
In 1977 vroeg De Revisor een aantal schrijvers om een zelfportret te tekenen. Veel van de gevraagden deden mee, de resultaten werden in twee opeenvolgende nummers van het tijdschrift geplaatst. Een aantal portretten verwierf ook buiten de pagina’s van het tijdschrift enige bekendheid. Er kwam een boekje van, ook werden er een paar opgenomen in Ik probeer mijn pen…, een rijk geïllustreerde literatuurgeschiedenis die in 1979 verscheen, als Boek van de Maand als ik me goed herinner.
(Ja, dat klopt, ik heb het even opgezocht, het was het laatste Boek van de Maand van 1979, nummer 40 in de reeks. Die reeks begon in 1970 met nummer 1: Weerklank van Anne Frank en eindigde in 1985 met nummer 58: Wonen in de ruimte. Die twee titels vatten het nu nog steeds niet afgelopen naoorlogse tijdperk aardig samen. Per jaar verschenen er zo te zien maar vier Boeken van de Maand, wat de vraag oproept waarom ze niet voor het etiket Boek van het Kwartaal kozen.)
Toen Ik probeer mijn pen… uitkwam was ik 16, en ik kocht het meteen, bij Boekhandel Verbunt in Bennekom neem ik aan (heette die boekhandel zo? Ik kan het nergens terugvinden) en ik neem ook aan dat ik betaalde met een boekenbon die ik had verdiend met een bijdrage aan de rubriek ‘Tekening van de lezer’, die destijds in Trouw liep. (Voor een gepubliceerde politieke cartoon kreeg je een boekenbon van 25 gulden; soms moest ik die met mijn vader delen als hij het idee had geleverd en ik de tekening.)
De ondertitel van Ik probeer mijn pen… luidde Atlas van de Nederlandse Letterkunde, en ik kocht het boek omdat ik rond wilde lopen in het land dat in die atlas werd afgebeeld. Ik wilde er inwoner van zijn, ik wilde er een onderkomen. In de bibliotheek van Ede las ik elke week de boekenbijlagen van de kranten en de weekbladen en de literaire tijdschriften die daar een eigen rek hadden. Ik wilde geen schrijver worden, ik wilde schrijver zijn. Ooit wilde ik genoemd worden, in ver in de toekomst liggende herdrukken van het Boek van de Maand.
Terwijl ik helemaal niet zo veel literatuur las in die tijd. In ieder geval geen officiële literatuur. Elke maand kocht ik de Amerikaanse editie van Mad magazine bij Verbunt, inclusief de specials die de uitgevers van MAD met ijzeren regelmaat uitbrachten (of heette die boekhandel Van de Bunt – nee, dat was een makelaar in Ede), verder las ik veel sciencefiction en schrijvers als Herman Pieter de Boer, Bomans en Carmiggelt, die toen nog veilig onder het kopje ‘humoristen’ konden worden ondergebracht. Herman Pieter de Boer viel als eerste af, daarna ging Bomans; Carmiggelt ben ik nog jaren blijven lezen, hij werd een vaderfiguur voor me, ik heb hem in die jaren wel eens geschreven (en antwoord gekregen), ik wilde hem zijn, ik wilde net als hem in een lange regenjas bedaard door Amsterdam slenteren, en dat er zich dan kleine dingen zouden aandienen waarover ik kon schrijven.
Ik heb later veel door Amsterdam gelopen, maar een lange regenjas heb ik nooit gehad, en Carmiggelt zal ongetwijfeld minder bedaard hebben rondgeslenterd dan ik in die tijd veronderstelde.
Carmiggelt was een van die schrijvers die in 1977 voor De Revisor een zelfportret tekende. Die tekening is volgens mij niet opgenomen in Ik probeer mijn pen… Ik heb het boek nog steeds maar ik kan er nu niet bij, het staat in Brussel en ik zit in Oostende. Het zelfportret van Jan Kal staat er wel in, en ook dat van Judith Herzberg die aan een postzegel likt, en het zelfportret van Komrij, de omtrek van zijn hoofd in de vorm van een verbind-de-puntjes tekening, met in het midden een vinger die een ooglid naar beneden trekt. Of er nog meer tekeningen uit de serie in het boek stonden weet ik niet, ik zal eens kijken als ik weer in Brussel ben.
Dat ik over die serie zelfportretten begin komt omdat Thomas HvV voor de site van het Literatuurmuseum interviews heeft afgenomen met schrijvers die destijds zijn ingegaan op het verzoek van De Revisor. Er deden toen 79 schrijvers mee. De meesten zijn inmiddels overleden. Uiteindelijk sprak HvV er 18. Hij laat ze het zelfportret zien dat ze zo’n vijftig jaar geleden tekenden. Hij beschrijft wat ze hem vertellen en vooral: hij beschrijft hoe hij ze aantreft, en soms ook hoe ze door hem aangetroffen willen worden; dat zijn twee verschillende dingen.
Die interviews zijn nu gebundeld onder de titel De prullenmand heeft veel plezier aan mij, een uitspraak van Judith Herzberg tijdens het interview dat Thomas HvV haar afnam. Wat mij betreft had ook gekozen kunnen worden voor iets dat Rudolf Geel in zijn interview zei: Eigenlijk, beste Thomas, hebben we het nu over de geschiedenis van mijn verdwijning.
