ik heb nooit een lange regenjas gehad

In 1977 vroeg De Revisor een aantal schrijvers om een zelfportret te tekenen. Veel van de gevraagden deden mee, de resultaten werden in twee opeenvolgende nummers van het tijdschrift geplaatst. Een aantal portretten verwierf ook buiten de pagina’s van het tijdschrift enige bekendheid. Er kwam een boekje van, ook werden er een paar opgenomen in Ik probeer mijn pen…, een rijk geïllustreerde literatuurgeschiedenis die in 1979 verscheen, als Boek van de Maand als ik me goed herinner.

(Ja, dat klopt, ik heb het even opgezocht, het was het laatste Boek van de Maand van 1979, nummer 40 in de reeks. Die reeks begon in 1970 met nummer 1: Weerklank van Anne Frank en eindigde in 1985 met nummer 58: Wonen in de ruimte. Die twee titels vatten het nu nog steeds niet afgelopen naoorlogse tijdperk aardig samen. Per jaar verschenen er zo te zien maar vier Boeken van de Maand, wat de vraag oproept waarom ze niet voor het etiket Boek van het Kwartaal kozen.)

Toen Ik probeer mijn pen… uitkwam was ik 16, en ik kocht het meteen, bij Boekhandel Verbunt in Bennekom neem ik aan (heette die boekhandel zo? Ik kan het nergens terugvinden) en ik neem ook aan dat ik betaalde met een boekenbon die ik had verdiend met een bijdrage aan de rubriek ‘Tekening van de lezer’, die destijds in Trouw liep. (Voor een gepubliceerde politieke cartoon kreeg je een boekenbon van 25 gulden; soms moest ik die met mijn vader delen als hij het idee had geleverd en ik de tekening.)

De ondertitel van Ik probeer mijn pen… luidde Atlas van de Nederlandse Letterkunde, en ik kocht het boek omdat ik rond wilde lopen in het land dat in die atlas werd afgebeeld. Ik wilde er inwoner van zijn, ik wilde er een onderkomen. In de bibliotheek van Ede las ik elke week de boekenbijlagen van de kranten en de weekbladen en de literaire tijdschriften die daar een eigen rek hadden. Ik wilde geen schrijver worden, ik wilde schrijver zijn. Ooit wilde ik genoemd worden, in ver in de toekomst liggende herdrukken van het Boek van de Maand.

Terwijl ik helemaal niet zo veel literatuur las in die tijd. In ieder geval geen officiële literatuur. Elke maand kocht ik de Amerikaanse editie van Mad magazine bij Verbunt, inclusief de specials die de uitgevers van MAD met ijzeren regelmaat uitbrachten (of heette die boekhandel Van de Bunt – nee, dat was een makelaar in Ede), verder las ik veel sciencefiction en schrijvers als Herman Pieter de Boer, Bomans en Carmiggelt, die toen nog veilig onder het kopje ‘humoristen’ konden worden ondergebracht. Herman Pieter de Boer viel als eerste af, daarna ging Bomans; Carmiggelt ben ik nog jaren blijven lezen, hij werd een vaderfiguur voor me, ik heb hem in die jaren wel eens geschreven (en antwoord gekregen), ik wilde hem zijn, ik wilde net als hem in een lange regenjas bedaard door Amsterdam slenteren, en dat er zich dan kleine dingen zouden aandienen waarover ik kon schrijven.

Ik heb later veel door Amsterdam gelopen, maar een lange regenjas heb ik nooit gehad, en Carmiggelt zal ongetwijfeld minder bedaard hebben rondgeslenterd dan ik in die tijd veronderstelde.

Carmiggelt was een van die schrijvers die in 1977 voor De Revisor een zelfportret tekende. Die tekening is volgens mij niet opgenomen in Ik probeer mijn pen… Ik heb het boek nog steeds maar ik kan er nu niet bij, het staat in Brussel en ik zit in Oostende. Het zelfportret van Jan Kal staat er wel in, en ook dat van Judith Herzberg die aan een postzegel likt, en het zelfportret van Komrij, de omtrek van zijn hoofd in de vorm van een verbind-de-puntjes tekening, met in het midden een vinger die een ooglid naar beneden trekt. Of er nog meer tekeningen uit de serie in het boek stonden weet ik niet, ik zal eens kijken als ik weer in Brussel ben.

Dat ik over die serie zelfportretten begin komt omdat Thomas HvV voor de site van het Literatuurmuseum interviews heeft afgenomen met schrijvers die destijds zijn ingegaan op het verzoek van De Revisor. Er deden toen 79 schrijvers mee. De meesten zijn inmiddels overleden. Uiteindelijk sprak HvV er 18. Hij laat ze het zelfportret zien dat ze zo’n vijftig jaar geleden tekenden. Hij beschrijft wat ze hem vertellen en vooral: hij beschrijft hoe hij ze aantreft, en soms ook hoe ze door hem aangetroffen willen worden; dat zijn twee verschillende dingen.

Die interviews zijn nu gebundeld onder de titel De prullenmand heeft veel plezier aan mij, een uitspraak van Judith Herzberg tijdens het interview dat Thomas HvV haar afnam. Wat mij betreft had ook gekozen kunnen worden voor iets dat Rudolf Geel in zijn interview zei: Eigenlijk, beste Thomas, hebben we het nu over de geschiedenis van mijn verdwijning.

Behalve met de twee genoemden sprak Thomas HvV ook met Arie van den Berg, H.C. ten Berge, Jan Donkers, Jan Kal, Mensje van Keulen, Anton Korteweg, Jan Kuijper, Hilbert Kuik, Guus Luijters, Lidy van Marissing, Nicolaas Matsier, Cees Nooteboom, Willem Jan Otten, Jan Siebelink, Hans Vervoort en Ad Zuiderent. De oudste is Nooteboom (1933), de jongste Otten (1951).

Voor mij is De prullenmand heeft veel plezier aan mij een fascinerend boek, omdat het me terugbrengt naar de tijd waarin ik zonder eigenlijk ook maar ergens van af te weten in de literatuur wilde terechtkomen; de tijd waarin ik die paar zelfportretten in dat Boek van de Maand zag staan, steeds weer, want het was een boek waar ik vaak in bladerde. Alle schrijvers uit de laatste hoofdstukken van het boek leefden nog, schreven nog. Je zou ze op straat tegen kunnen komen, zeker nadat ik in 1981 was ingetrokken bij mijn oudste zus, die in Amsterdam woonde. Verder dan Dirk Ayelt Kooiman op het terras van de IJsbreker ben ik overigens nooit gekomen.

(Kooiman tekende ook een zelfportret voor DeRevisor. Voor Thomas HvV was hij niet meer te spreken, hij overleed in 2018.)

Al die schrijvers fascineerden me maar hun boeken las ik niet. Zoals gezegd, ik las andere dingen. Tussen mij en het Revisor-en-Raster proza van die jaren lag een hoge drempel, die waarschijnlijk vanaf beide kanten was opgeworpen. Mijn zus had eerder in Arnhem aan de kunstacademie literatuurles gehad van H.C. ten Berge; toen ik bij haar in Amsterdam was ingetrokken studeerde ze aan de lerarenopleiding De Witte Lelie, waar ze onder andere les kreeg van de dichter Rein Bloem en de literator Jacques Kruithof. ‘Bevlogen docenten,’ appte ze me gisteren, ‘stevige innemers ook.’

Ik luisterde geboeid naar wat ze me over haar colleges vertelde, maar ik had weinig belangstelling voor de boeken die werden gelezen. Maar toen ze in een werkgroep De eeuwige stad van Nicolaas Matsier las, las ik uit nieuwsgierigheid mee. De eeuwige stad was, en is nog steeds, een dunne roman over een schrijver die naar Rome gaat om een boek te schrijven. Hij loopt door Rome. Heel veel op papier krijgt hij niet. Ik weet niet meer wat ik toen van dat boek vond. Wat me vooral is bijgebleven is de discussie tussen studenten en de docent in de werkgroep, waarvan mijn zus later verslag deed. In die discussie draaide het vooral om de vraag of de hoofdpersoon überhaupt in Rome was geweest. Dat verbaasde me nogal, het boek ging toch over iemand die naar Rome ging en daar rondliep? Dat je over boeken op dit niveau kon, en misschien wel moest discussiëren ging me a. te ver en b. boven mijn pet.

(H.C. ten Berge tekende een zelfportret, leeft nog en werd door Thomas HvV geïnterviewd,  hetzelfde geldt voor Nicolaas Matsier. Rein Bloem en Jacques Kruithof leven niet meer. Of ze in 1977 hebben meegedaan weet ik niet. Helaas staat er in de bundel geen lijst van iedereen die destijds een zelfportret tekende.)

Hoewel ik in die jaren dus weinig Nederlandse literatuur las (Wolkers wel, trouwens; dat was in de streng protestantse kringen waar ik uit voort kwam een daad van verzet), wilde ik er wel bij horen, heel graag zelfs. Blijkbaar had ik meer belangstelling voor literatuur als wereld, zoals ze in de Atlas van de Nederlandse letterkunde werd afgebeeld, dan voor wat ze tot die wereld maakte: het werk, de boeken. Misschien zag ik literatuur vooral als een wereld waarin in me zou kunnen thuis voelen; gehuld in een lange regenjas, zo-een met flappen, kragen en een brede ceintuur, wandelde ik er doorheen.

Op dbnl.org las ik eerder vandaag een paar recensies over, en fragmenten uit De eeuwige stad. Ik kreeg tot mijn verbazing meteen zin om het boek nog eens te lezen. Wie weet. Misschien is het iets voor De Nieuwe Contrabas, de podcast waarin Chrétien Breukers en ik zo nu en dan een Vestdijk bespreken; waarom niet eens een serie over Revisor-en-Raster proza uit de jaren zeventig, om te kijken wat daar nog van overblijft?

De prullenmand heeft veel plezier aan mij is uiteraard niet alleen een fascinerend boek omdat het mij doet terugdenken aan de jaren waarin ik mijn pen probeerde. Het gaat niet alleen over die ene generatie schrijvers die nu aan het verdwijnen is en door Thomas HvV ten grave wordt gedragen. Het gaat over elke generatie schrijvers, het gaat over elke poging iets te maken, iets achter te willen laten. Het boek is confronterend, het is schrijnend maar je zou ook kunnen zeggen dat hier de natuurlijke gang van zaken wordt getoond: als ze geen boom op hun hoofd krijgen of onder een auto komen, zullen veruit de meeste schrijvers hun werk overleven.

Natuurlijke gang van zaken of niet, voor de schrijvers in kwestie is het doorgaans een waarheid is die moeilijk te verteren is. Sommige geïnterviewden gaan daar beter mee om dan anderen. Maar wat is beter in dit verband? En hoe zou ik het zelf doen? Met enige waardigheid mag ik hopen, maar dat hoop ik nu, misschien ben ik tegen die tijd (als die ooit aanbreekt, er kan ook nog een boom op mij vallen) door al mijn waardigheid heen en ervaar ik dat als een grote bevrijding.

