Een wonderlijke ontmoeting

De kogel is door de kerk. Na zes jaar onzekerheid weten we dan eindelijk dat we in het voorjaar tijdelijk zullen moeten verhuizen, omdat de woningen in deze wijk, De Rode Buurt, grondig zullen worden gerenoveerd.

Opruimen dus. Spullen uitzoeken, naar de kringloop, naar het afvalpunt. Nadenken, overwegen, beslissingen nemen. Inpakken. En een goede gelegenheid om alle ballast weg te doen.

Deze zondag in oktober haal ik kasten leeg in de logeerkamer. Stapeltje bewaren, stapeltje kringloop, stapeltje twijfel, stapeltje weg. Het is een gevaarlijke bezigheid. Als je niet oppast, zit je zo een hele ochtend weemoedig oude foto’s te bekijken, briefjes van de kinderen te herlezen, te twijfelen over dat ene jurkje. Dat schiet niet op, natuurlijk. Ik leg de oude albums in een verhuisdoos. Ze mogen allemaal mee. Terwijl ik zo bezig ben, gaan mijn gedachten naar het begin van dit arbeiderswijkje. In 1931 werden de huizen gebouwd, naar een ontwerp van de architecten Gulden en Geldmaker. Bizarre namen in dit verband. Wie zou er als eerste in dit huis hebben gewoond, vraag ik mij af. Dat is natuurlijk niet meer te achterhalen. En bovendien zijn die mensen natuurlijk al lang dood. Ik laat het los en vouw opnieuw een doos open en vul hem met kinderspeelgoed, dat nog niet naar de kringloop hoeft. De dag vliegt om, er staat een nette stapel dozen, de zakken die weg kunnen, zet ik vast in de auto. Met een voldaan gevoel installeer ik me voor de tv voor het nieuws.

De bel gaat. Voor de deur staan twee mensen. Een oude dame achter een rollator en een jonge vrouw met een kind. Op mijn verbaasde blik zegt de jonge vrouw: “Ik kom deze mevrouw thuisbrengen, ze zegt dat ze hier woont.” Wat is dit voor vreemds, denk ik. “Dat kan niet, ik ben de enige die hier woont.”, antwoord ik. De vrouw blijft echter volhouden dat de oude dame dit adres heeft genoemd. Het is nogal verwarrend allemaal en ze begint uit te leggen: “Ik voelde me onrustig thuis, ik moest eruit, dus ben ik met mijn zoontje in de auto gestapt en ben wat rond gaan rijden. Niet ver van hier, bij de supermarkt, zat deze mevrouw op een bankje. Ik ben gestopt en heb haar gevraagd of het wel goed met haar ging, waar ze woonde en of ik haar thuis kon brengen. Ze noemde dit adres, en hier is ze dus.” Ik vind het nu wel spannend worden en begin een gesprek met de oude dame. Ze vertelt hoe ze heet en ook, en hier lopen ineens de rillingen over mijn rug, dat zij hier heeft gewoond. Sterker nog, dat zij hier, in de voorkamer – waar ik net nog voor de tv zat –  is geboren in 1935. Inmiddels heeft de jonge vrouw begrepen wat er aan de hand is. Ze gebaart dat ze de politie gaat bellen, zodat die zal kunnen helpen om de dame thuis te brengen. Inmiddels heb ik haar een stoeltje en wat drinken aangeboden. Het laatste slaat ze af. Maar een pepermunt wil ze graag, en ze stopt de rest van de nieuwe rol dankbaar in haar jaszak. Gelukkig is het niet koud; ze wil buiten blijven zitten en een dekentje vindt ze niet nodig. Ze is goed en netjes gekleed. Nu komen de verhalen pas echt los. Over haar oudere broers, haar man, zoons en kleinzoon. Haar meisjesnaam en de achternaam van haar man. Ze wijst op het medicijndoosje dat tussen tuintijdschriften in het mandje van de rollator ligt. Hierop staat de naam van de apotheek en een plaatsnaam. Geleidelijk aan komen we dichter bij huis. We hebben een mooi gesprek. Zij, het baby’tje van weleer, zit hier zomaar als een oude vrouw voor wat eens haar ouderlijk huis was. Dit adres was haar destijds kennelijk zo goed ingeprent, dat het in deze voor haar verwarrende situatie, moeiteloos naar boven kwam.

