‘Wat nu weer?!’

‘Wat nu weer?!’ verzucht M. deze week al een paar keer. Nu moet daarbij gezegd dat hij dat, als we in de Eifel zijn, al snel zegt. Blijkbaar hoort hier helemaal niets te gebeuren. Eerst kwam er een echtpaar langslopen, maar wij waren allebei binnen. Het echtpaar kwam een paar uur later teruglopen en toen was ik achter het huis in de tuin bezig. Ik zag de man al met iets zwaaien. ‘Dat moet De 3 bestaat niet zijn,’ dacht ik. Dat klopte. Ze waren maar één keer verkeerd gelopen, voor de rest kreeg ik complimenten over de route. Groningers die in Gerolstein verbleven. Vriendelijke mensen, niet opdringerig. Ze hadden genoten, maar, zo zei de man, ‘nu gaan we het boekje nog eens lezen om te kijken wat jij allemaal hebt meegemaakt.’

Daarna, een andere dag, stond er ineens een gigantische camper stil op de weg, met een aanhanger met daarop een sportauto. Weer was ik buiten en ik hield het zo half-en-half in de gaten, misschien waren ze op zoek naar een tankstation. Maar toen werd er gezwaaid en kwam een vrouw uit dat enorme ding gekropen. De mensen van wie ik mijn huis kocht! Al vaker in de afgelopen veertien jaar verwonderde ik me erover dat ze niet nog eens waren komen kijken. Nu deden ze het. Rondleiding door huis en tuin, herinneringen ophalen, ze kregen koffie, ze schudden M. de hand nadat ik hem onder z’n adem ‘Wat nu weer?!’ had horen mompelen. Ze vonden het geweldig en eindelijk kon ik vragen of de verkoop veroorzaakt was door onmin tussen de drie stellen die samen het huis als vakantiehuis gebruikten. Nee, dat was niet zo, al was er één stel dat helemaal niets aan huis en tuin deed. Ze waren net onderweg gegaan voor een vakantie van drie maanden door allerlei Europese landen. Ik herinnerde ze aan het voorval met oudste broer, die dusdanig ruw met een glazen deur was omgesprongen dat die hele deur aan diggelen ging en ik toen zei: ‘Scheisse! Jetzt soll ich das Haus kaufen!’ Ja, dat wisten ze nog. Ik wist er toen nog 11.000 euro vanaf te troggelen. [Op de afbeelding het huis begin 2013]

Ook zei M. deze week ‘Ongelofelijk!’ toen ik naar hem toe kwam met het pincet. De allereerste teek had zich alweer lekker onder mijn oksel genesteld. Ik kan me niet herinneren ooit zó vroeg een teek gehad te hebben. En het vriest nog ‘s nachts! 

Benieuwd wat er vandaag op Witte Donderdag weer allemaal gebeuren gaat. Een dag die hier trouwens Gründonnerstagheet. Hoe dat nou weer kan? Goede vrijdag (morgen) is natuurlijk ook een aparte aanduiding, wat was er goed aan het kruisigen van een mens? Hier is het morgen vanzelfsprekend geen Goede vrijdag maar Karfreitag, van het Oudhoogduitse kara, dat ‘geweeklaag’ of ‘kommervol’ betekent.

Bollen

Een van de laatste dingen die je doet als het ouderlijk huis is overgegaan naar een nieuwe koper, is de tuin eens goed bekijken. En na dat bekijken de schep erbij pakken. Ik spitte een Japanse wasbloem uit en een pioenroos, de eerste vooral omdat je die zelden nog ziet in een tuincentrum. Die zijn allebei aangeslagen, de wasbloem bloeide afgelopen zomer in mijn Eifeltuin en de pioenroos komt voorzichtig de grond uit. Die zal wel niet gaan bloeien, pioenrozen hebben even de tijd nodig. Ook spitte ik zo’n beetje op de tast in mijn vaders heemtuin rond. Op de tast, omdat vrijwel alles wat daar stond allang uitgebloeid was, het was in juli dat ik het deed. Eveneens op de tast, mede omdat ik niet goed kon uitmaken welke bol bij welk bolgewas hoorde, stopte ik hier in de Eifel van alles, en overal, in de grond. Dus ineens staan op onverwachte plekken narcissen, heel mooie: donkergeel met een knaloranje hart, elders komt iets op waarvan ik vermoed dat het boshyacinten zijn. Wat ik nog mis zijn de zomerklokjes – Leucojum aestivum – maar mogelijk staan die tussen de narcissen en ontdek ik die dus pas over een maand of twee. Maar het mooiste zijn de vijf kievietsbloemen die ik op een plek zette die ik markeerde met een paar stokken. Vijf, waarvan er drie beginnen te bloeien. Ik probeer hier al jaren die Meleagris te hebben, maar dat wilde maar niet lukken en ik keek altijd een tikje jaloers naar dat stuk tuin van mijn vader waar ze zich zonder dat hij er iets aan deed vermeerderden, er stonden ook witte. Nu hoop ik dat zijn kievietsbloemen flink gehard zijn en dat ze hier in deze leemgrond eindelijk eens echt aanslaan.

