Onmenselijk veel verdriet

‘Ik had jullie willen uitnodigen voor zijn bruiloft’. Twee holle ogen kijken me doordringend aan. ‘En nu komen jullie hier omdat hij dood is…’. Ik ben stil.  Wat kun je zeggen tegen een moeder die haar zoon moet missen. Wat kun je zeggen tegen een vader die kapot is van verdriet, maar die desondanks gastvrij een kop koffie inschenkt. Wat kun je zeggen tegen de vriendinnen die haar ondersteunen en vertellen over hoe de jongen was. Net 18 jaar geworden, gestorven in zijn slaap.

Terwijl ze vertelt over haar mooie zoon en zijn humor, zie ik onuitgepakte cadeaus staan. Hij had ze uit willen pakken op “Eid al-Fitr“.  In plaats daarvan stierf hij die dag. Haar tranen opgedroogd. Die van mij wellen steeds weer op.

Zondagmiddag las ik al dat een 18-jarige jongen uit de wijk Kruiskamp was overleden. Even daarvoor had ik een oproep gekregen om een AED te halen en naar een bepaald adres te gaan voor reanimatie. Nog voordat ik kon reageren werd de oproep gecanceld.  Het adres kwam me wel bekend voor maar ik had niet het verband gelegd met zijn moeder. Zij is vrijwilliger in de wijk en komt oorspronkelijk uit Afghanistan. Ze geeft naailes in de Witte Vlinder. Pas de volgende dag hoorde ik dat het om haar zoon ging. 

‘Ik dacht dat ik alleen was, maar nu weet ik dat het niet zo is’. Ze kijkt me aan terwijl we elkaars hand vasthouden. ‘Heel Amersfoort heeft ons geholpen’. 

De saamhorigheid rondom het overlijden van haar zoon is ongekend. De hele wijk leeft mee. Buren met verschillende achtergronden komen langs, straatambassadeurs Elly en Durdu als een van de eersten. Vrienden uit verschillende landen ondersteunen het gezin. En er is een crowdfundingsactie gestart om alle kosten te kunnen betalen. Nog voordat ik erachter kwam waar ik kon storten was het bedrag al bij elkaar gebracht. De hele gemeenschap van de Moskee El Fath en vele anderen hebben hierbij geholpen. En de mensen van de Witte Vlinder stelden hun ruimte beschikbaar voor een herdenkingsbijeenkomst.

En juist dat wil ik kwijt; we lijken meer op elkaar dan we verschillen. En we helpen elkaar vaker dan dat we lijnrecht tegenover elkaar staan. Ik ben trots op de wijk. Op de saamhorigheid die er -ondanks alles- toch blijkt te zijn. De Kracht van de Kruiskamp. En ik wens de familie alle kracht van de wereld. Want een zoon of broer verliezen…

Donkere wolken

‘Mam…het loopt vreselijk uit de hand!’ Mijn dochter klinkt paniekerig. Ik klem mijn hand om mijn mobieltje. ‘Er ligt hier iemand op de grond en die bloed echt verschrikkelijk.’ Ik hoor de schrik in haar stem.

‘Wat is er ge…’ Ik probeer rustig te blijven maar mijn adem stokt. Op de achtergrond sirenes en geschreeuw. 

‘Wat?!’ vraagt Merel, ‘ik kan je bijna niet verstaan!’ Terwijl ik mijn vraag herhaal schreeuwt ze ‘Er is net een auto op de demonstratie ingereden.’ 

Op de achtergrond hoor ik de stem van Jessie. Ze roept mijn dochter. ‘Kom nou Merel, kom op!’  Het angstzweet breekt me uit. Ik voel me misselijk worden. 

‘Mam…ik hoor je niet meer, maar ik ga met Jesse naar het huis van haar vader. Die woont hier om de hoek. Maak je…’ En dan is het helemaal stil.

Het schermpje op mijn telefoon is zwart. Verbinding verbroken. Een uurtje geleden kreeg ik nog een selfie doorgestuurd. Jessie met haar vastberaden blik en Merel vrolijk lachend ernaast. Donkere wolken op de achtergrond. 

Ze waren vroeg vertrokken, klaar om actie te voeren tegen de plannen van de regering om het homohuwelijk terug te draaien. Toen we dat voor het eerst hoorden moesten we er nog om lachen. Nepnieuws. Dachten we… Maar helaas, met Wilders als minister-president en de PVV als grootste partij komt dat toch echt steeds dichterbij. 

Ik bel Merel terug. Haar telefoon blijft overgaan. Snel zet ik de televisie aan en zap langs de verschillende netten. Niets over deze demonstratie, niets over een auto die erop ingereden is.  Daarna probeer ik de radio. Ik ga van zender naar zender maar hoor overal muziek. Had ik nog maar X op mijn mobiel. Daar staat nu vast van alles op over de aanslag, met filmpjes en al.

