‘Mijn hond mocht niet mee,’ zegt de man naast me. ‘Die zit nu alleen thuis.’
Vanochtend ben ik opgehaald door een buitengewoon opsporingsambtenaar die mij vriendelijk verzocht in een gereedstaand busje plaats te nemen. ‘Fijn dat u meewerkt,’ zei de buitengewoon opsporingsambtenaar, een jonge man met rood haar..
Tijdens vrijwel de hele rit door de stad was ik de enige passagier. De buitengewoon opsporingsambtenaar zat achter het stuur. Toen ik hem vroeg wat onze bestemming was, gaf hij geen antwoord.
In een buitenwijk waar ik zelden kom, stopte de bus bij een villa. ‘U blijft hier netjes zitten,’ zei de buitengewoon opsporingsambtenaar tegen mij. Ik zag hem aanbellen bij nummer 52. Even later keerde hij terug met een vrouw van mijn leeftijd die hij hielp met instappen.
Toen we de buitenwijk verlieten, riep de vrouw opeens: ‘Meneer, we moeten terug. Mijn medicijnen, ik ben mijn medicijnen vergeten.’
De buitengewoon opsporingsambtenaar schonk eerst geen aandacht aan de vrouw. Toen ze zachtjes begon te huilen, zei hij: ‘Mevrouw, u heeft straks geen medicijnen meer nodig.’
‘Ik ben hartpatiënt,’ zei ze even later tegen mij. ‘Ik moet rustig aan doen. Waar gaan we heen? Weet u dat?”
‘Geen idee,’ zei ik.
‘Meneer, meneer,’ riep ze naar de buitengewoon opsporingsambtenaar. ‘Waar gaan we heen? In godsnaam, zeg iets.’ Ze begon te jammeren.
‘We zijn er bijna,’ zei de buitengewoon opsporingsambtenaar.
Na een minuut of tien kwamen we aan bij het industrieterrein van deze stad. De buitengewoon opsporingsambtenaar parkeerde het busje voor een kantoorgebouw, hielp ons met uitstappen en gaf de vrouw een arm. Zo liepen we naar de ingang van het kantoorgebouw.
De buitengewoon opsporingsambtenaar opende met een pasje de deur van het kantoorgebouw. Hij bracht ons naar deze wachtruimte, wenste ons succes en ging weer naar buiten.
‘Hebben ze u iets verteld?’ vroeg de man naast me. ‘Heb ik iets gemist?’
‘Ik heb werkelijk geen idee,’ zeg ik.
‘Borghols, kamer 3,’ wordt er omgeroepen. De man naast me staat op. ‘Mijn hond kan niet tegen alleen zijn. Dan horen de buren hem janken. Zo zielig.’
Verderop bladert de hartpatiënt door een oude Libelle. Haar gezicht is rood aangelopen. Dan staat ze opeens op. ‘Waar zijn de toiletten?’ Ik kijk om me heen, zodat zij de indruk krijgt dat ik haar vraag serieus heb genomen. ‘Bij de ingang?’ vraag ik me hardop af.
De hartpatiënt staat zuchtend en steunend op. ‘Als ik hier een hartaanval krijg, is het hun schuld.’ Ze sloft naar een deur die ze openduwt. ‘Hallo?’ roept ze. ‘Kan iemand me helpen?’ Als de deur achter haar dichtvalt, hoor ik haar niet meer.
Dan wordt mijn naam omgeroepen. Kamer 2.
‘Goedemorgen. Neemt u plaats,’ zegt een vrouw die op Gerda Havertong lijkt.
‘We kunnen snel klaar zijn,’ zegt ze. Voor haar ligt een map, kennelijk mijn dossier, met mijn pasfoto.
”Slechts één vraag voor u,’ zegt de vrouw die op Gerda Havertong lijkt. ‘Heeft u dit geschreven?’ Ze laat me een print zien van een bericht uit de serie ‘Mijn coming-out als agnost.
‘Ja, dat is van mij.’
‘Hartelijk dank! zegt de vrouw die op Gerda Havertong lijkt. ‘Heb ik alleen nog even uw handtekening nodig.’ Ze wijst naar een plek onder de print van mijn bericht.
Als ik opsta wil ik terug naar de wachtruimte, maar ze wijst naar een andere deur.
‘Dag meneer. Sterkte.’
De deur geeft toegang tot een gang. In de verte hoor ik angstaanjagende geluiden: gillen, angstkreten en gierend huilen. Ik wil terug, maar een buitengewoon opsporingsambtenaar (waar komt die opeens vandaan?) verspert me de weg. ‘Werkt u weer even mee?’
Dan begrijp ik waar hij me naar toe brengt. De geluiden, de hitte, de schaduwen van de vlammen op de muren, de penetrante geur van zwavel.
Als ik me begin te verzetten krijgt de buitengewoon opsporingsambtenaar assistentie van steeds meer collega’s.