Ik zocht de bollen uit op de galerij in Amsterdam. Ik dacht dat ik ze allemaal te pakken had, maar uit de zak waarin ik de grond zonder bollen terug stopte kwam een paar weken geleden van alles omhoog, waaronder één zo’n mooie narcis. Overal bij ons in de buurt staan van die hippe zwarte tassen met hengsels waarin een, ik neem aan, verrassingspakket aan bollen zit. Geen idee wat ze kosten, geen idee ook hoe het kan dat zo veel mensen ineens zo’n tas hebben, maar die zak van mij is helemaal gratis en voor niks. En onverwacht. Trouwens: in de zeventiende eeuw waren Delftse tegeltjes met kievietsbloemen erop nogal populair, waarschijnlijk als gevolg van de tulpenmanie in die tijd. Zie hierboven.

Schagen

Ik was in Schagen. Of eigenlijk: in Haringhuizen, want aan de rand van dat dorp ligt het crematorium. Daar wil ik één ding over zeggen: toen mijn grootvader van moederskant werd gecremeerd, ergens halverwege de jaren ’80 van de vorige eeuw, leek dat nog wel ergens op. Het was toen zo’n tien jaar oud. Ik herinner me een enorme troep ganzen, buiten, bij het meertje dat er is uitgegraven. En muziek die niet bij opa paste maar door oma was uitgekozen, tegen de wil van opa in. Inmiddels is het ‘nogal sleets’, om het vriendelijk uit te drukken. Anders gezegd: het ziet er niet meer uit, het kan echt niet meer. En ik ben blij dat wij er tot twee keer toe voor gekozen hebben om het gedenken elders te doen en vader en moeder met alle respect bij de achteringang af te leveren. Waar je dan ook gewoon mee naar binnen mag.

Maar goed, ik was dus vlakbij Schagen en ik dacht: ik ga daar weer eens rondkijken. In de stad waar ik zeven jaar op de middelbare school heb gezeten. Nu was het afgelopen dinsdag enorm goor weer: grijs, winderig, koud. Er liepen nogal wat Duitsers rond, maar ook weer niet zo veel dat het er ‘gezellig druk’ genoemd kon worden. Alles was klein en laag, in de gigantische winkel van boekhandel Plukker was geen levende ziel te bekennen. Ik wilde vooral even door het Makado Centrum lopen. Dat is een, ja, hoe noem je zoiets, een overdekte winkelpassage. Ik heb daar om de een of andere reden weleens een nachtmerrie over, en dan is het er donker en nat, is er nog maar een enkele winkel open en ik verdwaal er hopeloos. Dat was nu niet zo, het is zelfs onlangs helemaal opgeknapt (hierboven een zogenaamde ‘artists impression’), maar het deprimeerde me hopeloos; het is er licht, maar voelt aan alsof je door een diepe, duistere tunnel loopt. En er zijn terrasjes, maar ook die zijn natuurlijk niet buiten, waar het fris is. Ik vind weinig dingen zo vreselijk als een inpandig terras. Het blijft een doolhofachtige bedoening, waarvan je je afvraagt wat er ooit allenmaal voor is gesneuveld aan oude bebouwing. Het dateert uit ongeveer dezelfde tijd als het crematorium. Ik had een dag later daar moeten zijn, gisteren was het Paasvee: zuipen vanaf twaalf uur ’s middags en een optreden van Gerard Joling! Nu zag ik alleen de opbouw, in dat gore, koude weer en ook zag ik in de gauwigheid dat herenmodezaak Bolte nog steeds bestaat, al staat er nu jeanswear op de gevel. Ik wist niet hoe snel ik weer bij de trein moest komen.

