Geen tijd


Tringgggggggggggg …., schaars gekleed open ik de deur: mogen wij een paar minuten van uw tijd vragen om ……
NEE!!!!! Ik heb geen tijd, ik kom net me nest uit en dan mot ik eerst koffie waarna ik pas aanspreekbaar ben, dus NU-EVEN-NIET! Chagrijnig knal ik de deur dicht.
Twee weken later: tringgggggggggggg …. Ik open de deur en: mogen wij een paar minu…… NEEEE!!!!!Ik heb geen tijd want ik sta hier een koutje te vatten want het tocht.

Hoe relatief is tijd eigenlijk vraag ik mij af. Terwijl ik dit denk lig ik op de bank en staar naar de hemel. Ik laat mijn gedachten de vrije loop en bedenk dat tijd pas relatief wordt als je er bij stilstaat. Het schouwspel van de wind die de wolken langs de hemel drijft en ze snel in andere vormen doet veranderen zorgt ervoor dat ik langzaam in slaap val.

Er staat iemand tegen mij te praten, wat hij zegt hoor ik in eerste instantie niet. Dan dringt het langzaam tot mij door: er volgt een dialoog over tijd. Het gaat over hoe ik met mijn tijd om ga; dat ik nergens tijd voor heb of voor mijn part ergens hoe dan ook tijd voor vrijmaak. Haast, haast, haast altijd maar die haast en geen tijd hebben; geen tijd hebben voor niets.
“Maar beste man,” zegt de stem “U leeft nu in de tijd dus u hebt nu alle tijd die u zich maar wensen kunt.”
Niet begrijpend kijk ik hem aan.
“U voert vele nietszeggende argumenten aan om te vluchten in uw denkwereld. Behalve dat tijd relatief is wat kunt u mij nog meer vertellen over tijd?”
“Nou uuhhhhh …. hm …” Verder kom ik niet.
“En dat bedoel ik nu: u bent verblind door uw eigen visie, vakblind bent u. Het wordt tijd dat u uw tijd opnieuw leert waarderen.”
Een bonk maakt mij wakker. Ik ben van de bank gelazerd en lig beteuterd omhoog te kijken. Inmiddels zijn er donderwolken zichtbaar en de sneeuw valt met bakken uit de hemel. Een hemel die ik zojuist nog de hemel in prees.

Mijn grijze cellen evalueren het gebeuren en laten mij beseffen dat ik inderdaad in de tijd leef en de tijd heb; zelfs meer tijd dan ik mij wensen kan. Immers: hoeveel seconden leef ik al, hoeveel minuten, hoeveel uren, hoeveel jaren? Zou ik dan binnen dit gebeuren niet een paar minuutjes kunnen vrijmaken voor een ander, voor een medemens? Nu heb ik de kans, ik ‘heb’ nu de tijd.
Als ik straks de pijp uit ben, dan pas heb ik geen tijd meer; dan ben ik eeuwig.

©Prlwytskovsky.

Gepeperd afscheid van een jaar


Ondertussen bak ik ze lekker bruin. De oliebollen dus. Zodra ik er eentje met blote handen kan vasthouden durf ik er pas in te bijten. Liever een brandblaar in me bek dan te wachten. Kwestie van ongeduld. Er zijn er altijd wel een paar, of in dit geval eentje die niet op haar rug wil gaan liggen. Is een oliebol eigenlijk vrouwelijk of …? Afijn, rondborstig als die bol is kan ik draaien wat ik wil maar nee: gewoon blijven terug draaien! Dan maar met de schuimspaan dwingend omdraaien en dat helpt.

Ik heb nu al 19 oliebollen in de schaal en in de ondertussentijd heb ik er al 5 op gevreten met poedersuiker. Ze smaken me prima kan ik je vertellen, loeiheet nog maar lekker. Er is nog zat beslag dus ik bak gestaag door. Ik fluit een deuntje en giet nog een ferme slok Grolsch naar binnen. Dus dan moet het goed komen. Toch? Zoals het nu gaat zonder morsen of kliederen of bollen die niet op hun rug willen draaien. Maar dan … Echt waar de laatste bol van het achtste baksel vis ik uit de pan en wat denk je? Die lazert van de schuimspaan af en rolt over de grond precies waar ik sta. Pogingen om hem te vangen resulteren in gevloek en uitglijden op de vooral vette plekken waar ik op blote pootjes in sta te dansen. Ja ja lach maar. Ik bak oliebollen altijd op blote voeten want dat geeft altijd zo’n bijzonder cachet aan het baksel als ik de bol opraap en terug op de schaal leg.
Dit keer een extra bolletje gebakken want volgende week komt buurman mij helpen om de rest op te vreten. Buurman eet niet veel want hij doet aan de lijn. Verwoede pogingen om af te vallen resulteren in dat hij bijna op zijn streefgewicht zit van 100 Kg. Hij weegt nu 98 Kg. Ga zo door buur.

