar er is nog een museum in Doesburg: het Lalique museum. Daar is nu een kleine expositie van Chagall en daar ging ik heen. 

Groene Wissel Doesburg (6 km)

Maar eerst liep ik een deel van deze Groene Wissel. Eerst een stukje langs de IJsssel; er lagen wat schepen aangemeerd. Aan het eind stond een grappig kunstwerk. Daarna een lang stuk over een graspad op de vestingwallen. De route viel me nogal tegen. Doesburg is een leuk oud stadje, maar vanaf die vestingwal had je nul uitzicht. De vestingwal eindigde in een saaie woonwijk (Molenveld). Toen ik bij de Meipoortwal kwam (geen poort gezien) verliet ik de route. Voor het stadje zelf heb je geen routebeschrijving nodig. 

Het Lalique museum

Het museum zit in een paar oude huizen met steile trappen en kleine kamertjes met krakende vloeren. (Zo’n scheve foto is dan wel van toepassing) Een beetje hokkerig en totaal ongeschikt als museum. Waarom het er dan toch in zit? En waarom Lalique in Doesburg?

Dat kwam zo: in Doesburg zat een  kunstverzamelaar/ handelaar die gespecialiseerd was in kunst van René Lalique. Daaruit is er dit museum gekomen. Zo werd het me verteld door de medewerker in het winkeltje die ook even probeerde me Lalique-parfum te verkopen. Maar die geuren waren mij veel te zwaar. 

René Lalique (1860-1945) was een Franse art nouveau kunstenaar, bekend om zijn glaswerk en sieraden met bloemvormen en gestileerde insecten als vlinders en libellen. Nu is art nouveau/art deco niet mijn favoriete stijl. Het is me al gauw te gladjes en te lievig. Het is mooi, soms zelfs prachtig, maar ik raak er snel op uitgekeken. Toch zou ik best een Lalique-broche willen hebben!

Nu is er ook een tentoonstelling met werk van Chagall. 

Marc Chagal (1887-1985)

Bijna honderd jaar leefde Marc Chagall. Een eeuw vol oorlog en grote veranderingen. Geboren in een orthodox-joodse familie in Rusland, twee keer weduwnaar. Naar Parijs voor kunstonderwijs, in Rusland tijdens de Russische revolutie, weer terug naar Frankrijk, in WO II gevlucht naar de VS en weer terug naar Frankrijk. Altijd heimwee naar Rusland.

Ook al had hij contact met veel Franse kunstenaars, hij is altijd bij zijn eigen stijl gebleven. Op het eerste gezicht lijkt dat sprookjesachtig en dromerig. Maar er is meer in te zien: Chagall vertelde verhalen, vooral met Bijbelse thema’s die hij kende uit zijn jeugd. In deze tentoonstelling zie je de litho’s die hij maakte ter voorbereiding op ramen. Elk raam gaat over een zegenspreuk die  Jacob meegaf aan elk van zijn twaalf zonen.

Dit groene raam voor de zoon Issaschar verwijst naar het platteland waar hij zou gaan wonen en zijn dienstbaarheid (als ezel). In het driehoekje staat de tekst van de zegen. (Alle teksten voor de zoons zijn na te lezen in het bijbelboek Genesis hoofdstuk 49).

Chagall illustreerde ook andere verhalen: er hangen litho’s over de Odyssee en fabels van Lafontaine. En er ligt een geïllustreerde uitgave van “Het Achterhuis”. Het is een enorm dik boek,  het ligt achter glas in een vitrine. Ik had er graag eens in gebladerd.

Natuurlijk hangen hier geen heel grote doeken, daar is het de ruimte niet voor. Er zijn vooral litho’s. Hier helemaal bovenaan afgebeeld een opdracht voor een werk over Parijs. Je ziet geliefden bij een brug over de Seine.

Het fijne van deze tentoonstelling was voor mij dat ik meer ging begrijpen van de beeldtaal van Chagall.

Nog een voorbeeld: hier zie je de goede centaur Cheiron met fluit, wakend over de vrouw met het kind. Moeders met kind is ook een thema bij Chagall. 