Inmiddels is een politieauto gearriveerd. De agenten hebben een indringend gesprek met de jonge vrouw. Die vertrekt daarna met haar zoontje na mij uit de verte te hebben toegezwaaid. Dan wordt de rollator in de auto gezet. Het juiste adres is blijkbaar gevonden. We moeten afscheid nemen, en dat voelt raar; we hebben allebei het idee dat we nog niet zijn uitgepraat. Ze aait over mijn vest: “Mooi, zelf gebreid?” “Nee”, antwoord ik, “mijn moeder”. Ze glimlacht. “Mooi”, zegt ze nog eens. De agente neemt haar bij de arm. Ik groet de oude dame en wens haar wel thuis.

De auto rijdt rustig weg en ik ga naar binnen. Het duizelt me. Zomaar uit het niets kwam er antwoord op mijn vraag. Ik denk aan het wiegje dat hier heeft gestaan. Aan de vrouw, die voor het laatst haar vroegere huis heeft gezien. Ik denk aan de onrust van de jonge vrouw en hoe goed het was dat ze gehoor gaf aan dat gevoel. Het geeft me ook vertrouwen: als het echt nodig is dat je iets te weten komt, als er echt iets specifieks moet gebeuren, dan gebeurt dat ook.
Toch bleef het nog lang onrustig in mijn hoofd en van slapen kwam niet veel.

Dit gebeurde twee jaar geleden. Nog steeds vind ik het uitermate bijzonder. Ik heb overwogen om de dame eens op te zoeken. Maar nee, ik heb het niet gedaan; de magie van dat specifieke moment zou er niet meer zijn. Het is goed zo.

Weet wat je wenst

Twee jaar geleden was het zo ver. Mijn aardige buren hadden definitief de knoop doorgehakt en gingen emigreren naar Zweden. Ze verkochten hun huis aan een jonge knul van begin twintig. Zonder zich een seconde te bedenken begon deze aan een maandenlange uitermate luidruchtige verbouwsessie. Kaalgeschoren, van top tot teen getatoeëerde figuren bonkten op hun zware kisten in en uit. Een aggregaat stond weekendenlang te stampen en te brommen voor het huis. Met veel geweld werd de badkamer uitgebroken. Ja, deze politieagent zou zijn komst in dit rustige wijkje niet onopgemerkt laten plaatsvinden.
Het werd nog erger toen hij eenmaal echt in het huis ging wonen. Al zijn louche verbouwvriendjes werden uitgenodigd om in zijn provisorisch ingerichte shisha lounge, het schuurtje, waterpijp te komen roken. Meestal begon het feest om elf uur ’s avonds en eindigde het rond een uur of twee. Toen het te koud werd, verplaatste de hele club zich naar binnen, waar de herrie op dezelfde voet werd voortgezet.
Gezellig, een nieuwe buurman. Ik wenste hartgrondig dat hij zou gaan verhuizen. Maar daar was natuurlijk geen sprake van, hij woonde hier nog maar net. Natuurlijk zou hij niet weggaan. En toch. Ik wenste het vanuit het diepst van mijn hart. En in mijn fantasie zag ik hem zijn spullen pakken en vertrekken.

Iets grondig en van harte wensen, was mij ooit verteld, zou wel eens gevolgen kunnen hebben. Niet direct, maar het universum zou ermee aan de slag gaan en op een goed moment zou de wens vervuld worden. Maar, was de subtiele waarschuwing, het zou best wel eens een beetje anders kunnen uitpakken dan je je had voorgesteld; je kunt tenslotte niemand de wet voorschrijven. Dus ja, probeer in je formulering in elk geval zo duidelijk mogelijk te zijn. Het was: wensen en loslaten. Over tot de orde van de dag.