Even weet ik niet meer wat ik moet doen. Het gesprek met Merel dat ik vorige week had flitst door mijn hoofd. Ze wilde demonstreren vandaag. Ik vertelde toen over hoe ik in 1985 protesteerde tegen kernwapens. Het was een landelijke scholierenstaking tegen kruisraketten. Op het plein voor de school kwamen steeds meer jongeren aanlopen. Zwart omrande ogen, Palestinasjaals en broeken met veiligheidsspelden. Zelf droeg ik een regenboogsjaal die mijn moeder had gebreid. Gewoon, omdat ik de kleuren zo mooi vond. De staking verliep gemoedelijk. De opkomst was groot. De kakkers met hun Kappa truien en Lacoste polo’s bleven in de klas, maar hadden wel respect voor onze actie.

Ik probeer Merel nog eens te bellen. De telefoon schakelt meteen over op haar voicemail. De onrust in mij groeit. Ik zoek naar het nummer van Jessie. Haar telefoon gaat wel over maar ze neemt niet op.

Wat gebeurt er toch allemaal? Tien jaar geleden was ik nog trots op Nederland. Toen werd de Gay Pride nog georganiseerd en kon je de morning-afterpil gewoon bij de drogist kopen. Er waren nog geen vluchtelingen gedeporteerd en mijn Islamitische collega’s mochten nog gesluierd aan het werk. 

En Merel? Die droeg toen nog de regenboogsjaal die haar oma voor haar had gebreid. 

Ze droeg hem elke dag, met trots, tot ze in haar gezicht werd gespuugd en uitgemaakt werd voor vieze lesbo. De Nederlandse tolerantie is ver te zoeken. 

Inmiddels zie ik dat er op de televisie een balk verschijnt onder in beeld: om 12.00 uur extra journaal in verband met aanslag in Nijmegen. Ik kijk op mijn horloge. Nog een kwartier…  Op de bank probeer ik mijn onrust weg te ademen. Tijd glijdt langs mij heen. Ik zit in een soort vacuüm. 

De deurbel. Ik schrik op. Merel?  Dat kan toch niet? Met één blik op de klok zie ik dat het bijna twaalf uur is. Ik loop naar de voordeur. Door het melkglas zie ik twee donkere gedaanten. Op borsthoogte felgele strepen. Ik word duizelig, krijg zwarte vlekken voor mijn ogen, hoor gezoem en val in een oneindige diepte. 

————————————————————————————————————-

(Hopelijk heb je op tijd ontdekt dat dit een verzonnen verhaal was. Geen paniek… hoewel de situatie in de wereld bij mij wel dagelijks voor kleine paniekmomentjes zorgt.)

Het juiste beeld

   ‘Dat is het beeld van Jella’, zegt hij terwijl we even pauze hebben en hij een kop thee voor ons inschenkt uit de morsige thermosfles. In de hoek staat een borstbeeld van een vrouw van een jaar of dertig.

  ‘Het was een prachtige vrouw. Ze had een mooie lange blonde vlecht die ze heel goed verzorgde. Na het wassen ging er olie in.’ Clemens kijkt naar het beeld. Zijn kaak staat strak. Een spiertje onder zijn oog beweegt onrustig heen en weer. ‘Ik heb haar nooit kunnen begraven want ze is nooit gevonden.’ Verbaasd kijk ik hem aan. Dit wist ik niet.  
   ‘We waren met onze oude camper op vakantie bij Poupehan in Belgie en op een avond maakte ze een wandeling en ze is nooit meer teruggekeerd’. 
   ‘Maar…eh…’ mijn gedachten gaan alle kanten op. ‘Hoe kan dat? Wat is er dan gebeurd?’ 

   ‘Ik was niet fit die dag en was alvast gaan slapen terwijl Jella zich klaar maakte voor een wandeling naar een dorpje in de buurt. Ze wilde daar en kaart gaan posten. Rond een uur of vijf werd ik wakker, het was donker. Het duurde even voor ik door had dat Jella niet naast me lag. Eerst dacht ik nog dat ze buiten zou zitten. Ze was vaker wakker ’s nachts en ging dan even zitten lezen. Maar ze was niet buiten.’ Clemens staart naar de buste van zijn vrouw en vervolgt;

  ‘Ik ben gaan rondlopen en heb geroepen. Ik was in paniek. Heb geschreeuwd. We stonden alleen op dat veldje bij het landweggetje en ik kon het met niemand delen. 

Clemens vertelt het alsof hij deze film al duizend keer heeft gezien en het verhaal al tig keer heeft verteld. Hij pakt een oude agenda van zijn tafel en haalt er een foto uit. 

  ‘Deze nam ik de middag voor ze verdween’. Ik zie een vrouw met een prachtige zachte blik. Op de achtergrond zie ik een burcht. Haar vlecht hangt aan een kant over haar schouder. Een zilveren ketting om haar nek.

   ‘Het was een hele nare tijd. De Belgische politie deed niets en ook kreeg ik weinig hulp vanuit Nederland. Ik heb vier dagen rondgereden in mijn camper, heb verschillende wandelpaden gelopen maar zag nergens ook maar iets van Jella. Daarna ben ik terug naar huis gereden’. Ik kijk hem aan en zie dat er tranen opwellen in zijn ogen. De blik in zijn ogen lijkt ineens te veranderen. 

