Economie

Ik heb mezelf overleefd, denk ik ondertussen. Hoewel burn-out, maar zonder wroeging jegens wie dan ook (naast lastige klanten aan de bar).
Ik was een beproeving, denk ik tegelijkertijd over mijn diverse perioden, maar daarnaast kan ’t heel fijn zijn mij te ontmoeten.
Er fleurt soms wat. Zo kan ’t zijn, als men er voor open staat.

Als in beproevingswijs:
Hoe je een etterige windbuil kan zijn & daarnaar streeft ook.
Maar dat dat een manier van overleven is tegelijkertijd. Je bent jong tenslotte: de achteraffe verklaring.
Je intelligent voordoen, zo goed als mogelijk; je niet wil conformeren ook aan ’t regime (waar Fred, m’n docent, heel erg aan was gehecht)…

Ik was tegen regime. Fred was voor.
Ik was voor vingeropsteken, vooral omdat ik vaak naar de wc moest.
Fred was tegen.
Tegen mijn vingeropsteken, tegen mijn aandacht. Trekken. Laten weten dat hij daar was.
Ik hier.

Fred wilde mijn huiswerk zien.
Ik zei: ‘Ok, Fred!’
Fred zei: ‘Meneeer Dinkla!’
Ik zei: ‘Ok, Fred!’

‘Sodemieter maar op!’

Dat was de witregel. Tussendoor bestond niets.

& Dat was tegelijkertijd een herhalende opdracht. Gebeurde nagenoeg elke les.
’t Werd een sport, ’t was een sport: zo kort mogelijk aanwezig zijn tijdens de lessen. Af & toe een ontmoeting te hebben met de conrector met de vraag waarom.
Wat niet uit te leggen was.

Fred was Fred.
Ton was Ton.
& ‘Sodemieter maar op’ klonk als een overwinning.

Daar zat ik dan, Geel Beneden, zoals dat heette, soms bij Blauw op 1-hoog, waar de leerlingenblaadjes werden geschreven.

Ik ben moe. Genoeg van onverschilligheden, discussies, gebrek aan begrip.
Fred was leuk.
Hij begreep me niet.
Ik was op jonge leeftijd op zoek naar duel. Speels. Zoals, zoals, zoals…
Niet gehoorzamend aan enigszins bevel, dat vooral. Maar Fred dacht dat bevel zou helpen mij beter te laten leren.

Ik wilde alleen maar zo snel mogelijk ’t klaslokaal uit.
Verder met mijn boeken. Lezen, daadwerkelijk lezen.

Tegelijkertijd zo min mogelijk weten van wat voor handel of economie dan ook in Zijperspace.

De benodigdheden

Levenslucht bijvoorbeeld.
Een Scheidegger typediploma.
Alcohol. De late avond erop volgend.
Gordijnen bijna dicht.
Een moeder, ook al is ze dood.
De vader erbovenop, nog iets eerder, nog iets strenger toen hij nog was wat hij was.
Later niet meer.

Bier. Een pil als voorafje. Tot enigszins welgevallen tegenwoordig. Wist ik veel wat kwaad kon.

De uweetweltjes van beschaamdheden, de klap op de bips, de verwijtende blik van m’n moeder vooral, want daarnaast besta je niet tenslotte.
(On-)overkomelijkheden, want anders heeft dit zeker ook geen recht van bestaan. Is de mens z’n natuurlijkheid kwijt.
Fouten zijn noodzakelijk.

Ik zit gevangen, net als gij. In die tussen de komma’s.

De daaropvolgende fouten, in enige mate, in dat wat niet gebeurd was. Slechts soms wel.
Ik neem ’t u niet kwalijk, want dat bezorgt mij ongenuanceerde zweepstriemen, hoewel aantrekkelijk romeins zoals we dat nu uit series weten, ik uit des boeks, soms op mijn rug, maar dat slechts zo als ingebeeld voelend.
Om ’t beter te beleven.

Gevangen ook in wat slopend was, vanaf de 1e liefde tot aan m’n besluit om alleen te blijven. Voortaan.
Dat laatste geldt niet voor u. Ik spreek voor mezelf. Maar gevangen, net als gij. De mij.

Laten we de lijst niet vergeten, ook al komt er waarschijnlijk geen eind aan, vast niet op tijd in ieder geval.