Het gedoe bleef en ik probeerde me er zo min mogelijk aan te storen. Dat viel niet mee. Sterker nog ik ergerde me vaak groen en geel. Was soms wanhopig en boos. Hoe kon het dat ik zo’n jochie van begin twintig zoveel macht gaf. Ik liet me uit mijn jarenlange ‘comfortzone’ losweken. Dat schijnt goed en verruimend te werken, maar ik vond het bijster lastig.

Op een dag echter bleek dat hij een vriendin aan de haak had geslagen. Een aardig meisje, dat hem regelmatig tot de orde riep. Letterlijk zelfs. Wat was ik blij met haar! De bezoekjes van het stelletje ongeregeld werden langzaamaan minder. En na nog een half jaar hielden ze zelfs helemaal op. Alles leek zich ten goede te keren. Er kwam rust.

Totdat er in februari van dit jaar, bij iedereen in dit kleine wijkje, een brief op de mat viel. Een straat verderop bleek een huis te zijn verzakt en dat was voor de woningbouwvereniging een mooie gelegenheid om over te gaan tot het aankondigen van de sloop van de twintig huizen die ze al twintig jaar grondig had verwaarloosd. De hele buurt was in rep en roer. In allerijl werd een bewonerscommissie opgericht. Er werd vergaderd. Politieke partijen bemoeiden zich ermee. Maar ja. Het leek niet anders te kunnen. Ook dat ene koophuis zou tot puin vervallen. (Ooit was de woningbouwvereniging van plan alle woningen te verkopen, maar de prijs lag zo hoog, dat niemand daar intrapte. Alleen het huis naast mij is, toen het een keer leeg kwam, verkocht.) Met ingang van april zou iedereen weg moeten uit het groenste wijkje van Zaandijk.

Uiteindelijk werd de soep toch niet zo heet gegeten. We wonen hier nog. De bewonerscommissie trekt alles uit de kast om tot een bevredigende oplossing te komen. Er wordt nu zelfs voorzichtig gedacht over renoveren. Na de vakantie zullen er weer bijeenkomsten worden belegd en dan weten we, hopelijk, waar we aan toe zijn.

Mijn buurman koos eieren voor zijn geld. Het lukte hem om zijn huis weer te verkopen aan de woningbouwvereniging. Hij wilde gaan samenwonen met zijn aardige vriendin. En deze week is hij verhuisd…

Terwijl de vrachtwagen werd volgeladen, zette ik een kopje thee voor bij het ontbijt. Op het labeltje stond een wel heel toepasselijke tekst.

En zo zie je maar: weet wat je wenst!

Zij wonen in Zweden

Ruby

Door het overdadige groen in mijn voortuin zie ik het zachte metallic blauw schemeren van een Fiat. De buren zijn thuis, denk ik. En direct weet ik dat er iets niet klopt; dat lichtblauwe koekblik hadden ze een paar jaar geleden al ingeruild voor een dito zwarte. En hun laatste vervoermiddel was een zilverkleurig busje. Maar er is meer niet juist in mijn constatering. Misschien zijn de buren thuis, maar niet hier. En het is nog maar de vraag of ze ‘daar’ nog altijd buren zijn.

De wens is de vader van de gedachte; ‘mijn’ buren wonen namelijk sinds kort in Zweden. Daar waar rust en ruimte is. Daar waar je sneeuw op de bergen ziet. Daar waar natuur nog gewoon natuur is. Daar waar buren kilometers van elkaar af wonen. Een aantal weken geleden is eindelijk hun Grote Plan verwezenlijkt. Hun vakanties in Zweden zetten een enorm raderwerk in beweging. Wat raakten zij verslingerd aan dat land. Over één nacht ijs was natuurlijk geen optie. En zo leerden zij de taal, hielden zich bezig met de cultuur en levenswijze, gingen nóg weer eens op vakantie. Stonden al tijden met een been in het vaderland, maar met het andere en met al meer dan het halve hart in het land van hun dromen. Uiteindelijk viel de definitieve beslissing: we gaan naar Zweden. Voorgoed.