  ‘Kom,’ zegt hij terwijl hij opstaat. ‘We gaan verder.’ Hij zegt het zo resoluut dat ik hem niet tegen durf te spreken en met mijn theeglas in mijn hand loop ik weer naar het krukje. 

Hij werkt in stilte. Ik denk na en kijk naar de man die bezig is mijn gezicht in klei te reproduceren. Het is dat mijn moeder per se een beeld van mij wil, ik zou er zelf nooit aan gedacht hebben. Ze had het er al een paar maanden over en het beeld moest en zou gemaakt worden door deze kunstenaar. Het leek wel of ze een soort obsessie had voor deze man. Ergens snap ik dat wel; hij ziet er goed uit voor zijn leeftijd. Zijn krullende gitzwarte haren worden wat grijzer van tint bij zijn slapen. Zijn donkere wenkbrauwen zijn borstelig. Zijn hoekige gezicht staat in contrast met zijn zachte blik. Met een vermoeid gebaar haalt hij zijn haar uit zijn gezicht. Een beweging die ik al vaker zag en die hij al duizenden keren gemaakt moet hebben. 

Hij zet een stap naar achter en kijkt naar de klei. Hij knijpt zijn ogen een beetje samen en kijkt naar mij. Dan loopt hij weer naar voren en verandert iets aan het oog. Mijn oog. Nou ja… het oog van het beeld waar hij mee bezig is. Op de achtergrond staat klassieke muziek aan. 

   ‘Van welke componist is dit’, vraag ik in een poging de stilte te doorbreken. 
   ‘Vivaldi’, antwoordt Clemens kortaf. 
   Ik durf niet verder te vragen. Het lijkt wel alsof hij spijt heeft van zijn openhartigheid net. De vertrouwelijke sfeer is ineens weg en ik merk dat ik me nerveus voel. Om mijn gedachten af te leiden kijk ik wat rond in zijn atelier. Een paar schilderijen aan de muur, wat beelden op de grond en een stapel kunstboeken in de boekenkast. 

Zijn huis lijkt wel een museum. Hij heeft heel wat mooie oude voorwerpen verzameld in zijn leven. Hij heeft voorwerpen uit alle periode van de mensheid. Zelfs een schaal uit het begin van de jaartelling. De eerste keer dat ik hier kwam heeft hij me uitgebreid rondgeleid en veel verteld over zijn verzameling. Vandaag liepen we meteen door naar zijn atelier. En daar zit ik nu, met een bijna leeg theeglas in mijn hand. Zijn smoezelige corduroy blouse valt steeds ruimer. Ik ken hem nu nog maar een paar weken, maar het lijkt wel of hij elke keer dunner wordt. Zijn armen en handen zijn nog flink gespierd.

Elke week komt mijn gezicht weer beter naar voren, ga ik mezelf meer herkennen. Mijn jukbeenderen en mijn hoekige gezicht. Ik denk aan de vorige keer. Net toen ik het idee had dat het wel iets kon worden sneed hij mijn neus eraf. 

   ‘Dit lijkt nergens op’, zei hij en hij plakte er weer een homp klei op en begon van voor af aan. Na zijn verhaal over Jella zegt hij bijna niets meer. Hij zucht. Zijn gezicht staat strak. 

Vandaag hangt de stilte als een grauwe deken over ons samenzijn. 

X

Thuis pak ik de post van de mat, aai de kat en loop naar mijn laptop die op tafel ligt. 

 ‘Hoe heet toch dat plaatsje waar Clemens het over had?’. Mijn hersens draaien op volle toeren. Er zat in ieder geval het woord Han in. Dat had ik onthouden omdat de buurvrouw zo heet. En iets met poep….toch? 
Ik toets verschillende woorden in en uiteindelijk heb ik bingo: Poupehan. Een plaatsje in de Belgische Ardennen waar weinig te doen is, zo blijkt uit de toeristische beschrijving. Het ligt aan de rivier de Semois en vlakbij Bouillon.

Uit de keuken komt een klik. O ja, ik had water opgezet voor thee.  Langzaam sta ik op en loop ik naar de keuken. Pak wat verse gember en snijdt er een paar plakjes af. Terwijl ik water in het glas giet denk ik na over het verhaal van Clemens vanochtend. 

Ik ga weer zitten, google verder en typ “Bouillon” in. Er verschijnen prachtige foto’s van de stad op mijn beeldscherm. Foto’s met de rivier, een brug en jawel…een kasteel. Ik zoom in en herken de ruwe stenen van het kasteel van de foto van Jella. Ik bedenk me dat Jella hier ook ooit is geweest. Zou ze in de rivier gevallen zijn? Maar dan moet ze toch wel een keer gevonden zijn? 

‘Verdwijning, Vrouw, Clement Thier’. Ik heb geen rust voor ik iets vind over de verdwijning van Jella. Natuurlijk hoopte ik op een uitgebreid krantenartikel met foto’s. Maar nee… er popt een klein kolommetje op uit “De Morgen”, editie Poupehan. 27 Augustus 2002.