Wie is de partner van Gerbrand Bakker?

Even over het Boekenbal. Dat was, zoals gebruikelijk, weer een topavond. Maar dat wordt het altijd pas ná de binnenkomst. Ik moest dit jaar via Route A, en die voerde langs de rode loper. IK wil helemaal niet over de rode loper, want nooit is er een fotograaf die van mij een foto wil maken. Dat doet zeer, vanzelfsprekend, maar ook dacht ik dit jaar: waarom kunnen ze nou niet gewoon even doen alsóf ze een foto van me nemen? Of gewoon een foto nemen die dan later weggooien? De enigen die wél een foto nemen en ook altijd heel blij zijn om me te zien, zijn Roos Custers en Dolf Verlinden die elk jaar voor TZUM een reportage maken (ik ben ook altijd blij hen te zien). Of moet je, zo denk ik nu, er gewoon pontificaal voor gaan staan? Poseren met een brede glimlach? Ligt het aan mezelf? Want ik doe wel altijd mijn best er min of meer langs te glippen (maar ja: vanwege het feit dat ik al wéét dat niemand mij ooit op de foto wil zetten). Bovendien: als ik moet glimlachen zonder dat ik écht moet glimlachen, krijg ik een heel rare, non-authentieke kop. En daar wil ik zelf dan helemaal geen foto van zien. Zoals het nu gaat, zal dus wel het beste zijn.

Ik trof zojuist (vraag niet hoe) iets aan op LOKAAL NIEUWS BUDEL, geschreven door ‘admin’ op 13 maart. ‘Wat is er bekend over de relatie van Gerbrand Bakker?’ Nou, ik was benieuwd, dus ik begon te lezen. ‘De vraag naar de partner van Gerbrand Bakker komt regelmatig naar voren bij lezers die meer willen weten over de schrijver. Toch is er weinig uitgebreide publieke informatie beschikbaar over zijn relatie. Gerbrand Bakker staat er namelijk om bekend dat hij zijn privéleven grotendeels buiten de publiciteit houdt. In interviews en mediaoptredens spreekt hij meestal over zijn boeken, het schrijfproces en zijn inspiratie. Daardoor worden details over een eventuele partner of relatie zelden besproken in de media. Of Gerbrand Bakker een partner heeft, is daarom niet publiekelijk bevestigd.’

Inspiratie? Dat wuif ik altijd meteen weg en vervang het door het woord concentratie. Dat is iets waarover je praten kan, in tegenstelling tot zoiets ongrijpbaars als inspiratie. (Verderop in het artikel staat trouwens ook nog dat ik bekend sta om mijn ‘rustige levensstijl’ en dat ik ‘veel inspiratie’ haal uit ‘dagelijkse observaties’ en ‘zijn omgeving’.) Geen idee wie ‘admin’ is (ja, ik begrijp dat het de afkorting is van administratie), maar veel zal hij/zij niet van me gelezen hebben. Schaamteloze Privé-domeinen vol privéleven en M. en Floris. Dit blog bestaat toch ook al jaren en jaren. Vermakelijk.

Winkelen in Milaan

Wekenlang hebben M. en ik ons opgewonden over één regel uit een liedje dat gebruikt werd bij een filmpje als aankeiler voor de Olympische Spelen en, naar later bleek, werd het ook nog gebruikt in de NOS-uitzendingen tijdens de OS. ‘I wanna … in Milano’, en op de plek van die puntjes klonk dan iets als koschup. Ik heb geprobeerd een antwoord te krijgen op onze vraag door hem te stellen op Bluesky en X, soms ook met @nossport erin, maar niemand gaf antwoord, omdat, zo vermoed, niemand het wist. Tot ik het lumineuze idee kreeg om gewoon dat wat ik hoorde in te tikken in Google: I wanna koschup in Milano. Onmiddellijk werd ik verwezen naar een liedje op Youtube, met ondertiteling, want het was een deels Italiaans, deels Engels liedje: ‘I wanna go shop in Milano.’ Hè, hè. Gemoedsrust. De klemtoon ligt op go en niet op shop, vandaar dat het volstrekt onverstaanbaar is.

