Op mijn wekelijkse 18 minuten durende barre wandeltochten door weer en wind kom ik ze wel eens tegen: zo’n infantiel stelletje Nordic Walkers. Mannen en vrouwen op splinternieuwe witte Nikes met gekleurde reflectors aan de zolen en in beide handen een wandelstok lopen ze op hun manier in marstempo het overtollige vet er af. Borsten die van links naar rechts zwiepen en billen die amper hun sportbroeken omhoog kunnen houden ‘walken’ ze puffend en snot kwijlend door ons park. Een hond kijkt er minachtend naar. Sommige stokken zijn met een metalen afbeelding verfraaid over waar ze allemaal geweest zijn. Schiedam-noord, Schiedam-zuid? Wie het weet mag het zeggen.
Maar toch laat het mij niet los hè, die gekte. Dus ik zoek zo’n club op en vraag wat info onder het genot van een glaasje mineraalwater want koffie is hier vanwege het gezondheid uitstralende karakter not-done. Mij wordt uitgelegd dat je maandelijks contributie betaald en de stokken door de club worden verstrekt. Een coach begeleidt het zaakje en schoeisel is voor eigen rekening. Nou had ik gelukkig nog een paar oude blauw/witte school gympies met veters in de kast liggen die mij nog maar net passen dus daar doe ik het maar even mee.
Op de club word ik voorgesteld aan enkele gezondheidsfreaks die mij verwonderd kwijlend en hijgend aankijken alsof ik de half God Olympus himself ben die speciaal hiervoor van zijn berg af komt rennen. Handen worden geschud en namen uitgewisseld. In gedachte vergelijk ik dit met een dating club maar in dat geval was ik al meteen met gezwinde spoed weggerend, zonder stokken weliswaar!! Man man man wat een volk. Hun voortraject lijkt mij niets anders dan een Pim-Pam-Pet club waaruit zij zijn geroyeerd wegens sufheid. En dan nu met een toekomst bij Nordic Walking? Maar een mens moet toch wat. Nietwaar?
Na een paar weken ‘walken’ komt de coach naar mij toe en met een overdreven lachend coach gezicht vraagt hij of ik het leuk vind. “Mwah, je bent in beweging en daar gaat het mij maar even om.” “Welnu u bent een snelle leerling walker en als u zo doorgaat mag u volgende maand zonder stokken.”
“Laat je nieuwe wasmachine eens zien Peet, ik ben zo nieuwsgierig hoe die er uit ziet.” “Nou kom maar mee dan, hij staat hiernaast.” “Ohw heb je er zo één, die ken ik want die heeft mijn schoonzus ook en zij is er erg over te spreken.” “Moet je kijken, hij kan …….” “Onze zoon heeft dat andere merk, kan er even niet opkomen maar het is er eentje uit de top 3 merken.” “Ja maar deze ……” “Die van ons is al 11 jaar oud en doet het nog zo lekker.” “… heeft een één knops bed……” “Hoeveel liter water verbruikt deze?” “Negenenv……” “Die van ons doet het met 55 liter.” “eertig…..” “En die van onze zoon gebruikt 50 liter.” “Deze is erg geruisloos en …….” “Zullen we weer naar binnen gaan Peet, ik krijg trek in m’n wijntje; leuk joh, succes ermee en erg aardig van je dat je hem even liet zien aan ons.”
“En kijk eens naar die ketting die ik van mijn man heb gehad.” “Ik ga een biertje halen voor je man en mij, jij hoeft geen wijn want jij gaat toch zo weg.”
Een paar straten verderop zit de supermarkt waar ik al eens in eerdere epistels over verhaalde. Daar haalde ik dus van de week mijn boodschappen. Bij de caissière prijkt op haar linkerborst een naamplaatje met daarop Mirjam. In mijn onschuld vraag ik haar: “Hoe heet dan die andere?” Het kind kleurt en weet zich geen houding te geven en meteen ontsteekt een vrouw achter mij in blinde woede over mijn opmerking en dat ik een varken ben. Maar waarom? Was toch gewoon informatief gevraagd? Volgens de Chinese dierenriem ben ik een varken dus dat is geen nieuwtje voor mij.