Ik doe ’t zonder vriendinnen, die ik altijd heb gekoesterd, in zover hun houdbaarheidsdatum of anders vooral mijn THT ’t vol hielt.
Verder groot gegroeid in bier, dan heb je de neiging uiteindelijk in dergelijke termen van houdbaar te spreken.

Maar m’n boeken, liefst niet digitaal; ze hebben me doorboord & zichzelf eigen gemaakt van mijn beleving, mijn dagelijks zijn.

Dat is de kleine samenvatting van mijn benodigdheden. Dat wat essentieel straks is. Niet al te veel meer dan dat.
De zin zonder de komma, hoe graag ik die laatste ook gebruik. Maar dat de niks zich laat overspelen. Waar de niets is wat ik bereiken wil.

Er te veel witregels zijn in Zijperspace.

Stommigheden

Je niet kunnen voorstellen ooit nog te kunnen schrijven. Daar begon ’t mee. Wat natuurlijk eindigheid blijkt, de mogelijkheid ervan. De lippen opeen geklemd straks, ’t toetsenbord slechts gebruikend om te kopiëren, de steeds tragere herhaling van de eigen gedachten tot de slijtage zich laat winnen, & je uiteindelijk alles gekopieerd hebt.

Maar daar ging ik zitten, ondanks de sluipende regen; ik vertrok bij droog, maar de dunne druppels wilden mij overwinnen. Me mismoedigen, teleurstellen zo u wilt.
Die kilometers had ik niet voor niets afgelegd, ondanks dat een e-bike daar allerminst moeite mee heeft. Dus bij aankomst haalde ik alles uit de bakfiets tevoorschijn wat ter bescherming aanwezig was. Een flacon sterke drank, een blik bier, een boek. & Nog wat oude stukken stof, die mijn bips…
Nou ja, men weet wel: die mijn bips niet te veel nattigheid zouden bezorgen. Zo bovenop ’t resultaat van fijne, dunne regen. Die altijd erger lijkt als je des te sneller fietst.

Ik deed een plasje, dat moest zowiezo, op m’n daarvoor voorbestemde plek, die zich nog steeds door voorgaande stappen paadjevormend liet leiden. Laat ik ’t een 50-tal keren hebben afgelegd, dan heb ik ’t waarschijnlijk naar beneden afgerond.

Na dat plasje, hoewel ik m’n regenjas, dikke voering, al tevoorschijn had gehaald, kwam er opeens geen nattigheid meer schielijkerwijs mij bevochtigen. Kon ik mijn boek tevoorschijn halen.

Daar zat ik dus. Mij. M’n boek.
Ik vloeide de lucht vanaf de kaft. De lichte lucht, de toch, na mijn plas, fijne druppels, weer opnieuw aanwezig. Ik was besloten, had besloten, om bij elke veelvuldigheid van ’t fijnmoezige effect van vochtigheid de tocht terugwaarts te gaan. Had me tenslotte gister ook al nat laten gieten.
Maar ik zat. De plas er uit, de druppels van boven onderwijl steeds meer van dun gehalte, allengs zich aanpassend aan mijn wens; ik had van enkele stukken onbruikbaar stof mezelf een kussen gecreëerd voor de uweetwel bips, me voegend, me comfortabel verpakkend in een dikke laag formaat regenjas.
Nergens voor nodig uiteindelijk. Want waar de verpakking zich toevoegde bleef de vochtigheid als tegenwerkende kracht weg.

Dus.
Zat ik daar.
Boek. Ida Gerhardt op mijn schoot. Maar nog geen letter gelezen.

Komt een vrouw op fiets voorbij, vanuit de richting van Driemond.
‘Hé, je bent er weer!’

Hé, ik ben er weer. Dicht bij ’t water van de horizon die ik slechts voel, niet zie, rondom mijn bomen, stilzwijgende elzenknoppen, elzenproppen, nat trekkende planken die mijn zitplek me niet comfortabel laten voelen, maar wat wil je: je, de ik die ik ben, vlucht de kou in, straks de warmte uit. Ik stoot mijn hoofd 100-maals.