Die Spelen zijn alweer een paar dagen afgelopen en ze verliepen vooral door de shorttrackers nogal goed voor Nederland. In het shorttrack worden negen gouden medailles uitgereikt (drie individuele afstanden voor mannen en vrouwen en drie relay-onderdelen) en daarvan wonnen de Nederlanders er vijf, en ook nog een zilveren en een bronzen medaille. ‘Bizar,’ bleven ze zelf maar zeggen, of ‘onwerkelijk’ of ‘ik besef het nog niet.’ Ik voorzie voor Melle van ‘t Wout [zie afbeelding] nog wel een andere carrière dan alleen shorttracken, maar in wat, dat kan ik nog niet bedenken. Maar altijd dat ‘zó goed voor zo’n klein landje!’ Waarom? Er wonen hier 18 miljoen mensen, dan zijn er altijd wel honderd die uitzonderlijk goed zijn in wat ze doen en veel meer heb je er niet nodig. En: gigantische landen winnen niet automatisch heel veel meer, neem nou Kazachstan, dat is al gauw 80 keer (!) groter dan Nederland en alleen die ijsdanser won goud, nogal onverwacht omdat de Amerikaanse superster en zelfuitgeroepen Quad God Ilia Malinin door z’n hoeven zakte, waar ik voor applaudisseerde, want alles wat momenteel uit Amerika (lees: Trumpland) komt, mag niet winnen. Ik weet ook wel dat die arme sporters (géén atleten!) daar niks aan kunnen doen, maar je moet ergens beginnen met boycotten. Dat doen we immers ook al jarenlang met die arme Russische sporters. Lekker rustig ook wel weer, nu. Maar: aanstaand weekend is er het Nederlands kampioenschap Allround én Sprint. En Mathieu’tje gaat zijn eerste eendaagse koers rijden! Sport houdt eigenlijk nooit op.

Bijna afgelopen

Een van de leukste dingen die ik zag tot  nu toe, en dat is ook een ding waartoe ik me zeer goed kan verhouden, is de reactie van de Amerikaans-Noorse skiër Atle Lie McGrath toen hij in de tweede run van de slalom – na flink gewonnen te hebben in de eerste run – een grote fout maakte. Hij besloot ter plekke dat het klaar was. Ski’s meteen uit, stokken heel ver weggeworpen en hop te voet van de piste af. Hij beende met heel veel moeite door de ruwe sneeuw naar een bosrand en ging daar languit liggen. Precies zo zou ik het doen. Ik heb ook weleens mijn racefiets heel ver van me afgeworpen omdat ik kwaad was. Driftig, eigenlijk meer. Jammer genoeg voor hem kwam al veel te snel een carabinieri met een sneeuwscooter hem ophalen. Ik denk dat best nog wat langer lekker daar in de luwte had willen liggen. [Afbeelding hierboven eigen beeld].

Verder is het denk ik weleens goed om te beseffen dat dit weliswaar Italiaanse Olympische Spelen zijn, maar feitelijk Noord-Italiaanse Spelen. Vrijwel alle namen van de Italiaanse sporters (sporters, ja, niet atleten) zijn Süd-Tirools: Hofer, Baumgartner, Gruber, Pichler, enzovoort. Behalve op de ijsbaan, daar zijn het ineens Italiaanse namen: Ghiotto, Lollobridgida. Het is de aloude noord-zuidtegenstelling in dat land. Het noorden rijk, het zuiden ‘arm’, het zuiden schimpt op dat rijke noorden (‘alle rijkdom gaat daarnaartoe!’) en het Noorden scheldt de zuiderlingen uit voor donkerkleurig, werkschuw tuig. Ik ben heel benieuwd hoe die Spelen beleefd worden in het Italië van, zeg, bezuiden Florence.