“Toeriste vermist na wandeling”. Ik lees het bericht maar veel informatie geeft het niet. 

Er staat dat een Nederlandse vrouw is verdwenen nadat ze in haar eentje een wandeling heeft gemaakt. Clemens wordt nog geciteerd: “Ik belde mijn vrouw. Ze nam op en ik hoorde geritsel op de achtergrond. Daarna werd de verbinding verbroken”. Hmm… Wat moet dat naar geweest zijn voor Clemens. Zouden ze ruim twintig jaar geleden die telefoon niet hebben kunnen traceren? Toch nog eens vragen aan Clemens… Verder staat er in het korte artikel dat de Vlaamse politie met de zaak bezig was. Ik google nog wat andere termen en namen, maar het was het enige artikel dat ik kon vinden over de zaak. 

Het blijft een raar verhaal. Het verbaast me ook dat er niet meer over te vinden is op internet. En ergens lijkt het wel of ik het eerder heb gehoord, maar dat kan bijna niet. Het is gebeurd voordat ik zelfs maar geboren was. En dan die foto van Jella. De laatste foto waar ze levend opstaat. Ik heb er een raar gevoel over. Jammer dat we pas over drie weken weer hebben afgesproken. Al die vragen die ik Clemens wil stellen… Natuurlijk kan ik hem ook wel bellen, maar volgens mij werkt het beter wanneer ik model zit en hij aan het werk is. Dan kunnen we elkaar zien en kan ik goed zijn gezicht aflezen. Ik kijk op de klok en schrik. Over een half uur begint mijn les kunstgeschiedenis. Opschieten dus… Ik klap mijn laptop dicht en ga op zoek naar mijn fietssleutel. 

                                                           X

   ‘Welkom jongedame’, Clemens zwaait enthousiast de deur open en oogt een stuk vrolijker dan de vorige keer. 

   ‘Ik ben al begonnen dus laten we meteen maar doorlopen’, zegt hij terwijl hij voor me uit loopt. In zijn atelier loop ik eerst naar het kleibeeld dat al klaar staat. Hij heeft vast er de afgelopen uren aan gewerkt.  

Ik zie de ogen van mijn moeder in de klei. De dromerige blik die ze had toen ik nog een peuter was. Ik weet dat door de foto’s die mijn grootvader had gemaakt van die vakantie in Frankrijk. We gingen toen voor het eerst met zijn tweeën op vakantie en Opa en Oma kwamen een weekend langs. Van andere vakanties waren er vooral foto’s van mij, gemaakt door mijn moeder. Selfies bestonden toen nog niet. 

Maar verder zie ik vooral de contouren van mijn kin. Duidelijk mijn gezicht. 

   ‘Het is raar om zo een beeld te zien ontstaan dat daadwerkelijk op mij lijkt’, zeg ik terwijl ik om het beeld heen loop.

   ‘Dat mag ik wel hopen’, lacht Clemens. ‘Ik heb niet voor niets al jaren ervaring opgedaan. Hoop dat dat wel te zien is’. 

Ik plof neer op het krukje en ga weer in de houding zitten, waarin ik al uren heb doorgebracht. 

   ‘Kende je Jella van de opleiding?’, flap ik er ineens uit. Ik schrik van mijn eigen vraag. Clemens verblikt of verbloosd niet. 

   ‘Ja, we deden samen de opleiding. Jella kon heel goed schilderen, ik hield meer van beeldhouwen. We deelden soms een model zodat we er beiden mee aan de slag konden’. In zijn stem klinkt heel veel liefde door.

   ‘We hadden grootse plannen samen’, met een kleine spatel haalt Clemens iets bij de klei weg. ‘Wilden ook graag kinderen, maar dat is er helaas niet van gekomen’….

   ‘Nadat ze verdween werd ik goed opgevangen door vrienden en vriendinnen uit het kunstcircuit. Ik ging gewoon door met leven. Tenminste… deed een poging. Ik heb in die tijd ook flink wat gerookt en menig fles whisky naar binnen gewerkt.’ Afwisselend kijkt hij naar mij en mijn kleihoofd. Met zijn spatel modelleert hij de klei. 

   ‘Precies een jaar na haar vermissing hebben we een afscheidsdienst gehouden. Zonder kist, maar wel met verhalen en rituelen. Om het af te sluiten. 

  ‘En lukte dat? Het afsluiten?’

  ‘Nee, dat was natuurlijk onmogelijk. Ik stortte daarna ook echt in. Het lukte me niet meer om te te boetseren, om beelden te maken. Urenlang keek ik naar een homp klei maar er kwam niets meer uit mijn handen. Tot ik een keer die laatste foto van Jella tegenkwam en besloot haar te vereeuwigen. Met die foto en met Jella uit mijn geheugen heb ik toen dat beeld van haar gemaakt. En vanaf dat moment kreeg ik er weer plezier in. En ja…nu sta jij hier model. Ze zou het geweldig hebben gevonden om je te tekenen, met je mooie kaaklijn en je prachtige donkere haren’ 

  ‘En je hebt nooit meer de liefde gevonden?’ Ik schrik van mijn eigen vraag, maar Clemens lijkt het niet te merken.