Maar ik ben er weer. Hoewel ik haar niet kende.
De ingewikkeldheid. ’t Aftasten van hoe goed je de voorbijganger kent. Hoe blij je kan zijn herkend te worden. Ook al ben je slechts een boek. Omgeven door bank

Zonder punt in Zijperspace

Bibliothecaris

Ik ben, weliswaar slechts daadwerkelijk in m’n jeugd, tot ik niet meer gratis met een ov-studentenkaart van A’dam naar Den Helder kon reizen niet meer officieel, evengoed altijd een bibliothecaris geweest.

Om die reden: ik betrapte me daarnet er op dat ik een rijtje boeken over insecten, m’n zondervingershandschoenen lichtelijk ongemakkelijk in de weg tussen de bovenstaande plank & ’t rijtje eronder vanaf de vaste lijn (’t was de kleinste afstandsformaatstand, als in efficiënt gebruik van een boekenkast: kleine boekjes bij elkaar gesorteerd met nog net de mogelijkheid om m’n dunste vinger er tussen te kunnen pielen voor tot beschikbaarheid van ’t boek(je)).

Ik ben de zinsvolgorde van wat ik wil zeggen inmiddels kwijt, merk ik nu.
Mijn vingerloze handschoentjes (’t is koud hier wegens pogingen vooral geen energie te verspillen vanwege de mijns inziens noodzakelijke zorgzaamheid mbt klimaatverandering) maakten ’t me praktisch onmogelijk om binnen de krappe ruimte boven de minuscule boekjes weer op een bibliothecair verantwoordelijke manier op 1 lijn te zetten. Strak aan ’t randje van de plank. Zoals een man een stropdas draagt die niet scheef hangt, laat staan zich door zijn vrouw een verkeerde knoop heeft laten strikken. Waar vroeger mijn moeder daar zorg voor droeg in geval mijn vader, maar dat tegenwoordig geen vanzelfsprekende rolverdeling meer is.
Gelukkig maar.

Nu heb ik geen stropdas, want die heb ik, tenzij ik tot directeur was gepromoveerd  van de Openbare (Helderse) Bibliotheek (incl alle filialen), nooit nodig gehad. Laat staan achter de bar (ik laat, hoewel kort, de lijst van die carrière hier achterwege, ook al is mijn leven daar op een mijns inziens prettige manier door getekend).

Men ziet: ik raak makkelijk afgeleid, vandaar mijn behoefte aan overzicht. Weten waar mijn boeken zijn is een grote behoefte. Al kijk ik er, naar hun afzonderlijk, jaren niet naar.
Meer als afzonderlijke persoonlijkheden.
Ze moeten daarnaast binnen overzichtelijk handbereik zijn. Zeker als ’t over insecten gaat (of andere natuur, hoewel minder belangrijk, tenzij, in ander geval: bomen). ’t Is een gemeenschappelijk gevormde encyclopedie, mijn boekenkasten. 1tje Die ik weliswaar ook online zal kunnen vinden, maar dan heb ik de mooie plaatjes niet. Vaak ook niet de uitvoerige uitweidingen.
Daarnaast durf ik de nachtmerrie niet aan als plots de stroom uitvalt, of iets anders wat onoverzichtelijkheid tot gevolg kan hebben. Wat vast ooit eens gaat gebeuren.
’t Is inmiddels lang geleden, maar ik heb ’t eens minstens 2 weken zonder internet moeten doen. & Toen was online aanwezigheid al heel gewoon. De smartphone moest echter nog z’n intrede doen. Maar dat maakte ’t leed, de verveling, de noodzakelijkheid aan boeken, er niet minder om.

Ik was bij de boekenkast gebleven. Mijn vingers teder de kleinste insectenboeken dwingend terug te treden tot een fatsoenlijk rechte rij van kaften. Zoals ze dan mooi kunnen schijnen van nog verborgen inhoud. Hun alomtegenwoordigheid, wat boeken in al hun vulling, hun woorden & eventuele illustraties (best belangrijk als ’t insecten of andersoortige natuurverschijnselen betreft) zo zinvol maakt. Bewonderenswaardig, in veelvuldigheid, in de reproductie van een door mens gecreëerde afbeelding (liefst in tekening; foto’s halen die perfectie in deze categorie nog steeds niet, zijn slechts een beperkte poging tot ’t vangen van de daadwerkelijke essentie).