Ook is het natuurlijk smullen dat de meeste gouden medailles voor Nederland (tot nu toe) op de shorttrackbaan behaald zijn. Ik vind het nog steeds wel moeilijk naar die sport te kijken omdat de kans op vallen en rare fratsen zo groot is. Opvallend vind ik ook dat de ‘analisten’ (Jorien ter Mors, Cees Juffermans en sinds een paar dagen Yara van Kerkhof) zich zo lafjes opstellen de hele tijd. Ze zijn daar om te analyseren, maar op moeilijke vragen, ontwijken ze allemaal de hete brij. Ter Mors is wat dat betreft nog de scherpste. Natuurlijk mocht Suzanne Schulting niet meedoen met de relay: ze was vier jaar lang geen onderdeel van die hele hechte groep; ze is inmiddels een vreemde eend in de bijt. ‘Raar dat ik niet de 1000 meter mocht rijden, ik ben Olympisch kampioene,’ vond ze. Dat klopt, maar wel vier jaar geleden aan de andere kant van de wereld. Ik heb haar geen enkele keer in beeld gezien als de Nederlandse ploeg gezamenlijk een medaille vierde. Wij zijn hier in dit huishouden geen fan van Suzanne, dat mag wel duidelijk zijn. Maar. Maar altijd wint bij mij het medelijden het. Ik zag foto’s en beelden van Schulting moederziel alleen langs de baan, ik zag haar met gebogen schouders de kleedkamers opzoeken; ik weet dat ze verkering heeft met Joep en we weten inmiddels allemaal hoe het Joep is vergaan op deze Spelen. Wat mij betreft mag ze best vanavond een zilveren of bronzen medaille winnen. En áls ze goud pakt op de 1500 meter, nou ja, misschien roep ik dan zelfs ‘Hoera!’ 

Nodar Koemaritasjvili 

Gisteravond een geweldige avond gehad, in het Olympisch Stadion. Let wel: niet in Milano, gewoon in Amsterdam, want daar staat al bijna 100 jaar ook een Olympisch Stadion. Een eerbetoon aan Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel en een gesprek met Willy de Beer, de allereerste vrouw die meedeed aan de OS, Innsbrück 1964. En we keken met z’n allen naar de 1000 meter én er was een buffet. Alles georganiseerd door Stichting De Sportwereld (waar ik lid op ben) en de Sociëteit Olympisch Stadion. Nou, die 1000 meter daar werd natuurlijk enorm doorheen geroezemoesd, dat kon je van tevoren weten, maar tijdens Joep was het stil, tot een mevrouw in het publiek ‘Vuile Rotchinees!’ schreeuwde. Later werd het zelfs: ‘Zo zijn die Chinezen nou eenmaal!’ Daarna pas aten vriend Sjoerd en ik onze boerenkool met draadjesvlees en worst (omdat we niets van het schaatsen wilden missen) en daarna kwam Willy de Beer. Tijdens het zeer geanimeerde interview (ze had nogal wat smakelijke anekdotes, onder andere over een Canadese ijshockeyer op wie Sjoukje Dijkstra verliefd was geworden) viel het woord ‘Wieringermeer’.

‘Hé,’ dacht ik en ging na afloop natuurlijk naar haar toe. Ze is een zeer kwieke, mooie vrouw van 83 jaar en ze zei: ‘Maar mijn man kwam uit Wieringerwaard!’ Nou, dat werd een enorm gesprek over die en die en zus en zo (de Velletjes en de Bunings en de afgebrande boerderij waar haar man geboren was) en hoe was Klaas Schenk (de toenmalige bondscoach die ook in Wieringerwaard woonde) nou in het echt en wat was zijn zoon Ard toch een enorme spetter en over de nertsenfarm van de Schenkjes in de Anna Paulownapolder enzovoort enzoverder. Heerlijk, en ik dacht de hele tijd (want zo ben ik): ‘Ik sta hier wel mooi met de allereerste vrouw die ooit voor Nederland aan de Olympische Spelen meedeed te praten!’ Haar dochters waren er ook, al even droog Westfries. Tom Egberts, die er ook was, liet ik links liggen.

Verder, want het is 12 februari, nog weer eens even Nodar Koemaritasjvili in herinnering roepen. Die kwam op deze dag in 2010 in Whistler om het leven. Deze Georgische rodelaar was aan het trainen op de Olympische bobbaan toen hij met 140 kilometer per uur uit een bocht vloog en met zijn hoofd een stalen paal raakte. Dood. Er waren al meer problemen en ongelukken geweest met de baan en naar aanleiding van zijn dood is de startplaats voor de mannen-rodelaars lager komen te liggen. Later is er in Georgië een postzegel gemaakt ter ere van hem.