  ‘Nee, Jella was mijn grote liefde. Ik heb na haar verdwijning nog wel een paar kortdurende affaires gehad. Ik wilde mijn verdriet wegdrukken, probeerde om op die manier Jella te vergeten…maar dat bleek onmogelijk.

Die middag werkte Clemens harder dan ooit. Het beeld van brons zou niet op tijd klaar zijn voor mijn verjaardag, maar tegen die tijd zou mijn ‘kleihoofd’ wel vast min of meer af zijn.

                                                                       x

Ik voel een pootje op mijn wang.  Dom, ik heb de slaapkamerdeur open laten staan en nu ben ik veel eerder wakker dan ik me had voorgenomen. Alsof mijn kat me wil feliciteren. 

21 jaar word ik vandaag. Straks komt mijn moeder met taart. Vanaf het moment dat ik op mezelf ging wonen komt mijn moeder met etenswaren aanzetten. Alsof ik het niet zelf kan kopen. Ach…het is ook wel lief. Ze mist me. Ze vindt het moeilijk om alleen te zijn en een leven op te bouwen zonder mij. Mijn hele leven ben ik op mijn moeder aangewezen. Soms benauwt me dat.

Eigenlijk wel fijn dat ik op tijd wakker ben want ik moet mijn kamer nog opruimen, anders krijg ik weer commentaar van haar. Ik ben een verzamelaar. Overal en nergens staan spullen. Laat mij naar een rommelmarkt gaan en ik vind de mooiste dingen. Maar als thuis ben en iets zoek, dan vind ik het vaak niet. 

X

  ‘Gefeliciteerd schat’, mijn moeder buigt zich voorover naar me kust me en geeft me een cadeautje ingepakt in hartjespapier. In haar andere hand houdt ze een doos met gebak omhoog. 

  ‘Zet maar even in de keuken mam’. Ik neem het cadeau aan. 

Ik scheur het papier los. Er komt een doosje tevoorschijn. Als ik hem open zie ik een zilveren hanger met een blauwgroene steen erin. De zilveren hanger… Ik heb hem eerder gezien! Ik voel me misselijk worden en moet even gaan zitten. 

  ‘Vind je hem mooi?’ hoor ik mijn moeder vragen. Ze staat ineens naast me. 

  ‘Ik heb hem bewaard voor dit speciale moment. Je wordt maar een keer eenentwintig.’

Ik slik, wil iets zeggen maar er komt geen geluid uit mijn mond. Mijn kaak staat strak. Ik haal mijn hand door mijn haren. Een beweging die ik al duizenden keren heb gemaakt….

ANNEKE

Ze weet dat haar leven bijna klaar is. Geen behandeling meer, enkel pijnbestrijding. Haar lichaam steeds zwakker, maar haar geest nog enorm sterk. 

“Zullen jullie mij niet vergeten?” vraagt ze. 

Mijn schoonmoeder ziet er klein en kwetsbaar uit in haar bed. Ze ligt in haar eigen kamer in het verpleeghuis waar ze anderhalf jaar geleden naar toe is verhuisd. Vergeten? Hoe kunnen we?! 

Terwijl Puck naast haar zit en haar handen vasthoudt, denk ik na over die vraag. In die paar woorden ligt een heel leven besloten. Had ze het gevoel dat ze niet altijd gezien werd? Is ze daarom bang dat wij later niet meer aan haar zullen denken?

Ik laat de afgelopen vijfentwintig jaar de revue passeren. Ik leerde haar kennen als een zeer verzorgde en nette dame. Krachtig ook. Mijn schoonmoeder stond altijd voor ons klaar. Ze zag haar zoon vader worden, haar kleinkinderen volwassen. Ze was trots op haar grote kleinkinderen. 

Toen die nog klein waren genoot ze enorm van de logeerpartijen van de kinderen. Samen appelflappen bakken. Het bad ritueel met veel badschuim. De kinderen met een bakje Nibbits voor de televisie. Met veel geduld naaide ze jurkjes voor Puck of zorgde ze ervoor dat de spijkerbroeken van Pim nog een tweede leven kregen. 

Ze kon oordelend zijn. Keihard soms, maar nooit naar mij. Discussies ging ik uit de weg, we kwamen er toch niet uit. De laatste jaren werd ze milder, keek ze terug op haar eigen leven. Het leek wel alsof ze een ander pad had willen bewandelen, maar dat het haar niet gelukt was. 

En nu is het te laat. Het einde is nabij. Zij weet het. Wij weten het. We hebben mooie gesprekken. Bekijken Foto’s. Halen herinneringen op.

De handen van Anneke en die van dochter Puck houden elkaar al twintig jaar vast. De ene een heel leven geleefd, de andere nog een heel leven voor de boeg. Verstrengeld tot het niet meer kan. Ze hebben elkaar los moeten laten. Wij hebben je losgelaten. 