Zo wreef ik over de voorkant van de omhulsels van de boeken. De kaften, of eigenlijk de ruggen van de boekenkaft. Hun buitenruggenkant. Waar ze ’t meestal van moeten hebben willen ze de aandacht trekken vooraleer ze verkocht worden in de boekhandel. Een zeer beperkt resumé van wat er van binnen te zien is. Een vlinder bijv, in mijn geval van deze boekenkast, een zweefvlieg, soms een bloem van waar zij toe aangetrokken voelen, zelden een wants, wat eigenlijk mijn voorkeur heeft, of anders slechts soms de diverse vormen waarop galwespen zich kunnen voordoen.

Ik tikte de boeken recht, m’n zondervingerhandschoenen trokken ze met de onderkant ‘schoen’ eigenwijs weer uit de lijn van bibliotheekfatsoen. ’t Lag vooral aan de achterkant van die handschoentjes, als ik m’n handen na correctiewerkzaamheden weer terugtrok. & Tegen beter weten bleef ik doorgaan.
Ik deed me daardoor m’n boeken beseffen, me intern te maken. De plaatjes van binnen zonder aanschouwen beschouwen. De schoonheid, diversiteit, de onnoemelijkheid, de bijna onwezenlijkheid als je dat allemaal zou moeten onthouden.

& Dat staat daar zomaar in m’n kast. Van wat ik in al hun geletterdheid van beschrijvingen, hun tekeningen, me waarschijnlijk nooit meer zal kunnen beseffen. Ik heb daar gewoon geen tijd meer voor.
Maar de boekenkast gloort mooi. ’t Staat er weer schoon bij.

Of wesp, gal, zweefvlieg, in Zijperspace.

Belastinghulp

Ik ben de tijd in de gaten aan ’t houden. Morgenochtend een afspraak met de belastinghulp. Een vorige afspraak ging verkeerd vanwege weersomstandigheden. Treinen vertraagd, paden onbegaanbaar, ov onmogelijk.

Na die zin getypt te hebben moest ik 10 seconden m’n adem zien te reguleren. Misschien langer, maar dan moet je in & uit zien bij te houden, de adem dan.
Daar ben ik niet van gediend. Dan word ik eeuwige paniek door daar aldoor bewust van te zijn.

Dat weten mensen vaak niet, slechts een enkeling.
Maar van de rest weet de belastingdienst tegenwoordig wel, maar ze weten dan weer niet wie van de studenten in opleiding daar tegen opgewassen zijn. Zo stel ik mij dat voor.
Hoe wakker ik bijv morgenochtend ben. Hoe wakker ik de komende nacht ga zijn.
Bang ook dat de komende afspraak ook niet door zal gaan.

Ik ben inmiddels een bibbermens. Barrières om me heen gebouwd van veiligheden.
M’n schouders inmiddels omhoog getrokken terwijl ik dit type. Als van dat niemand dit hoeft te weten, maar die spanning in tekst vertalen, dat lijkt een noodzaak. Schouders die tot ver boven mijn kin stijgen inmiddels, kramp vanuit de bladen achterop m’n schouderrug, richting die verdoemde nek uitstrekkend.
God niet waardig.

Sinds enkele dagen hangt een rondcirkelende langemouwshirt om m’n nek. Om te voorkomen vooral. Dat de pijn die heerst, niet altijd bewust, niet groter groeit, door extra warmtebehoud. De bewustheid ervan ook uit ’t oog verloren raakt. Mijn nacht geen doorklaterende podcasts nodig heeft. Wellicht dat ik mijn eigen mijmeringen vlak voor slapen gaan kan beleven als genoegdoening voor dat gemis. Maar liever als vanzelfsprekend, geen opvulling.
Dat er een mogelijkheid ontstaat om aan vroeger te denken. Niet uit heimwee, niet uit verlossing van de somtijds pijn, noch van ’t per se herbeleven.

Maar meer de veelvuldigheid van in tijd bestaan. Dat de herhaling er is, jezelf hervinden, de iteratie ervan. De lach van ’t kind dat ik was op familiefilmpje, een dansje doent op weet ik veel welk verjaardagspartij.
De lach, de stommefilmpjeslach overal om me heen; er leken tantes te klappen. ’t Onmogelijk hoorbare klappen van de tantes met de handen op hun knie.
Spijtig dat m’n moeder me later liet weten dat ik te veel aandacht trok.
Ten koste van.
Ja, ten koste van. Ik besef ’t achteraf.