Behalve met de twee genoemden sprak Thomas HvV ook met Arie van den Berg, H.C. ten Berge, Jan Donkers, Jan Kal, Mensje van Keulen, Anton Korteweg, Jan Kuijper, Hilbert Kuik, Guus Luijters, Lidy van Marissing, Nicolaas Matsier, Cees Nooteboom, Willem Jan Otten, Jan Siebelink, Hans Vervoort en Ad Zuiderent. De oudste is Nooteboom (1933), de jongste Otten (1951).
Voor mij is De prullenmand heeft veel plezier aan mij een fascinerend boek, omdat het me terugbrengt naar de tijd waarin ik zonder eigenlijk ook maar ergens van af te weten in de literatuur wilde terechtkomen; de tijd waarin ik die paar zelfportretten in dat Boek van de Maand zag staan, steeds weer, want het was een boek waar ik vaak in bladerde. Alle schrijvers uit de laatste hoofdstukken van het boek leefden nog, schreven nog. Je zou ze op straat tegen kunnen komen, zeker nadat ik in 1981 was ingetrokken bij mijn oudste zus, die in Amsterdam woonde. Verder dan Dirk Ayelt Kooiman op het terras van de IJsbreker ben ik overigens nooit gekomen.
(Kooiman tekende ook een zelfportret voor DeRevisor. Voor Thomas HvV was hij niet meer te spreken, hij overleed in 2018.)
Al die schrijvers fascineerden me maar hun boeken las ik niet. Zoals gezegd, ik las andere dingen. Tussen mij en het Revisor-en-Raster proza van die jaren lag een hoge drempel, die waarschijnlijk vanaf beide kanten was opgeworpen. Mijn zus had eerder in Arnhem aan de kunstacademie literatuurles gehad van H.C. ten Berge; toen ik bij haar in Amsterdam was ingetrokken studeerde ze aan de lerarenopleiding De Witte Lelie, waar ze onder andere les kreeg van de dichter Rein Bloem en de literator Jacques Kruithof. ‘Bevlogen docenten,’ appte ze me gisteren, ‘stevige innemers ook.’
Ik luisterde geboeid naar wat ze me over haar colleges vertelde, maar ik had weinig belangstelling voor de boeken die werden gelezen. Maar toen ze in een werkgroep De eeuwige stad van Nicolaas Matsier las, las ik uit nieuwsgierigheid mee. De eeuwige stad was, en is nog steeds, een dunne roman over een schrijver die naar Rome gaat om een boek te schrijven. Hij loopt door Rome. Heel veel op papier krijgt hij niet. Ik weet niet meer wat ik toen van dat boek vond. Wat me vooral is bijgebleven is de discussie tussen studenten en de docent in de werkgroep, waarvan mijn zus later verslag deed. In die discussie draaide het vooral om de vraag of de hoofdpersoon überhaupt in Rome was geweest. Dat verbaasde me nogal, het boek ging toch over iemand die naar Rome ging en daar rondliep? Dat je over boeken op dit niveau kon, en misschien wel moest discussiëren ging me a. te ver en b. boven mijn pet.
(H.C. ten Berge tekende een zelfportret, leeft nog en werd door Thomas HvV geïnterviewd, hetzelfde geldt voor Nicolaas Matsier. Rein Bloem en Jacques Kruithof leven niet meer. Of ze in 1977 hebben meegedaan weet ik niet. Helaas staat er in de bundel geen lijst van iedereen die destijds een zelfportret tekende.)
Hoewel ik in die jaren dus weinig Nederlandse literatuur las (Wolkers wel, trouwens; dat was in de streng protestantse kringen waar ik uit voort kwam een daad van verzet), wilde ik er wel bij horen, heel graag zelfs. Blijkbaar had ik meer belangstelling voor literatuur als wereld, zoals ze in de Atlas van de Nederlandse letterkunde werd afgebeeld, dan voor wat ze tot die wereld maakte: het werk, de boeken. Misschien zag ik literatuur vooral als een wereld waarin in me zou kunnen thuis voelen; gehuld in een lange regenjas, zo-een met flappen, kragen en een brede ceintuur, wandelde ik er doorheen.
Op dbnl.org las ik eerder vandaag een paar recensies over, en fragmenten uit De eeuwige stad. Ik kreeg tot mijn verbazing meteen zin om het boek nog eens te lezen. Wie weet. Misschien is het iets voor De Nieuwe Contrabas, de podcast waarin Chrétien Breukers en ik zo nu en dan een Vestdijk bespreken; waarom niet eens een serie over Revisor-en-Raster proza uit de jaren zeventig, om te kijken wat daar nog van overblijft?