Afijn half tien in de avond is het. Aan de overkant zie ik enkele knulletjes vuurwerk afsteken. Een grote vent staat er op afstand naar te kijken. 8 á 10 jaar schat ik die knulletjes, beslist niet ouder. Het ene rotje na het andere knalt. Ze werken wel goed samen want de één houdt het rotje vast en de ander steekt het aan. Het rotje wordt weggegooid en ze stappen daarbij twee meter naar achteren. ‘Kan gewoon niets gebeuren’. Zie je ze denken. Een paar tellen later doet hun zevenklapper zijn werk.

“Neem nog een oliebol?” Spreek ik mijzelf bemoedigend toe.
“Pffff …. Ik heb er al 12 op, nu even wachten hoor.” Mompel ik verontwaardigd.  En neem nog een lekkere teug Grolsch. Ja ja ik lul tegen mezelf. Gevolg van de leeftijd?
Maar om twaalf uur brandt dan eindelijk het echte vuurwerk los. Een pracht van een show ontvouwt zich boven Rotterdam, Schiedam en Holy, ja zelfs vlak voor me giechel beneden de flat door grote knallen vergezeld siervuurwerk. Op het mooiste vuurwerk word ik getrakteerd.
Om kwart voor twee lijkt het voorbij en hier en daar gaat nog een vuurpijl de lucht in en een luide knal met nog wat rotjes. Saillant detail hierbij is dat er weliswaar een stedelijk vuurwerkverbod geldt en daar is nu weinig van te merken.

129 miljoen is er in 2025 aan vuurwerk uitgegeven. 129!!!  Er gaan dagen voorbij dat ik het niet in mijn zak heb. In 2022 was het 110-miljoen en in 2019 ‘maar’ 70 miljoen en dan dit voorbije jaar 2025 dat de kroon spant en nog los van dat er veel Nederlanders hun vuurwerk in Duitsland hebben gekocht want dat onbekende bedrag mag je er zo bij optellen.
Op tv zag ik beelden van een verkooppunt waar op de kassa zo maar even €1.650 werd aangeslagen alsof het niks is. €1.650 in de fik steken en woesh … binnen een paar minuten is je geld in rook op gegaan. Een knul lacht pochend in de camera dat hij zojuist voor €2.500 aan vuurwerk heeft gekocht. Een andere gozer verteld dat hij met zijn vriend vuurwerk koopt en ze rekenen er op dat de prijs zomaar kan oplopen ergens tussen de 10.000 tot €15.000!!!  Maar dan wel het hele jaar openlijk op social media klagen dat bijvoorbeeld de energiekosten met een paar tientjes per jaar zullen stijgen en ook het levensonderhoud onbetaalbaar is. Waar is het hier verkeerd gegaan denk ik dan?
Los van het mooie siervuurwerk vind ik het zinloos weggooien van knallende rotjes een totaal geschifte bezigheid. Ik zie het niet anders dan een wegwerpaansteker kopen en deze ter plekke naast de kassa in de vuilbak smijten. Zinlozer kan ik mij de leut van het verschijnsel ‘vuurwerk’ niet voorstellen. Prachtig om te zien, dat dan weer wel zolang een ander het maar betaald en dan verder ze muil houdt over zijn schamelige maandelijkse uitkeringspecunia.

Maar het is weer voorbij. Na een katerig ontwaken is het dan nieuwjaarsdag. Het is angstig stil in de buurt en de parkeerplaatsen zijn overvol. Mensen bezoeken elkaar en nazaten bezoeken hun grootouders. Zij wensen elkaar alles wat maar wenselijk is. Want zoiets doe je nu eenmaal op nieuwjaarsdag. Nietwaar? Het hele jaar horen of zien ze elkaar niet maar met nieuwjaarsdag is de gefingeerde vreugde met alles wat maar te wensen valt er niet minder om. Ik neem nog een ferme hap van mijn zelf gebakken oliebol en giet wat jenever naar binnen bij wijze van nieuwjaarsborrel; een zelf belonend gedrag vertonend.
Mezelf ondertussen afvragend of ik niet nu meteen die feest-versier-zooi van de muren af moet halen en wegruimen of daarmee zal wachten tot morgen? Maar ja die traditie hè ….