Er zijn houten kerkbanken bekleed met gebeden spijtbetuigingen in Zijperspace, maar daar heeft de god vast niets van geleerd.

De onverborgenheden

Gemakshalve denk ik dat iedereen die ik ken ’t al weet. Je praatgrage mond, ’t niks onverbloemd willen laten, de hele derrie van altijd per ongeluk eerlijk willen zijn, zich allang al voorbij, voorbij, voorbij.
Een afgesleten punt. De jaren hadden de scherpe kantjes er vanaf doen slijten; dat staat in m’n achterhoofd geschreven, heeft zich laten schrijven, een groot gedeelte van de rest doen slijten.

Ik ben de ‘je’. Die iedereen doet veronderstellen dat men dat wel weet. ’t Afgesleten paspoort: wat iedereen checkt zo gauw je nader komt. Je krijgt ‘m zonder verdere interesse teruggeleverd.

Ik stel u voor: zij had haar ouders de deur uit gestuurd, want hier kwam hij, de ik, zijn spullen ophalen. Wij hadden, min mijn vader die de auto reed waar mijn spullen van eeuwige tochten zwervend naar onderdak nu juist terug richting Den Helder in vervoerd moesten worden, een laatste afspraak.
Alles wat haar aan mij kon herinneren aan mij, alles wat mij zou bevrijden van mijn onbevredigende zoektocht naar een vaste slaapplaats in Amsterdam. Een omarming van meisjes, ’t waren er heus niet veel, zorgden voor een zeer tijdelijke vaste woonplaats. Een herkenning van wat Amsterdam was. Zou kunnen zijn, een schreeuw van welbehagen als ik middernachts niet hoefde na te denken dat waar ik sliep slechts een tijdelijk bed was, tijdelijke warmte. Een slurpend bestaan.

Den Helder werd vervolgens mijn kot. Ik hoefde niet meer te denken dat ik nog ergens anders heen kon. Alles wat mij nog overkwam, was vast niet meer dan alles dat mij overkwam. Verwondering over wat mij was overkomen, dat wel; geen mogelijkheid om dat te omarmen.

Een telefoontje plots van een vader. Helders ook, ik was in die stad teruggekeerd, vader van een andere vriendin, om een lang verhaal niet al te lang te maken.
Hij stamelde. & Ik had spijt dat we toen nog geen bevestiging op een beeldscherm kregen van dat de identiteit aan de andere kant klopte met wie je vermoedde dat de beller was. Dat gebeurde toendertijd nog niet.
Je moest ’t doen met ’t herkennen van de stem. Ook al klonk ’t op z’n donkergrauwst. Een trage somberheid, mij verzekerend dat ik iets moest doen wat hij niet kon.
Ik heb gedaan wat hij me vroeg & zijn dochter bezocht.

Daar vermoed ik dat ik iets overgeslagen heb.
Maar ik zat opnieuw opgesloten in Den Helder, opgesloten in een verleden die inmiddels opnieuw opgebouwd moest worden. Alle gelijkjaars van school waren, als ik, vertrokken. & Die terugkeerden leken, net als ik waarschijnlijk, op een gegeven moment onherkenbaar.

Er gingen mensen dood in die tijd, in Den Helder. Ik was te paranoia om ze daadwerkelijk, oog in oog, tegen te komen, maar kende er overdag velen van. ’s Nachts kon je ze beter vermijden. Ook al had je naast elkaar in de schoolbank gezeten.

Ik heb haar niet zien sterven, Pim, maar heb haar brief gelezen. Kon haar geen antwoord geven.
Geen antwoord. & Dit is ’t evenmin.
Ik heb haar zien huilen toen ik in mijn 1tje stond te dansen in de kelder van De Plak in de Utrechtsestraat.
Dit is een antwoord, dit is zoals ik ’t nu geschreven heb. Zij was niet verslaafd zoals ik dat heb gekend, ze wilde hooguit mij. Wat ik haar…
Wat ik…
niet kon geven.

