Lieve Kristel,
Weet je nog die avond in Aalst, toen jij en ik en Wouter op kroegentocht gingen, en hoe de avond zich in geen van die kroegen op gang liet dansen? Ik had jou altijd al mooi gevonden. Niet bijzonder mooi, buurmeisjemooi. Dat was jij, een mooi meisje naast wie ik wilde wonen en bij wie ik, als de dag knelde als een nieuw paar schoenen, wilde kunnen binnenlopen. Een meisje met wie je één keer wilt zoenen, dan hebben we dat gehad, anders blijft die denkballon in de lucht hangen: als we samen een glas drinken en over poëzie praten, dan kunnen we toch ook een keer zoenen? En die avond in Aalst, in een van die kroegen waar de lamlendigheid van de muren droop, probeerde ik jou, volledig misplaatst, te kussen. Je lachte toen je nee zei. In café Vredeplein zat ik aan de kant naar jou te kijken zoals je kijkt naar een meisje dat je niet hebt mogen kussen, en toen we met z’n drieën die kroeg verlieten riep ik als vanouds: ‘Ik bespeur De Kater al!’ Café De Kater bevond zich tegenover café Vredeplein, daarom eindigde daar altijd de nacht. Ik fietste naar huis terwijl de zon opkwam, en zong zacht: ‘Niemand heeft ooit zo mooi neen tegen mij gezegd.’ Mijn buurmeisje ben je nooit geworden, maar je hebt in mijn bovenkamer gewoond.