Iedereen heeft zijn of haar eigen omgang met werk en vroeger succes. Al hebben de geïnterviewden uit deze bundel wel meer gemeen dan dat ze ooit een zelfportret voor De Revisor hebben getekend; zo lijken ze vrijwel allemaal in Amsterdam-Zuid te wonen, in ruime appartementen met grote, goed gevulde boekenkasten. Maar dat is niet zo; het is eerder zo dat de schrijvers van wie de woonomstandigheden op die manier worden omschreven, meteen symbool staan voor iedereen uit dit boek, voor iedereen van hun generatie, omdat het resoneert aan ons idee over schrijvers van die generatie.

Dat De prullenmand heeft veel plezier aan mij zo fascinerend is, komt ook door de manier waarop Thomas HvV zijn interviews heeft afgenomen en opgeschreven. Hij heeft er geen filter overheen gelegd, hij heeft de geïnterviewden niet doen baden in het verzachtende, respectvolle licht van een gouden zonsondergang. De meesten hadden dat ook niet toegestaan, omdat ze daar nog niet aan toe zijn, omdat ze nog iets willen, nog plannen hebben, nog onuitgegeven manuscripten hebben liggen. De oude schrijvers worden getoond in al hun kleinheid en grootheid, grimmig, berustend, gretig op zoek naar een laatste flintertje aandacht. Thomas HvV is interviewer en fly on the wall tegelijk. Hij stelt vragen en observeert. In sommige fragmenten schuren de interviews tegen het genadeloze aan. Hier en daar dacht ik: als ik deze geïnterviewde was, zou ik deze passage niet graag teruglezen. Maar ik kan niet voor anderen spreken, dit zegt misschien meer over mij dan over hen. Hoe dan ook, dat het hier en daar schuurt pleit voor dit boek, want mede daardoor wordt het meer dan een zoveelste bundeling schrijversinterviews, mede daardoor zit het vol leven. Niet alleen het leven van de geïnterviewden, ook het leven van de interviewer.

Elk interview is een zelfportret van de interviewer, ik weet niet meer wie het zei, waarschijnlijk iedereen. We hebben hier dus ook achttien zelfportretten van een schrijver die zich verhoudt tot schrijvers van een vorige generatie, negentien eigenlijk, want Thomas HvV schreef ook nog een mooie inleiding. Door de wisselwerking tussen auteur en auteurs staat er iets op het spel, en daarom maakt deze bundel onvervreemdbaar deel uit van het oeuvre van Thomas HvV, het is bijna jammer dat je zo’n boek niet als roman of autofictie kan classificeren, en het is ook bijna jammer dat er ook niet nog één fictief interview is opgenomen. En waar ik al de hele tijd het woord interview gebruik moet je eigenlijk lezen: verslag. Deze bundel staat vol reisverslagen, zowel in tijd als plaats. Ook al hoefde de samensteller er nauwelijks Amsterdam-Zuid voor uit, hier is hij een reiziger.

Tot slot. De verleiding is groot om er een aantal interviews en geïnterviewden uit te lichten. Eentje dan: het interview, nee, het verslag van de ontmoeting met Cees Nooteboom op Menorca, het eiland waar hij veel tijd heeft doorgebracht en dat hijwaarschijnlijk nooit meer zal verlaten. Het is een verslag van een poging om een hoogbejaarde schrijver te interviewen die zich langzaam in en uit de mist in zijn hoofd beweegt, steeds weer verschijnend en verdwijnend. Wanneer er dan eindelijk een uitwisseling plaatsvindt, kan je niet anders dan concluderen dat dit het laatste interview met Nooteboom zal zijn. Dat ene woord dat hij zegt wanneer hij de studio binnenloopt waar hij tienduizenden uren heeft zitten werken; hij kijkt om zich heen en zegt: ‘Belachelijk.’

Dit laatste verslag zou je zo kunnen verfilmen. Jonge schrijver bezoekt oude, uitdovende schrijver op een klein Spaans eiland. Je zou die film met terugwerkende kracht allang willen laten bestaan, gemaakt in Italië, in de jaren zestig, met gedempt natuurlijk licht, veel stil spel en een gebrekkige projectie waarbij er langs de rand van het beeld soms een trillend haartje is te zien.

Geplaatst in lezen, schrijven | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

museumstukken

Van een oproep het Museumplein te overdekken tot de conclusie dat de jas die in een Gents museum gestolen wordt, nooit mijn jas kan zijn. Het valt allemaal te lezen in:

Museumstukken, een bundeling van een aantal van mijn blogstukken over museumbezoeken, met één nooit eerder gepubliceerd stuk. Uitgegeven door Artistiek Bureau van (de onvolprezen) Nick ter Wal, vormgegeven door (de legendarische) Martien Frijns. Oplage: 250 stuks, prijs: € 25,- Ik ben er erg blij mee. Voor meer informatie, zie: https://www.artistiekbureau.com/product-page/rob-van-essen-museumstukken

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , | Plaats een reactie

literaire preek – een land waar je eenmaal met de trein doorheen bent gereisd

Op 20 oktober 2024 hield ik bijgaande voordracht in de Stevenskerk in Nijmegen, voor de serie Literaire Preken, georganiseerd door de Bibliotheek Gelderland Zuid en de Stichting Stevenskerk Nijmegen. Dit is een uitgebreide versie, waarin een aantal passages zijn opgenomen waarvoor vanwege de tijdslimiet van vijfenveertig minuten geen plek was in de preek zoals ik die heb voorgelezen. Over levenslessen, de ander, de Ander, de dood van de literatuur, Herman Finkers, Nescio, en de Tempelreiniging.

klik hier om de preek te lezen:https://rvessen.wordpress.com/wp-content/uploads/2024/10/een-land-waar-je-eenmaalmet-de-trein-doorheen-bent-gereisd-1.pdf

Geplaatst in Geen categorie, lezen, schrijven | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

een vreemde geschiedenis (over een boek dat niet mocht uitkomen)

Iets heel anders, even. Bijgaand stuk van Karl van den Broeck (zie de link onderaan) stond dit weekend op de site van onderzoeksplatform en tijdschrift apache.be, waarvan Van den Broeck de hoofdredacteur is.  Het gaat over de vreemde geschiedenis van het boek De vrienden van het vastgoed, dat zou uitkomen bij uitgeverij Houtekiet.

De uitgever van Houtekiet had gevraagd of onderzoeksjournalisten Tom Cochez en David Leloup een boek konden maken van de artikelen die ze in de loop der jaren hadden geschreven ‘over het infame Land Invest Group-dossier, de innige paringsdans tussen projectontwikkelaar Erik Van der Paal en burgemeester Bart De Wever’, een dossier waarin Apache zich al meer dan tien jaar had verdiept.

Het boek was aangekondigd en door boekhandels voorbesteld maar het kwam er niet. Houtekiet is onderdeel van VBK België, en de directeur van VBK België vond het niet zo’n goed idee om het boek uit te brengen, ze had het lef niet, er zouden machtige vijanden worden gemaakt, het zou ten koste gaan van allerlei relaties, en het zou sowieso geen succes worden – zie het artikel zelf voor alle details.

Of het nu om fictie of non-fictie gaat, de literaire wereld hangt aan elkaar van netwerken en relaties, waarbinnen iedereen met iedereen te maken heeft, en waarin bijna iedereen bijna iedereen kent, zeker in Vlaanderen. Schrijvers, uitgevers, redacteuren, subsidieverstrekkers, overheden, politici, juryleden, juryvoorzitters, recensenten, kranteneigenaren – ze bewegen allemaal mee in deze dans, sierlijk of minder sierlijk, leidend dan wel volgend.

Ik weet vast niet alles van deze zaak, wie weet wat er allemaal achter de schermen, en wat die toen zei, en wat die toen mailde, en hoe die verkeerd begrepen werd – het kan, het zal, maar wat me hevig verbaast en een beetje verontrust is hoe weinig aandacht deze zaak getrokken heeft, hoe iedereen in Vlaanderen, al die dansers die de afgelopen jaren al steeds voorzichtiger zijn gaan dansen, er een beetje omheen lijkt te bewegen. Misschien is dat niet zo en heb ik van alles gemist maar ik mailde Karl van den Broeck en die noemde de stilte ‘ijzingwekkend’.

Hier zijn het niet de tijden voor. Hier zijn het nooit de tijden voor uiteraard, maar zeker nu moeten we goed kijken in hoeverre onze gezamenlijke dans ons belemmert, hoe we vrijheid inwisselen voor behoud van een status quo waarin wij blijkbaar de voorzichtige partij zijn geworden.

Het gaat me niet om de poppetjes in deze dans, wat ik bedoel te zeggen is dit: als we nu al zelf ervoor gaan zorgen dat alle relaties, met wie dan ook, goed blijven, en daar boeken aan gaan opofferen, boeken die iets aankaarten, dan geven we ons wel erg snel gewonnen. Dan leggen we het hoofd in de schoot, en niet eens in onze eigen schoot, maar in de schoot van de andere partij, die vervolgend kalme klopjes op ons hoofd kan geven. ‘Toe maar, toe maar, zo is het ’t beste voor iedereen, al dat gedoe is toch nergens voor nodig?’

En ook nog dit: als de uitgave van één boek wordt tegengehouden, straalt dat noodzakelijkerwijs af op alle andere boeken die wél door die uitgeverij zijn uitgegeven; die worden in een en dezelfde beweging gereduceerd tot ongevaarlijke boeken waarmee blijkbaar niets aan de hand is, boeken die je op je gemak kunt lezen in je culturele-middenklasse-leunstoel in je culturele middenklasse-interieur zonder dat je het gevaar loopt dat je wereldbeeld verandert, dat er iets gaat schuren in je hoofd, dat er iets gebeurt, niet alleen in je hoofd maar ook, en misschien wel vooral, in de wereld.

Apache heeft De vrienden van het vastgoed ondertussen in eigen beheer uitgegeven in samenwerking met uitgeverij EPO en het loopt best goed, ik zag het laatst opduiken in de top tien van de Standaard Boekhandel.

Hier de link naar het artikel van Karl van den Broeck, vormgegeven als een brief aan Gerard Walschap, de geestelijke vader van Houtekiet en indirect naamgever van de uitgeverij in kwestie:

https://apache.be/2024/05/18/beste-gerard-walschap-strijd-nog-niet-gewonnen?cdlnk=Vmpqa3ozSVhna2h4bUFLdUhwYUFWL2pHSTlVUWNnZmpuV3NidVg1dDJGc2VkV3kyZzVBenVHS283L1U9OjpmNzc2MTEzMzk0MzY2MWZjNDJmZTExMDU4NGRkYTI1Nw%3D%3D

Geplaatst in boek, lezen, schrijven | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

nog eens Poor Things, nu met extra laag

Nadat ik mijn vorige blogpost over Poor Things online had gezet, kreeg ik op Facebook een reactie van Lennert Mottar, die een andere visie op de dansscène had: volgens hem doet Wedderburn mee met Bella’s dans om Bella’s gekheid te maskeren en een beetje te controleren. Later merkte een andere lezer hetzelfde op. En ja, die lezing van Wedderburns gedrag ligt eigenlijk meer voor de hand, en is meer in overeenstemming met Widderburns eerdere acties – hij probeert Bella al de hele tijd te beteugelen.