Een olympisch dingetje

In februari 2018 schreef ik hier dit . En dat was dus een dingetje dat al terugkwam op een eerder dingetje. Ik dacht eraan toen ik gisteren diezelfde Dominik Paris naar beneden zag komen op de Olympische afdaling. Ik dacht in 2018: ‘Nou zeg, die Paris gaat ook maar door.’ Nu zijn we twee Spelen verder en wint-ie eindelijk een medaille. Brons. Geweldig. Vijf Spelen. Misschien houdt hij er nu écht mee op en neemt hij de boerderij van zijn vader over. Het kan nog gekker, hoor: zojuist zag ik een 52-jarige snowboardster, die maar net de halve finale niet haalde.

Ik heb een beetje een raar gevoel over de Nederlandse schaatsers. Gisteren was er een valse start. Straks rijden de mannen hun 5 kilometer. Als daar ook geen Nederlander een medaille wint, is het een dubbele valse start. En dat mag niet, want dan lig je eruit. Buurman Klaus stuurde een bericht door uit Duitsland. Dat er in Nederland enorme kritiek zou zijn op Jutta Leerdam, wegen Luxus-Allüren (met een privéjet naar de wedstrijd bijvoorbeeld). ‘Daar heb ik niks van gemerkt hier,’ berichtte ik terug. Dat ze de pers niet te woord wilde staan, dát speelt hier. ‘Hoffentlich macht Sie es auf dem Eis besser’ zei Klaus bemoedigend. We gaan het zien, aanstaande maandag.

Ik zit er  nog niet echt in, merk ik. Twee keer Studio Olympico gezien en dat vond ik nogal ongeïnspireerd. Misschien door de afwisseling tussen studio’s in Milaan (waar Jeroen Stekelenburg zit) en in Hilversum, misschien omdat Dionne iets te vaak in zo’n studio zit bij belangrijke sportevenementen. Dat het een beetje sleets wordt allemaal. Net als het Nederlandse schaatsen een beetje sleets wordt. Prachtig vond ik het dat Lollobrigida op haar verjaardag, in eigen land, de 3 kilometer won. Onverwachte overwinningen blijven wat mij betreft toch de mooiste en dan doet het er helemaal niet toe uit welk land die onverwachte overwinning komt. Wellicht later meer olympische dingetjes, wellicht ook niet. [Nb: afbeelding uit Duitse (roddel)pers).

Ziekig

Ochtenden zijn soms ‘lastig’, in de zin dat je (ik) uit bed komt en dat er dan een hele dag voor je ligt. Mijn therapeut zei altijd: ‘Voor veel depressievelingen is de ochtend het moeilijkst.’ Dat was goed om te horen, want dan ben je niet alleen. Koffie, sneetje brood, wat wordfeudjes en dan Trouw. Vanochtend, echter, luisterde ik naar De Nieuwe Contrabas podcast en dat deed me erg goed. Die twee – Chrétien Breukers en Hans van Willigenburg (nee, niet onze ouwe tv-persoonlijkheid) – hebben een erg gezellige literaire podcast, waarin ze lekker door elkaar heen praten, soms het met elkaar eens zijn en dan weer helemaal niet. Ik kom ze altijd tegen op het Boekenbal. Vandaag ging het over de nieuwe roman van Charlotte Mutsaerts en over een bespreking die Herman Stevens op TZUM schreef over Mijn jaar met Simon van Pauline Slot. Dat was een rare bespreking: hij keek niet naar hoe Pauline Slot het allemaal had aangepakt, hij legde uit hoe het aangepakt had moeten worden en impliciet zette hij zichzelf neer als Vestdijk-kenner die het – dus – allemaal beter weet. Aan zo’n bespreking heb je helemaal niks, en Pauline hoeft zich er dus ook helemaal niets van aan te trekken. En daar wilden Van Willigenburg en Breukers het nog even over hebben, over dat ‘mansplainen’ van Stevens. Ik was bijna vrolijk toen ik klaar was met luisteren.