Als ik dat gehad heb moet ik met mijn boodschappenwagentje wachten op mijn buurvrouw die staat te klungelen om een muntje in haar karretje te werpen. “Mag ik hem er even inschuiven?” Vraag ik aan haar. Het is die dag niet meer geworden wat het zijn moest.
Treurig loop ik door mijn geliefde woonwijk waar ik opgroeide en later als nozem mijn stempel zette. De wijk Nieuwland is niet meer wat het ooit was, nee erger nog: het lijkt nu wel een nieuw land. Nederlanders ontdek je er maar weinig. Kijkend naar de verpaupering ontgaat mij de herkenning maar dat heb ik al eens beschreven. Schiedam doet wel zijn best om de wijk er goed uit te laten zien door bijvoorbeeld nieuwbouw maar de treunis blijft voor mij nadrukkelijk aanwezig. Waar ooit een katholieke kerk zijn parochianen inpalmden zie ik nu een moskee.
Ik loop door de Talmalaan en herinner mij buurman Mulder die altijd met auto’s in de weer was zoals een Ford-Taunus 12m. Zijn zoon Jan hielp hem soms daarbij. Buurman de Vries met zijn Ford Versaille en zijn zoon Aadje. Karel van loon met zijn rode Jawa motor. Het zijn herinneringen waar ik niet één spoor van terug vind. Ja, de huizen staan er nog maar die zijn ook al verbouwd en aangepast aan de huidige tijd en daarom onherkenbaar voor mij. De garages waar van de Pas zijn eerste markiezen bouwde en groenteman Saas zijn nering dreef zijn nog terug te vinden maar volkomen onherkenbaar. De sigarenboer op de hoek is dichtgetimmerd met tralies maar wel nog herkenbaar aanwezig. In mijn tijd brandde daar altijd een gasvlammetje op de toonbank om mensen die elke dag één sigaar kochten aan vuur te helpen en daarbij een sociaal praatje te maken.
Ook kwam elke dag een melkboer door de straat. A.J. Kerklaan stond op zijn auto en dat was lachen met die man. Die kon rekenen zeg, daar kunnen ze nu een puntje aan zuigen. Als een pratende telmachine raffelde hij alle bedragen bij elkaar en presenteerde als zodanig de rekening aan de wachtende en smachtende huisvrouwen. Ik mocht weleens met hem meerijden naar de Dr. Boslaan, verder niet. Een wereldreis voor mij en eigenlijk was het maar één straat verder. Een donkergrijze DKW bestel uitvoering had hij en die kar stond vol met kratten met rinkelende flessen en andere zooi. Achterin had hij een melktank met aftapkraantje voor de losse melk.
Er reed een vrachtauto door de straat van de zuurstoffabriek, geladen met zuurstofflessen. Een groene DAF met trailer die in de Dr. de Visserlaan keerde op de lus aan het eind van de straat; daar woonde de chauffeur. Ik ging altijd kijken als die auto er stond, machtig gezicht vond ik dat. Een olieboer met een bruin paard en een gele wagen kwam elke zaterdag door de straat, zand, zeep en soda verkocht hij er ook bij. Wat dacht je van een schillenboer? Twee keer per week kwam hij met paard en wagen, en later toen de modernisering toesloeg met een ijzeren hond. Ken je die nog? Zo’n teringding waar je eerst een uur aan een touwtje moest rukken om hem aan de praat te krijgen om dan bij het volgende portiek de “Bernhard moteur” weer af te zetten. Want zo heten die motortjes. Zorgvuldig scheidde hij met blote handen het brood van de schillen, gooide zijn jutte zak over zijn schouder en liep het volgende portiek in.
Ik stop even bij het voorlaatste portiek nabij de Schaepmansingel en denk hier nog even terug aan de begin jaren 50 op de plek waar het paard van de schillenboer neerstortte en roerloos op de grond bleef liggen. De schillenboer knielde bij het paard neer en sprak ermee. Hij tilde het paardenhoofd op en streelde het en zei tegen het paard dat alles goed zou komen. Na een tijdje stond het paard wankelend op en trok de kar de hoek om. Nooit heb ik het paard weer gezien. Huishuuuuurrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr schreeuwde een stem nadat de eigenaar van de stem alle acht bellen met twee duimen beurtelings had ingedrukt. Zenuwachtig dribbelde de huisvrouwen met hun geld de trappen af om de man te betalen. Met vijf straten aan huurpenningen in zijn zakken liep de man met een gerust hart terug naar zijn kantoor. Het pleintje waar ik leerde rolschaatsen is er niet meer en ook het laantje waar ik voor het eerst op een fiets stapte is verdwenen. Het grasveld waar wij, Niekie, Harry, Pimmetje en ik ooit tegen andere straten voetbalden is er nog wel maar het ligt er leeg en verlaten bij. Mijn Schiedam, wat is er met je gebeurd?
