Site-archief

Tongval van het verdwijnen

Anke Cuijpers

Anke Cuijpers is schrijfster en dichter. Ze volgde een divers scala aan beroepsopleidingen, van maatschappelijk werker tot verzekeringsadviseur, en werkte in meer dan een dozijn ambachten, variërend van schoonmaker en lopende band werk tot copywriter. Een tijdlang was ze mede-eigenaar van een goedlopend eetcafé. Ze gooide het roer om nadat ze het literaire vak ging studeren aan de Schrijversvakschool Amsterdam (proza en poëzie). Ze publiceerde in de literaire tijdschriften Het Liegend Konijn, Kluger Hans, de Poëziekrant en De Revisor. Ze droeg meermaals voor in de Prinsentuin in Groningen. Op 7 mei is ze een van de dienstdoende dichters in een van de mooiste boekhandels ter wereld, Boekhandel Dominicanen in Maastricht, waar de Klimaatdichters  optreden in een pop-up expositie van Dorine van der Ploeg.

In de nieuwe bundel van de Klimaatdichters ‘Tongval van het verdwijnen’ gedichten vanuit niet menselijk perspectief, is het gedicht ‘Wrange vrucht’ van haar hand opgenomen. Bij haar bijdrage is de volgende tekst opgenomen: Met takken die eindigen in doorns en kleine appelvruchten die bovendien hard en wrang van smaak zijn, is de wilde appel door bastaardering verdrongen door cultuurvarianten. In Nederland is hij uitgestorven. De zeldzame Vlaamse exemplaren worden bedreigd door schuurschade.
.
Wrange vrucht
.
wilde boom worden in mezelf een kringloop
zijn, maar wist niet hoe vanwaar ik hing, herfst
dacht ik soms, is dat een container waarin ik pas
.
wilde wortel schieten wilde in de grond
wilde de regen wormen en de mieren horen wilde
met neven en nichten in een boomgaard staan
.
voelde herten tegen de takken schuren
waaraan mijn kleine lijf te plukken viel,
hoe anders dan als wind, ik dacht sindsdien
.
aan vallen, iets moet een appel doen om te
verleiden, het vlees te laten rotten zodat de pitten
verder alle werk, lieve God, was dit zoals het was.
.

Slopersverdriet

Philip Hoorne

.

Vandaag een gedicht van een dichter in de geest van een andere dichter. Philip Hoorne (1964) is een Vlaamse dichter, schrijver, bloemlezer en recensent. Hij debuteerde in 2002 met de bundel ‘Niets met jou’ in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij. De bundel werd genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs. Voor zijn tweede bundel ‘Inbreng nihil’ uit 2004 werd hij genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.

Zijn werk werd opgenomen in meerdere bloemlezingen, onder meer in ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in duizend en enige gedichten’ van Gerrit Komrij en verschijnt in literaire tijdschriften als Het liegend konijn, De Revisor, Bunker Hill, Landauer en Tirade. Hoorne richtte de poëzierecensiewebsite Poëzierapport op en schreef recensies voor onder meer Knack, de Poëziekrant en Meander.

In 2022 verscheen ‘Beste meneer, Bloem’, een selectie uit 20 jaar op J.C. Bloem geïnspireerd werk, uitgegeven door de Stichting Mr. J.C. Bloem Poëzieprijs. Wanneer een dichter wordt genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, zoals Hoorne in 2005, dan wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven geïnspireerd op de persoon Bloem, zijn werk of zelfs een regel of titel uit zijn oeuvre. In deze bundel zijn 20 van deze dichters (niet alle dichters hebben gereageerd op het verzoek tot het schrijven van een dergelijk gedicht) met hun gedicht opgenomen waaronder dus het gedicht ‘Slopersverdriet’ van Philip Hoorne.

.

Slopersverdriet

Naar ‘Insomnia’ van J.C. Bloem

.

Denkend aan de daad kan ik niet slopen,

En niet slopend denk ik aan de daad,

En mijn hamer aarzelt voor hij slaat,

Zijn puin en gruis mijn enige hopen?