Nu heb ik nog niet genoemd dat Chagall ook gedichten schreef. Daarvan zijn een paar vertalingen te zien samen afgedrukt met de bijbehorende illustratie. Hierin lees je zijn heimwee naar Rusland.

Ik vond het een mooie tentoonstelling, waar ik ook het nodige van heb geleerd. Als je er ook heen wil is het handig om te weten dat er nu verbouwd wordt, het museum is wel gewoon open. De bedoeling is om in juli/augustus gereed te zijn. 

De tentoonstelling over Chagall is verlengd tot 4 oktober 2026. Meer info op de website van het museum.

 

“Een woord voor”

Na het mooie lenteachtige weer is het nu al een week koud en regenachtig. Het is echt met-een-boek-op-de-bank-weer. Dat komt dan goed uit want ik heb net een nieuw boek: “Een woord voor” van Eva Meijer. 

Eva Meijer

Eva Meijer is schrijfster, dichter en filosoof. Het is altijd verrassend met welk onderwerp ze nu weer komt. Het eerste boek dat ik van haar las is “Het vogelhuis“, over de Engelse onderzoekster Len Howard, die onderzoek doet naar vogels. Maar dan zo vergaand dat ze de vogels bij haar in huis (Bird cottage) laat komen en zo een vriendschap met de vogels ontwikkelt. Deze Len Howard heeft echt bestaan.

Later las ik “Een nieuwe rivier”, een roman, spelend in een fictief Zuid-Amerikaans land, die je met een beetje fantasie een eco-thriller zou kunnen noemen. En nu is er “Een woord voor”, op de kaft staat dat het een roman is. Tegelijk is het ook een filosofisch boek over taal. Dat klinkt behoorlijk serieus, maar ik heb er vaak om moeten lachen. 

Het boek “Een woord voor”

Je maakt kennis met Uma, die dichter is en Mik die met hout werkt. En dan meteen op pagina 1 verdwijnt het woord “Achteloos, het wordt pas veel later gemist. Het eerste zelfstandig naamwoord dat verdwijnt is “Ekster”, Hoe heten die kraaiachtige vogels ook al weer, wit met zwart? Ineens weet niemand het meer. Zelfs de bioloog die gebeld wordt weet het niet, daarom zoekt hij het op de website van Vogelbescherming. Hé dat is raar, de vogel staat er wel afgebeeld maar zonder naam erbij. De vogel wordt vanaf dan zwart-witte kraai genoemd. 

Dit is nog niet verontrustend. Het wordt pas vervelend als het woord “Geld” verdwijnt, ook al zijn er veel synoniemen waarop men kan terugvallen. En het gaat echt iedereen opvallen als het woord “Geel” weg is. De kleur zelf verdwijnt niet en de buitenlandse benamingen Gelb, Jaune, Yellow blijven bestaan, maar er staat geen Nederlandse vertaling achter.

Als er nog meer woorden verdwijnen gaan Mik en Uma naar Agnes, die aan de universiteit onderzoek doet naar verdwenen woorden. Dit verdwijnen was haar nog niet opgevallen. Er verdwijnen voortdurend woorden, maar ze staan dan nog wel in oude teksten. En dat is nu niet zo.

Intussen laait er in het land een twist op over de naam voor de kleur. Er zijn mensen die Zon zeggen en mensen die Kaas zeggen. Er worden vragen gesteld in de kamer en dan wordt het politiek. Rechts houdt vast aan Kaas, want dat is een Nederlands product en we moeten onze eigenheid bewaken.

De minister-president weet niet wat te doen. Het verdwijnen wordt steeds serieuzer en hij besluit dat de regering tijdelijk over gaat op het Engels. Dat spreekt bijna iedereen en in die taal verdwijnen geen woorden. Bovendien lekker duidelijk, overal één woord voor en iedereen begrijpt elkaar. Wat natuurlijk niet zo is. Mensen uit Marokko bijvoorbeeld, raken hun nieuwgeleerde taal kwijt en vallen terug in hun eerst taal en dat is niet Engels. 