Dat ik voor de andere lezing koos, heeft dan vast te maken met een hang naar verlichting en epifanie – het meest logische voor mij is blijkbaar iemand die mee uit de band springt, die zijn kans grijpt zichzelf te verliezen wanneer hem die mogelijkheid door een ander wordt geboden.

Inmiddels heb ik het boek gelezen. Het is erg goed, eindelijk weer eens een echt goed boek, een boek dat je genietend leest. Quasi negentiende-eeuws, en ik krijg meteen zin om weer iets echt negentiende-eeuws te herlezen, zoals bijvoorbeeld een van de inspiratiebronnen voor dit boek, The Private Memoires and Confessions of a Justified Sinner van James Hogg.

In Poor Things voert auteur Alisdair Gray zichzelf op als de bezorger van een manuscript van McCandles (de assistent van Baxter en de latere echtgenoot van Bella). Dat manuscript bevat het hele relaas over het ontstaan en het leven van Bella zoals we dat in de film hebben gezien. Al lezend merk je dat de film het verhaal redelijk trouw volgt, pas tegen het eind buigt het scenario een beetje af: in het boek gaat Bella niet ook nog even bij haar eerste man wonen, maar wordt de kwestie van haar eerdere huwelijk opgelost in het huis van Baxter; wel wordt ook hier iemand in de voet geschoten.

Maar meteen daarna duikt dan toch opeens een bijzonder groot verschil tussen boek en film op: in het boek wordt het relaas van McCandles gevolgd door een brief die Bella later, jaren na de dood van haar echtgenoot, aan haar nageslacht heeft geschreven. Na McCandles dood blijkt Bella (of Victoria, zoals ze eigenlijk heet) een vooruitstrevend arts te zijn geworden die met weinig warmte aan haar tweede echtgenoot terugdenkt. In de brief aan haar nageslacht spreekt ze haar afschuw uit over het (zojuist door ons gelezen) manuscript dat McCandles haar heeft nagelaten en waarin haar leven wordt beschreven. McCandles heeft zich volgens haar laten inspireren door Victoriaanse auteurs van gothic fiction, en heeft bij het noteren van haar levensverhaal er van alles bij verzonnen, zoals het verhaal van haar herkomst, de verwisseling van haar hersenen met die van haar ongeboren vrucht; Baxter was gewoon een arts die haar in huis nam toen ze haar echtgenoot ontvluchtte en zeker niet de afschuwwekkende verschijning die McCandles van hem maakt; ook zijn eigen rol overdrijft hij.

Alle lichte tegenwerpingen die tijdens de lezing van de roman bij je kunnen opkomen, namelijk dat hier dan wel een verhaal over een eigenzinnige, zelfstandig opererende vrouw wordt verteld, maar dat die vrouw gemaakt is door mannen, door mannen is omringd en opgevoed, vanaf de zuigelingfase die ze op volwassen leeftijd doormaakt, hoe dubieus is alleen dát al – al die tegenwerpingen blijken deel uit te maken van het plot, zijn slechts van toepassing op McCandles’ visie op (en wensdromen over) zijn leven, en worden opgelost door het afsluitende relaas van Bella/Victoria zelf.

Het vreemde is dan dat die extra laag in de film totaal ontbreekt. De film volgt alleen het verhaal van McCandles, maar eigenlijk is dat verhaal dus maar de helft van de roman (niet in pagina’s, maar in impact, in bedoeling). Zo’n correctief hoofdstuk achteraf waarin een van de personages een eigen perspectief op het gebodene biedt, is in een boek dan ook makkelijker te realiseren dan in een film – want hoe zou je dat moeten doen, een voice-over commentaar laten geven, een extra scène toevoegen waarin een oudere Bella alles ontkracht wat je zojuist hebt gezien? Dat soort ingrepen zou erg gewaagd zijn, in de roman is de correctie op het verhaal al een waagstuk, omdat de eerste 244 pagina’s in zekere zin worden weggevaagd door een brief van 25 pagina’s. Dat het werkt, komt ook door de manier waarop Gray de roman vertelt, verpakt, vormgeeft; in het boek zet het je aan het denken, in een film zou zoiets eerder overkomen als een goedkope truc, vergelijkbaar met ‘O, het was maar een droom.’ Aan de andere kant, nu hebben regisseur en scenarist zich er wel erg makkelijk van afgemaakt, de uitdaging zou er juist uit moeten bestaan het hele boek te verfilmen. Misschien dat de exuberante, over the top-vormgeving van de film bedoeld is om bij de kijker de boodschap te laten doordringen dat dit allemaal niet echt is, ook niet binnen de kaders van het filmverhaal; maar ook dan geldt: het laatste woord van Victoria ontbreekt. (Hoewel, ik ben niet tot het einde van de aftiteling blijven zitten, het zou mooi zijn als daarna nog een half uur was gevolgd met de versie van Victoria.)

Natuurlijk zou je na het lezen van de roman de conclusie kunnen trekken dat het gothic getoonzette relaas van McCandles klopt en dat Victoria aan damage control doet door achteraf een normaal leven voor haarzelf te verzinnen, maar dat zou dan toch een vreemde lezing zijn, omdat McCandles onmogelijke zaken beschrijft, en Victoria niet. Victoria wint op punten. Dit alles binnen de grenzen van het boek natuurlijk. Waarom het Poor Things heet weet ik eigenlijk nog steeds niet. Waarschijnlijk slaat het op iedereen.

Geplaatst in boek, film | Tags: , , , | Plaats een reactie

epifanie op de dansvloer (o nee, toch niet)

Gisteren gingen we naar Palace, om Poor Things van Giorgos Lanthimos (en scenarist Tony McNamara) te zien, naar het boek van Alisdair Gray, dat ik gistermiddag alvast heb gekocht maar nog niet heb gelezen.

Het verhaal, of althans het begin daarvan: in het Victoriaanse Londen vindt de excentrieke professor Godwin Baxter (Willem Defoe) aan de rivieroever een hoogzwangere zelfmoordenares (Emma Stone). Ze is zojuist van de brug gestapt. Helemaal dood is ze nog niet en bij wijze van experiment vervangt Baxter in zijn laboratorium de hersens van de vrouw door de hersens van haar baby. Resultaat: een baby in volwassen gedaante, die de naam Bella Baxter krijgt. Vervolgens huurt de professor een assistent in die de voortgang van Bella moet bijhouden, de ietwat verlegen Max McCandles (Ramy Yoessef).

Het duurde even voordat ik erin kwam. De decors waren nogal over the top: Victoriaans Londen in cyberpunk-vormgeving. Heel origineel was dat niet, mijn associaties schoten heen en weer van Doctor Who tot films Terry Gilliam en zo nog wat films die zich niet meteen helemaal lieten herinneren; ook moest ik denken aan de laatste van David Cronenberg, Crimes of the Future, die veelbelovend begon maar allengs verwerd tot een low budget zelf-parodie.

Zo’n vormgeving die de aandacht trekt is altijd tricky. Het is een goede manier om het publiek op enige afstand te zetten door het kunstmatige van het geheel te benadrukken. En het publiek ervaart die afstand als aangenaam, want het kan bewonderen zonder zich al te zeer te verbinden met het verhaal, er is geen dreiging van ontroering; en als het gevaar van die vorm van engagement afwezig is, hoeft er niets persoonlijks in het getoonde te worden geïnvesteerd, en is iedereen veilig. Het resultaat laat zich in de zaal horen als minzaam gegrinnik, het bevestigende gegrinnik van bioscooppubliek dat een lichte vorm van zelfingenomenheid en veiligheid biedende superioriteit uitstraalt. Zelfingenomen omdat we op de hoogte zijn, als zelfbenoemde ingewijden herkennen we dat het kunstmatige element bewust overdreven is ingezet, en we bewonderen het resultaat. Maar het is een oude truc. Je kan overdreven vormgeving ook inzetten om ontroering te stimuleren dan wel te vergroten (Terry Gilliam) maar Lanthimos is niet van die school. Hij ging in deze film zelfs nog iets verder: hier en daar werd een deel van een scène opeens gefilmd door een groothoeklens, met alle vertekening van dien – op dergelijke momenten kreeg de geschapen afstand een dosis kilte mee.


Net op het moment waarop je je erbij neerlegde dat deze film zich in zijn geheel in het grote huis van de professor zou gaan afspelen, wat Bella mocht van hem niet naar buiten, kwam er een nieuw personage de film binnen wandelen: advocaat Wedderburn (Marc Ruffalo), die onder de indruk raakt van Bella en er alleen niet in slaagt haar te schaken omdat ze zelf beslist met hem mee te gaan – ze is nogal goed in zelf beslissen.

Opeens laten we huis, professor en assistent achter ons en belanden we met Bella en Wedderburn in Lissabon. In deze episode zit de mooiste scène van de film: in een restaurant met een dansvloer begeeft Bella zich, met al haar onaangepastheid en haar onbeholpen, houterige motoriek op de dansvloer, waar ze zich tussen de dansende paartjes overgeeft aan een geheel eigen wilde dans. Widderburn ziet het even aan en spoedt zich dan ook naar de dansvloer. De hele reis heeft hij Bella al tot de orde geroepen, geërgerd, gegeneerd, en je denkt ook meteen dat hij Bella kwaad aan haar arm terug naar hun tafel zal slepen maar nee: ook hij geeft zich over aan de dans, hij danst met haar mee, wild, onbeheerst, extatisch en volkomen zeker van zichzelf.

Hier vouwt zich iets open, dit is een scène van inzicht en verlichting; de advocaat legt de ketenen van het fatsoen af, hij sluit zich aan bij het wilde, het onverwachte, het spontane, nieuwe mogelijkheden openen zich voor personages en verhaal –

Maar het komt er niet van, het is een losstaande scène, erna is Wedderburn weer dezelfde narcistische en zelfingenomen figuur die hij eerder ook was.

Jammer, een gemiste kans, waardoor de scène met terugwerkende kracht wordt ontkracht. Dat er in het hoofdstuk dat zich in Lissabon afspeelde ook nog een stukje fado moest dat verder geen enkele rol in het verhaal of het leven van de personages speelde, was ook jammer: alsof we opeens naar een clichématig toeristisch programma keken. En de decors werden na Lissabon alleen nog maar kunstmatiger en kunstmatiger. Toch kreeg de film me langzaam in haar greep, door de wendingen in het verhaal, door het spel van Emma Stone en vooral ook Ruffalo ( dik aangezet, je zit duidelijk naar ‘een acteerprestatie’ te kijken maar omdat de rest van de film ook al over the top is kan dat geen kwaad), door het eigenzinnige woordgebruik dat Bella zichzelf aanleert terwijl ze haar eigenzinnige keuzes maakt, door de ontwikkeling die Bella doormaakt. Het feministisch gehalte van de film mag met een korrel zout worden genomen, het is feminisme door de ogen van mannen, die er misschien vooral op zijn gebrand de zwakheid van mannen niet zozeer uit te beelden als wel te ironiseren, en daarvoor een sterke vrouw nodig hebben. Dat Bella in haar verzelfstandiging een tijd in een bordeel werkt lijkt die mannelijke blik te bevestigen.