Pesten is iets dat niet in deze tijd is uitgevonden maar wereldwijd bekend is bij elk kind uit welke generatie dan ook. Pesten of gepest worden, andere categorieën zijn er niet. Als kind had ik geen imponerend figuurtje en was een klein en broos mannetje. Prachtvoer om gepest te worden en dat gebeurde ook. Twee schoolknapen die in de zesde klas lagere school zaten moesten mij altijd hebben. Zelf zat ik in de derde klas en met deze leeftijd hadden zij met hun tweeën de overmacht. Schelden, knijpen en in elkaar geslagen worden heb ik moeten ondergaan zonder dat iemand er een poot naar uitstak. Moeder zei dat ik terug moest slaan en de juf luisterde maar met een half oor naar mij. Toen die twee na hun 6e klas van school afgingen was het pesten nog niet voorbij want één van die twee kwam in onze straat wonen. Later toen ik ouder was ben ik met mijn brommer over de poten van de grootste van die twee gereden. Pech, want die knul had een hond die hij op mij afstuurde en hond beet maar wat graag in mijn poot; zo baasje zo hond. Het kan niet altijd meezitten.
Jaren later toen ik Huzaar af was en als vrachtwagenchauffeur ging werken had ik daar een goede training aan. Zwaar werk zorgde ervoor dat ik er breed en gespierd ging uitzien. Ik zal een jaar of 28 zijn geweest dat er een vriend van mij ging trouwen en hij mij uitnodigde op zijn feestje. De receptie was druk bezocht en overal werden praatjes aangeknoopt. Achter in de hoek aan een tafeltje zat een bekend gezicht maar ja: Schiedammers onder elkaar. Op den duur ken je er zoveel zonder eigenlijk te weten wie zij zijn.
Het gezicht aan dat tafeltje trok weer mijn aandacht en ik ging dichterbij. Geen steek veranderd vond ik. Het was die andere pestkop en hij zat alleen aan een tafel een gebakje te verorberen. Ik voelde mijn vuisten samentrekken en met mijn handen in mijn zak liep ik op die galbak af. Daar zou ik eens een hartig woordje mee gaan praten. Zijn rechterhand trilde en hij legde zijn gebakvorkje neer. Hij keek wie er naast zijn tafeltje stond en wilde opstaan om mij een hand te geven en zich voor te stellen maar ik gaf geen krimp en hield mijn handen in mijn zakken. Onbeweeglijk keek ik hem aan. Wat een zielig hoopje mens zat daar op die stoel, bij dat tafeltje. Zo te zien had hij een of andere ziekte onder de leden waardoor hij niet goed meer kon bewegen.
“Wie bent je?” Vroeg hij mij. “Ken je mij niet meer?” “Nee, ik zou het niet weten.” “Is eigenlijk ook logisch hè”. Zei ik cynisch lachend. “Wij waren immers nog kinderen. Zo lang is dat al geleden.” “Geef mij eens een tip, waar ken je mij van?” Vroeg hij nieuwsgierig. Als ik zwaar had uitgeademd was hij al omgevallen en ik liet mijn knuisten in mijn broekzakken ontspannen. “Jaren heb ik erop gewacht om jou eens tegen te komen: jaren! Nu zie ik je eindelijk en nu vind ik het de moeite niet meer waard.” “Maar wie ben je dan?” Vroeg hij nu luider. Ik draaide mij om en liep weg van hem. “Wie ben je?” Schreeuwde hij mij op zijn manier achterna.
Ik ging naar mijn vrienden terug, nam waardig afscheid en ging naar buiten. Frisse lucht had ik nodig. Wat had ik die knaap graag een paar hoeken tegen die rotkop gegeven maar iemand die al met anderhalf been in het graf staat is geen partij voor partijtje matten. De leerschool die ik heb doorlopen heeft mij niet alleen normen en waarden bijgebracht maar ook zelfrespect. Zo te zien werd die knaap al genoeg gestraft.