Vanaf hier zijn er twee stromingen: de Engelssprekers die de officiële lijn volgen en mensen die vasthouden aan het Eigenlands en synoniemen of omschrijvingen gebruiken. Lettercluster als het woord “Woord”  is verdwenen. Mensen in het oosten van het land vallen terug op Duits, dat wordt gedoogd. 

Je hebt nu een beetje indruk hoe het boek in elkaar zit. Ik ga natuurlijk niet het hele boek (313 pagina’s) navertellen. Het knappe is dat Eva Meijer de verdwenen woorden consequent ook zelf vervangt. Met synoniemen of bij de regeringspersonen met Engels. Een voorbeeld: “John dreams van de dag. Die overkomt hem vaak als hij hard arbeidt….. In zijn dream wielt hij naar het Binnenhof.”

De hoofdpersonen in het boek reageren allemaal op hun eigen manier. Voor Uma is het heel erg moeilijk omdat ze dichter is. Hoe kan ze nog gedichten schrijven als de woorden verdwijnen? Mik is pragmatischer, maar helpt toch mee om de woorden die er nog zijn vast teleggen tegen het verdwijnen. Maar eigenlijk kan je woorden alleen behouden door ze te gebruiken. 

Op de universiteit worden vergaderingen belegd en de regering zet de AIVD aan het werk. Want is dit het werk van een Chinees virus, van de Russen of hebben de Amerikanen er toch wat mee te maken? Intussen probeert de MP “all  noses in the same direction” te houden.

Aan het eind van het boek verwaaien vrijwel alle woorden. Mensen kunnen nauwelijks goed nadenken wat te doen. Een chirurg vergeet ineens wat zijn volgende handeling is. De MP krijgt geen vragen tijdens zijn persconferentie omdat men de formulering niet goed doorziet. Dan merken ook anderen dan Uma hoe het is om geen woorden te hebben, geen synoniemen, geen nuances. De roman eindigt een beetje mysterieus. 

Tot slot mijn oordeel

Zo wordt de taal steeds meer uitgekleed, functioneel, korter, nuttig, arm. En daar ben ik het wel heel erg mee eens. Waar blijft de schoonheid van de taal als kunstvorm? Gedichten, romans, hoe dan? Het is hetzelfde als een CD beluisteren in plaats van naar een concert te gaan. Of nog erger, spotify. Omdat je bij spotify nooit meer iets nieuws, vreemds, verrassends, anders-dan-anders hoort. Maar alleen nog iets wat lijkt op wat je eerder hebt gehoord. 

Bij vlagen is het een hilarisch boek en moest ik er hard om lachen. Er zijn ook momenten waarop ik vind dat de schrijfster iets te dicht op de actualiteit zit. Ondanks het experiment met de verdwenen letterclusters leest het toch easyweg. De roman is een heerlijk spel met language. Het is knap om het onderwerp van languageverarming zo in een roman te vatten. Cap off! Hat!  Chapeau! 

Het is boekenweek van 11 t/m 22 maart 2026. Als je nu naar de boekwinkel gaat, krijg je er ook nog een boekje bij cadeau van Hendrik Groen. 

 

 

Snorrenhoefpad

Klompenpad bij Achterveld (10 km)

Maandag begon ik deze lenteachtige week met een klompenpadwandeling. Vanaf de Hessenweg in Achterveld sla ik af naar de Schoonderbekerweg en meteen heb ik het “buitengevoel”. Ik hoor de vogels en zie de eerste groene puntjes aan de boomtakken komen. Dit wordt een prachtige dag!

Ik heb net een foto gemaakt van dit “Pippi Langkoushuis” als een mevrouw me aanspreekt. Zij vindt het klompenpad dat ik ga lopen ook mooi. Maar ze durft “die bossen” niet meer in vanwege de wolf. Die bossen zijn op mijn routekaartje een paar smalle stroken groen, zouden daar wolven zitten? De vrouw wijst op het weiland met schapen en zegt dat de wolf er pas nog een paar gepakt heeft. Dat is iets wat ik van de wolf niet begrijp: waarom bijt hij schapen dood die hij niet opeet? Als het echt om te eten was, had ik er nog wel begrip voor. Maar dit is zo zinloos. Ik besluit om toch gewoon maar verder te wandelen. Even verderop worden bomen gesnoeid, er rijdt af en toe een trekker, ik verwacht dat die wolf zich overdag wel koest houdt.