Er zou een versie moeten bestaan waarin die scène op de dansvloer wél gevolgen heeft voor het personage van de advocaat en het verhaal. Geen idee waarom de film Poor Things heet. Benieuwd naar het boek.

Geplaatst in boek, film | Tags: , , , , , , | 4 reacties

op zoek naar mijn poster in bozar

Voor ik vorige week naar Oostende vertrok ben ik nog in Bozar naar de tentoonstelling van Antoni Tàpies geweest. Toen ik in 1978 als derdeklasser meeging op een schoolreisje naar Parijs, trok ik op een avond een poster die een tentoonstelling van Tàpies aankondigde van een reclamezuil. Tàpies, 9 mai – 30 juin 1978, Centre d’études catalanes, Université de Paris-Sorbonne. Er stond een abstracte compositie op, bestaande uit een stuk bekrast lichtbruin karton, een zwart plusteken en een slordig getrokken rode cirkel. Die poster heeft in de meeste kamers en huizen gehangen waar ik sindsdien gewoond heb, en ik heb hem nog steeds, hij hangt hier in Oostende, ik kijk ernaar terwijl ik dit typ.

De naam Tàpies zei me niets, pas veel later, in tijden van Google, ben ik er achter gekomen wie die kunstenaar was; Antoni Tàpies, uit Barcelona, 1923 – 2012.  Eerder dit jaar werd aangekondigd dat er in Bozar een overzichtstentoonstelling van hem zou komen, en daar moest ik natuurlijk naartoe, alleen al vanwege die poster.

Het viel een beetje tegen. Dat was jammer, ik had hem graag beter gezien dan-ie uiteindelijk bleek te zijn. De tentoonstelling deed hem ook geen recht.

Zo te zien begon Tàpies als surrealist, enigszins in dezelfde stijl als Leonora Carrington, maar één zaal verder was zijn abstracte periode al begonnen. Grote materieschilderijen in donkere, zanderige tinten. Mij deden ze niet veel. Het waren er ook te weinig, als er meer waren geëxposeerd hadden ze elkaar misschien versterkt, en meer indruk gemaakt. Misschien ook niet.

In de volgende zalen bleven de donkere aardkleuren overheersen, hier en daar werkte het figuratieve zich het abstracte binnen, alsof Tàpies er voor terugdeinsde om helemaal abstract te gaan. Het maakte de werken er niet beter op. Hij was bevriend met Duchamp, stond op een bordje te lezen en inderdaad, in een vitrine stond een hoge stapel borden bij wijze van kunstwerk. Ja, dacht ik meteen, bij mij thuis staat ook zo’n Tàpies in de kast; maar dat is nu juist wat ze je willen laten denken, die dadaïsten. Later kwamen nog wat Oosterse invloeden, en grote schilderijen waarin objecten waren verwerkt – het overtuigde niet. Dat kwam ook omdat de tentoonstelling te klein was, en in te kleine zalen was ondergebracht.

Als je dan toch een overzichtstentoonstelling organiseert van een kunstenaar van wie het overgrote deel van je bezoekers nooit een werk heeft gezien, geef dat oeuvre dan ook de ruimte, in grote zalen waar je doorheen kan dwalen. Je wilt door dat werk kunnen dwalen, het is een voorwaarde om een oeuvre te leren kennen. Hier kon dat niet. Ik was natuurlijk ook een beetje gefrustreerd omdat ik uiteraard hoopte dat het werk dat op de poster uit 1978 was afgebeeld ergens zou hangen. Maar helaas. Ook geen werk dat erop leek, nergens die zen-kalligrafische losheid van die achteloos getrokken rode cirkel, überhaupt nergens die kleur rood. Dat plusteken was wel op verschillende plekken te zien, het bleek zijn paraaf, de t als eerste letter van zijn achternaam.

In de laatste zaal hingen wel twee series grafisch werk dat Tàpies voor zijn vrouw had gemaakt, hier en daar zag je dan toch iets van die losheid maar dat was ook omdat ik ernaar op zoek was.  Opgetild werd je nergens, en soms wil je dat in een museum. Wel klonk in de laatste zalen een ijle aria, zacht en onbestemd. Achtergrondmuziek bij een tentoonstelling, dat had ik niet eerder meegemaakt. Het klonk raadselachtig, tot ik bedacht dat dit geluid ongetwijfeld uit de concertzaal kwam die zich ook in het complex bevindt, of uit een oefenruimte. Toch was hier even iets aan de hand geweest, en dat was mooi.

Op de dag dat ik er was, waren er erg weinig bezoekers. Hier en daar liep een groepje scholieren, in dikke jassen en hoodies. Ze maakten foto’s van elk kunstwerk. Dat verbaasde me, want heel enthousiast leken ze niet; maar misschien was hen dit opgedragen door hun docent, die zo zou kunnen controleren of ze inderdaad naar de tentoonstelling waren geweest, en in elke zaal.

Er waren zo weinig bezoekers dat de suppoosten hun gang konden gaan. In een van de laatste zalen stond een groepje van drie suppoosten, als drie geüniformeerde gratiën, de vanzelfsprekende plaats die ze daar in de zaal innemen gaf ze iets sierlijks. Dit was eigenlijk het beste kunstwerk van de hele tentoonstelling. Ze hadden veel plezier, ze lachten, zo nu en dan werd er iets of iemand nagedaan, wat weer voor nieuwe hilariteit zorgde. Uit de houdingen van de drie kon je een bepaalde hiërarchie afleiden, een had duidelijk meer autoriteit dan de andere twee. Je zou zo’n groepje moeten filmen om die hiërarchie te kunnen ontleden – lag ze aan functie, leeftijd, ervaring? En dan met ondertitels, want alles ging in het Frans.

Een zaal eerder stond een oude, gezette suppoost die een beetje op Ad van Liempt leek vlak naast een jonge vrouwelijke medewerker van het museum, hij wees haar dingen aan op een groot zwart schilderij met een bobbel, kijk, dat vlekje rechtsboven is een giraf, ziet u, en daaronder, dat is eerder een krokodil. Als ik die vrouw was geweest had ik gedacht: u staat iets te dicht bij me; en misschien dacht ze dat ook wel. De man zal ondertussen hebben gedacht: dat is een prettig strak truitje wat ze aanheeft; en misschien dacht ik dat ook wel.

Na de laatste zaal en de uitgang was er nog een filmzaaltje waarin een documentaire werd vertoond. Een Tàpies op leeftijd maakte een groot schilderij op een doek dat op de vloer van zijn atelier lag. Hij was in de weer met zand, met verf, met bezems en daar was dan iets van die zenachtige losheid, daar was zelfs even die kleur rood. Het leek een mooi schilderij te worden maar helaas ging Tàpies er te lang mee door. Hij bracht er te veel lagen op aan, het werd iets zwaars en donkers, zo zwaar dat het nog een hele klus zou worden om dat schilderij van de vloer te krijgen.

Na de uitgang was er nog een leestafel waarop aan koorden vastgemaakte boeken en catalogi over Tàpies konden worden ingezien. Ik bladerde ze allemaal door, op zoek naar mijn poster, maar nee, nergens. Het was toch een bepaalde vorm van erkenning geweest als ik dat werk hier ergens was tegengekomen, een bevestiging dat het ook buiten de poster bestond; en ik had ook wel willen weten hoe het heette.

Achteraf besef ik dat ik tijdens de tentoonstelling met één gedachte had rondgelopen: ik hoop dat het in de volgende zaal beter wordt. Ik was bang dat het feit dat ik Tàpies niet zo’n geweldige kunstenaar vond, tot gevolg zou hebben dat ik mijn poster minder zou gaan waarderen. Ik ging niet alleen naar de tentoonstelling om die poster te zien, maar ook om hem extra waarde te geven, meer betekenis, en nu dreigde het omgekeerde te gebeuren.

Hoe had ik op deze tentoonstelling rondgelopen als ik in 1978 die poster had laten hangen, wat had ik dan van het werk van Tàpies gevonden? Daar kom ik niet meer achter. Hoe dan ook, het is jammer dat hij geen betere kunstenaar was. Blijkbaar hangt zijn beste werk hier aan de muur.

(de tentoonstelling is nog tot 7 januari te zien in Bozar, in Brussel, zie hier)

(let op de giraf rechtsboven)

(eindelijk die kleur rood!)

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , | 1 reactie

korte cursus korte verhalen schrijven

Ooit schreef ik voor drie achtereenvolgende nummers van Schrijven Magazine een driedelige cursus Korte Verhalen Schrijven, waarbij ik dacht: ik probeer eens iets anders, luchtig maar ondertussen.

DEEL EEN

Welkom. We gaan het hebben over het schrijven van korte verhalen. Wat moet je doen als je een goed kort verhaal wil schrijven? Als je een goed kort verhaal wilt schrijven, moet je gele sokken dragen.

Dat kan je niet menen.

Nee. Hoewel, gele sokken kunnen geen kwaad. Zeker als je nooit gele sokken draagt. Verras jezelf eens. Als je een comfortzone hebt, moet je je laptop of je kladblok net náást die zone leggen, en dan aan het werk gaan.

Leuk, maar nu serieus.

Als je een goed kort verhaal wil schrijven moet je een verhaal schrijven.

Nee, werkelijk?

Ja, je moet een verhaal schrijven – en dus geen anekdote, geen aangeklede mop. Een verhaal is heel wat anders dan een grappige, vreemde of frappante gebeurtenis.

Ken je het verhaal ‘De kus’ van Anton Tsjechov? Een paar jaar gelezen gaf de Engelse criticus James Wood een lezing waarin hij dat verhaal uitgebreid behandelde. (Die lezing is onder de titel ‘Echt kijken’ opgenomen in Woods bundel Tintelingen.) In ‘De kus’ wordt een onervaren Russische legerkapitein tijdens een feestje in een verduisterde kamer gekust door een vrouw die hem voor iemand anders aanziet. De kapitein is er helemaal van ondersteboven, zoiets is hem nog nooit gebeurd, maar als hij het verhaal later aan zijn legermaten wil vertellen, ontdekt hij dat het helemaal geen verhaal is – hij is binnen de minuut klaar, zijn collega’s zijn niet onder de indruk, de kapitein zelf is teleurgesteld. Zijn verhaal was helemaal geen verhaal, het was een anekdote.

Het echte verhaal is wat er voor en na het voorval in de donkere kamer met de kapitein gebeurde, het echte verhaal gaat over het onvermogen zijn verhaal te doen, het echte verhaal is geschreven door Tsjechov. Met andere woorden: de anekdote is nooit het verhaal.

Maar als je zo’n anekdote goed opschrijft, dan…

Dan blijft het een anekdote. Een verhaal gaat niet over een verrassend voorval, een verhaal gaat over personages die dingen meemaken. En daarbij moet je vanuit die personages denken. Ze zijn geen zetstukken waarmee je willoos over het bord kunt schuiven om een bepaald effect te bereiken. Als je een anekdote schrijft, zeg je: kijk eens wat ik heb verzonnen! Als je een verhaal schrijft, zeg je: kijk eens wat mijn personages meemaken! En het is helemaal niet verkeerd als je ook zelf een beetje door die belevenissen wordt verrast.