.

Hoe onmachtig klinkt het schriel ‘ga lopen’,

Als een muur tegen de vlakte gaat.

Stof waait door de opgebroken straat.

‘k Denk dat ik mij beter op kan knopen.

.

Om de vrouw die zich te weinig geeft,

Slechts eens per maand wil minnekozen,

Te min haar vreugde om mijn krachtig zaad,

.

Tot meer paringsdaden niet in staat.

Op steenslag zal ik mijn kiemen lozen,

‘k Wil in mij geen leven dat niet geeft.

.

 

 

 

Jarig

Jana Beranova

.

Alle dichters die op dit blog aan de orde komen zijn ooit geboren en hebben dus een geboortedag. Wanneer een dichter nog leeft heeft deze dus ook een verjaardag. Nou is het niet mijn gewoonte om bij elke verjaardag van elke dichter die nog leeft een blog aan die dichter te wijden maar vandaag maak ik een uitzondering.

Vandaag is dichter Jana Beranová (1932) jarig en ze wordt 94 jaar. Omdat ik Jana als dichter en mens goed heb leren kennen in de afgelopen bijna 20 jaar en omdat ik al twee keer in de jury van de prijs die naar haar vernoemd is heb mogen plaats nemen, leek het me niet meer dan goed en rechtvaardig hier even stil te staan bij deze bijzondere vrouw.

Jana Beranová is Tsjechische van geboorte, maar moest na 1948 met haar ouders vluchten en kwam in Nederland terecht. Zij studeerde in Rotterdam af in de economie. Zij werd bekend met haar vertalingen van Tsjechische schrijvers en dichters, onder wie Milan Kundera (onder andere zijn klassieker ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’) en de Tsjechische schrijver, dichter en journalist en Nobelprijswinnaar (1984) Jaroslav Seifert (1901-1986).

In 2008 verscheen ‘De geboorte van Sisyphus‘: de verzamelde in het Nederlands vertaalde poëzie van een oud-stadgenoot van Jana, de Tsjechische dichter en immunoloog Miroslav Holub (1923-1998). Inmiddels was haar naam als dichter en vertaler gevestigd en van 2009 tot 2010 was ze stadsdichter van Rotterdam. Jana was docente poëzie aan de Amsterdamse schrijversvakschool en politiek actief binnen de schrijversorganisatie PEN International, dat zich inzet voor vervolgde schrijvers. Landelijke beroemdheid kreeg zij met een tekst die ze maakte voor Amnesty International: ‘Als niemand luistert naar niemand vallen er doden in plaats van woorden’.

Voor haar inspanningen voor de Tsjechische literatuur kreeg Jana Beranová in 2005 van de Tsjechische staat een hoge onderscheiding. In 2024 ontving ze de prestigieuze Gratias Agit Prijs, voor haar bijdrage aan de promotie van Tsjechië in het buitenland. Voor haar inzet voor de Rotterdamse letteren kreeg Beranová in 2008 de Erasmusspeld. In 2025 werd de driejaarlijkse Anna Blaman Prijs aan haar toegekend voor haar gehele oeuvre.

Sinds 2019 wordt de Jana Beranováprijs uitgereikt aan een Nederlandstalige auteur die de artistieke vrijheid en integriteit vooropstelt, zonder te hechten aan waardering op grond van conventionele, modieuze of morele criteria. Ik voel mij vereerd dat ik al tweemaal in de jury ben gevraagd voor deze bijzondere prijs.

Zoals ik hierboven al schreef heb ik mooie herinneringen aan de momenten dat ik samen met Jana mocht voordragen (zoals bij de begrafenis van wederzijdse vriend en dichter Hvroje Pero Senda (1945-2013), dat ze in de jury zat van de poëziewedstrijd van poëziestichting Ongehoord! en de malen dat ik haar sprak en naar haar mocht luisteren zoals bijvoorbeeld bij de uitreiking van de naar haar genoemde prijs in 2023 toen de prijs werd uitgereikt aan Wim T. Schippers. Bij deze van harte gefeliciteerd Jana en op naar de 100!