Niet veel later loop ik “jeugddorp” De Glind in. De Glind is een bijzonder dorp dat is gebouwd rondom een stichting voor jeugdopvang. Kinderen werden vooral opgevangen in gastgezinshuizen. Ik had vroeger een collega die er woonde en ook een paar kinderen in huis had. Ik vind het nog altijd een mooi systeem. Maar een paar jaar geleden kwamen ook uit De Glind verhalen naar buiten van grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik. Ik weet eigenlijk niet hoe het nu met de jeugdopvang van die stichting gaat.

Tussen al dat ontluikende groen dat voorzichtig wat kleur krijgt, staat ineens deze roze prunus in een tuin. Niks voorzichtig, hij knalt er lekker roze uit.

Ik loop het dorp uit en sla dan af naar de bosrand. Het zijn van die bosjes die vroeger werden aangeplant door de boeren voor het hout. Hout voor gereedschap, hekwerk en schuurtjes.

De route gaat een tijdje langs deze bosrand. Op sommige plekken is het nog behoorlijk drassig. Ik ben blij dat ik mijn hoge wandelschoenen aan heb. Maar over het algemeen is het goed te doen. Er fladderen een hele tijd een paar gele vlinders om me heen. Ze zitten geen moment stil dus geen foto.

 

De bosrand, zou de wolf zich hier schuilhouden?

Ongeveer halverwege de route kom ik bij boerderij Groot Zandbrink, een monumentale boerderij die een nieuwe bestemming heeft gekregen. Er is een theehuis, je kan er vergaderen en er worden producten van de bijen bijvoorbeeld verkocht. Maar op deze maandagmiddag in maart is het theehuis dicht. Op een bankje eet ik mijn meegebrachte broodje kaas, dit is echt genieten zo in de zon. Ik kan me voorstellen dat het wat later in het seizoen veel drukker is.

Daarna begin ik aan het tweede deel van de route. Eerst langs een paar bosjes achter een groot wit restaurant dat “Chardonnay” heet. Voor mijn gevoel is het gebouw nogal misplaatst in het boerenland. Dat komt waarschijnlijk omdat het zo nieuw en wit is, de grote parkeerplaats en het gladde grasveld. “Leg er een mooie tuin omheen”, denk ik dan. Op hun website zie ik dat ze een “All you can eat-concept” hebben. Gauw verder maar weer. Ik passeer een groot bijenhotel midden in het land.

Het terrein wordt langzaam weer wat natter,  ik kom in de buurt van de Modderbeek. Ondanks zijn naam ziet de beek er helder uit. Langs de kant bloeit speenkruid, hondsdraf en de dikke knoppen van groot hoefblad.

Ik loop eerst een stukje langs de ene kant van de beek, over een smal paadje. Bij een buurtschap met een paar huizen steek ik de beek over en loop dan langs de andere kant van het water. Hier is het een breed graspad. Dit pad gaat een hele tijd door, alsmaar langs de beek. Aan het eind kom ik weer op de Schoonderbekerweg, waar ik vanmorgen begon.

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorjaarsschoonmaak

Tussen al het nieuws over oorlogsgeweld kreeg ik dit filmpje te zien bij Nu.nl

https://www.nu.nl/324442/video/bekijk-hoe-michelangelos-meesterwerk-zijn-kleur-terugkrijgt-na-onderhoud.html

De Sixtijnse Kapel in Rome trekt zoveel bezoekers dat hij elke avond wordt schoongemaakt. Maar soms is het tijd voor een grote schoonmaak. In dit filmpje zie je hoe Het Laatste Oordeel wordt schoongemaakt. Er is vervuiling door zout. Door alle zwetende mensen is er zout neergeslagen. Dat geeft een witte waas. Voor de schoonmaak wordt gewoon water gebruikt. En het resultaat is geweldig.