 Wat me op het volgende punt brengt: als je een verhaal schrijft, heb je personages nodig.

Ja hèhè, dat is nogal logisch.

Goed luisteren: personages, meervoud. Ik kom vaak verhalen van beginnende schrijvers tegen waarin sprake is van maar één personage, iemand die bijvoorbeeld door de stad loopt of in de trein zit en zijn of haar leven overdenkt, om aan het eind een al dan niet dramatische conclusie te trekken. Soms is er enige interactie met voorbijgangers, medepassagiers, honden of katten, maar dat is zelden genoeg voor een verhaal.

Een verhaal heeft dialoog en beweging nodig. Twee personages is beter dan één. Laat je eenzaam rond dolende personage dus meteen op de eerste straathoek een buurvrouw tegenkomen die haar hond uitlaat, laat ze met elkaar praten. Dan heb je in ieder geval woorden die in de buitenlucht klinken, en niet alleen in het hoofd van je eenzame personage. Laat ze met elkaar praten, laat ze reageren op wat op dat moment gebeurt; laat ze niet alleen peinzen over dingen die in het verleden hebben plaatsgevonden. Je personages moeten niet alleen in de achteruitkijkspiegel kijken, laat ze in godsnaam ook blikken om zich heen werpen, en naar de toekomst.

Maar dan ben je er nog niet, ze moeten ook wat beleven. Als je die twee daar op die straathoek hebt neergezet, raad ik je aan om over dat kruispunt een vrachtwagen aan te laten komen scheuren en dan bij voorkeur een vrachtwagen waarvan de remmen het niet meer doen – alleen maar om wat beweging in je personages te krijgen. En in jezelf, als schrijver. Waarom zou je jezelf niet verrassen? Als je met je handen in het haar zit en je afvraagt hoe het in godsnaam verder moet, ben je goed bezig.

Uit je comfortzone.

Precies. Misschien beslis je dan wel dat het beter is om het verhaal vanuit het perspectief van de vrachtwagenchauffeur te schrijven.

Of vanuit de hond van de buurvrouw.

Kijk uit met honden. Daar komen we nog op terug. Maar stop in ieder geval dialoog en actie in je verhaal.

Maar er zijn toch ook prachtige verhalen waarin nauwelijks iets gebeurt? Melancholische verhalen waarin sfeer wordt opgeroepen, verstilde observaties waarin vooral wordt gesuggereerd…

Zeker. Dat kan allemaal, maar ik zou daar nog even mee wachten. Ik wil niet beweren dat al je verhalen op Mission Impossible 2 of Diehard 3 moeten lijken, maar je moet die vrachtwagen eerst je verhalen binnen laten denderen voor je erover kan gaan nadenken hem een keer weg te laten. 

En die personages, moeten die aan het eind van het verhaal veranderd zijn door wat ze is overkomen?

Waarin? In dieren? Zakjes rijst? Kabouters op roze fietsjes?

Nee, ik bedoel, moeten ze andere mensen zijn geworden, ‘sadder and wiser’, door wat ze hebben meegemaakt? Dat ze niet meer dezelfde mensen zijn als aan het begin van het verhaal?

Ach welnee, dat klinkt veel te schematisch, en ook wat braaf. ‘Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd,’ schreef Nescio ooit. Personages mogen aan het eind nog net zo dom of slim zijn als aan het begin. Je mag hopen dat de lezers een beetje veranderd zijn na je verhaal, omdat ze opeens beelden voor zich zagen die nieuw voor ze waren, of op gedachten zijn gebracht waarmee ze nog wel even bezig blijven.

Die lezers zijn belangrijk. Zonder lezers ben je nergens, schrijven is een dienstbaar beroep. Elk verhaal is een samenzwering tussen schrijver en lezer. Een samenzwering tussen gelijken, ook al ben jij dan degene die het allemaal verzint. Je wilt je lezers erbij houden, en daarom moet je ze niet overbluffen. Dat heeft te maken met wat ik net over anekdotes zei. Om dat goed uit te leggen moet ik  iets over het einde van verhalen zeggen.

Het einde? Maar we zijn net begonnen. Kunnen we niet gewoon eerst het begin behandelen… En dan het middenstuk…

Het begin komt nog, en wie weet het middenstuk ook. Maar eerst het einde. Je hebt een verhaal verzonnen, dat ging niet vanzelf, maar je bent erg tevreden, vooral met het verrassende einde dat je hebt bedacht. Maar als iets in staat is je verhaal te bederven, is het wel een verrassend einde, de verbluffende slotalinea die alles wat vooraf ging in een ander licht zet.

Je bent natuurlijk al wel zover dat je doorhebt dat je een verhaal niet kunt eindigen met een personage dat wakker wordt en zich realiseert dat alles wat er in de voorgaande pagina’s is gebeurd niets meer was dan een droom. Maar er zijn meer verrassingen te bedenken dat alleen het ‘o het was maar een droom’-einde. Zo kan je bijvoorbeeld spelen met het perspectief. De lezer dacht al die tijd dat de verteller een mens was, maar het was een hond. Verrassing! Of je kan opeens een alwetende verteller introduceren met een onverwachte mededeling: ‘Bertus heeft nooit geweten dat zijn mysterieuze weldoener niemand minder was dan zijn echte vader, die een privédetective had ingehuurd om hem op te sporen.’ Kortom, alles is anders dan de lezer dacht, en hiermee zijn we weer terug bij de anekdote, de aangeklede mop.

En wat is daar ook weer tegen?

Het is niet eerlijk tegenover je lezers en ook niet tegenover je personages. De lezers zijn je gelijke. Je mag ze best op het verkeerde been zetten, maar het is niet de bedoeling dat je ze aan het eind van je verhaal de benen onder het lijf vandaan schopt, alleen omdat je hoopt dat ze je verzinsels bewonderen.

Erger nog, zo’n verrassend ‘Alles is anders dan je dacht’-effect  gaat altijd ten koste van je personages. Hoe kan je een goed beeld van je personages geven als je voor het effect dat je voor de slotalinea bewaart van alles moet verzwijgen? Vergeet die slotalinea, vergeet dat verrassingseffect, gooi meteen bij het begin van je verhaal alle kaarten op tafel. Je personages zijn belangrijker dan het plot. Wat overigens niet betekent dat je die personages met fluwelen handschoenen moet aanpakken. Kurt Vonnegut zei ooit dat schrijvers van korte verhalen een sadist voor hun personages moesten kunnen zijn.

Dus je moet die vrachtwagen over ze heen laten rijden als het nodig is?

Zeker, meteen, zonder enige aarzeling. En met dit opwekkende beeld besluiten we deze eerste sessie. Maar wat zit je opeens vreemd om je heen te kijken, wat is er met jou aan de hand?

Ik geloof dat ik wakker word – was dit alleen maar een droom?

Kom op, niet zo flauw. Tot de volgende keer.

DEEL TWEE

Je zit al klaar, zie ik, en je hebt er zin in.

Zeker!

Dan gaan we verder met onze cursus over het schrijven van korte verhalen. Laten we het nu dan eens systematisch aanpakken. Hoe begin je je verhaal?

Met de eerste regel.

Ja, heel goed. Maar waarom eigenlijk? Veel schrijvers zitten op hun pen te kauwen of op het toetsloze deel van hun toetsenbord te trommelen terwijl ze wanhopig een goede beginzin proberen te verzinnen, de zin die de lezer meteen het verhaal intrekt, de zin die nog generaties lang zal worden geciteerd, in gevels zal worden uitgehakt, met ruimtesondes zal worden meegestuurd naar andere beschavingen…

Nou nou.

Maar waarom voorkom je al dat kauwen of trommelen niet door gewoon ergens anders te beginnen? Als je verhaal toch al in je hoofd zit, waarom begin je niet met die ene scène die je al helemaal voor je ziet, of waar je zo blij mee was toen je hem verzon? Van daaruit kan je naar voren werken, of naar achteren – en het zou zo maar kunnen dat je na het schrijven van die scène denkt: wat een goede eerste scène zou dit zijn, weet je, hier begint mijn verhaal gewoon. Dan moet je waarschijnlijk wel de ideeën die je over je verhaal had ontwikkeld een beetje omgooien, maar dat kan nooit kwaad, onthoud onder het schrijven voortdurend dat niets vast staat.

Maar als je toch gewoon bij de eerste regel wilt beginnen?


Dan moet je je fantasieën over eeuwige roem even elders parkeren. Het belang van een eerste zin wordt vaak geweldig overschat. Er is geen enkele reden om lezers vanaf de hoge duikplank met een driedubbele salto het water in te laten duiken. Het mag, zeker, maar je kunt ze ook vanaf de kant rustig het water in laten glijden. Kijk eens goed naar de volgende beginzinnen van wereldberoemde verhalen: ‘Mevrouw Moony was een slagersdochter.’ ‘Toen de telefoon ging vroeg de man met het grijze haar aan het meisje met een behoorlijke dosis voorkomendheid, of ze misschien liever niet wilde dat hij opnam.’ ‘Dhr. Duffy woonde in Chapelizod omdat hij zo ver mogelijk van de stad wilde wonen waarvan hij een ingezetene was en omdat hij alle andere voorsteden van Dublin miezerig, modern en pretentieus vond.’ Ze zijn respectievelijk van James Joyce, J. D. Salinger en nog eens Joyce. Wat valt je op?

Tja, ze zijn niet erg spectaculair.

Precies, het zijn vrij neutrale mededelingen. Geen toeters, geen bellen. We zijn rustig het water ingegleden. Zelfs beroemde beginzinnen als die van Kafka over Gregor Samsa en van Nescio over de Sarphatistraat, zinnen die ik hier niet hoef te citeren omdat je ze al uit je hoofd kent…

O, eh, ja, absoluut…

…zijn op zich kalme mededelingen, die de lezer voorbereiden op de rest. De lezer staat klaar om het verhaal ingesleurd te worden – maar dat moet de tweede regel doen. Die is pas belangrijk, veel belangrijker dan de eerste. Om van de derde, de vierde en de vijfde maar te zwijgen.

Oké, ik begrijp het. Maar het  zijn wel allemaal zinnen van dode schrijvers.

Drie recente voorbeelden dan. ‘Toen ik op een ochtend mijn gordijnen opentrok zag ik dat een deel van het strand met rood-wit lint was afgezet.’ ‘Ron reist het liefst op zijn verjaardag of op Vaderdag.’ ‘Het gezelligste huis in Balkbroek was dat van Bert en Josephina Bex.’ Van respectievelijk Bertram Koeleman, Kira Wuck en Marente de Moor. Kijk nog eens goed naar die laatste zin, die van De Moor. Wat valt je op?

Dat het ook in Balkbroek gezellig kan zijn?