Het wordt alweer schemer op deze eerste dag van het nieuwe jaar. Kerst en nieuwjaarskaarten van oude bekende die mij alleen met de kerst een kaartje sturen heb ik er genoeg gehad, met wensen die er niet om liegen. Maar zijn die wensen eigenlijk wel zo gemeend zoals zij geschreven hebben?
Snel die hele rotzooi in de vuilbak flikkeren. Opruimen! Weg met ermee! Alles stofzuigen en de herinnering aan 2025 met stofzuigerzak en al in de vuilbak smijten.
Maar dan die ene kaart, van haar. Ik krijg het niet over mijn hart om die nu al weg te gooien.

©Prlwytskovky.

Mijmert


Een rendier dat stilstaat, een Antilope die loopt en een Lamme Gier die kan lopen zolang er vreten op de grond ligt. Wist je trouwens dat een Lamme Gier met een groot bot ver omhoog vliegt en dat bot op stenen laat ketteren zodat het bot openbarst waarna hij het merg uit het bot slurpt?

Een kraai: ook zoiets. Gekscherend noemen mensen een doodgraver een kraai maar een echte kraai is toch wel even andere koek, bijzonder vind ik. Wist je dat als je die beestjes in het park voert met fijngestampte pinda’s dat ze jou de volgende keer al terug herkennen en meteen met je mee huppelen en vliegen? Hopend op wat snoepgoed voor ze. En wist je dat als er een kraai doodgaat dat de groepsgenoten takjes rondom de dode leggen, als eerbewijs en medeleven?

Mooi hé?

Maar mensen zijn anders. Massa mensen zijn wij geworden. Of voor mijn part kudde dieren. Voorbeelden en ontwikkelingen van de flora en fauna is de mens ontgaan merk ik. De mens doodt willekeurig beesten voor hun eigen genot. Of gewoon omdat het leuk praat als zij bij hun vrienden zitten te keuvelen onder het genot van een illegaal gestookt biertje. Keuvelend over zomaar iets ontnemen zij daarmee de fauna hun eigenlijke biotoop. Een biotoop die onze mensheid in leven probeert te houden zoals bomen en planten om die te verzorgen- en daarmee de fotosynthese in leven houden. Fotosynthese ja.  
Zomaar een woord of …?
Fotosynthese is niets anders dan dat bomen zich voeden met zonlicht waardoor ze bladgroen produceren en groene blaadjes geven. Groene bladeren nemen zonlicht op als voeding en stoten daarbij overdag zuurstof uit. In de nacht is dat proces omgekeerd en nemen ze zuurstof op en stoten stikstof uit. Je kunt dit vinden onder het topic Chlorofyl op Google. 😉
Maar zou je daarom een plant op je slaapkamer willen hebben die jouw zuurstof verbruikt?
Mawahhh … één plantje zal niet zo erg zijn maar ‘te veel’ is ook hier niet goed.
Dan denk ik goh: ik zeg ook es wat.

Van vrienden die een astmatische zoon hebben hoor ik dat zij laatst een Epipremnum hadden gekocht. Een plant die luchtzuiverend zou werken. Prima! Van mij mag dat. Maar dan … een dag later melde ze dat die knul zomaar meer lucht kreeg en de plant daarvoor bedankte. Vergezocht? Vind van wel ja. Zal eerder psychisch zijn denk ik.

En verder? Geen idee! Amuseer jullie en kijk uit met oversteken. Want wandelen met een hond in dit zonnige winterweer nodigt uit om onder een auto te lopen. Maar ik heb geen hond.

©Prlwytskovsky.

Magische mist



Op het kantoor waar ik werk is een centrale trap met bruine houten traptreden. Na acht treden is er een overloop naar het tweede deel van de trap. Boven staat de koffieautomaat en aangezien ik deze handeling dagelijks herhaalde malen uitvoer doe ik dit bijna blindelings.
Ik loop naar beneden met twee mokken koffie: één voor mijn collega en één voor mezelf. Bij de onderste tree verstap ik mij en tuimel het laatste stuk van de trap af. De plavuizen zie ik op mij afkomen en ik probeer met allerlei bewegingen mijn balans terug te vinden. Een dergelijk gebeuren kun je niet verzinnen laat staan nog een keer overdoen. Met grote stappen, om niet te vallen, kukel ik door de toevallig openstaande toegangsdeuren naar buiten en kom tot stilstand op de stoep voor de ingang vlak naast de rokers asbak.