  1. Lang gegleden was ik in de Sixtijnse Kapel en ook toen was het stampvol en het “Silenzio” geroep was niet van de lucht. Erg goed kon ik het toen niet zien. Maar zo’n anderhalf jaar geleden zag ik in Den Haag grote kartonnen met foto’s van afbeeldingen van dit meesterwerk van Michelangelo. Daarvan heb ik een paar foto’s.

Michelangelo schilderde dit meesterwerk tussen 1508 en 1512. Elke dag bereidde hij een deel van het plafond voor om te beschilderen. Hij schilderde dan het zo lang door tot dat stuk gereed was. Als je goed kijkt zou je die afgebakende stukken nog kunnen zien.

Michelangelo had grondige studies gemaakt van het menselijk lichaam. Ook voor zijn schildering van Het Laatste Oordeel. De meeste afbeeldingen waren gewoon naakt. Pas later, in 1541 kreeg een leerling van Michelangelo de opdracht veel geslachtsdelen te bedekken. Deze Daniel da Volterra werd daarom de broekenschilder genoemd.

 

Uitvliegers en aanwaaiers

Project van de Botanische tuinen in Utrecht

Op 1 maart gaan de Botanische tuinen in Utrecht weer open. Dit jaar is hun thema  “uitvliegers en aanwaaiers”. Hoe verspreiden planten zich? Daar wordt onderzoek naar gedaan en iedereen kan meedoen. Zo staat het in de nieuwsbrief:

“Op welke manieren gaan planten op pad? En hoe helpt bijvoorbeeld de wind hierbij?  
Met jouw hulp kunnen onderzoekers dit uitzoeken.     

De onderzoekers van de Botanische Tuinen Universiteit Utrecht doen onderzoek naar hoe biodiversiteit verandert en hoe we dat kunnen uitrekenen. Ze onderzoeken bijvoorbeeld hoe zaden zich verspreiden. Dat doen ze met wiskundige modellen, maar ze willen nu ook graag weten hoe dat in het echt gaat, bijvoorbeeld in tuinen en op balkons. Alleen met jouw hulp lukt dit! 

Bij aanwaaiers onderzoeken we wat er ‘aan komt waaien’. Met de gegevens van jouw potje krijgen onderzoekers inzicht in de patronen van zaadverspreiding. Is er bijvoorbeeld een verschil in de hoeveelheid aanwaaiende zaden tussen de stad en groenere gebieden? Onderzoeker Monique de Jager: “We denken dat er in de stad minder zaden aan komen waaien, omdat er daar minder planten om je heen zijn. Met dit onderzoek kijken we of dat inderdaad zo is. Alles wat aanwaait is belangrijk. Ook planten die we onkruid noemen zijn natuur!”

Je snapt het al: ik heb meteen een onderzoekspakketje besteld. Ik heb het nog niet ontvangen, maar zodra ik het heb, ga ik aan de slag. Ik vraag me wel af of het nu een goede tijd is. Want op 17 mei is al de inleverdag. Ik denk dat er dan nog heel veel niet bloeit en dus nog niet aan komt waaien. Maar we zullen zien.

Dat brengt me op een aanwaaier in mijn tuin, die zich al twee jaar achter elkaar heeft laten zien. Ik had er alleen geen naam bij. Tot voor kort. Toen las ik in het winternummer van “Onze Eigen Tuin” een artikel over Edelweiss!

Edelweiss??

Nee, natuurlijk kwam dit beroemde bergplantje niet in mijn tuin aanwaaien. Maar edelweiss heeft ook familieleden: de Gnaphalieae.

Planten met min of meer dezelfde kenmerken, als viltig blad en eenzelfde bloem. Zoals de moerasdroogbloem (Gnaphalium uliginosum). Een inheems plantje dat in ons land vrij algemeen is. Maar dat is hem net niet.

Via het artikel ben ik verder gaan zoeken in deze Gnaphalieae. En ik ontdekte de bleekgele droogbloem (Gn. luteo-album). Die lijkt er meer op. Ook een inheems plantje, dat te vinden is in de duinen. Het plantje was daar zeldzaam en bedreigd, maar het heeft zijn terrein uitgebreid.