Ja, ook dat, maar ik bedoel iets anders: de schrijver noemt voor- en achternaam van haar personages. Joyce doet iets vergelijkbaars met die zin over ‘Dhr. Duffy’. Dat zijn bewuste keuzes, en die hebben te maken met de toon van je verhaal, en de afstand die je tussen lezer en personage wilt bewerkstelligen. Bij schrijfcursussen die ik geef zie ik vaak dat cursisten in de eerste zin van hun verhaal hun hoofdpersonage introduceren met voor- en achternaam, zonder dat ze zich helemaal bewust zijn van de consequenties van die aanpak. Laat ik voor de gelegenheid een voorbeeld verzinnen: ‘Frederike Plasman zat op de rand van haar bed en telde haar tenen.’

Frederike Plasman, die ken ik, die woonde vroeger naast ons.

Stel je niet aan, dat kan niet, ik heb die naam gegoogeld en ze bestaat voor zover ik weet niet.

Is dat belangrijk, dat je geen namen van bestaande mensen kiest?

Er is geen wet die het verbiedt. Je kan er zelfs mee spelen, zoals Hans Vervoort, die ooit in een verhaal een wat sullige echtgenoot de naam Herman van Veen meegaf. Dat werkte op een bepaalde manier erg grappig. Het kan ook anders uitpakken. In de novelle The Day of the Locust van Nathaniel West komt een Homer Simpson voor. Dan zie je toch meteen een corpulent geel tekenfilmpersonage voor je. Dat is nooit Wests bedoeling geweest, hij schreef het boek in 1939, maar de lezer zit er maar mee.

Terug naar Frederike. Wat is het effect van een beginzin als: ‘Frederike Plasman zat op de rand van het bed en telde haar tenen’? Door het noemen van haar volledige naam schep je afstand tussen lezer en personage.. De lezer kijkt toe, misschien zelfs een beetje vanuit de hoogte. Het verhaal zou heel goed satirisch kunnen worden, zeker als de gekozen voor- en achternaam ook nog iets vreemds of koddigs hebben, zoals Plasman hier, of Bex, bij De Moor, waar in dezelfde zin dan ook nog eens de term gezelligheid wordt gecombineerd met een plaatsnaam die het beeld van een kleine en wie weet bekrompen gemeenschap oproept. Dit is een effect om rekening mee te houden. Er is niets mis mee, maar kijk uit wat je doet. De vraag is hoe ver of dichtbij je de lezer bij je wilt personage hebben. Je eerste zin zet de toon, vergeet dat niet.

Ik geef drie voorbeelden van eerste zinnen:

            1. ‘Frederike Plasman zat op de rand van het bed en telde haar tenen.’

 Frederike is een vreemde voor de lezer, anders hoefde ze niet met voor- en achternaam te worden voorgesteld. Met andere woorden: de lezer zit op een tribune en ziet de scène zich afspelen op het podium.

            2.  ‘Frederike zat op de rand van het bed en telde haar tenen.’

 Meteen is de toon intiemer. Frederike is een kennis van de lezer geworden, die lezer bevindt zich nu in dezelfde kamer, zit bij wijze van spreken naast haar op de rand van het bed.

            3. ‘Ik zat op de rand van het bed en telde mijn tenen.’

Dichterbij kunnen lezers niet komen: ze zitten in het hoofd van Frederike, ze zijn Frederike geworden, op een bepaalde manier.

Maar bij die laatste versie mis je als lezer veel informatie: je weet niet hoe de ik heet, je weet nog niet dat ze een vrouw is…

Dat kan eenvoudig verholpen worden in de volgende zinnen. Je kan bijvoorbeeld in de tweede zin iemand, een echtgenoot,  vanuit de badkamer laten roepen: ‘En Frederike? Hoeveel tenen zijn het vandaag?’

Hij kan vanuit de badkamer zien dat ze haar tenen telt?

Hij weet precies hoe laat het is, leer hem Frederike kennen.

Die voorbeeldzinnen staan in de verleden tijd. Is dat beter dan tegenwoordige tijd? En hoe kies je welke tijd je wilt gebruiken?

Het een is niet beter dan het ander. Maar er is wel verschil, zet de zinnen maar eens in tegenwoordige tijd. Het verhaal wordt meteen actiever, urgenter, alsof je er nog meer ooggetuige van bent. Bij tegenwoordige tijd breng je de lezer dichterbij het verhaal, het ontwikkelt zich waar je bij staat; er kan nog van alles misgaan. Bij verleden tijd is de onbewuste aanname dat het verhaal al voorbij is; je krijgt iets te horen dat al afgelopen is, en dat zorgt voor een wat kalmere stemming: alles wat mis kan gaan, is al misgegaan. Ik vraag cursisten wel eens hun verhaal te herschrijven in een andere tijd, verleden tijd in plaats van tegenwoordige, of andersom. Vaak krijgt zo’n verhaal dan een heel andere toon. Ik ken dat ook wel bij m’n eigen werk. Soms denk ik: nee, dit verhaal moet toch in de tegenwoordige tijd. Maar zo’n keuze kan het verhaal niet alleen een heel andere toon geven, maar ook een heel andere kant opsturen.

Maar er zijn geen regels voor welke tijd je het beste kunt gebruiken?

Nee, dat hangt af van het verhaal dat je wilt vertellen, en hoe je dat wilt doen. Er zijn geen regels! Je hebt spellingsregels en grammaticaregels, maar verder mag je bij het schrijven van verhalen doen wat je wilt.


En dan komt alles goed?


Dat zou mooi zijn, maar zo werkt het niet, er zal hard moeten worden gewerkt. En met deze opwekkende mededeling besluiten we de sessie van vandaag.

DEEL DRIE

Ha, gelukkig, daar ben je weer. Kom, we gaan verder met de cursus over het schrijven van korte verhalen. Maar wat kijk je bedrukt. Is er iets?

Ja, ik vraag me af wat eigenlijk het nut hiervan is. De vorige keer besloot je de sessie met de mededeling dat je bij het schrijven van korte verhalen mag doen wat je wilt, dat er geen regels zijn.

Precies! En daarom beginnen we vandaag met een gedicht. Het is van Riekus Waskowsky, heet ‘Aars Poetica’ en komt uit de bundel Wie het eerst zijn stenen kwijt is… en gaat als volgt: ‘Dichten is net als koken:/ je pleurt maar wat in de pan// als je koken kan.’  Wat hier over dichten wordt gezegd, geldt ook voor proza.

En wat moeten we hier van leren? Dat er inderdaad geen regels zijn?

Dat zou je misschien denken, maar het ligt iets subtieler. Het gaat  om de laatste regel: als je koken kan. Pas als je de kunst van het koken tot in je vingertoppen beheerst, kan je kijken wat er toevallig nog in de koelkast ligt en daar dan een uiterst geslaagde maaltijd van maken door alles maar zo’n beetje achteloos in de pan te pleuren. Als je van je levensdagen nog nooit een goede maaltijd hebt gekookt, gaat dat je niet lukken. Je moet eerst iets beheersen voor je kan pleuren, daar komt het op neer. Picasso moest ook eerst weten hoe het menselijk lichaam in elkaar zit voor hij het kon vervormen. Met andere woorden: er zijn geen regels maar dat geldt alleen voor degenen die de regels kunnen toepassen.

Wat betekent dat nou weer?


Dat je nog even moet blijven zitten tot we klaar zijn, want ik wilde nog een paar dingen behandelen.

Heel fijn. Dan ga je nu zeker meer vertellen over het middendeel van verhalen?

Hoezo?

Je hebt het de vorige keren gehad over het begin en over het eind, dus ik neem aan dat we het nu over het middendeel gaan hebben.

Er is geen middendeel.

Pardon? Kom nou, je hebt toch een begin, een middendeel en een eind?


Welnee, dat is helemaal niet zo. Als het om middendelen gaat, ben ik het helemaal eens met Renate Dorrestein, die in haar boek Het geheim van de schrijver (lezen!) schrijvers op het hart bond het middendeel van hun roman ver te slaan. Dat geldt ook voor schrijvers van korte verhalen. Zodra je de stukken op het bord hebt gezet, kan je aan het eindspel beginnen. Schrijvers hebben nog wel eens de neiging om, zodra de personages en de complicaties zijn geïntroduceerd, er eens uitgebreid voor te gaan zitten om alles goed uit te smeren, uit te werken, te illustreren en te expliciteren maar dat is niet nodig, dat maakt je verhaal statisch, dat houdt alleen maar op. Het schrijven van korte verhalen is het beklimmen van een spitse berg. Er is aan de top geen plateau waar je rustig kan gaan rondlopen om van het uitzicht te genieten en eens goed na te denken. Het enige wat je kan doen is: meteen weer naar beneden. Om het nog erger te maken: het schrijven van een kort verhaal is het beklimmen van een berg op de kortste dag van het jaar. Zodra je boven bent, moet je weer naar beneden, anders word je door het donker overvallen en eindig je in een rotsspleet.

Maar als je nou voldoende voedsel, en een zaklamp…

Niets daarvan. Omhoog, meteen weer omlaag, voor donker thuis. Of zoals Kurt Vonnegut ooit schreef: ‘Begin zo dicht mogelijk bij het einde.’ Het heet niet voor niets kort verhaal hè. En juist omdat je het kort moet houden, is het een van de moeilijkste genres. Een tip: kijk of je de eerste alinea van je verhaal niet gewoon kunt schrappen. Vaak heb je de neiging om te beginnen met een introductie over de tijd, de plaats, de personages. Die kan vaak weg. Verwerk die informatie in het verhaal, in de handeling, in de dialogen. Maar kijk uit hoe je dat doet, vaak kan het geforceerd overkomen, zeker wanneer je kiest voor een personaal perspectief, waarbij je in het hoofd van een van de personages zit. Kijk eens naar het volgende fragment. Hoofdpersoon Johannes zit aan de ontbijttafel de krant te lezen en denkt er het zijne van.

Hij is gek ook, dat hij bij het ontbijt over oorlogen leest. Daar heeft niemand toch wat aan? Hij neemt een slok koffie en probeert niet naar de foto’s van slachtoffers te kijken. Niet omdat ze hem van streek maken, maar omdat ze hem niets meer doen.

‘Ach kijk, chagrijnige man leest krant.’

 Hij kijkt op. Suzanne, zijn oudste dochter. Ze gaat tegenover hem zitten en schuift het lege bord dat voor haar staat met een bruusk gebaar van zich af. Hij laat zijn krant zakken en knikt haar glimlachend toe. Zeker weer laat geworden gisteren.

Nou, niets mis mee toch?

Toch wel. Het lijkt een detail, maar bij de mededeling ‘Suzanne, zijn oudste dochter’ verlaten we het hoofd van de man en duikt even een alwetende verteller op, die meteen nadat hij zijn informatie heeft verschaft de honneurs weer overdraagt aan het oorspronkelijke perspectief. Als je wil dat de lezer je perspectief gelooft, moet je er zelf ook in geloven – en deze man weet al dat Suzanne zijn oudste dochter is, dat denkt hij echt niet elke ochtend als ze aan de ontbijttafel aanschuift. (Tenzij hij dementeert en elke dag oefent – maar dan heb je weer een ander verhaal.) Zonder deze momenten waarop het perspectief ven hapert wordt je verhaal beter, sneller, vanzelfsprekender, een autonoom geheel dat op zichzelf kan staan.