Uit de bundel ‘Tussentonen’ uit 2004 haar gedicht ‘Jasje’.

.

Jasje

.

Alle seizoenen waren harde winters.
Zou ze zich verborgen hebben in dit bontjasje
dat hij ooit met liefde gewatteerd
om haar smalle schouders had gelegd?

Zou zij zo de kou hebben kunnen weren
van al die landverhuizingen en andere doden,
van de angst en de grimmige wortels
zodat ze zacht zou vallen als ze zou vallen?

Zou ze op een dag
in dit jasje
de oneindige koude
zijn ingedoken?

Je bewaart het, bladert het door: de mouwen,
het haast onvindbare sluitinkje, de kraag;
het ding slijt, rafelt, vervaalt als een veelgelezen boek.

Je schudt met de mot de tijd eruit
en vult het op met je eigen lijf
al durf je zo de straat niet op.

Niemand weet dat het jasje
van geverfd konijn is
en niet van nerts.

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

Herwig Hensen

.

Afgelopen weekend las ik wat in de bundel ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uitgegeven door Compaan uitgevers in 2012. Het aardige aan dit soort verzamelbundels is dat je altijd ontdekkingen doet, elke weer opnieuw namen van dichters tegenkomt die je niet kent. En dat was ook dit keer het geval.

In de bundel is een gedicht opgenomen met de titel ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ van Herwig Hensen. Meteen moest ik denken aan de Klimaatdichters, had ik een naam gemist? Maar niets bleek minder waar, Herwig Hensen (1917-1989) was al lang overleden toen de Klimaatdichters zich verenigden in een collectief met die naam.

De Vlaamse Herwig Hensen (pseudoniem van Florent Constant Albert Mielants jr.) was schrijver, docent wiskunde, docent dramaturgie en dichter. Aanvankelijk stond de poëzie van Herwig Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme van Karel van de Woestijne. Zijn later werk werd meer introvert. Zijn klassieke verzen geven afwisselend een smart weer om de waanzin van deze wereld en een bejubelen van het wonder van het leven.

Voor zijn werk werd hij meerdere malen bekroond, zo kreeg hij onder andere de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1938-1940). Zijn werk werd in meerdere talen vertaald. Hensen debuteerde in 1934 met een in eigen beheer uitgegeven bundel getiteld ‘Verzen’. Het gedicht ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ werd genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1988. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit 1971. Toen was deze dichter zijn tijd dus al ver vooruit met zijn gedachten en zorgen om het milieu en de waanzin van de wereld.

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:

Grond, wateren, beemden, bomen,

De vrucht die smaakt. De bloem die ruikt,

En ’t land waarvan wij dromen

.

Wat geven wij onze kinderen mee

Behalve spreuken en kogels?

Niet eens het zuivre zout van de zee

En ’t zingen van de vogels

.

Maar wél het gif en het haastige kruit,

en haat die alom kan passen.

Sindsdien doven de lentes uit

en dorren vroeg de grassen.

 

Belofte slaat over in ongeduld

voor wie geen hoop meer bewaren.

Wat zijn wij onder zoveel schuld?:

Bedriegers of barbaren?

.

De druk van letters op papier…

Dorothy Wong Loi Sing

.

In 1995 verscheen ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie‘ van de oude liedkunst tot de jongste dichters onder redactie van Michiel van Kempen. Een lijvig werk van 700 pagina’s Surinaamse poëzie vanaf de vroegst bekende poëzietekst in het Sranantongo door Hendrik Schouten (1745-1801) tot de jongste dichter Cándani (1965-2021). Natuurlijk is er veel meer poëzie van jonge dichters verschenen tot en na 1995 maar dat heeft dit verzamelwerk niet gehaald. Een belangrijke verzameling poëzie met onder andere veel onvindbare teksten die chronologisch en overzichtelijk gepresenteerd worden in deze Spiegel. Verder is er ook sprake van niet eerder gepubliceerd materiaal. De bloemlezing bevat een deel orale verzen (van Indianen, Marrons, Hindoestanen en Javanen) gevolgd door geschreven verzen.