Je vindt de bleekgele droogbloem nu op braakliggend terrein en langs spoorwegen. Zo is hij in de stad aangekomen en daar doet hij het ook goed. Dat is hem! Ik ben benieuwd of hij zich ook dit jaar weer laat zien.

Het stemt mij hoopvol dat planten zelf oplossingen vinden voor hun voortbestaan. Onlangs las ik daar een boek over: “Erfgenamen van de aarde” door Chris D. Thomas. 

De ondertitel is: “Een optimistische kijk op de natuur in het tijdperk van de mens”. De schrijver, ecoloog en milieudeskundige, betoogt dat we niet alleen moeten kijken naar wat verloren gaat door menselijk ingrijpen en omstandigheden als klimaatverandering. De natuur weet zich vaak enorm goed aan te passen. Waar iets verdwijnt, komt ook iets nieuws. De huidige situatie was ook ooit nieuw en het gevolg van verdwijnen van soorten en het ontstaan van nieuwe.

Ik vind het een troostrijke gedachte tussen alle alarmistische verhalen over het verdwijnen van soorten.

Hier meer over het project van de Botanische Tuinen.

 

 

 

Kakijam; jam in oranje sferen

Nu ik het hierboven zie staan ziet het er best gek uit:” kakijam”. Vandaag maakte ik jam van kaki’s. Met sinaasappel erin. Kaki-sinaasappeljam zou misschien beter zijn.

Het is maandag, buiten spoelt de regen de sneeuw weer weg. In plaats van het mooie witte laagje, is mijn tuin nu weer een modderige troep. Ik heb weinig inspiratie deze dagen. De grond is bevroren of drijfnat. Allebei niet geschikt om iets in de grond te gaan doen.

Maar er is schaatsen in Italië en op tv. Ik zag vrijwel alle highlights, Jutta Leerdam, Femke Kok, Jenning de Boo en het debacle van Joep Wennemars. Op dit moment schaatst Xandra Velzeboer naar haar tweede gouden plak. Mijn tv scherm ziet oranje.

Oranje zijn ook de twee kaki’s die al een tijdje op de fruitschaal liggen en maar niet zacht willen worden. En opeens heb ik het: ze gaan in de jam. Voor de smeuigheid gaat er sinaasappel bij, lekker sappig en ook oranje.

Kaki’s zijn maar kort te koop en altijd in de winter. Ik at ze voor het eerst in Japan. Maar ze zijn ook bekend in andere landen soms onder een andere naam. In Israël bijvoorbeeld heten ze sharonfruit. Het is een stevige vrucht die je vrijwel helemaal kan eten. Alleen de schil is niet lekker.

Ik vulde een paar kleine potjes. Voor wie het ook eens wil maken:

  • Twee kaki’s, geschild en in blokjes gesneden
    Twee sinaasappels, één uitperst en de ander geschild en klein gesneden
    Geleisuiker, hoeveelheid volgens de verpakking. Dit hangt af van het gewicht van het fruit en van de soort geleisuiker.

Het fruit in een pan doen, de geleisuiker erdoor roeren en even laten staan tot het geheel wat vloeibaar is geworden. Dan zachtjes verhitten en even laten borrelen. Pureren met de staafmixer, pan van het vuur! Dan het sap van de geperste sinaasappel erdoorheen roeren en nog kort doorwarmen.

Vul brandschone potjes met de hete jam. Ik kook de potjes altijd uit in soda. Direct uit de hete vaatwasser kan ook, maar die heb ik niet. Direct na het vullen de deksels erop en kort ondersteboven zetten zodat de lucht eruit gaat. Laten afkoelen, eventueel etiketje erop met de datum en klaar ben je.

Tot de volgende keer!

 

 

 

 

 

De verbeelding van Japan

Vorige week eindigde ik mijn blog bij het SieboldHuis in Leiden. Dankzij het laatste boek van Annejet van der Zijl kennen veel mensen nu Siebold en zijn bijzonder relatie met Japan. Het SieboldHuis is ook een Japanmuseum en de moeite waard om te bezoeken.