Verbaasd kijk ik om mij heen en kijk over het grasveld naar de oprit. De oprit zelf is niet te zien maar wel een grijze op mist gelijkende muur. Ik sta op, loop over het grasveld en probeer te ontdekken waarom ik de oprit niet kan zien. Als ik midden op het grasveld sta hoor ik stemmen, giechelende stemmetjes en zelfs gesprekken. Maar er is niemand om mij heen die deze geluidjes produceert.
“Ga weg hier, dit is mijn territorium.” Hoor ik een krasstem roepen. Maar er is niemand aan wie deze stem behoort. Het gegiechel komt bij het bloembed vandaan maar ik zie daar alleen bloemen. Denkend wat dit betekend leun ik tegen een boomstam en meteen hoor ik:
“Leun op je eigen, doe ik bij jou toch ook niet?” Ik kijk naar de boom en laat hem meteen los.
“Zo is dat.” Zegt de krasstem weer. Ik kijk omhoog naar de kruin van de boom en zie daar een kraai zitten. Hij kijkt mij aan.
“Je hoort me toch wel?” Zegt de kraai nu middenin mijn gezicht.
“Ga weg hier, ik woon hier!”
Van schrik val ik achterover de bosjes in en meteen hoor ik een afgrijselijk geschreeuw. Ik hoor de bosjes schreeuwen van pijn omdat ik door mijn val enkele takjes heb gebroken. Ik kan vogels, bomen, bloemen en struiken horen praten? Dus nu ben ik gek aan het worden?

Dit moet ik binnen gaan vertellen, dat geloven ze nooit. Ik sta op en ren in paniek terug naar kantoor, naar de ingang, maar die is er niet meer. Ik zie alleen een grote grijze muur zonder ramen, zonder toegang; verder niets! Dan loop ik terug over het grasveld, maar ik zie nu zelfs de bomen niet meer. Alleen die mist zie ik en die kruipt dreigend rollend over het grasveld naar mij toe. Aan de grond genageld blijf ik staan en voel die ijskoude dikke grijze mist over mij heen trekken. Niets anders dan lichtgrijs kan ik nog zien en geen gras of bomen, of struiken.

Ik voel klappen in mijn gezicht. Links, rechts en dan weer links. Stemmen hoor ik en handen pakken mijn arm. Dan open ik langzaam mijn ogen en kijk in een paar warme donkerbruine ogen.
“Niet in slaap vallen hoor, wakker blijven nu.” Hoor ik een stem zeggen. Langzaam keer ik terug in de wetenschap dat ik op de grond lig.
“Je bent van de trap gevallen met je koffie.” Hoor ik iemand zeggen. “Je bent maar heel even buiten westen geweest, heb je pijn ergens?”
“Nee.” Zeg ik en probeer op te staan.

Bij het raam op mijn werkplek zit ik bij te komen van alle emotie. Met een mok koffie in mijn hand herinner ik mij het voorval. Een collega staat naast mij en praat bemoedigend tegen mij maar ik luister niet. Ik kijk naar de boom voor het raam, een boom die ik daarnet nog hoorde praten. Er komt een kraai aanvliegen en hij gaat op een tak zitten, vlak voor het raam. Het lijkt waarachtig wel of hij mij aankijkt en knipoogt en meteen vliegt hij weer weg.
“Een wonder dat je er niets aan hebt overgehouden.” Zegt mijn collega.
“Een wonder.” Herhaal ik zijn woorden. “Het hele leven is een wonder, je moet het alleen willen zien.”

©Prlwytskovsky.

Kerstboom zoekt


Gewoon even een kerstbomenboer gaan zoeken. Zulks kan nooit moeilijk zijn. Toch? Maar dat dingen niet lopen zoals ik denk zal blijken want nergens in mijn buurt is zo’n knakker te vinden. Tenminste: niet op loopafstand. Spijtig kijk ik naar mijn aangeschafte scheurijzer en neem in gedachte de maatvoering in mij op. Jullie moeten weten dat ik een Fiat500 Twinair rijder ben. Een heus scheurijzer dat dan weer wel, maar nog even los van mijn corpulente verschijning past er niet veel meer bij in dat wagentje. Zelfs een Fiat500 kent zijn grenzen. En die grens is wat mij betreft allang bereikt want dat ding zuipt meer dan ik en dan heb je het al snel verbruikt bij mij.