Van Kempen selecteerde louter op basis van zijn persoonlijke voorkeur en niet omdat het om bekende teksten gaat. De bundel bevat dus geen overzicht van alle Surinaamse dichters. In de inleiding zegt de samensteller dat hij niet alleen geselecteerd heeft uit werk geschreven door dichters geboren in Suriname maar ook uit werk van hen die zich in Suriname vestigden en hun lot definitief met het lot verbonden. De opname van het aantal gedichten correspondeert met het relatieve belang van een dichter in de Surinaamse letteren.

Een van de dichters uit deze Spiegel is Dorothy Wong Loi Sing (1954) schrijver, dichter en beeldend kunstenaar. Ze bracht meer dan vijftien werken in eigen beheer uit, gestencild, gefotokopieerd, in ringbandjes of geniet: poëzie, proza, toneel, zowel voor de jeugd als voor volwassenen. Het meeste succes had ze met haar bundel ‘Zwarte muze, witte creoolse’ (1983) met gedichten in het Sranan, Engels en Nederlands. In 1984 won ze met drie gedichten een prijs in The Black Youth Annual Penmanships Awards te Londen. Na 1991 stopte ze met schrijven. Gelukkig hebben we haar werken nog. Zoals het onderstaande gedicht dat werd opgenomen in ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie’.

.

De druk van letters op papier
keur ik niet diep genoeg
om in te werken op jouw stramme rug.
De geprononceerde schreeuw van klanken
door een zelfbewuste microfoon
moet, ritmisch een patroon verklankend
zich rijgen aan een houten spit
in jouw doorkerfd evenwicht
en ter plekke de balans verstoren
zodat je hangt, en ligt, en zit
in onmogelijke standen.

In mijn gedichten wil ik jou
in de luren leggen.
Daar lig je dan, als schaschlick,
te marineren,
doordringend stinkend naar mijn ongelijk,
want je moet weten, ik draag de norm
van deze opgelegde maatschappij
met kromgebogen rug.
Zij hebben mij eronder gedouwd,
goed beschouwd:
tot ik gestikt ben in hun geregeld streven.

.

Verblijf

Yasmin Namavar

.

Yasmin Namavar (1983) werkt als psychiater en is daarnaast schrijver en dichter. Haar gedichten verschenen onder andere in De Gids, Tirade, Hollands Maandblad, Samplekanon en Poëziekrant. Ze won de Hollands Maandbladbeurs voor poëzie in 2024. In 2022 was ze finalist bij de El Hizjra Literatuurprijs. Ze debuteerde in 2025 met de bundel ‘Verblijf’. In deze bundel komt steeds de vraag naar boven wat het betekent om ergens te zijn. Ze trad op tijdens de 42e Nacht van de Poëzie en bij Dichters in de Prinsentuin.

In een interview op de website van Meander zegt ze over hoe ze in aanraking kwam met poëzie: “Als kind las mijn vader soms Perzische poëzie voor. Vooral Hafez. Ik begreep er niets van, maar ik werd meegenomen door het ritme en de klanken. Met Nederlandse poëzie kwam ik pas op de middelbare school in aanraking, en tijdens mijn studententijd begon ik zelf poëzie te lezen. De bundel ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen‘ van Tjitske Jansen was de eerste dichtbundel die ik op mijn nachtkastje had liggen. Destijds was mijn favoriet, het gedicht dat zo begint: ‘Liefste, Op deze dag zo grijs als haring schrijf ik je een brief waarin het waait’”.

Op de website Sampol.be staat een gedicht van haar hand waarin ze naar Iran trok om te kijken wat haar vader heeft nagelaten. Het gedicht ‘Droogte’ kun je hier lezen. Uit de festivalbundel van de 42ste Nacht van de Poëzie nam ik het onderstaande gedicht van haar hand zonder titel.