Wees maar niet bang, we zullen je niet vergeten! 

(20-03-1933 * 25-12-2023)

Een kamer

De kamer is donker, ik trek de gordijnen open en leg de stapel wasgoed op het vrolijk gekleurde dekbed. Het bed van Puck. Ik kijk rond. Een paar dagen geleden was het nog netjes, nu liggen kledingstukken op de grond, zit de papierbak voller dan hij fijn vindt, en strijden broodbakjes, studieboeken en schrijfgerei om een plekje op het bureau. Ik ga op het bed zitten. 

,,Mam, ik heb een kamer” zei Puck nog geen maand geleden. ,,Hij is niet zo groot, maar prima voor mij” zei ze blij. Een kamer, voor mijn dochter, in Zwolle. Ik ben blij voor haar maar moet ook wel even slikken. Zo voel ik nog haar plakkerige kleine vingertjes op mijn wangen toen ze een paar maanden oud was, en nu is ze mijn volwassen dochter die op kamers gaat wonen. Alsof er niet bijna 20 jaar tussen heeft gezeten. 

De Lorjeflat in Kampen. Dat was de plek waar ik voor het eerst op kamers ging. Mijn ouders hielpen verhuizen en maakten er een fijne plek van. Zielsgelukkig was ik met en op die 12 vierkante meter. Maar ook herinner ik me nog die eerste avond. Toen iedereen weer naar huis ging en ik daar achterbleef. Wat was dat raar. Daar zat ik dan…. Het jaar daarop verhuisde ik met drie vriendinnen naar… jawel…. Zwolle. De geschiedenis herhaalt zich. 

Nog steeds zie ik mijn huisgenoten van 35 jaar geleden. We hebben een speciale band die nooit verloren gaat. Binnenkort gaan we een weekend naar een huisje. Lekker bijkletsen, wandelen, wijn drinken. Hoe zal dat over 35 jaar voor Puck zijn? 

Even twijfel ik of ik de was van de grond in de wasmand zal doen. Ik houd me in. Vanaf verschillende foto’s in een lijst op de muur kijkt Puck me aan. Puck met lang haar, met een kort koppie, een foto van ons samen in Griekenland. Ik sta op en loop de kamer uit. Kijk nog een keer achterom en trek de deur achter me dicht. De deur die voor Puck altijd open zal blijven staan. 

Vandaag is de dag…

6.16 uur. Ik kijk op de klok. Ben nooit zo vroeg, en al helemaal niet zo wakker als nu. Sta meteen aan. Vandaag is de dag dat Pim weer naar Zweden reist. Met de trein. Een tussenstop bij vrienden in Malmö en als alles mee zit is hij dan donderdagmiddag in zijn nieuwe kamer, een ‘tuinhuis’ in Visby. Ruim twee maanden was hij thuis. Wel weer even wennen; het kraken van de vloer van de zolderverdieping. Een zoon die gaat stappen. Weer een bord extra op tafel. Soms schuurde het een beetje, maar de knuffels tussendoor maakten veel goed. De gesprekken zijn anders geworden. Zijn houding volwassener. En vandaag vertrekt hij dus weer. Ik zie de contouren van de gordijnen, hoor de buurman de deur opendoen voor een wandeling met zijn hond. Ik voel me onrustig. Een onbestemd gevoel zorgt ervoor dat ik niet meer in slaap val. Dan maar uit bed voor een kop koffie.

9.12 uur. Ik lig in baan 7. Zoals elke maandag ben ik in de Amerena.  Ik zwem heen en weer en probeer mijn onrust eruit te zwemmen. Ik laat de afgelopen weken door mijn hoofd spoken en bedenk me wat ik vandaag allemaal ga doen. Heb de neiging om van alles op te ruimen, maar weet ook wel dat ik voor hetzelfde geld nergens aan toe kom. Gelukkig hoef ik niet te werken. Ik kijk constant naar de klok. 10.12 stap ik uit het bad. 

12.31 uur. Marcoen heeft warm eten gemaakt. Hamburger, broccoli, gebakken aardappeltjes. We zitten met zijn vieren aan tafel. Pim zijn koffer is net door Marcoen dichtgeritst terwijl Pim kracht zette om de twee helften op elkaar te houden. Hij heeft veel kleding gekocht en nieuwe schoenen en moet meer meenemen dan op weg naar Amersfoort. In een andere tas zitten krentenbollen, wat drinken en zijn toilettas. Zijn rugzak met laptop staat daarnaast. Het treinkaartje is gedownload. Voor de zekerheid toch ook maar een printje gemaakt. Ik kijk naar Puck en Marcoen. Zij zitten tegenover ons. Pim zit links van mij. Inmiddels weet ik hoe het voelt wanneer er op die plek geen bord staat. Hij is immers een jaar lang weggeweest. 