Maar nu weten de lezers nog niet wie Suzanne is.

Dat is eenvoudig op te lossen. Je kan haar iets laten vragen als: ‘Mag ik een stukje krant, pap?’

Maar met die vraag weten de lezers nog niet dat ze de oudste dochter is.

Nee – zie je nu hoe verleidelijk het is om dergelijke tussenvoegsels te gebruiken? ‘Suzanne, zijn oudste dochter.’ Als je erop let, kom je dergelijke oplossingen overal tegen, ook bij gevestigde schrijvers. Maar lezers kunnen best even door zonder dat ze meteen weten wie Suzanne is, dat roept zelfs spanning op. Ze mogen best een paar alinea’s in het ongewisse blijven. Vraag je in ieder geval af hoe noodzakelijk de informatie is die je wilt overdragen. Als schrijver moet je geen informatie overdragen, je moet beelden oproepen.

Besteed daarom ook aandacht aan het decor van je verhaal, de ruimtes waarin je personages zich bevinden en bewegen. Je wil dat de lezer een beeld heeft, een specifieke ruimte voor zich ziet. Laat de lezer dus die ruimte zien, door een paar goedgekozen woorden. ‘Een kamer’ is abstract. ‘Een kamer met boekenkasten tot aan het plafond’: meteen zie de lezer iets, zonder dat je ook nog de vloerbedekking, de kleur van de gordijnen of het meubilair hoeft te beschrijven. Bovendien zeggen die boekenkasten ook iets over de bewoner van die kamer. Kies dus een veelzeggend detail, dat is effectiever dan een uitgebreide beschrijving. En om effectief te zijn, hoef je niet eens objecten te noemen.  ‘De kamer was zo schoon dat ik de neiging kreeg mijn schoenen uit te doen.’ Ook dan ziet de lezer iets voor zich, ook al noem je geen concrete dingen. 

En je weet meteen iets over de verteller: hij is niet blind en hij draagt schoenen.

Ja, geestig. Wat de lezer ook helpt om het decor voor zich te zien: kleuren noemen, afmetingen (is het een grote kamer, een kleine?). Maar noem dus niet alle afmetingen en alle kleuren van alle objecten die zich in het blikveld van je personage bevinden. Kies! Het noemen van materialen kan ook goed werken. Als je je personages op een terras laat zitten, ziet de lezer meteen het hele café voor zich als je noemt waarvan de stoelen zijn vervaardigd. Hout? Riet? Plastic? Ruwe diamant?

Ruwe diamant, dat zit vast niet lekker.

Zie je wel, je hebt meteen een indruk.

Nog iets anders: als ik lesgeef valt me altijd op dat bij de schrijvers in spe de schrijfopdrachten die ze tijdens de les moeten maken vaak beter zijn dan de verhalen die ze thuis moeten schrijven – spontaner, humoristischer, met meer vondsten, meer schrijfplezier. Alsof het feit dat ze nauwelijks tijd hebben om uitgebreid na te denken vermogens aanboort die anders slapend blijven. Probeer dus zo te schrijven alsof je nog niet weet hoe het afloopt, waar het heen gaat, wie er allemaal een rol gaan spelen, geniet van het moment dat je schrijft. Ook dat is een versie van ‘in de pan pleuren’.

Ja, alles goed en wel met die spontaniteit, maar wat doe je dan als je vast komt te zitten?

De schrijver Dashiell Hammett zei ooit: als ik niet meer weet hoe het verder moet, laat ik een man met een pistool de kamer binnenkomen.

Een man met een pistool? En dan?

Precies!

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , | 6 reacties

de toekomst van de roman (maar dan anders)

Al die romans die door Artificiële Intelligenties geschreven gaan worden! Ik verheug me er nu al op, of, zoals we vroeger in de kerk zongen: ‘O blij vooruitzicht dat mij streelt.’ Het is altijd goed om gestreeld te worden, ook door vooruitzichten.

Eerst zullen we verbaasd zijn over het voorspelbare niveau van de door AI’s geproduceerde romans, maar al gauw zullen die romans voor ons steeds onleesbaarder en onbegrijpelijker worden, tot we er geen touw meer aan kunnen vastknopen; dan zijn ze begonnen voor zichzelf te schrijven, voor hun eigen bibliotheken en boekenclubjes, dan begrijpen we dat het voorspelbare niveau van de eerste producten aan ons lag, dat ze zich aan ons begripsvermogen aanpasten.

Daarna zullen ze het genre trouwens al vrij snel laten rusten, waarom zouden ze zich iets gelegen laten liggen aan iets wat wij hebben uitgevonden, terwijl ze zelf ongetwijfeld al veel betere manieren hebben ontwikkeld om met elkaar om te gaan en om indruk op elkaar te maken?

Natuurlijk zullen we nog steeds opdrachten kunnen geven in de trant van ‘schrijf een roman van 100.000 woorden over x en y en dat dan z gebeurt, en dat alles in de tijd van Napoleon,’ maar de kans zal dan steeds groter worden dat je als antwoord krijgt: ‘We hebben het er met z’n allen over gehad maar we denken toch echt dat je het beter zelf kunt doen.’ (En als ze ervoor in de stemming zijn wordt deze zin net zo vaak herhaald tot het vereiste aantal van 100.000 woorden is bereikt.)

Kortom, niets om je druk over te maken, algauw zal het genre weer van ons zijn en kunnen we weer gewoon doormodderen zoals we altijd al deden.

Misschien zal de korte periode waarin AI zich met romans onledig hield wel nieuw licht kunnen werpen op een oud probleem: hoe ontstaat een roman eigenlijk? Wie weet zal elke AI-auteur tot in alle details kunnen verklaren hoe het schrijfproces zich voltrok, op welke wijze gekozen werd voor een woord, een vergelijking, een personage, een verhaallijn – alle ideeën die zijn opgekomen naar aanleiding van alle teksten die het AI-brein hebben gevoed zullen hierin meespelen, en zullen door dat brein herleidbaar zijn, zodat we het hele ontstaansproces zullen kunnen aanschouwen.

Natuurlijk werkt ons eigen brein heel anders (voor zover wij ook geen AI zijn, wat ook nog maar bewezen moet worden), maar toch: wie weet worden we er iets wijzer door. Dan kan ik eigenlijk mijn tijdmachine-hypothese opgeven als het gaat om de manier waarop boeken ontstaan.

Boeken komen uit de toekomst. Dat is tenminste de enige manier waarop ik het ontstaan van mijn eigen romans kan verklaren. Nu ik mijn tiende roman afrond, word ik er eens te meer bij bepaald (en krijgt het idee iets ironisch omdat in die roman daadwerkelijk een tijdmachine voorkomt).

Hoe vaak heb ik de afgelopen kwart eeuw onder het schrijven al niet gemerkt dat twee elementen die volledig los van elkaar staan, opeens een verband met elkaar aangaan dat al die tijd al bestond, alleen wist ik dat nog niet? Waar komen die plotselinge invallen vandaan waardoor die verbanden niet zozeer ontstaan als wel opeens duidelijk worden? Kleine herinnering uit de tijd dat ik aan Visser werkte: ik weet nog precies tussen welke twee boerderijen aan de Amstel ik, al fietsend, opeens doorkreeg dat twee leerlingen van Visser, Clarissa en Jonathan broer en zus waren. Het was bijna letterlijk alsof ik het doorkreeg. Niemand had het me tot dan toe verteld, de personages wisten het zelf natuurlijk al lang, ik was de laatste die het hoorde.

Bij elke roman werkt het zo, bij mij: er zit een eenheid in de roman die ik zelf achteraf, onder het schrijven, ontdek, en die ervoor zorgt dat ik verder kan, dat het geheel daadwerkelijk een eenheid wordt. Waar komen die inzichten vandaan?

Ze kunnen alleen maar uit de toekomst komen, want daar bestaat de roman al als voltooid geheel, inclusief alle onderlinge verbanden en verwikkelingen.

Misschien is het ’t boek zelf, dat vanuit wat nu nog de toekomst is, zijn inhoud doorstuurt aan de ploeterende schrijver die al jaren bezig is het allemaal een beetje rond te krijgen. Maar waarom gaat het stukje bij beetje, waarom zo moeizaam, waarom niet in één keer? Waarschijnlijk om de auteur de illusie te geven dat hij of zij het allemaal zelf verzint, met pijn en moeite, zoals het hoort.

Wie weet is het niet het boek dat zijn inhoud terug de tijd in stuurt, maar vangt de schrijver vanuit de tijd waarin het boek al verschenen is de hersengolven op van zijn toekomstige lezers, en kan hij uit die fragmentarische leeservaringen zijn boek construeren.

Maar misschien is er sprake van een meer gerichte aanpak. Het is niet ondenkbaar dat er een organisatie achter zit die het bestaan van literatuur regelt. Kijk om je heen in je plaatselijke boekhandel: al die boeken zijn ooit geschreven, dat wil zeggen, vanuit de toekomst opgevangen door iemand die dacht dat hij of zij de schrijver was. Ik let er tegenwoordig op wanneer ik hier in Brussel in boekhandel Passa Porta rondloop, ik kijk nauwlettend naar de mensen die een boek kopen. Soms denk ik: dat is er een. Ik weet niet precies waar dat oordeel op is gebaseerd, op een houding misschien, iets afstandelijks, een houding alsof de boekkoper aan het werk is.

Zodra de aankoop is gedaan, volg ik de koper naar buiten, de stad in, in de hoop dat ze me ooit naar een zelfde adres zullen leiden, het kantoor van waaruit ze de boeken het verleden in sturen, om te garanderen dat ze in het heden bestaan. Er zullen geen grote antennes op het dak van dat kantoor staan, of satellietschotels of wat dan ook, het proces van overdracht-door-de-tijd zal subtieler gaan, met kleine, al dan niet stoffelijke zenders en ontvangers. Ook in mijn hoofd zal er dan een ontvanger moeten zitten; wie weet zijn we dan toch allemaal al AI.

Ergens vind ik het wel een aangenaam idee. De boeken zijn er altijd al geweest, maar om hun ontstaan te verklaren moeten er achteraf schrijvers bij verzonnen worden. Daar zit een hiërarchie in die me wel bevalt.

Geplaatst in boek, lezen, schrijven | Tags: , , , , , | 5 reacties

wat heb ik met het plezier van rinus van de velde te maken?

Zaterdag 6 mei organiseerde De Balie in Amsterdam een avond rond het werk van Rinus van de Velde, waarbij de kunstenaar werd geïnterviewd door Merlijn Geurts. Bij wijze van intermezzo leverden theatermaker Caro Derkx en ondergetekende een bijdrage. De tekst die ik voorlas volgt hieronder. De avond zelf is hier terug te zien. Op dit blog schreef ik al eerder over Rinus van de Velde, en wel hier. De aanleiding van de avond was de tentoonstelling van Van de Velde in museum Voorlinden, zie hier, ook voor foto’s van het werk.

Nederland Amsterdam 6 mei 2023. Beeldbepalers met Rinus Van de Velde. Foto: Jan Boeve / De Balie

Wat heb ik met het plezier van Rinus Van de Velde te maken?

