Gemakshalve denk ik dat iedereen die ik ken ’t al weet. Je praatgrage mond, ’t niks onverbloemd willen laten, de hele derrie van altijd per ongeluk eerlijk willen zijn, zich allang al voorbij, voorbij, voorbij.
Een afgesleten punt. De jaren hadden de scherpe kantjes er vanaf doen slijten; dat staat in m’n achterhoofd geschreven, heeft zich laten schrijven, een groot gedeelte van de rest doen slijten.
Ik ben de ‘je’. Die iedereen doet veronderstellen dat men dat wel weet. ’t Afgesleten paspoort: wat iedereen checkt zo gauw je nader komt. Je krijgt ‘m zonder verdere interesse teruggeleverd.
Ik stel u voor: zij had haar ouders de deur uit gestuurd, want hier kwam hij, de ik, zijn spullen ophalen. Wij hadden, min mijn vader die de auto reed waar mijn spullen van eeuwige tochten zwervend naar onderdak nu juist terug richting Den Helder in vervoerd moesten worden, een laatste afspraak.
Alles wat haar aan mij kon herinneren aan mij, alles wat mij zou bevrijden van mijn onbevredigende zoektocht naar een vaste slaapplaats in Amsterdam. Een omarming van meisjes, ’t waren er heus niet veel, zorgden voor een zeer tijdelijke vaste woonplaats. Een herkenning van wat Amsterdam was. Zou kunnen zijn, een schreeuw van welbehagen als ik middernachts niet hoefde na te denken dat waar ik sliep slechts een tijdelijk bed was, tijdelijke warmte. Een slurpend bestaan.
Den Helder werd vervolgens mijn kot. Ik hoefde niet meer te denken dat ik nog ergens anders heen kon. Alles wat mij nog overkwam, was vast niet meer dan alles dat mij overkwam. Verwondering over wat mij was overkomen, dat wel; geen mogelijkheid om dat te omarmen.
Een telefoontje plots van een vader. Helders ook, ik was in die stad teruggekeerd, vader van een andere vriendin, om een lang verhaal niet al te lang te maken.
Hij stamelde. & Ik had spijt dat we toen nog geen bevestiging op een beeldscherm kregen van dat de identiteit aan de andere kant klopte met wie je vermoedde dat de beller was. Dat gebeurde toendertijd nog niet.
Je moest ’t doen met ’t herkennen van de stem. Ook al klonk ’t op z’n donkergrauwst. Een trage somberheid, mij verzekerend dat ik iets moest doen wat hij niet kon.
Ik heb gedaan wat hij me vroeg & zijn dochter bezocht.
Daar vermoed ik dat ik iets overgeslagen heb.
Maar ik zat opnieuw opgesloten in Den Helder, opgesloten in een verleden die inmiddels opnieuw opgebouwd moest worden. Alle gelijkjaars van school waren, als ik, vertrokken. & Die terugkeerden leken, net als ik waarschijnlijk, op een gegeven moment onherkenbaar.
Er gingen mensen dood in die tijd, in Den Helder. Ik was te paranoia om ze daadwerkelijk, oog in oog, tegen te komen, maar kende er overdag velen van. ’s Nachts kon je ze beter vermijden. Ook al had je naast elkaar in de schoolbank gezeten.
Ik heb haar niet zien sterven, Pim, maar heb haar brief gelezen. Kon haar geen antwoord geven.
Geen antwoord. & Dit is ’t evenmin.
Ik heb haar zien huilen toen ik in mijn 1tje stond te dansen in de kelder van De Plak in de Utrechtsestraat.
Dit is een antwoord, dit is zoals ik ’t nu geschreven heb. Zij was niet verslaafd zoals ik dat heb gekend, ze wilde hooguit mij. Wat ik haar…
Wat ik…
niet kon geven.
Toen was ze dood. Even later.
Er was iemand die me dat kwam vertellen. Ik woonde alweer een tijdje in de vergetelheid van Den Helder. Zag in die tijd de junkies weer, al dan niet bekend, sterven, soms hoorde sterven, via berichtgevingen in de plaatselijke krant, van vanzelfsprekend horen zeggen. Wat mij heel normaal leek. Hun dood.
Je raakt er op een gegeven moment aan gewend. Je kende ze, vaak hooguit van een uitgedroogd & troosteloos gezicht. De halfpaniek, de noodzakelijke dwang iets uit je te kunnen trekken.
Daar was ik naar teruggekeerd, Den Helder. De aanvoerlijn toentertijd. Ze stonden op ’t station om de smag te ontvangen, voor verdere noodzakelijke verdeling in ’t Amsterdamse.
Ik had, ik kreeg, slechts een door mij uiteindelijk onbeantwoorde brief, van haar.
Email heeft ze nooit gekend. Maar ook dat is geen excuus.
Er is niet meer dan dat in Zijperspace; dit zijn de woorden.