15.36 uur. Station Amersfoort. We zwaaien Pim uit. Mijn tranen komen iets te vroeg. Shit. Dit wilde ik helemaal niet. Ik ben juist trots op hem. Blij dat Pim zin heeft om weer naar Zweden te gaan. Zin om zijn vrienden weer te zien die hij ontmoet bij zijn tussenstop. Zin om straks weer te beginnen aan de universiteit. En zin om naar zijn nieuwe kamer, een ‘tuinhuisje’ te gaan waar hij en wij alleen nog maar foto’s van hebben gezien. Terwijl de trein kleiner wordt merk ik dat slikken pijn doet. Ik moet me niet zo aanstellen. 

19.05 uur. We krijgen een appje: ‘Nou, het wordt een hotel in Hamburg’. Ergens valt een trein uit waardoor zijn hele planning in het honderd loopt. Alsof er een rij dominostenen te vroeg omvalt waardoor er geïmproviseerd moet worden. Ik baal met hem mee. Schrijf terug dat hij dan maar moet genieten van een zacht bed en wellicht een bad. Maar ik weet ook dat hij inmiddels bijna volwassen is, en hij niet in zeven sloten tegelijk loopt. Ik vind het vooral sneu. Omdat hij alleen is. Om mijn onrust weg te nemen pak ik mijn computer en begin te schrijven….

Kloteoorlog!

De jongen kijkt me indringend aan. Hij had mijn zoon kunnen zijn. Ik kijk naar zijn geboortedatum. Geboren in hetzelfde jaar als Pim. Sterker nog; in dezelfde maand. Hij had mijn zoon kunnen zijn.

Mijn zoon had me de foto doorgestuurd via Whatsapp. Ik was even in verwarring. Het was een Russische jongen, dat was wel duidelijk. “Is dat die vriend van je die misschien in militaire dienst moet?” vraag ik. “Nee”, was het antwoord. “Gewoon een dode Russische soldaat. Nou ja…gewoon.”

De oorlog komt binnen. Ook bij mijn zoon. Hij studeert Gamedesign in Visby op Gotland. Een Zweeds eiland waar nu heel veel militairen zitten. Het eiland kan makkelijk bereikt worden door Russische raketten vanuit Kaliningrad, een stukje Rusland tussen Polen en Litouwen. Nu heeft Rusland zijn handen vol aan Oekraïne maar begin maart toonde Poetin wel even zijn spierballen door ongeoorloofd vier straaljagers over het eiland heen te laten vliegen. Pim had ze over horen komen. 

Hij hoorde van een van zijn Russische game-vrienden dat die binnenkort naar een medische keuring moet om daarna in het leger te kunnen. Zou Pim ook zomaar opgeroepen kunnen worden als Nederland in deze krankzinnige oorlog terecht komt? Ik kan het bedenken, maar ik kan het niet voelen. Zo kan ik me ook geen voorstelling maken van het verdriet dat de moeder van de dode Russische soldaat moet hebben.

Ik begrijp niets van oorlog. Steden kapotschieten. Militairen en burgers doden. Je macht tonen. Waarom? Hoe kan een psychopaat zoals Poetin het zo ver hebben geschopt? Wat voor kronkels moet je hebben in je hoofd om dit voor jezelf te kunnen verantwoorden?

Drie weken geleden was ik in paniek. Ik heb een paar nachten slecht geslapen. Maar ik heb besloten om de oorlog zoveel mogelijk buiten te sluiten en ik constateer nu al dat het al ‘een soort van’ went. Alsof ik in een parallelle wereld woon.

Vroeger dacht ik dat ik wel moedig zou zijn ten tijde van oorlog. Nu weet ik dat ik dat niet ben. Eigenlijk vind ik dat we Oekraïne moeten helpen met manschappen en luchtverdedigingswapens, maar als ik kan kiezen kies ik toch liever voor onze eigen veiligheid. Ik hoop en bid ik dat wij geen rechtstreekse vijand worden van de Russen. Ondertussen heb ik het gevoel dat we Oekraïne laten stikken.

Ik wil gewoon niet dat de foto van mijn zoon naar anderen wordt gestuurd omdat hij zou zijn gesneuveld in een strijd die ik niet wil. Die mijn zoon niet wil. Die bijna niemand wil. 

Kloteoorlog!

Vrije Vogel

,,Als ik een vogel was, hield de wind me vast” . Pim was drie jaar toen hij deze prachtige zin uitsprak. Ik weet het nog precies. Hij zat naast me in de auto en we waren op weg naar tandarts Roof in Hilversum. Hij had naar boven gekeken, naar een vogel in de lucht. 

We zijn nu 17 jaar verder. Gister hield de wind hem vast toen hij in het vliegtuig vertrok naar Stockholm. Vandaar vertrekt hij vandaag per boot naar het eiland Gotland waar hij sinds vier maanden woont.  

Een vrije vogel is hij, mijn zoon. Geheel autonoom. Voor plannen maken heeft hij geen andere mensen nodig, hij zoekt het allemaal zelf wel uit. Zo bedacht hij vorig jaar dat hij gamedesign wilde gaan studeren in het plaatsje Visby. En zo geschiedde….