Toen was ze dood. Even later.
Er was iemand die me dat kwam vertellen. Ik woonde alweer een tijdje in de vergetelheid van Den Helder. Zag in die tijd de junkies weer, al dan niet bekend, sterven, soms hoorde sterven, via berichtgevingen in de plaatselijke krant, van vanzelfsprekend horen zeggen. Wat mij heel normaal leek. Hun dood.
Je raakt er op een gegeven moment aan gewend. Je kende ze, vaak hooguit van een uitgedroogd & troosteloos gezicht. De halfpaniek, de noodzakelijke dwang iets uit je te kunnen trekken.
Daar was ik naar teruggekeerd, Den Helder. De aanvoerlijn toentertijd. Ze stonden op ’t station om de smag te ontvangen, voor verdere noodzakelijke verdeling in ’t Amsterdamse.

Ik had, ik kreeg, slechts een door mij uiteindelijk onbeantwoorde brief, van haar.
Email heeft ze nooit gekend. Maar ook dat is geen excuus.

Er is niet meer dan dat in Zijperspace; dit zijn de woorden.

Di-eten

Ik moet aan alle voorwaarden voldoen. Er mag al jaren niets fout gaan. Wat er voor heeft gezorgd dat ik extra van mijn maaltijden geniet.
’s Ochtends, tussendoor & ’s avonds.

Ik haal 3 crackers tevoorschijn. Pulk ze uit ’t plastic met een aardappelschilmesje. Geen makkie, meer een kwestie van pielen.
Voordeel tegenover vroeger van brood invriezen: de planning is mijn, niet afhankelijk van ontdooien.

Vervolgens ’t beleg.
Waarbij de humus begint: een lekkere laag bovenop de zaadjes sesam die ’t zweedse bedrijf heeft laten plakken op hun crackers. Ik ga ze alle 3 af; ze krijgen zo goed als evenredig. Daaroverheen hennep-, pompoen-, een mix van nog wat anders, plus chiazaad. Van alles een beetje, wat als vanzelf blijf plakken op de 1e laag van plakkerigheid.
Wat niet plakt raapt m’n natte vinger op. Dan heb ik kort een natte tong nodig om die vinger op de juiste manier te instrueren dezelfde weg net bagage terug te gaan.

Kwart stukjes olijf, in partjes gesneden augurk, een willekeurig uit de kast gegrepen kruidenmengsel in Frankrijk bemachtigd; pittig of knoflook, anders een ratjetoe met peterselie; alle 3 met diverse varianten.
Nog ff wat kappertjes erbovenop.

Waarna vervolgens plakjes kip/kalkoen, van allerlei allure. Dubbelgevouwen, want anders past ’t meestal niet in de breedte.
Met een flukse beweging 1tje stiekem in de mond. Om de hongerstil, want ben alweer zeker 10 min bezig.

Kaas. Oud, extra belegen, liefst nog ouder, waarvoor ik dan wel 1st een ritje naar H’sum moet afleggen.
Tenzij ik een pil heb geslikt, om lactose weer een keertje te kunnen willen proeven. Maar ik merk dat de huidige variatie daar steeds minder behoefte toe veroorzaakt.

Olijven. In kwarten verdeeld per cracker.
’t Wordt inmiddels een mooie 3-vuldige dimensie. Alles opgestapeld, de geur die zich inmiddels in diversiteit verspreidt.
Maar nog niet klaar.

Spruitgroente. Elke dag anders; Appie verkoopt ze in bakjes van 3 varianten, je moet ze er op volgorde van hun rangschikking variabel uit zien te plukken.
Ik prefereer de pittige spruitverpakkingvariant. Die andere, milde, bak smaakt nergens naar. Terwijl ze bij mij juist een harde confrontatie moeten aangaan met alles wat al aanwezig is op de cracker.

Nog wat ijsbergsla in smalle reepjes, zodat ’t de daaropvolgende laag kan opvangen.
Vergruizelde nootjes eroverheen vandaag, pistache & hazelnoot.

Morgen ga ik voor ’t 1st een gekookt eitje daar ergens tussen al die lagen proberen te frommelen. Ze liggen al gekookt in de koelkast te wachten. Misschien een laagje tussenuit de andere laagjes plukken om ’t te vervangen door pesto-tappenade, want nog over van verblijf in Frankrijk (voordat dat dan weer over de datum gaat).

