In Appingedam

Een straffe wind bezemt de hemel schoon
wat wolken nog ter decoratie
het sneeuwt kastanjebloesem op het plein
de herfst wordt voorbereid

Maar wij hebben de zomer in ons hoofd
de warmte straalt van binnenuit
een dag als deze moet beslist gezegend zijn
voor nu en tot in eeuwigheid

Als van de kerk uit lang vervlogen tijd
de toegang onverwacht ontsloten wordt
voelen wij ons onder de gewelven stil en klein
er hangt een geur van heiligheid

Waar beelden kussen langs de straat
en de Vrouwenbrug aan ieder toegang biedt
waar keukens hangen, mensen vriendelijk zijn
daar ben je door Appingedam geleid


 

Een stadse meid in het Groningse land

dat had ik niet gedacht
er staat een stille liefde op uitbreken

het diepe groen van het graan
– zover het oog reikt –
tegen de grauwgrijze lucht,
als een stalen koepel
boven dit land dat ik niet ken

beide doen grondige pogingen
dit stadse hart te voeden
door het geruisloos te openen
voor een groots gevoel van eeuwigheid
dat met droge ogen
niet te bevatten is

o, heimwee nu al voelbaar
nu ik nog hier, nog niet weg ben
wind slaat de halmen
tot een groengrijze zee

dagelijks brood in wording