De prullenmand heeft veel plezier aan mij is uiteraard niet alleen een fascinerend boek omdat het mij doet terugdenken aan de jaren waarin ik mijn pen probeerde. Het gaat niet alleen over die ene generatie schrijvers die nu aan het verdwijnen is en door Thomas HvV ten grave wordt gedragen. Het gaat over elke generatie schrijvers, het gaat over elke poging iets te maken, iets achter te willen laten. Het boek is confronterend, het is schrijnend maar je zou ook kunnen zeggen dat hier de natuurlijke gang van zaken wordt getoond: als ze geen boom op hun hoofd krijgen of onder een auto komen, zullen veruit de meeste schrijvers hun werk overleven.
Natuurlijke gang van zaken of niet, voor de schrijvers in kwestie is het doorgaans een waarheid is die moeilijk te verteren is. Sommige geïnterviewden gaan daar beter mee om dan anderen. Maar wat is beter in dit verband? En hoe zou ik het zelf doen? Met enige waardigheid mag ik hopen, maar dat hoop ik nu, misschien ben ik tegen die tijd (als die ooit aanbreekt, er kan ook nog een boom op mij vallen) door al mijn waardigheid heen en ervaar ik dat als een grote bevrijding.
Iedereen heeft zijn of haar eigen omgang met werk en vroeger succes. Al hebben de geïnterviewden uit deze bundel wel meer gemeen dan dat ze ooit een zelfportret voor De Revisor hebben getekend; zo lijken ze vrijwel allemaal in Amsterdam-Zuid te wonen, in ruime appartementen met grote, goed gevulde boekenkasten. Maar dat is niet zo; het is eerder zo dat de schrijvers van wie de woonomstandigheden op die manier worden omschreven, meteen symbool staan voor iedereen uit dit boek, voor iedereen van hun generatie, omdat het resoneert aan ons idee over schrijvers van die generatie.
Dat De prullenmand heeft veel plezier aan mij zo fascinerend is, komt ook door de manier waarop Thomas HvV zijn interviews heeft afgenomen en opgeschreven. Hij heeft er geen filter overheen gelegd, hij heeft de geïnterviewden niet doen baden in het verzachtende, respectvolle licht van een gouden zonsondergang. De meesten hadden dat ook niet toegestaan, omdat ze daar nog niet aan toe zijn, omdat ze nog iets willen, nog plannen hebben, nog onuitgegeven manuscripten hebben liggen. De oude schrijvers worden getoond in al hun kleinheid en grootheid, grimmig, berustend, gretig op zoek naar een laatste flintertje aandacht. Thomas HvV is interviewer en fly on the wall tegelijk. Hij stelt vragen en observeert. In sommige fragmenten schuren de interviews tegen het genadeloze aan. Hier en daar dacht ik: als ik deze geïnterviewde was, zou ik deze passage niet graag teruglezen. Maar ik kan niet voor anderen spreken, dit zegt misschien meer over mij dan over hen. Hoe dan ook, dat het hier en daar schuurt pleit voor dit boek, want mede daardoor wordt het meer dan een zoveelste bundeling schrijversinterviews, mede daardoor zit het vol leven. Niet alleen het leven van de geïnterviewden, ook het leven van de interviewer.
Elk interview is een zelfportret van de interviewer, ik weet niet meer wie het zei, waarschijnlijk iedereen. We hebben hier dus ook achttien zelfportretten van een schrijver die zich verhoudt tot schrijvers van een vorige generatie, negentien eigenlijk, want Thomas HvV schreef ook nog een mooie inleiding. Door de wisselwerking tussen auteur en auteurs staat er iets op het spel, en daarom maakt deze bundel onvervreemdbaar deel uit van het oeuvre van Thomas HvV, het is bijna jammer dat je zo’n boek niet als roman of autofictie kan classificeren, en het is ook bijna jammer dat er ook niet nog één fictief interview is opgenomen. En waar ik al de hele tijd het woord interview gebruik moet je eigenlijk lezen: verslag. Deze bundel staat vol reisverslagen, zowel in tijd als plaats. Ook al hoefde de samensteller er nauwelijks Amsterdam-Zuid voor uit, hier is hij een reiziger.
Tot slot. De verleiding is groot om er een aantal interviews en geïnterviewden uit te lichten. Eentje dan: het interview, nee, het verslag van de ontmoeting met Cees Nooteboom op Menorca, het eiland waar hij veel tijd heeft doorgebracht en dat hijwaarschijnlijk nooit meer zal verlaten. Het is een verslag van een poging om een hoogbejaarde schrijver te interviewen die zich langzaam in en uit de mist in zijn hoofd beweegt, steeds weer verschijnend en verdwijnend. Wanneer er dan eindelijk een uitwisseling plaatsvindt, kan je niet anders dan concluderen dat dit het laatste interview met Nooteboom zal zijn. Dat ene woord dat hij zegt wanneer hij de studio binnenloopt waar hij tienduizenden uren heeft zitten werken; hij kijkt om zich heen en zegt: ‘Belachelijk.’
Dit laatste verslag zou je zo kunnen verfilmen. Jonge schrijver bezoekt oude, uitdovende schrijver op een klein Spaans eiland. Je zou die film met terugwerkende kracht allang willen laten bestaan, gemaakt in Italië, in de jaren zestig, met gedempt natuurlijk licht, veel stil spel en een gebrekkige projectie waarbij er langs de rand van het beeld soms een trillend haartje is te zien.