Deze keer is er een tentoonstelling van Kawase Hasui (1883-1957) en eigenlijk ook zijn drukker de Fa. Watanabe. Want het gaat om blokdrukken, die Hasui tekende, daarna op een (kersen)houtblok werden overgenomen en daarna in kleur gedrukt. Zo ging het al eeuwen in Japan. De oplage was afhankelijk van de populariteit. Door ander kleurgebruik kon je een andere sfeer meegeven. Daar zijn een paar mooie voorbeelden van te zien.

Hasui werkte in een “nieuwe stijl” (Shin hanga). Wat was er nieuw? Meer artistieke vrijheid, werken naar de natuur. Tot dan toe werd veel gewerkt met vastliggende beeldtaal en voorbeelden. De onderwerpen veranderden  ook, geen krijgers, theaterpersonages en erotica meer.

Het geboortejaar van Kawase Hasui viel samen met de “opening” van Japan. Japan was altijd een zeer gesloten land, maar nu werden de grenzen geopend en buitenlanders waren welkom. Zowel toeristen als bedrijven.

Dat gaf de Shin hanga een flinke impuls. Bezoekers wilden een mooie prent meenemen als souvenir en ansichtkaarten om te versturen. Hij maakte ook afbeeldingen voor kalenders als relatiegeschenk voor bedrijven als Mitsubishi.

Hasui maakte vele prenten met afbeeldingen van toeristische plaatsen in Japan. 

Honderd jaar later

Ik had bij deze tentoonstelling vaak een “O,ja!” gevoel bij afbeeldingen van plaatsen waar ik was geweest, tien jaar geleden. Zo kreeg ik het idee om dat in een blog te combineren. Een prent van Hasui en een foto van honderd jaar later door mij. Kijk je mee?

De brug over de Asano rivier bij Kanazawa

Tempelplein in de Asakusa wijk in Tokyo

Tempelcomplex in Nikko

De torii van Miyajima;

een torii is een poort tot een Shinto heiligdom.

Het is jammer dat er geen hertjes op de prent staan. Want Miyajima (een eilandje bij Hirsoshima) is nu ook bekend omdat er heel veel herten lopen, die brutaalweg eten uit je tas proberen te pikken. Je kan er zelfs speciaal eten kopen om ze mee te voeren. 

Waarschijnlijk waren ze honderd jaar geleden nog niet zo vrijpostig en zo massaal aanwezig.

De berg Fuji

Een bijzondere vermelding voor de berg Fuji, volgens het Shinto geloof een heilige berg. Wel duizenden keren afgebeeld in verschillende seizoenen en vanuit verschillende hoeken. Zoals al rond 1700 door Hokusai met “36 gezichten op de berg Fuji“. In de Tweede Wereldoorlog werd de berg Fuji, net als de kersenbloessem, een symbool voor Japans nationalisme.

Ook Hasui en Watanabe ontkwamen niet aan de oorlog. Watanabe moest naar het front in China. Het was niet de eerste oorlog met China, maar veel vijandigheid tussen deze twee landen is toen ontstaan. Hasui vluchtte na het bombardement op Tokyo naar het platteland. Hij maakte werk in opdracht voor fondsenwerving voor het Japanse leger, maar ging nooit “embedded” mee naar het front. In de tentoonstelling hangen een paar voorbeelden.

Na de capitulatie van Japan kwamen de Shin hanga in een stroomversnelling met enorme oplagen. Hasui maakte toen nog maar weinig nieuw werk. Voor Watanabe gingen de zaken beter dan ooit. De reden: de Amerikaanse militairen kochten allemaal Japanse prenten voor thuis. 

Over de kersenbloesem in de Tweede Wereldoorlog gaat het in mijn blog Sakura

Hier de website van het SieboldHuis

 

 

 

Groene Wissel Leiden

Er zijn wel drie Groene Wissels Leiden en nog een heleboel andere stadswandelingen. Ik kies een korte (5 km) want ik wil ook naar het Sieboldhuis.

Het eerste stuk van deze wandeling is bekend. Langs het Wereldmuseum door het Singelpark, voorbij de Morspoort, waar op een een hoek Rembrandt uitkijkt over de singel. Rembrandt van Rijn is geboren in Leiden en daar zijn ze in Leiden trots op. Ik kom onderweg nog wel meer verwijzingen naar hem tegen.

