
Onder-
“Kijk, daar staat hij. Die grote, fonkelende, waar we al zo lang op hoopten. Onze berekeningen kloppen. Kijk jij ook eens, kleine jongen. Daar, aan de oostelijke hemel, waar de wolken wegtrekken. Je moet nog veel leren, maar je doet goed je best; je zult het net zover brengen als wij drieën. Hier, de kijker. Gezien? Wat een schittering, hè?” De jongen knikt. Zijn donkere ogen stralen als de ster die hij zojuist zag.
Be-
Het grote perkamenten boekwerk ligt op de tafel. “Wanneer is die voorspelling toch gedaan? Kom jongen, kijk eens mee met ons drieën. Lezen kun je en de tekeningen hebben voor jou ook geen geheimen. Ja, hier! Alles klopt: de ster, de datum, de stand, de tijd. Als wij straks op weg zijn, is het jouw taak om aan iedereen die het maar horen wil, te vertellen wat dit betekent: er is een koningskind geboren.”
Toe-
De kamelen zijn gezadeld, proviand voor weken is ingepakt. De route is eenvoudig; ze reizen ’s nachts en volgen de ster. De cadeaus worden verdeeld. De oudste overhandigt het goud, vanwege de koninklijke status van het kind. De donkerste biedt de mirre aan, als symbool voor menswording. De jongste presenteert de wierook, die de goddelijkheid van het kind benadrukt. Als ieder zijn gave goed heeft opgeborgen, begint de karavaan aan een lange tocht westwaarts.
Af-
Het paleis van de koning baadt in het licht. Maar een koningskind is er niet geboren. Daarvoor moeten ze nog verder reizen. De koning wil graag weten waar het kind is, maar houdt zijn moordlustige plannen verborgen. De drie reizigers vertrouwen het niet; een droom waarschuwt hen niet naar hem terug te gaan. Tenslotte overhandigen zij het kind de geschenken; zij herkennen hem als een van hen. Dit zal niet veel later ook blijken.
Dit is een verhaal in de categorie WE-300 (word exact 300), een schrijfuitdaging van Plato (https://platoonline.wordpress.com/): Schrijf een verhaal van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag worden genoemd. Deze keer was het verboden woord: wijzen. In meerdere betekenissen.