We brachten hem gister naar Schiphol. Hij liep voor me. Ik voelde me trots, maar ook wat weemoedig. Ik kijk nu alweer uit naar de zomer….

The Seven Year Itch

The Seven Year Itch is een Amerikaanse film uit 1955. Het is een film van voor mijn tijd, maar de scene waarin de jurk van Marilyn Monroe opwaait omdat ze boven een ventilatierooster staat ken ik wel. De ‘Seven Year Itch’  is ook een term uit de psychologie. Het idee is dat er na een relatie van zeven jaar,  barstjes ontstaan en de sleur op de loer ligt.

Nou heb ik de laatste tijd ook enorm veel jeuk. Het begon als kleine vlekjes. De vlekjes werden bultjes en ze werden steeds roder, groter en overheersender. Zalf, rust, negeren…niets hielp. Mijn huwelijk is al 20 jaar prima, dus dat was het niet. Na diepgaand onderzoek was ik eruit! Elke keer wanneer ik bezig was met het schrijven van mijn column vlamden de vlekjes op.

Ik ergerde me aan de kleuterklas van raadsleden, schreef wederom over de grote woningnood in onze stad en ook de kwestie Vahstal kwam meerdere keren voorbij. Om over de grote hoeveelheid zwerfafval, het knallen van vuurwerk of het debacle Westelijke Rondweg maar niet te spreken.  Wat blijkt: De steeds terugkerende onderwerpen gaan schuren, veroorzaken jeuk. Zelfs het vertrek van wethouder Buijtelaar zorgde niet lang voor verlichting.

Zeven jaar lang schreef ik met veel plezier maar het is nu tijd voor een volgende stap. Ik stop met deze column. Daarmee komt er meteen meer ruimte voor een mooi boek over Amersfoort, waar ik samen met fotograaf Bram Petraeus en mijn man Marcoen aan werk.

Er bestaat overigens onenigheid of die ‘Seven Year Itch’ nou echt bestaat of slechts een mythe is, er zijn zelfs onderzoeken waaruit naar voren komt dat die sleur niet na zeven jaar maar na twaalf jaar intreedt. Houd daarom burgemeester Bolsius in de gaten! Zit hij er niet al twaalf jaar? Voor je het weet gaat hij er ook vandoor; zijn naam schijnt genoemd te zijn in Den Haag. Hoe dan ook; ik zal er in deze krant niets meer over schrijven!

Kleuterklas geeft weinig vertrouwen….

Jemig, wat een aandachttrekkerij!  Zou Van Wegen geïnspireerd zijn geraakt door de ruzie tijdens het emancipatiedebat  tussen Sylvana Simons van BIJ1 en de voorzitter Ockje Tellegen? Deze laatste siste: ,,Het lijkt hier wel een kleuterklas.”  Ze had gelijk. Echt een vreselijke vertoning. Niet in de laatste plaats door de manier waarop Ockje zelf reageerde. 

Prompt liet kleuter Van Wegen van de Burger Partij Amersfoort ook weer van zich horen.  Volgens mij schreef hij doelbewust discriminerende opmerkingen om GroenLinks-raadslid Youssef el Messaoudi uit de tent te lokken. En dat is gelukt.  Van Wegen heeft zijn zin; hij krijgt weer aandacht, zelfs landelijk. Ik zucht. En zucht nog eens. Eigenlijk ben ik zo klaar met de politiek. Landelijk is het een zooitje, maar op de lokale politiek is ook wel wat af te dingen. 

Zo hebben de drie musketiers Ben, Rob en Marc afgelopen jaar alledrie besloten zich terug te trekken uit de Amersfoortse politiek. Dat zegt toch al genoeg? Marc Smits (SP) vindt dat er een verziekte politieke sfeer heerst in de Amersfoortse gemeenteraad. ,,Coalitiepartijen houden elkaar de hand boven het hoofd en er gebeurt meestal wat de wethouder wil.’’ Ben Stoelinga  van Amersfoort 2014 is vertrokken omdat het gemeentebestuur vaak erg weinig transparant opereert. En Rob Molenkamp (SP en lijst Molenkamp) stelt zich niet meer verkiesbaar omdat hij ontmoedigd was door de gebrekkig functionerende democratie in Amersfoort. ,,Als oppositiepartij heb je het idee dat je een voetbalwedstrijd speelt waarbij van te voren duidelijk is wie gaat winnen.” 

In maart zijn de gemeenteraadsverkiezingen. De raadsleden laten weer overal hun neus zien en komen met prachtige plannen. Of loze beloftes. Eigenlijk heb ik zin om die hele verkiezingen aan mij voorbij te laten gaan. Er is één reden om toch te gaan stemmen. En dat is juist die man met de rode sjaal. Ik heb altijd het gevoel dat als ik niet ga stemmen mijn stem automatisch naar de tegenpartij gaat en dat laatste wil ik te allen tijde voorkomen. Dus ik hijs me in maart waarschijnlijk toch naar een stemlokaal en kleur een vakje rood. Maar niet van harte.