Maar ik had het over een kerstboom en vooral waar ik die kan kopen. Dus vol goede moed een rondje door mijn wijk gereden maar niets van mijn gading gevonden. Dan de zoekcirkel vergroot en warratje: een kerstbomenpik gevonden. Of hij mij kan helpen vraagt een pokdalig figuur mij. Pokdalig, omdat het kwaad van donkere straathoeken en portieken van zijn gelaat is af te lezen. Het teveel aan patat en te laat opblijven als kind bepaald nu zijn uitstraling.
“Ik zoek een lekker boompie.” Zeg ik op mijn vriendelijkst.
“Lekker?” Zegt hij lachend. “Eentje met kluit?”
“Ja, maar dan met zonder wortels.” Zeg ik en zoek ondertussen stoïcijns verder.
Zijn ambulante handel aanprijzend komt hij met een keurig boompje aan gelopen. Keurig qua grootte en qua takbezetting. Maar om nu meteen uit mijn dak te gaan is prijstechnisch gezien niet aan te raden. Wat dan wel?
“Boom moet aan twee voorwaarden voldoen.” Brom ik hem toe. “Hij moet zo wie zo in de woonkamer passen maar bovenal ook in mijn Fiat500.”
“Doe ik er toch een netje om?” Probeert hij mij om te praten.
“Ik geef je er €50 voor.” Poch ik.
“Haha nee meneer: deze zijn €55,-.”
Pfff … een Godsvermogen voor zo’n kutboom?
“Doe wat van je prijs af: dan praten we verder.”
“Nah oké: €50,- mag je hem meenemen. Maar lager ga ik niet hoor.”
Ik wist dat wel, want verderop bij de Gamma waren ze ook €50,- dus hier kan ik wel mee leven.

Maar dan ben ik er nog niet hè. Boom moet namelijk ook nog eens in de Fiat. Dus de rechterstoel naar voren geschoven en de leuning naar voren geklapt. De achterbankleuning ook voorover geklapt. Ja haha, zo je ziet: met een Fiat500 is heel veel mogelijk.
Een oudere vrouw staat met een verbaasd gezicht toe te kijken en vraagt zich waarschijnlijk af hoe ik dat op ga lossen om die boom er in te krijgen.
Als ik alles in de juiste posities heb gepositioneerd pak ik de boom met twee handen vast en ga tien passen achteruit. Dan neem ik een aanloop en smijt de kerstboom, ware ik een Olympisch speerwerper, in de leegstaande ruimte. En verdomd: hij past nog ook!
Thuis moet hij er ook weer uit. Dan is mijn vriendin er bij. God hebbe haar ziel bij voorbaat.

©Prlwytskovsky.


Buren


Vanmorgen ben ik zo los uit de hand op pad geweest voor voer, drank en meer van dat soort dingen. Lopend wel te verstaan want een mens moet toch in beweging blijven nietwaar? Op de terugweg kom ik een buurvrouw tegen die ooit wel eens op vrijwillige basis bij mij op bezoek kwam en waar wij ons middels een drankgelag overgaven aan de geneugten des levens waarna wij elkaar nooit terug zagen. Nou zij dus, die ik tegen het lijf liep. Niet al te letterlijk maar toch … Met een kort gedag knikje gingen wij ons weegs.

Bij de flat ingang loop ik de bijkans tot het interieur behorende tuinkabouter tegemoet. Natuurlijk mee staan praten over koeien en kalveren maar vooral over zijn ziektes. Godsamme …. Alsof je nergens anders over kunt praten dan over ziektes, over dood of nog erger. Maar afijn de tuinkabouter was zijn verhaal kwijt als ik bij de ingang een andere buur tegenkom.
Buur en ik oreren er heftig- en luidruchtig op los. Wij kennen ons namelijk en praten vertrouwelijk met elkaar. Niet over koeien en kalveren maar nee, het gaat dieper. Wij zoeken ongewild en al pratende het diepste punt van ons gesproken woord op. Ik leg mijn gemoed bloot en hij houdt mij ongewild met zijn praat een spiegel voor. Dat schept toch een vertrouwensband vind ik. Een zeldzaam verschijnsel voor de mede flatbewoners alhier.

Ondertussen lopen, krukken en rolstoelen er lang vergeten -of voor mijn part dood gewaande of tot zeer onwelkome tot huisvlieg gereïncarneerde buren langs ons. Ja ook die zogenaamde aardige buuf waar ik ooit moeite voor deed zoals ik daarnet beschreef passeerde ons. In een ver verleden had ik haar eens zover gekregen dat ze mijn toenmalige optrekje durfde te betreden alwaar wij samen een fles met een ondefinieerbare inhoud ontkurkte, decanteerde en soldaat maakte. Hierna heb ik haar nooit meer gezien. Lag dat aan die goedkope sulfietwijn van 0,98 ct per liter of tarten wij destijds ons lot met dit Bacchanaal? Maar zij dus was het die ons passeerde en haar arrogante poezelige muil niet open deed en parmantig langs ons heen liep. Parmantig, zoals kwaadaardige buren kunnen doen die je het idee geven dat je tot een soort parasiterend stuk ongedierte behoort. Piggelmee is er ook zo eentje. Die loopt parmantig met zijn kuthondje vriendelijk lachend door het park maar scheld ondertussen iedereen voor rotte vis uit die hij maar tegenkomt. Marinier was hij ooit. Dat vertelde hij mij destijds toen hij nog vrijelijk tegen mij praatte waarna ik hem de bek snoerde en het nooit meer iets met ons werd.