De afgelopen week was ik flink ziek. Ik vermoed dat ik een keelontsteking had, inclusief verhoging en soms koorts. Ik kon me niet heugen wanneer ik voor het laatst zo ziek was. En toen kreeg ik er ook nog darmkrampen bovenop. Ik probeerde een dingetje te schrijven, over een schrijver, Kevin van Vliet, met wie afgelopen weekend een interview in Trouw stond. Ik vond hem erg onsympathiek en pretentieus overkomen en ik had wel wat te melden over een paar dingen die hij zei. Maar daarna hoorde en zag ik hem in Max Nieuwsweekend en vond ik hem juist leuk en hij had nog een plezierige stem ook. ‘Laat maar,’ dacht ik, over mijn dingetje. ‘Wat een gedoe allemaal en wat heeft het voor nut dat ik hier die jongen ga zitten afbranden.’ Hij zat bij Mieke en Pieter met Adriaan van Dis, die hij de hele tijd met ‘Meneer van Dis’ bleef aanspreken. ‘Ja, maar, meneer Van Dis, ik ben homoseksueel,’ zei hij op een bepaald moment, nadat Van Dis hem aanried freudiaans met zijn moeder naar bed te gaan of zoiets. Nou, vond meneer Van Dis, daar was altijd wel een mouw aan te passen. Wat geloof ik wel weer saillant was, gezien de nieuwe roman van Van Dis.

Misschien moet ik eens wat vaker naar een podcast luisteren. Ik ben niet zo van de podcasts (ik vind dat er veel te veel zijn en dat maakt het kiezen lastig en ik weet vooral niet wannéér ik zou moeten luisteren), maar na de plezierige ervaring van deze morgen denk ik daar anders over. Je kunt op elk moment van de dag luisteren natuurlijk. Hou toch eens op met dat calvinistische de-dag-is-er-om-te-werken-of-andere-nuttige-dingen-te-doen waar ik nog steeds wel wat last van heb. Morgen gaan we overdag in elk geval iets nuttigs doen: in Trier een nieuwe kachel kopen.

Vluchtroute dicht

Omdat er sneeuw lag, kon ik zien dat er aan de achterkant van het dak al een paar dagen niets gebeurd was. Er waren geen pootafdrukken te zien. Ook hadden we al dagen niets horen stommelen op het zoldertje of tussen de dakpannen en de gipsplaten in de woonkamer. ‘Zal ik…?’ zei ik tegen M. Ja, M. vond dat ik moest. Al een paar jaar geleden schroefde ik met smalle planken de kier tussen de bovenkant van achtermuur en de dakspanten dicht. Dat deed ik liggend op mijn rug, aangezien de dakgoot op minder dan een meter hoogte zit. Waarom ik twee stukken openliet, daar heb ik geen idee meer van. Was het passende hout toen op? Waarom er überhaupt een kier zat, weet ik ook niet. Aan de voorkant is alles mooi dicht. Ik vermoed dat eerdere bewoners er een compleet nieuw dak op hebben laten leggen en dachten: ach, die achterkant, dat ziet niemand. Hoe dan ook: de kieren waren een makkelijke ingang voor een marter. Of marters. Op een bepaald moment meenden we aan allerlei nieuwe geluiden te horen dat er ook marterkinderen waren. Die piepten en schreeuwden alsof het hun huis was. Ik wilde die kieren niet dichtspijkeren terwijl die beesten in huis waren, want dan zitten ze gevangen en gaan ze dood en dan zit je met dode marters. Dat is zielig en het zal enorm gaan stinken. Inmiddels is de boel al twee dagen potdicht en nog steeds horen we geen gestommel. Met een beetje geluk hadden ze (omdat het zulk lekker winterweer was?) net besloten te verhuizen en zijn we zonder slachtoffers van het probleem af.

Verder zag ik eindelijk, na veertien jaar, een zwarte specht. In mijn eigen bosje nog wel, achter het huis. Misschien omdat hij met al die sneeuw extra opviel. Jammer genoeg begon Floris toen net te blaffen en vloog hij meteen weer weg. Prachtige, enorm grote vogels. Nu zit ik vanuit huis steeds naar het vogelvoederstation te koekeloeren. Want als daar middelste en grote bonte spechten komen vreten (en dat doen ze), waarom dan niet een zwarte? Een groene heb ik trouwens ook nog nooit gezien op het vogelvoederstation.

Nb. Op de afbeelding een steenmarter, omdat ik vermoed dat het steenmarters zijn/waren. Een boommarter heet niet voor niets boommarter.