Enkele maanden later kwam ik mijn vriend tegen. “Weet je dat Aad dood is?” “Aad? Wie is Aad?” “Nou, op mijn receptie zag ik je met hem praten dus ik dacht dat jullie elkaar wel zouden kennen.” “Hoe oud was hij?” “Dertig!” “Nee, ik ken hem niet.”
Dat ik dus een valentijnskaart heb gekregen van een mij onbekend iemand die mij wel zag zitten maar die zich vooralsnog niet bekend wenste te maken aan mij. Niet dat ik nu zo nieuwsgierig was dat ik persé wilde weten wie het was, dat niet; maar toch beheerste het mijn denkpatroon. Gnuivend en handenwrijvend met een smerig lachje om mijn mond bedacht ik snode plannetjes om haar uit haar tent te lokken, wie het ook moge zijn; een blogster of een buuv is mij om het even. Ik bedankte bijvoorbeeld in het voorbijgaan elke mogelijk aanstaande vriendin voor haar valentijnskaart. Ook de chatcontacten die ik heb verzameld lokte ik op deze manier uit hun tent maar niemand reageerde positief.
Naar de brievenbus gerent: leeg! Kijken of er iemand heeft gebeld? Niemand! Dan mijn computer opstarten en kijken of er een mailtje is. Nee! Langzaamaan gaf ik de moed op toen zich een vriendin melde op de sociale media. Argeloos vroeg ze of ik nog Valentijn kaarten had gekregen. “Mwah” blufte ik, “stuk of 7.” Even was het stil waarna ze vroeg of er nog een bijzondere bij zat of een erg leuke. Ssssssttt …… jongens, ik heb beet: zij is het. “Neuuhhh” zei ik, “t’ was allemaal rommel.” “ROMMEL?” Kraaide ze beledigd. “Ja” zei ik, “er staat geen koosnaampje of andere tip bij dus ik kan wachten tot ik een ons weeg eer ik weet wie de schrijfsters zijn.” “Wat doe je er dan mee?” Vroeg ze. “Ik heb ze in de vuilbak gepleurd. Wat moet ik anders met die zooi.” Toen ontstak ze in toorn: “In de vuilnisbak? Heb ik daar zo me best voor gedaan om je adres te achterhalen; ik heb er ook nog een lekker luchtje opgedaan en dan gooit die gek het zomaar in de vuilnisbak?” “Ahahahaaaaa gefopt” lachte ik, “dus jij bent het!” Pisnijdig was ze dat ik zo reageerde maar vooral dat zij erin was getuind. Hoe ik ook probeerde te zeggen dat ik haar kaart netjes op tafel had liggen in afwachting van …, maar niets hielp meer om haar tot de orde te roepen.
Ik ondernam nog één zoetgevooisde lijmpoging door te zeggen dat ik flinterdunne flensjes voor haar zou bakken gelardeerd met rozijntjes, bestrooid met poedersuiker en met een klontje roomboter in het midden. Gedrenkt in inmaakbrandewijn, dat wel, want ik moet wel op mijn budget letten met die drankprijzen van tegenwoordig. Maar nee: ik had het nu echt verbruikt bij haar. Ze wilde mij best eens zien maar had voorlopig geen tijd. Ja, ergens in 2028 had ze nog een plekje vrij in haar balboekje.
Sip zit ik met lege handen naar haar kaart te kijken. En dat teringding ruikt zo lekker.
Wéér die rotbel. Voor de zoveelste keer ren ik naar de voordeur, open deze en zie niemand! Dit gaat mij een beetje de keel uithangen en ik zin op wraak, maar hoe. Het hok waarin ik op mijn computer verhaaltjes pleeg te schrijven, bevind zich aan de galerijkant. Als er weer wordt gebeld sta ik meteen op en kijk naar buiten maar zie niemand. Wel hoor ik iemand met een korte snelle pas weglopen. Belletje trek? Kort daarna gaat de beneden bel, ik grijp de huistelefoon en hoor een kind vragen of ik de beneden deur wil openen. Ik reageer er niet op en wil verder gaan met waar ik mee bezig was. Met mijn hand nog op de huistelefoon leunend gaat de boven bel, ik ruk meteen de deur open en steek mijn kop naar buiten. Ik hoor snelle stappen op de galerij en kijk meteen naar waar het geluid vandaan komt. Een blond knulletje rent naar het verkeerde einde van de galerij: het stuk dat dood loopt.