.

ze ploegt haar gangen, elke dag

met de schop in haar handen, sandalen in aarde

vrouw uit klei gemaakt

.

daarginds op het erf

bewegen kippen amechtig en schuw – de mens!

in haar schort legt ze eieren in stro

.

na het avondgebed dipt ze koek in sterke thee

en wanneer de nacht door het ledikant zakt

herneemt de schepping opnieuw haar kleine kiem

.

de volgende morgen in de kou – in de holte

van haar buik, spint een rupsachtig beest

nesten vol witte moerbeizijde

.

in de keuken zucht de gootsteen

stokt het hart van een segrijnslak

wacht het servies argeloos op de dood

.

en het paard knikkebolt in de stal

hij let niet op de vrouw

of haar ruw gesponnen draad.

.

Tent

Lote Vilma Vītiņa

.

Wanneer ik op zoek ben naar dichters, gedichten of onderwerpen die met poëzie te maken hebben of poëzie in het algemeen, kom ik regelmatig website pagina’s tegen die ik interessant vind. Gelukkig hebben de uitvinders van het wereldwijde web daar een fijn knopje voor uitgevonden; de bookmark. Meestal vergeet ik die bookmarks weer maar af en toe bekijk ik ze weer en dan valt me op dat er veel moois te ontdekken is op de websites die ik heb vastgezet.

Een van die pagina’s is Versopolis.com. Op deze website kwam ik de dichter Lote Vilma Vītiņa (1993) uit Letland tegen. Zij is dichter, schrijver, striptekenaar en illustrator. Ze werkt graag met zowel tekst als tekeningen en schrijft naast poëzie ook boeken voor kinderen en jongeren. Lote Vilma’s debuutbundel ‘Meitene’ (Meisje) verscheen in 2021. Haar gedichten zijn gepubliceerd in verschillende literaire tijdschriften in Letland en poëziebundels, waaronder de bundel met gedichten van jonge dichters ‘Kā pārvarēt niezi galvaskausā’ (Hoe je de jeuk in je schedel kunt overwinnen) uit 2018, samengesteld door Artis Ostups en uitgegeven door Valters Dakša.

Een recensent zegt over haar gedichten in deze bundel: “Ondanks het feit dat alles zo kalm en herkenbaar lijkt uit onze eigen zomers van onze kindertijd, schuilt er een nauwelijks merkbare spanning in deze regels, en ontstaat er in de geest van de achterdochtige lezer een situatie waarin de schijnbare rust mogelijk verstoord kan worden en het idyllische landschap de potentie krijgt om een ​​stukje tv-nieuws te worden dat eindigt met een oproep om kinderen niet zonder toezicht achter te laten.”

In het gedicht ‘Tent’ (Telsts) komt deze spanning mooi naar voren. De vertaling is van de dichter zelf.

.

Tent

.

Alles is versteend.

uitgeknepen nat

een donkere tent

slakken zonder schelp

 

En wat moest ik doen?

toen je vond

en kozen mij

onder alle meisjes

rond het vuur

was er

vuur helemaal

de vormen van tieners

zijn zo vaag

onhandig als ze

elkaar passeren

flessen

gevuld met pulsen

in een belangrijke kring

in het donker

Je moet het in het donker doen.

maar jij

Je was slim.

je had een zaklamp

 

een warme straal gleed eroverheen

mijn gezicht

wat bijna

verbrijzeld in zijn licht

en ik heb je aangeboden

de meest kostbare

wat ik had

verlangen dat zich gedurende vele jaren heeft opgestapeld

zoals sommige geknipte haren

in een schoenendoos

 

het is een fragiel

afgesloten ruimte

je bevindt je in

een tent

twee tongen

beweging

maar men doet dat niet

onthoud de andere

.

Wij hullen ons zeemeermin

Lena Plantinga

.