Zo onvoorspelbaar blijft ’t dieet op glüten/lactose-vrije crackers. Maar een verrassend avontuur in de morgenstond evengoed.

De rest van de dag evengoed ook in etensmaal-Zijperspace, vol onverwacht.

Morgenkomst

Ik zal fit op moeten staan. De dag beschouwen, zien wat komen gaat.
De fiets in de gang laten, zonder hem vertrekken.
Een wandeltocht. Richting apotheek, ook richting nieuwe brillen die nu echt wel een noodzakelijkheid gaan zijn.

Dus niet wat zomaar komen gaat, maar eerder wat zich vlak voor middernacht zich laat plannen. In de hoop tegelijkertijd dat de slaap die planning niet weg gaat dromen. Er straks slechts restjes van de voornemens in m’n ooghoeken verborgen zullen zitten als ze niet meer toegeknepen zijn.

De sneeuw de schuld geven. Die onttrekt vocht aan mijn helderheid. Van ogen, van plannen, van voortstapwaarts,
De lucht droog zolang ’t wit op de stoep blijft staan. Mijn stapvoets over straat daardoor de dag laat verkorten. M’n opgeslotenheid zich verkrampt zogauw ik weer thuis ben.

Ik zal fit moeten zijn. De wereld van morgen moeten proberen te verslaan.
Hoewel ik niet naar de verwachting heb gekeken, van wat morgen voor mogelijkheden geeft. Bang overvallen te worden.
Bereid me derhalve op ’t ergste voor: niet op de fiets richting de nieuwe medicijnbevoorrading. Doe de loop, de wandel.
De volgende dag een nieuwe reis om ’t uit de muur te halen & hopen dat ik in 1 keer de juiste medicijnsbevrijdingscode weet in te toetsen.

Ik zal zoet zijn. Mezelf in laten dutten in mogelijk gemoedelijke stemming. De dekens over m’n hoofd, op net niet stikkens toe, maar wel de ademtocht zijn verwarmingsplicht laten vervullen.
Want alles is recyclebaar. Ook mijn ongerustheid over de volgende dag.

Mogelijk ook wat daar op volgt in Zijperspace, de dag van de morgen na morgen.

Onvoorwaardelijk

De hond die op de achterbank zit, enigszins beteugeld door Tineke maar ook weer niet altijd, die likzoenen probeert te geven aan wie ze maar kan bereiken aan de voorkant van de auto. De hond wiens liefde onvoorwaardelijk is & waar wij gedwongen worden dat af te wijzen.
Ik ’t weer in de gaten houdend, de afstand van mogelijk slecht weer, de mate van vorderen van een volgende kletsbui van natte of misschien wel op de weg knerpend moeilijk doordringbare sneeuw. Onderweg naar de weg terug. We naderen ’t omslagpunt gestaag, waar daarnet in straks verandert.

We zijn op weg. De weg van straks niet weten wat een week lang vanzelfsprekend was. 1 of 2 honden aan je zij. Uren weg, met of zonder menselijk gezelschap. Bergen op, heuvels af. Zo als ’t zich liet voelen. Pogingen tijdens korte pauzes boeken te lezen, maar daar niet al te veel in slagend. De kou, de kou. ’t Peinzaam staren naar omgeving, ’t gras, ’t gewroet op de achtergrond.
Dan ook de vervreemdende sneeuw, de rijp eigenlijk, zoals ik dat ontwend ben, de vorm, de verbindingen van de hoek om, de ene na de andere vertakking waar dat verschijnsel zich in kan vormen, maar toch zo gelijk blijft.
Dezelfde waarde, maar anders uitwisselbaar.

Een reden om op te staan. De honden daarbij te storen in hun gewroet, hun speuren naar ongrijpbare geuren in de aarde, naar misschien wel bereikbaar water. Drinkbaar, behapbaar water, niet rijp, noch bevroren. Soms ’t gras likkend met hun ontdooiende tongen, in de zomer verkleed als halmen, maar waar zij nu zelfs likkend over ’t ijs van de krappe sloot, likkend slikkend naar energie om mij voorbij te kunnen lopen. Straks rennen, elkaar jennen, de droge keel alweer vergeten.
De uitdaging van elkander geeft ze onvermoeibaarheid. Waar ik mezelf achter hun aan sleep, nog weer een paar hellingen, wetend wat de weg is, de kortste, & zij ondertussen alle kanten op kunnen gaan, als ze niet afhankelijk zouden zijn van een flinke bak vocht, een volgende gevuld met brokjes. Ze, na die bak op de plek van ons onderdak gevonden te hebben, zich vervolgens kunnen opsluiten in een onverstoorbare dut, slechts zich oprichtend als ze volgens een mens op een verkeerde plek hebben genesteld.