Nu heb ik je, denk ik, en trek een sprintje achter die knaap aan. Met open armen loop ik de hoek om en zie …… niemand! Helemaal niets, niemand. Dat kan toch niet? 3 seconden zat hij voor mij, op een doodlopende galerij op de negende etage? Word ik gek? Zie ik ze karren? Niet begrijpend loop ik mopperend over de galerij terug naar mijn huisdeur en kijk naar beneden. Op de parkeerplaats zie ik datzelfde mannetje staan. Hij lacht naar mij en zwaait. Knorrend kijk ik hem aan maar de afstand is te groot om zijn gezicht goed te kunnen zien. Maanden later loop ik door het park, het park waar ik reeds eerder over schreef dat er zo verlaten bij ligt. Ik ga aan de waterkant zitten en kijk naar de voetballende kinderen. Een bal komt mijn richting op en met een snoekduik vang ik hem op. Als ik opsta om de bal met een rotschop terug te schieten zie ik een kind voor mij staan, een blond jochie. Net iets te lang kijken wij elkaar aan. Hij pakt de bal af en rent terug naar de groep. Zo snel ik kan ren ik er achteraan en aanschouw de groep maar nergens is dat blonde jochie te bekennen, opgelost in lucht. Net als destijds op de galerij.
Op een zeldzame mooie dag in juni, in het jaar des Heren 2007, zit ik met een biertje op balkon en lees een blaadje. Een beweging neem ik waar, aan mijn linkerzijde. Wat het is weet ik niet, mogelijk een duif want die pesten mij al zolang ik hier woon. Mijn ogen laat ik in hun kassen naar links rollen, zonder mijn hoofd te bewegen. Een kind staat mij over de balustrade aan te kijken terwijl dat huis naast mij al weken leeg staat. Het is dat onbekende blonde jochie. Langzaam beweeg ik mijn hoofd in zijn richting. Hij glimlacht verlegen. “Wie ben je?” Vraag ik. Zoals verlegen kinderen kunnen draaien zo draaide hij ook. “Jij kent mij niet, zegt hij. Maar je had mij gekend kunnen hebben.” Deze woordpuzzel begreep ik niet en vraag hem mij dit uit te leggen. Toen ik hem recht aankeek zag ik hem in een waas oplossen en verdwijnen. Nu zat ik recht op mijn stoel want dit leek op magie, of het spookt hier. Bijna verslikte ik mij in de laatste slok van mijn bier toen ik rechts een beweging zag. Ik bedacht mij geen moment, sprong op en rende naar die plek op het balkon, regelrecht met mijn smoel tegen het zonnescherm aan. Vloekend en tierend stond ik daar, vooral kwaad op mijn eigen stommiteit. Het kind lachte zich in een deuk en ik keek om waar zijn geluid vandaan kwam.
Hij zit in mijn stoel en kijkt mij aan. Langzaam loop ik op hem af en ga tegenover hem op het beton zitten, met mijn rug tegen de balustrade. Wij kijken elkaar nu recht aan. “Wil je wat drinken?” Vraag ik hem. Nee, schudt hij zijn hoofdje. “Wie ben je?” Vraag ik hem nogmaals. “Waarom ben jij weggegaan?” Vraagt hij. “Slimmerik, jij beantwoordt mijn vraag met een tegenvraag.” “Ja”, Zegt hij: “van jou geleerd.” “Maar ik ken je helemaal niet. Help mij eens; waar moet ik zoeken?” “Denk eens ver terug, heel ver terug. Waarom ben je toen weggegaan? Nu kan ik niet verder en moet ik hier blijven.” “Wat bedoel je, waar heb je het over? Vraag ik. “Jij bent bij mijn moeder weggegaan voordat ik kon komen en daarom moet ik nu hier blijven.” Ik denk na over zijn woorden. Woorden van een kind die mij tot beschamend stilzwijgen manen; een zeldzaamheid. Hij ziet mijn emotie en lacht verlegen naar mij. “Begrijp je het nu? In de wereld waarin ik leef worden wij steeds jonger en jonger. Als wij baby zijn, daarna pas, kunnen wij in jou wereld geboren worden om in jou wereld ouder te worden en daarna te sterven om terug te keren naar mijn wereld, snap je? Dat is de cyclus die al miljarden jaren zo werkt. En jij hebt dat doorbroken door weg te gaan bij mijn moeder.” Nu valt langzaam het kwartje bij mij en ik wil hem aanraken maar ik voel niets, ik grijp door hem heen. “Raak mij aan!” Zeg ik hem, maar hij lacht alleen maar en zijn verschijning wordt steeds waziger. Hij tilt zijn hand op en zwaait, en verdwijnt in het niets.