Ik ben groot fan van literaire- en poëzietijdschriften. Die lees ik in de koninklijke bibliotheek, openbare bibliotheken of via een abonnement. En natuurlijk ben ik zelf mede verantwoordelijk voor één van de leukste tijdschriften met poëzie (MUGzine). Deze week viel via een abonnement het literaire kunstmagazine Hard//hoofd door de brievenbus. Dit tijdschrift is voor 80% afhankelijk van donateurs en bevat derhalve geen advertenties. Wat zeker bijdraagt aan het leesplezier. Sinds kort ben ik erachter gekomen dat de uitgever Lisanne Brouwer een nichtje is van een van mijn beste vriendinnen en de chef Magazine Elianne van Elderen als aanstormend talent al met gedichten in nummer 4 van MUGzine (2020) stond. Nog meer reden dus om dit prachtige tijdschrift hier extra te promoten.

In #8 van Hard//hoofd met als thema Harnas staan, naast essays, proza, een beeldverhaal en veel kunst, gedichten opgenomen van Elise Vos, Roan Kasanmonadi, Sophia Blyden en Lena Plantinga. Deze laatste dichter, Lena Plantinga herinnerde ik me van haar voordracht tijdens De Nacht van de Poëzie in 2024 maar kende ik verder nog niet.

Plantinga (1999) is schrijver van proza, theaterstukken en dichter. Thema’s die vaak langskomen in haar werk zijn vrouwelijkheid, mythen en volksverhalen, popcultuur en moeders. In 2023 studeerde ze af aan de opleiding Writing for Performance (HKU). Behalve in Hard//hoofd verschenen gedichten van haar in Het Liegend Konijn en Tirade. Ze trad verder op bij onder andere Frontaal en Mensen Zeggen Dingen. Vanaf 2025 maakt ze deel uit van het Utrechts Stadsdichtersgilde.

In Hard//hoofd is haar gedicht ‘Wij hullen ons zeemeermin’ opgenomen.

.

Wij hullen ons zeemeermin

.

We vragen ChatGPT naar schrijfsters die zichzelf verdronken in zee, duiken een nacht

in de levens van een kleine lijst vrouwen om erachter te komen dat

het merendeel zichzelf door het hoofd schoot, van bruggen sprong

in een gesloten garage met een glas wodka en moeders bontjas aan de auto-uitlaatgassen

op vrije loop, overdosissen barbituraten of met zakken vol stenen een rivier in

.

‘excuses voor de verwarring’, zegt ChatGPT, wij wensen onszelf niet Ophelia,

wij hullen ons zeemermin, zoeken naar een prins, het liefst eentje

ver weg zodat we brieven kunnen schrijven en we likken onszelf schoon

met waterijstopjes van bubbelgum knettersuiker, hier hebben we op geoefend

met Barbies in bad, knakken benen in de juiste hoek, tijdens het schuiven

blijven de Barbiesnglimlachen en wij denken ons onsterfelijk

.

één schrijfster liep van de pier van Brighton af, ‘she stripped naked and walked into the sea,’

meldt de plaatselijke krant, voor Ann Quin afdreef schreef ze een kortverhaal

waarin een man het levenloze naakte lichaam  van een vrouw over het strand sleept

zoekend naar de visueel aantrekkelijkste opstelling

onthoofd hij haar zoals wij scharen in onze Barbies staken, ‘kijk,’ zegt hij,

‘nu klopt het beeld’

.

onze tongen slushpuppieblauw spelen wij een spel met bontjassen aan

drukken in shotjesbar een voor een op de tanden van het groene zeemonster

tot haar kaken dichtslaan, leveren onze stem in door rietjes en leren in ruil

twerken zonder kont, dat betekent steeds verder zakken

tot we vastkoeken aan de plakkende biervloer en als de prins in storm afdwaalt

snijden wij ons los met scheermesjes omdat we hem willen redden

.

 

Bloot in het gras

Astrid Haerens

.