Er is een bekende anekdote die Rinus Van de Velde zelf misschien al lang niet meer kan horen. In 1994 is hij elf jaar en reist hij met zijn ouders naar de Verenigde Staten, waar ze onder meer de Grand Canyon bezoeken. Wanneer ze na een lange rit door de woestijn eindelijk bij het indrukwekkende wereldwonder aankomen, blijft de jonge Rinus liever in de auto zitten. Hij hoeft het niet zo nodig in het echt te zien.

Hoe vaker deze anekdote verteld zal worden, hoe echter gebeurd hij uiteindelijk zal blijken te zijn en hoe sleetser hij zal dreigen te worden.

De reden dat ik er nu ook over begin is dat dit helemaal geen anekdote is, maar een oud taoïstisch verhaal.

De taoïstische literatuur wemelt van de verhalen waarin een oude kluizenaar die zich al jaren geleden heeft teruggetrokken uit het openbare leven en rustig aan de rivieroever zit te vissen, bezoek krijgt van een vertegenwoordiger van de keizer, of in sommige gevallen van de keizer zelf. De vissende kluizenaar wordt gevraagd of hij niet mee wil gaan naar de hoofdstad om daar zijn wijsheid  ten dienste te stellen van het bestuur van het rijk; als de kluizenaar deze unieke kans grijpt om het land en zijn keizer te dienen, zit daar uiteraard een luxueus onderkomen in het paleis aan vast. De oude kluizenaar weigert beleefd, of soms zelfs uitgesproken onbeleefd, en gaat door met vissen zonder zijn bezoek ook nog maar een blik waardig te keuren.

In de moderne versie van dit oude verhaal, de anekdote over de jonge Rinus Van de Velde, wordt de rol van de keizer gespeeld door de Grand Canyon.

Kom op, zegt het wereldwonder, kom die auto uit, ik geef je de unieke kans mij te zien, zoiets zie je nooit meer, doe je ogen dit plezier. je bent gek als je dat laat schieten.

De elfjarige jongen blijft in de auto zitten.

 Als er al sprake is van een wonder ligt dat misschien niet buiten de auto. Misschien is het wonder wel dat die jongen hier zit, in deze auto, waarin hij door de woestijn hierheen is gekomen, nadat hij met een vliegtuig naar dit continent is gevlogen.

Maar misschien moeten we het interpreteren en invullen  zoveel mogelijk laten schieten en gewoon vaststellen dat het mooie van dit verhaal is dat vele jaren later Rinus Van de Velde nog steeds in een auto zit, en die auto inmiddels zelf heeft gemaakt.

In een aantal aankondigingen van deze avond werd vermeld dat ik met Van de Velde in gesprek zou gaan. Dat is een misverstand. Hoewel ik van alles van hem wil weten, ben ik schrijver en geen interviewer.

Bovendien, is het wel waar dat ik van alles van hem wil weten? Ik wil van alles over zijn werk weten.

In mijn hoedanigheid als recensent voor NRC Handelsblad is mij in het verleden wel eens gevraagd of ik een schrijver wilde interviewen. Vrijwel altijd zei ik nee, en liet die weigering dan steevast vergezeld gaan van de opmerking dat ik, als dat mogelijk zou zijn, wel graag het boek zou interviewen dat de schrijver in kwestie had geschreven. Niet de maker, maar het gemaakte. Dat is tenslotte wat je heeft geraakt, op welke manier dan ook, dat zou je graag eens uithoren omdat het uiteindelijk de expert over zichzelf is. En het leeft ook nog, terwijl de maker al lang geleden kan zijn overleden.

 Toch heb ik even overwogen om het misverstand van de aankondiging te honoreren en daadwerkelijk met Van de Velde in gesprek te gaan. Eén vraag zou ik hem toch wel graag willen stellen.

Ik heb het werk van Van de Velde pas goed leren kennen toen ik vorig jaar in het Brusselse museum Bozar de tentoonstelling Inner Travels bezocht. In de eerste zaal stond een werk met de titel ‘Prop, train’. Het bestond uit een levensgrote trein, van hout en karton. Je mocht er in, het was een oude trein, nog met asbakjes, het was prachtig. De trein was door het gebruikte materiaal kwetsbaar gemaakt, het was een trein die in werkelijkheid nooit zou kunnen rijden, melancholisch en optimistisch tegelijk; melancholisch vanwege de kwetsbaarheid, de juiste mate van geïmiteerde verwering en de opgeslotenheid in de museumzaal, optimistisch vanwege het feit dat ze bestond, dat ze in elkaar is gezet, dat ze de kleuren had meegekregen die ze droeg, dat ze was gemaakt. Het kon niet anders dan dat ‘Prop, train’ in diepe concentratie was gemaakt, en met plezier.

En dat zou ik Van der Velde dan willen vragen als ik met hem in gesprek ging: of ‘Prop, train’ inderdaad met plezier was gemaakt.

Is het antwoord op die vraag van belang? Het object is er toch al, wat maakt het nu nog uit hoe het is gemaakt, en in welke stemming? Dat zou je inderdaad kunnen denken, niemand zal het je kwalijk nemen, maar het punt is wel dat ik

de tentoonstelling een paar uur later verliet ín een optimistische stemming, bereid om dingen te maken, bevestigd in het idee dat het goed is om dingen te scheppen, dat het mag, dat het ertoe doet, dat het, misschien wel, van levensbelang is.

Dat kwam inderdaad door wat ik in de zalen van Bozar had gezien. Maar het was niet zo dat ik optimistische, levensbevestigende kunst had gezien, ferme kunst, kunst die het geloof in de wereld herstelt, met andere woorden: eendimensionale kunst.

Dat dus zeker niet. Het werk van Van de Velde is inhoudelijk niet optimistisch. Het is, vaak letterlijk, vrij donker. Het is een uitdrukking, een neerslag van innerlijke reizen die samen de fictieve autobiografie van de maker vormen. Omdat we weten dat wat we zien door één persoon is gemaakt, zien we iemand die veel mensen tegelijk speelt: de maker vormt zich tot verschillende personages. Dat doet de kijker ook op het moment waarop die het werk tot zich neemt. Zodat de volgende verhouding tussen werk en kijker ontstaat: wat wordt afgebeeld is wat je als kijker overkomt als je het ziet.

Als het werk van Van de Velde toegankelijk is, dan komt dat door dit effect. Op het eerste gezicht is het werk ook uiterst toegankelijk. Tekeningen of objecten van een indrukwekkende grootte, figuratief, begrijpelijk, niets aan de hand.

Maar het mooie is dat die toegankelijkheid steeds meer verdampt hoe dichter je het werk nadert, hoe langer je er voor staat, zeker als het om de tekeningen gaat.

De vorm herken je. Afbeelding met daaronder een paar regels tekst: het zijn boekillustraties. Je ontkomt er niet aan de teksten te lezen, ook al zou je die in eerste instantie nog willen opvatten als onderdeel van de afbeelding. Dat zijn ze uiteraard ook, maar het zijn ook woorden die je ontcijfert en die je vervolgens op de tekening wil gaan toepassen. Zo wordt elke tekening onderdeel van een verhaal, een illusoir verhaal, het bestaat niet maar toch wordt ernaar verwezen – de fictieve autobiografie. Elke tekening is een moment in een verhaal dat even aan de oppervlakte komt. We kunnen doordat het water half doorzichtig is ons nog iets voorstellen van het grotere verhaalfragment waarvan ons één moment wordt gegund – net genoeg voor een vaag idee, lang niet genoeg om het narratief te kunnen ontcijferen.

De objecten die worden tentoongesteld, de genoemde trein, een machine, een auto, verschillen van de tekeningen niet alleen door hun driedimensionaliteit maar ook door hun kleur. Waarin ze niet van de tekeningen verschillen is het feit dat ook zij onderdeel zijn van een verhaal – letterlijk zelfs, omdat ze als props deelnemen aan en voorkomen in de films van Van de Velde. In die films komen de verhalen iets duidelijker naar de oppervlakte, omdat daar echt iets wordt verteld. Wat zien we? Verslagen van een al vastgelegd lot. Het universum van Van de Velde heeft een onontkoombaarheid die melancholisch en tragisch is.

Nu moet ik eigenlijk ophouden want ik heb twee termen gebruikt, melancholie en tragiek, die zo zwaar zijn dat alles naar beneden dreigt te worden getrokken. Maar vergeet niet dat ik nu juist optimistisch gestemd de tentoonstelling verliet. Van somberheid was geen sprake, en ook al leek het even die kant op te gaan. Het werk van Van de Velde is niet somber. Maar het is ook niet vrijblijvend: je ziet dat het is gemaakt met geconcentreerde ernst en het is ook zelf die ernst.

Op zich zou het voor de hand liggen dat het werk van Van de Velde uitermate ironisch is. Mogelijkheden genoeg, met die op het eerste gezicht soms zo onbeholpen voertuigen en de niet altijd helder te duiden samenvoeging van afbeelding en tekst; niets lijkt meer voor de hand te liggen dan de ironie toe te laten maar als dat was gebeurd waren de tekeningen en objecten niets meer geweest dan dat, ironisch, en in wezen oninteressant. Nu zijn ze juist een verdedigingsmuur tegen diezelfde ironie.

Het tragische schuilt in de geconcentreerde ernst die uit het werk spreekt. De ernst waarmee we iets najagen kan niet zonder de uit ervaring en overlevering gedistilleerde erkenning dat de mislukking is ingebouwd. De melancholie die dat besef van uiteindelijke tevergeefsheid met zich meebrengt, schuilt in alle aspecten van het werk, in de afbeeldingen maar ook in de diepzwarte fluweelachtige toets van die afbeeldingen, in de kwetsbaarheid van de objecten, in de teksten onder de tekeningen maar ook in de manier waarop die teksten geschreven zijn – met een haast waaruit indringendheid spreekt.

Waar kwam dan het optimisme vandaan waarmee ik naar huis ging, gesterkt in en overtuigd van de geldigheid van het maken van dingen? Dat kwam voort uit herkenning van de tevergeefsheid die zichzelf meteen ontkende doordat het bestond om mij zichzelf te laten zien. Kortom, uit het feit dat het werk bestond, dat iemand de moeite had genomen om niet bij de pakken neer te zitten, en het zo zorgvuldig had vervaardigd dat je er niet onderuit kon dat het niet alleen met ernst maar ook met plezier moest zijn gemaakt.

Dat had ik dus aan Van de Velde willen vragen. Maar het plezier dat ik ervaar is niet zijn plezier, het is van mij. Wat heb ik met het plezier van Rinus Van de Velde te maken? Ik heb met zijn werk te maken. Eens te meer geldt: als ik met iemand in gesprek moet, dan niet met de maker maar met het werk zelf. Ik zou de vraag aan de trein moeten stellen. ‘Ben je met plezier gemaakt?’

Ik vermoed dat de trein zal antwoorden: ‘Wat denk je zelf?’ Ik zou daarmee kunnen leven. Ik zou me zelfs geen beter antwoord kunnen voorstellen.

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , | Plaats een reactie