Daarna tussen universiteitsgebouwen door en via de Hortus naar het Rapenburg. Tot zover ken ik het wel. Leuk is dat er steeds naambordjes bij de bomen staan. Nu zijn alle bomen nog kaal, maar leuk om ’s zomers hier nog eens te gaan kijken.

Na het Rapenburg, wandel ik verder en kom ik opnieuw in het Singelpark. Hier ontmoet ik een heel ander beeldje, dat van de “Venus van Leiden”. Die houten Venus staat er nog niet lang. In 2004 “wild” geplaatst door een kunstenaarscollectief. Verwijderd, na bewonersprotesten teruggezet. Toen een paar jaar later het hoofd werd afgezaagd, is het overdwars teruggezet. Goed idee vind ik, het is nu wat kubistisch geworden.

Intussen ben ik het park alweer uitgelopen en via een smal straatje kom ik op de Herengracht. Dit deel van Leiden ken ik helemaal niet.

Na de deftige Herengracht ga ik weer een zijstraatje in. Want dat is toch wel een kenmerk van Leiden, al die smalle straatjes en dan om de hoek ineens weer iets heel anders te zien.

Dus via de Groenesteeg, met veel geveltuintjes en de Vestestraat kom ik in het Van der Lubbehof en daarna  door een smal poortje, waar je zo aan voorbij zou lopen, naar het Sophiahofje en door een smalle gang op het Roggebroodshof en zo kom ik op de Middelste Gracht.

Even verderop aan die Middelste Gracht kom ik via een onopvallende bruine deur op het terrein van Sint Anna Aalmoeshuis. Dit is het oudste hof van Leiden (1492) bedoeld voor alleenstaande vrouwen. Nog steeds is het bewoond, nu wonen er vooral studenten. Ik spreek een paar van die studenten die het een prachtige plek vinden en me verzekeren dat het er in de zomer nog veel mooier uit ziet.

Anna Aalmoeshof (detail)

Na de hofjes loop ik langs de Nieuwe Rijn en via de Karnemelksbrug sta ik ineens voor de Hooglandse kerk, een gotische kerk die nog steeds in gebruik is als kerkgebouw.

Intussen ben ik weer bij het bekende centrum van Leiden gekomen, er lopen hier ook groepjes toeristen. Maar deze wandelroute heeft nog een verrassing in petto voor mij! Via de Hooglandsekerkgracht en een stukje Oude Rijn kom ik bij de Burcht. De Burcht? Ik had geen idee van een burcht in Leiden. Het blijkt een van de oudste in het land te zijn. Hij ligt op een hoogte(een motte) die is opgeworpen waar Oude en Nieuw Rijn samenkomen. Hij is gebouwd omstreeks 870, maar omdat hij binnen de muren van de stad kwam te liggen verloor hij al rond 1370 zijn functie als verdedigingswerk. Het werd een kasteel met logies voor rijke handelaren.

uitzicht vanaf de Burcht

Natuurlijk klim ik de trappen omhoog en loop ik een rondje langs de schietgaten. Vandaar heb je een mooi uitzicht over het centrum van de stad. Het kasteelterrein is nu een openbaar park.

Hierna daal ik weer af, opnieuw langs de Nieuwe Rijn, achter het stadhuis langs. Nu ben ik wel echt in het winkelgebied van de stad.

Ik kom uit bij de Hartebrugkerk in de Haarlemmerstraat. Deze RK kerk is open en er zijn veel mensen (veel jongeren ook) die een kaarsje opsteken. De kerk is niet zo oud als de grote Hooglandse kerk, is neo klassiek en gewijd aan Franciscus. Aan de gevel hangt een tekst uit het Zonnelied van deze heilige.

Het laatste stukje van de route laat ik zitten, want via de Haarlemmerstraat kom ik snel op het Rapenburg waar het Sieboldhuis is met het Japanmuseum.

Daar bekijk ik de tentoonstelling “De verbeelding van Japan”. Daarover een volgende keer.

Ook deze wandeling vind je op de Wandelzoekpagina.