Uit de bundel ‘Oerhert’ uit 2022 van de Vlaamse dichter, schrijver en voormalig leerkracht woord en toneel aan de muziekacademie van Anderlecht, Astrid Haerens (1989) komt het gedicht zonder titel met een eerste regel die meteen uitnodigt om verder te lezen. In vrijwel elk gedicht van deze bundel is het vrouwelijk lichaam prominent aanwezig en dat is niet anders in dit gedicht.

Op zoek naar recensies van ‘Oerhert’ kwam ik op de pagina terecht van Gedichten proeven een geweldige website waarop al ruim 50 poëzie analyses te lezen zijn van gedichten van allerlei dichters, oorspronkelijk in het Nederlands geschreven en vertaalde gedichten. Tot mijn grote vreugde staan er op deze website van Joost Dancet (die ook de redactie doet van de Klassiekers voor Meander) ook nog eens 14 vertaalde gedichten van één van mijn favorietste dichters E.E. Cummings. Maar dus ook een uitgebreide analyse van dit (onderstaande) gedicht. Wat mij betreft dus een aanrader om eens een kijkje te nemen.

Terug naar ‘Oerhert’ van Astrid Haerens. In de bundel, genomineerd voor de Herman de Coninckprijs en de C. Buddingh-prijs en bekroond met de Poëziedebuutprijs 2023, gaan veel gedichten over een ik die geen kind wil. Ook in het onderstaande gedicht zijn allerlei verwijzingen te vinden naar dit gegeven.

 

.

Elmina

Bernice Vreedzaam

.

Ongeveer 20 jaar geleden was ik met mijn gezin op vakantie in Ghana, het land in West Afrika van waaruit de Nederlanders schepen vol slaafgemaakte verstuurden naar Amerika. Aan de kust van Ghana liggen een aantal forten van waaruit dit gebeurde en het grootste en belangrijkste fort ligt in Elmina. Het werd door de West Indische Compagnie (WIC) geëxploiteerd als het grootste fort van waaruit slaafgemaakt op schepen werden gezet, volgens schattingen duizenden per jaar. Beneden in het fort is een ruimte van waaruit de slaafgemaakte door de ‘deur van geen terugkeer’ moesten lopen naar de schepen van de WIC. Deze ruimte was één van de meest indrukwekkende van dit enorme fort.

Ik begin hierover om enige duiding te geven aan het gedicht ‘Elmina’ uit de nieuwe bundel van schrijver en dichter Bernice Vreedzaam (1972) ‘De vogelgrens oversteken’ uit 2025. Naar aanleiding van 50 jaar onafhankelijkheid van Suriname schreef zij deze bundel, waarin ze aan de hand van haar eigen geschiedenis, die van de Marrons, laat zien hoe de geschiedenis voort leeft, over landsgrenzen en generaties heen. Marrons zijn gevluchte Afrikaanse tot slaaf gemaakte, die in stamverband in de ontoegankelijke oerwouden of binnenlanden gingen leven en hun afstammelingen.

In de nieuwe bijzondere bundel ‘De vogelgrens oversteken’ staat het gedicht ‘Elmina’ dat verwijst naar een zwarte bladzijde uit onze geschiedenis.

.

Elmina

.

Forsgebouwd voor goud, een oud

melaats fort, waar bastaarden zich verdringen,

ze zingen voor vreemde goden

slaan op vervaagde dagen op onheilige gongs

.

Een vormig bolwerk waar rottende oogkassen

van aangespoelde schubbenmaskers kussens kloppen

de wacht houden naast die met dronkengeweren leunen

tegen de poorten van de roetige binnenplaats

.

Waar dochters en zonen hun laatste adem inhielden,

vege muren en een grasmat van gevederde jurken slepen

keldergang huilt tochtig wurgt in haar kreten

razernij paradeert in een ooghoek

.

Probeer het niet, Muze, de al te avontuurlijke,

niets is meer in zilte regenbuien die jouw vrienden omringen,

of in de klei baden of op warse grondritueel te verspillen.

Als de dood zijn pijl stuurt, haast het kind zich naar het sterfelijk uur.

.