’t Lijken sufferds in dat gedrag, maar ’t is zo onvoorwaardelijk. Ze lijken op de bergen die ik nog steeds wil bestormen in weliswaar inmiddels traag tempo.
Maar heerlijk te verdwalen, zodat je merkt dat er meer leven in ’t lijf zit dan van tevoren verwacht.

& ’t Inmiddels niet al te vreemde huis in Zijperspace je weer welkom heet, een vette begeleidende lik over de rug van hand.

DeVroegNaarBed

Daarnet m’n 2 jaar jongere broer gesproken, tevens in Frankrijk tegenwoordig. Soms voor werkzaamheden terug naar Den Helder.
Daarnaast vanochtend contact gehad met Tineke, terwijl ik de laatste noodzakelijke pillen voor een kleine week aldaar op een onmogelijk tijdstip te pakken moest zien te krijgen. Uiteindelijk zelf de weg gevonden waar 1st een doolhof was in de zorgsector van op 2e Kerstdag medicijnenleverantie. Maar vooral in m’n hoofd, ’t speelde vooral weer in m’n hoofd.

Waar soms onverwacht ’t zicht op de weg zich weer laat herpakken.
Daarbij gedacht aan m’n oudste broer, tussendoor de regels van wat me niet nog meer stress zou geven, waarom hij niet de dingen kan oplossen die allang afgesloten zouden moeten zijn.

Me voorbereidend op vertrek richting Frankrijk. Waar je blij naar uit moet zien, de neus niet voor moet ophalen, de angst als vanzelfsprekend gepareerd dient te worden, ook al hebben we vorig jaar onderweg 19 auto’s langs de weg verongelukt zien staan, gekanteld, over de kop, half in de berm, meermaals op elkaar, gelukkig aan de kant, of onderweg weggesleept te worden.
Ik hou derhalve de weersverwachtingen in de gaten, maar weet tegelijkertijd dat je dat niet als vanzelf 2 maal op een rij gebeurt.

Ik wacht op Tineke, wacht op slaap, wacht tot de maaltijden, mijn beperkte maaltijden zodat ik mijn verblijf aldaar overleef (iets te theatraal, maar men wil de auto immers niet naar iets gaat ruiken dat niet op te houden was), diepgevroren, klaar voor vervoer zullen zijn. Een rantsoen in houdbare wording.
’t Is tegelijkertijd geen zielig zijn; meer een bezorgd zijn dat anderen geen last hebben van.
Evengoed dat de een vooral niet de mogelijkheid overkomt een ander te ruiken, zodat jij op 1 of andere manier wat duidelijker aanwezig bent.
Dat is een nachtmerrie. Behoed mij.

’t Gaat niet zover komen, want zover is nog niet geweest. & Men is voorbereid, als ik. Maar dan net iets minder.

Maar ’t is vooral, vooral, de twijfelachtige vooral, dat ik, hoewel we als ik daar ben met z’n 4 mensen plus 2 kalme vuurwerkloze honden zullen zijn, m’n weg weer zal moeten zoeken. De paden die mij al bekend zijn vertrouwd moet laten maken, bij de stap, de stap, de stap daarop. Dat ’t zich herhaalt, zoals een berg op dat doet, omdat ’t meer moeite kost zoals in ons platte land dat gevoelen doet. Ik wil nieuwe wegen bewonderen, díe die ik nog niet eerder gevonden had, maar wel weet van had, een omloop maken, een rondje, waardoor de staart zichzelf kan bijten.
Mezelf wil bijten, zoals een hond z’n plotse jeuk aldaar. Een genoegzaam voelen dat ik weer iets, dankzij de hond(en), heb volbracht.

Er in Zijperspace is nagedacht.