Ik raak het kussen aan waar hij op gezeten heeft maar ik voel niets, ik tuur mijn omgeving af en zie niets; ik roep maar ik hoor niets. Niets heb ik er ooit meer van vernomen. Was dit een signaal uit een andere wereld?
Een man kwam thuis met als verrassing voor zijn vrouw een alleraardigst aanhankelijke Duitse Pitbull, want zij hield zo van hondjes. Het was een erg leuk beestje maar er zat wel iets traumatisch aan namelijk dat je moest uitkijken met het woordje ‘Das’. Daar kon dat beestje helemaal gek van worden. Op een kwade dag werd er aan de deur gebeld en de vrouw des huizes zei heel onnadenkend: Das de deurbel. De hond vloog naar de deur en verbouwde het voorportaal zodat er niets meer van het interieur overbleef.
Enkele weken later en de klap te boven van het voorportaal, ging de telefoon tijdens een innerlijke omhelzing tussen de man en zijn vrouw. Das de telefoon zei de vrouw onnadenkend. De hond vrat de telefoon van de tafel met als resultaat dat de telefoon nu helemaal kapot en onbruikbaar was en de kabel uit de muur was getrokken. Nu hebben we ook geen telefoon meer zei de vrouw. Das klote.
Als je via Schiedam noord naar de Schie loop dan kom je een oude kerk tegen. Het boerendorpje waarin dat gekerkte staat heet Veere aan de Kandelaar. Een oude veerpont zette daar in de 19e eeuw mensen over de Schie; van en naar Schiedam. Veelal boeren waren het en dan met of zonder hun veestapel. In het heden kun je de geest van het verleden nog goed herkennen en aanvoelen; en dat moet ook zo blijven vind ik. Het straalt een bepaalde sfeer uit.
Een verlaten kerk met een goed onderhouden naastgelegen begraafplaats en een pastorietuin. Maar een koster, kerkgangers of ouderlingen ontbreken helaas in dit idyllische tafereel. En ook passend kerkgezang is er niet te horen. Tegenover de kerk neem ik plaats op een bank en bekijk dit tafereel maar vooral mijn fantasie laat ik daarbij de vrije loop. Veronderstel nu eens dat het nacht zou zijn? Aardedonker en met een maan die in een dunne sikkel zijn matige schijnsel over dit schouwspel laat vallen met hier en daar een herkenbaar sterrenbeeld aan de hemel. Spookachtig bijna. In die lege kerk, in dat aarde donker, zie ik plots een lichtschijn bewegen. Van raam naar raam beweegt het licht zich schichtig voort. Is er dan toch iemand daarbinnen? Nieuwsgierig sluip ik de pastorietuin in en probeer bij een raam te komen. Op een stapel stenen kan ik net door het raam kijken en zie een licht door de lege kerk dwalen. Als ik goed kijk zie ik een menselijk figuur in habijt. Het figuur knielt neer en buigt het hoofd. Het licht tempert eerst en gaat dan uit. Langzaam keer ik terug uit mijn overpeinzing met vóór mij het verleden en links van mij mijn verlichte stad Schiedam. Hoe lang heb ik daar gezeten vraag ik mij af en in gedachten verzonken loop ik het donkere pad af met mijn handen diep in mijn zakken.
Een klak-klak-klak geluid doet mij stilstaan en omkijken. Er komt een ruiter aan, een boerenzoon te paard. Hij groet mij in het voorbijgaan en hobbelt verder. Ik groet hem terug maar dat zal hij waarschijnlijk niet meer gezien hebben. Heden en verleden. Ongemerkt kruisen zij elkaar hier. Hoe opmerkzaam moet je zijn om dit in het juiste perspectief te kunnen zien?
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.