Bij de lift staat een andere buuf te wachten. Zij vraagt hoe het met mij gaat. Dus ik zeg mwahh goed ja. En meteen begint ze met: nou met mij niet hoor want ik heb dit en ik heb dat en ik moet naar het Ziekenhuis omdat ……. en mijn man ….
Gelukkig komt de lift er aan en stappen wij in. Op de tweede etage moet zij er Goddank uit en dat geeft mij lucht om weer normaal te ademen en op groen te springen.
Buren. Een noodzakelijk kwaad of een sociaal gebeuren? Zolang de onderwerpen maar in mijn straatje passen kan ik er niet mee zitten maar oh wee als je vraagt hoe het ermee gaat. Dan graaf je in een beerput.

©Prlwytskovsky.

De bloemenvrouw


Prachtig weer is het, een weertje om te zoenen. Ik vlieg met mijn Fiat over de scheepvaartweg en bedenk dat ik op dit tijdstip makkelijk even naar mijn buurtsuper kan gaan voor wat kleinigheden zoals appels want die zijn een must voor mijn door mijzelf opgelegde dieet.
Ik scheur op twee wielen de hoek om en ontdek zowaar een parkeerplek in de nabijheid van de ingang van de buurtsuper. Naar Schiedamse maatstaven gemeten een Godswonder.

Geheel toevallig zie ik daar een smakelijke dame lopen, eentje die ik al meerdere keren in dit winkelcentrum had ontmoet zonder dat zij mij zag staan. Zij zet haar tassen stuk voor stuk in de achterbak van haar autootje. Ik loop naar de bloemenzaak, leun met mijn armen op een leeg bloemenrek en bekijk de dame in kwestie tot in detail. Zoals ik deze vrouw eigenlijk staat te verslinden zonder dat ik haar aanraak, vraag ik mij af of er überhaupt vrouwen zijn die dit ook bij mij doen, waar ik geen weet van heb? En wat zouden zij dan denken en waarom zie ik dat nooit?
“Kan je het zien”, brult de bloemenvrouw in mijn oor, “je staat haar zowat uit te kleden”. Verschrikt kijk ik op. Want laten we wel wezen jongens, ik verkeer toch een beetje in dromenland door deze beauty. De bloemenvrouw gaat zo tekeer dat de dame in kwestie haar hoort en omkijkt wie ze zo uitgemeten kreeg. Lachend slaat zij dit tafereel gade. Ik sla geen acht meer op de tierende bloemenvrouw maar loop op mijn spetter af. Knullig excuseer ik mij en zij moet er om lachen. Wat een beauty als je zo dichtbij haar staat.

Weet je zegt ze: ik heb jou ook al vaker hier gezien maar jij ziet mij nooit. Bovendien ben ik getrouwd, dus helaas voor jou. Ter plekke smelt ik volledig van deze eerlijke bekentenis. Ze stapt in haar autootje en rijdt lachend en zwaaiend de parkeerplaats af. Het is zo erg met mij gesteld dat ik niet eens weet in welk merk auto zij rijdt.
Ik draai mij om en loop de bloemenzaak voorbij op weg naar de buurtsuper. Wat ging ik ook alweer kopen? Wat was dat nou ook alweer? Het wil mij maar niet te binnen schieten. Helemaal van mijn à propos loop ik maar naar de hikwinkel om een fles jenever te kopen want zoiets is altijd handig om in huis te hebben. Op de hoek zit een bakker die met reclameborden appelpunten aanprijst en plots wist ik het weer: Appels! Die moet ik hebben.
Langzaam komt alles weer terug in mijn herinnering en ik haal bij de buurtsuper de dingen die ik wilde hebben.
Eenmaal thuis adem ik weer normaal.

©Prlwytskovsky.

Sniekelaas


In plaats van televisiebeelden zie ik nu eindelijk in het echt een roedel loslopende Pietermanknechten. Zich uitslovend als een stel motorisch gestoorden lopen zij mij wijselijk voorbij. De aanwas aan kinderen wordt ineens erg groot om over het geschreeuw maar te zwijgen en te midden van al die angstige kijkende kleintjes staat daar de goedheiligman te glunderen. Met gulle gebaren deelt hij de cadeautjes uit die ouders eerst stiekem hadden gekocht en vervolgens onder de Sint z’n kont hadden geschoven om op een later tijdstip uit te delen aan hun kroost. Hoe dat allemaal in zijn werk gaat weet ik want ik ken Sint al een aantal jaren maar dan in een andere hoedanigheid.