De tijd van plannen maken werd afgesloten en de realisatie van het nieuwe leven werd een feit. Stapje voor stap werd alles in gereedheid gebracht. Het grootste obstakel was de verkoop van het huis. Tot drie keer toe werd er een poging gewaagd. En ja, de markt trok aan en plotseling was het zover: het huis werd verkocht en de nieuwe toekomst lag aan hun voeten.

Dit overpeins ik in die paar seconden dat ik de blauwe auto zie staan. Met weemoed denk ik terug aan de weken die we bezig waren met het vervangen van de wrakke schutting. Niks kant-en-klare schotten, zelf bouwen! Nog steeds kijk ik met veel genoegen naar dit staaltje van gezamenlijke klusvlijt. Verder leefden we rustig naast elkaar, overliepen elkaar niet. We wisten wat we aan elkaar hadden.

En zo kwam dan toch ineens de dag van het afscheid. Het busje stampvol afgeladen. De hond nog één keer het vertrouwde rondje. En daar gingen ze. Ik slikte een brok weg. Alle goeds, mensen!

O, wat gun ik hun het nieuwe bestaan. Maar wat vind ik het toch nog steeds jammer om ze niet meer te zien. En wat is het vreemd om alle vertrouwde geluiden te missen. Die zijn vervangen door geschuur, geboor, geroep en gebonk.
De nieuwe buren beginnen aan hun nieuwe toekomst.

——————————————————————————————————————-

De wederwaardigheden van de ‘oude buren’ zijn te volgen op hun blog: https://wijwoneninzweden.wordpress.com/

Vermist

Ineens miste ik haar. Eerst was het me niet eens zo erg opgevallen, maar plotseling drong het tot me door: al een paar dagen had ik haar niet gezien.

Als ik ’s morgens de luxaflex omhoog trok, zag ik haar meestal al druk in de weer. Een doodenkele keer duurde het een tijdje voor ze zich vertoonde, maar uiteindelijk zag ik haar altijd. Ze zag mij ook, dat weet ik zeker. Maar ze zou niet gauw contact maken; ik was anders, zoveel had ze me wel duidelijk gemaakt met haar lichaamstaal. We hadden niet zoveel gemeen. Ze leek ook wel een beetje mensenschuw.

Altijd was ze bezig. Terwijl ik uitgebreid ontbeet, krantje erbij, gunde zij zich geen rust. Ze was al uren op en aan de slag. Er moest kennelijk veel gebeuren; de boel moest aan kant. Vanuit mijn raam zag ik het wel: steeds maar rennen en vliegen. Een bezig bijtje. En altijd volgens een vast stramien. Daar week ze niet van af. Zo perfectionistisch; ze zou niet gauw een steekje laten vallen.

Vreemd. Ze kon er toch niet zomaar vandoor zijn? Ze leek me zo honkvast. Ze woonde naar mijn idee heel gerieflijk: een rustig plekje, mooi uitzicht, ’s middags volop zon. En best aardige buren. Meer van haar slag dan ik. Ook altijd druk in de weer en geen tijd voor iets anders. Trouwens, ik had het moeten merken, wanneer ze echt over opbreken en verhuizen had gedacht.

Maar toch, moest ik me ongerust maken? De laatste tijd kwam er wel eens iemand aanwaaien. Dat was me opgevallen. Maar ik kreeg niet de indruk dat ze belaagd werd. Voor zover ik zien kon, werd het bezoek op gepaste wijze ontvangen en, op haar manier, in de watten gelegd.

Het zat me niet lekker. Er zou toch niet iets engs met haar zijn gebeurd? Een indringer of zo? Dat hoor je tegenwoordig maar al te vaak. Zou die vreemde vogel, die ik daar laatst langs zag gaan, het op haar gemunt hebben? Ik vreesde het ergste.

Toen ik de volgende ochtend nog steeds geen beweging zag, trok ik de stoute schoenen aan. Erop af, dan maar.

Ze was in geen velden of wegen te bekennen. Het web was leeg.

DSC09983