Met een korte hoofdknik geeft de Sint aan dat hij mij ziet staan en ik knik onopvallend terug. Als alle tumult een beetje geluwd is kan ik dichter bij Sint komen.
“Hallo Henk, lukt het een beetje?”
“Ik mot zeiken als een paard.” Gromt Henk. “Maar ik kan nu niet weg hier.”
“Zal ik een biertje voor je halen?” Vraag ik. Vooralsnog een gul gebaar van mij.
“Flikker op man met je bier.” En snel kijkt hij de andere op om nog eens vriendelijk naar de kindertjes te zwaaien.
“Hoe is dat nou Henk?” Vraag ik. “Hoe voelt dat nou aan dat je de hele middag in het openbaar met je staf in je handen staat?” Gluiperig kijkt hij mij aan en terwijl hij zijn lippen tot spleetjes vormt siste hij: “Donderstraal nou op want anders herkennen ze mij.”
“Wie, die kinderen, welnee man weten die veel.”
“Nee joh. Zie je die kale vent daar? Smalbil heet ‘ie. Daar heb ik gisterenavond heibel mee gehad dus die mot mij hier even niet herkennen.”
“Heb jij zijn kind dan al iets leuks gegeven?” Vraag ik. “Zal ik deze doos even gaan brengen, vinden ze vast heel aardig van je.”
“Pleur nou toch op, die doos is voor een ander jong dat nog langs moet komen.”
“Wat is dat nou toch voor een taal voor een Sint.” Wijs ik Sint op zijn taalgebruik. En net op tijd legt Henk zijn gezicht in de plooi en transformeert zichzelf weer tot een kindvriendelijke Sinterklaas om wuivend de kindertjes te begroeten.
Het jongetje waar die doos voor bestemd is komt angstig naar de Sint en steekt zijn handje uit. Zijn vader draagt een pul witbier van een halve liter en geeft deze aan Sint.
“U zult wel dorst hebben als u hier zo’n hele middag moet staan.” Zegt de vader en geeft Henk het biertje. Ik zie Henk plotseling staan trillen en huppelen waarbij het glasbier uit zijn handen op de grond valt. Jammer van dat witbier.

Een paar dagen later kom ik Henk in het echt tegen en ik vraag hem waarom hij dat biertje nou liet vallen. “Peet, ik kon het echt niet meer houwen en die straal zou je dan onder die tabberd uit kunnen zien weglopen. Toen viel me in dat als ik het bierglas liet vallen dan was alles meteen opgelost. Wel zielig voor die omstanders die met hun blote handen de scherven opraapten.”

©Prlwytskovsky.

Buurvrouw praatgraag


Enige tijd geleden ben ik begonnen om een modelspoorbaan in elkaar te zetten. Daar heb ik soms hout voor nodig. Sommige stukken hout zijn vaak aan één kant net iets te kort. Dat zijn van die kleinigheidjes die je als spoorwegman tegenkomt. Zoals ook het repareren van een koppelingetje met een traumatisch veertje dat ik in een ander spoorwegverhaal verhaal al eens heb beschreven.

Laatst was ik weer naar de Gamma geweest voor wat hout. Ik sjouwde met platen hout en latjes over de galerij toen buurvrouw haar hoofd om de hoek stak. Nieuwsgierig kwam ze naar mij toe en vroeg wat ik ging maken. Waarschijnlijk bij voorbaat al bang voor luid getimmer en gezaag naast haar. Ik vertelde haar dat ik een open haard ging maken, in de woonkamer. Verbaasd keek ze mij aan en zei: “Maar dat mag toch helemaal niet hier in de flat? En u hebt niet eens een schoorsteen.” Piepte ze angstig.
Nou buurvrouw kijk eens hier, ik maak met een glassnijder een gat in het klapraam en daar leg ik het rookkanaal doorheen zodat alle rook naar buiten gaat. Het wordt dan heel gezellig bij mij en dan wilt u zeker graag een kopje thee komen drinken als de haard brandt? Haar deur knalde dicht en ik bracht mijn hout naar binnen.
Het zal twee uur later zijn geweest dat de deurbel ging. Ik deed open en daar staat de huismeester met een big smile op zijn gezicht.
“Mag ik even binnenkomen?”
In de gang vroeg ik of hij een biertje wilde en eenmaal aan het bier zei hij: “Peet, wat ben je soms toch een rotjong hè?” Maar hij kon zijn lachen niet inhouden en we hebben het toen nog even over mijn modelspoor gehad en over zijn huis in de Achterhoek waar hij snel gaat wonen als hij met de vut gaat.

Vanmorgen liep ik met mijn wekelijkse boodschappen naar de lift toen ik buurvrouw tegen het vege lijf liep. Ze bleef staan en begon te praten. Buurvrouw is een spraakwaterval met een woordkeuze waar de honden geen brood van lusten. Ze spreekt zonder spaties en vergeet tussen de zinnen adem te halen wat resulteert in heel raar praten. Ik fungeerde als luisteraar en knikte op tijd ja en nee want daar moet ik dan wel op letten. Ondertussen keek ze in mijn tas en zag de sla en andijvie voor één soort groente aan.
”Zo Peet, eet je dat allemaal op joh?”
“Nee buurvrouw, ik maak hier twee maaltijden van en de rest voer ik aan mijn kippen.”
Kippen? Zie ik de haar denken en de liftdeur glijdt dicht.
Nu ben ik benieuwd wanneer de huismeester weer een biertje komt drinken.

©Prlwytskovsky.

Zomaar een hobby


Laat ik het eens over mijn modelspoorbaan hebben. Er deden zich wat probleempjes voor met de stroomopname. Dus heb ik de rails licht opgeschuurd en nu rijdt alles zoals het hoort, zonder ongelukken welteverstaan en vooral op tijd. Daar kan de NS een puntje aan zuigen.
Maar ineens is er een geluid dat er niet hoort te zijn en niet veel later wordt de hele trein, onzichtbaar voor het oog, uit de rails getrokken doordat er een wagon is ontspoord. Ik kan je mededelen dat dit spoorwegongeval plaatsgrijpt net in een tunnel onder een plaat hout in een hoek waar ik niet bij kan; uitgerekend daar dus.

Mijn schroefboormachine ligt gelukkig nog onder handbereik en ik begin eerst de rails van de bovenplaat te verwijderen, hierna schroef ik de bovenplaat los en zie de ravage. Persoonlijke ongelukken deden zich hier niet voor, hoewel …. Ik moet onder de tafel doorkruipen om aan de andere kant te kunnen komen en sta net iets te vroeg op. Toing .. krrrrakk … gllloeiende-gloeiende. Daar kan de andere trein die even verderop staat te wachten ook niet tegen en hij valt waarschijnlijk van schrik spontaan om.

Eerst deze trein op de rails zetten, maar wel op een plek waar ik goed bij kan komen. Vervolgens de boel dichtschroeven en de rails terugleggen. Dan kruip ik onder de tafel door naar het volgende spoorwegongeval, om aan de andere kant weer boven te komen zonder mij ergens aan te stoten. Ik wil de trein weer op de rails plaatsen en heb daar een wielengeleider voor aangeschaft die de locs en de wagonnetjes op de rails geleid zodat ik ze niet zelf op de rails hoeft te pielen. Maar die ligt uitgerekend net aan de andere kant van de baan. Ik stroop met mijn arm voorzichtig langs de objecten en rek mijn arm uit. Weer lawaai. Maar nu niet van ontspoorde treinen, nee, ik blijf met mijn mouw ergens achter hangen en trek een heel stuk rails mee. Het zit me niet echt mee vandaag.
Ware ik grof gebekt dan had ik nu waarschijnlijk hartgrondig gevloekt maar ik hou mij in en gebruik krachttermen als goeie grutjes en zo. Fluitend zet ik alles weer in elkaar en draai aan de knop om de trein te laten rijden.
Er gebeurt niets.

Ik rammel hier en daar eens aan maar nee: geen beweging komt erin. Nu krijg ik zin in nog een treinramp, maar dan eentje die ik zelf zou willen veroorzaken. Ik kan mij beheersen en ga op onderzoek uit. Alles zit aangesloten zoals het hoort maar er komt geen beweging in. Totdat mij opvalt dat er een oranje stekker in het verlengsnoer zit die er niet in hoort: namelijk die van de schroefboor. Ik verwissel de stekkers en draai de knop van de trafo naar rechts: de treinen beginnen als vanzelf te rijden. Met een diepe zucht van tevredenheid zet ik beide treinen stil op hun speciale eigen plek en trek de stekker er uit.
Tevreden overzie ik het geheel en oordeel: Leuke hobby, modeltreinen. Geeft je net die broodnodige ontspanning.

©Prlwytskovsky.

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag