vrijdag 3 april 2026

Afgestoft: Woorden om het licht te horen (Lenze L. Bouwers)

Lenze Bouwers is een bijzondere auteur. Waarschijnlijk is er geen nog levende dichter te vinden die zo veel rondelen heeft geschreven. Technisch kan Bouwers veel en toch heb ik vaak wat op zijn gedichten aan te merken gehad. Als je nauwkeurig leest, blijken zijn zinnen vaak net niet nauwkeurig geformuleerd. 

Maar misschien ben ik gewoon een dorknoper die muggen aan het ziften is en zullen anderen zich helemaal niet ergeren aan zijn formuleringen en voluit genieten van zijn gedichten. Zijn verzamelbundel met rondelen, Woorden om het licht te horen, besprak ik in Liter jaargang 13, nr. 57 (2010). Het is een vrij korte bespreking. Mogelijk was mij niet meer ruimte toebedeeld, mogelijk vond ik een korte recensie gepast voor de bundel. 

Daarbij heb ik niet een compleet gedicht geciteerd en dat is toch wel jammer. Ik vermoed dat ik indertijd geen complete gedichten kwijt kon in de vrij smalle kolommen, maar dat weet ik niet zeker. Maar nu vind ik het vreemd dat er een poëziebundel besproken wordt zonder dat je een gedicht uit die bundel te lezen krijgt. Ook om het werk van Bouwers recht te doen, alsnog een rondeel in zijn geheel. 

een stem nog sterker dan de storm die raast:
kom snel -gebons- help mee, de dijk bezwijkt,
verzamelpunt de kerk, met schop en laars;
de hele nacht zat ik op wacht, verbaasd
dat je niet sterft bij zoveel angst, verdwaasd
omdat de zondvloed zeker verder reikt
dan zeeland - hoor hoe vader wakker blijkt:
een stem nog sterker dan de storm die raast;
hij gaat, terwijl zijn schildknaap achterblijft
en week bij moeder waakt, die langzaam strijkt,
gaat zitten, op het uur naar buiten kijkt
en met haar handen onverstaanbaar praat:
een stem nog sterker dan de storm die raast

Bij nader inzien heb ik over dit gedicht wel wat te zeuren: waarom maar een enkele laars? Maar er zit ook veel moois in dit rondeel. 


Bouwers' rondelen verzameld


Toen Lenze Bouwers in 1985 de bundel Rondelen op de markt bracht, kreeg hij er behoorlijk wat aandacht mee: een hele bundel vormvaste gedichten, geschreven in een compacte taal, dat zag je in die tijd niet vaak. Bouwers bleef rondelen schrijven. Soms hele bundels vol (De route van de rondvaartboot, De schaduw van de buizerd), soms kwamen er een paar in een bundel met andere gedichten terecht (Biotoop, Groeiringen).

Nu zijn Bouwers' rondelen verzameld in Woorden om het licht te horen. De eerste afdeling bevat een complete, nieuwe rondelenbundel, de tweede een ruime keuze uit de vroegere bundels.

De gedichten van Lenze Bouwers lees ik vaak met een mengeling van ergernis en interesse. Ze hebben altijd wel iets aangenaams: een metrum dat lekker loopt, een aardig rijm, soms een mooie beeldspraak. Ik zet meteen een plusje in de kantlijn bij ‘een manchestersterk profeet’ en ik heb ook een streepje gezet bij ‘zo zilverwit als i in lichtgewicht / zo zwaar vaak als ik keurend naast je sta’.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat in deze regels eigenlijk onzin staat. De i is immers helemaal niet wit. Verder is zo'n woord als ‘zilverwit’ ook wel erg nadrukkelijk poëtisch. Ik zie die bezwaren wel, maar toch werken deze regels. Bouwers heeft het woord ‘lichtgewicht’ goed gekozen. Hij had ook kunnen schrijven ‘zo zilverwit als i in internist’. Ik had dan misschien een witte jas voor me gezien en had het witte van de i me beter kunnen voorstellen.

Maar Bouwers doet het geraffineerder: hij schrijft dat het over het witte gaat, maar in je hoofd blijft het woord ‘lichtgewicht’ hangen, vooral ook doordat hij de regel erna ‘zwaar’ gebruikt. Zo gaat het dus niet alleen over het witte, maar ook over het lichte. De associatie zorgt ervoor dat je meer leest dan er staat. Bouwers op zijn best.

Vaak vertrouwt Bouwers op die associatie en heel vaak ook gaat dat mis. Wanneer je nauwkeurig gaat lezen wat er nu precies staat, klopt het dan domweg niet.

De uitgever citeert zelfs zo'n kromme zin op de achterflap: ‘De ronding heeft een eigen zeggingskracht, / zoals een vrucht er is, de aarde, maan.’ De ronding heeft blijkbaar zeggingskracht zoals een vrucht, de aarde en maan. Tja, het is zo dat die alledrie een ronding hebben, maar heeft de juttepeer eenzelfde zeggingskracht als ‘de ronding’?

Ook de asymmetrie ‘de aarde, maan’ staat mij niet zo aan. Ik vermoed dat bij de maan het lidwoord weggevallen is vanwege het metrum, zoals ik ook vermoed dat Bouwers bij ‘De dagen en nacht voorbij’ een lettergreep te veel had en daarom niet ‘nachten’ schreef. Het maakt een onmachtige indruk.

Vaak speelt Bouwers nogal gemakkelijk op het effect, door het gebruik van sfeerwoorden en expliciete typeringen: je lippen zo zacht, je lieve mond, bleek verfijnd, vederlicht, ik vind je mooi, uw gulle lach, je intieme lach, zomerpracht, korengoud, blaadje van fluweel, warm ingebed, blij verliefd, droomtrance, bladgoud (over bladeren in de herfst, een ‘vondst’ die hij in twee gedichten gebruikt). Eerlijk gezegd stellen de meeste gedichten dan ook literair gezien niet zoveel voor.

Toch hebben ze iets aangenaams. Misschien komt dat wel door de geest die door veel gedichten waait. Overduidelijk blijkt de betrokkenheid van de dichter bij zijn omgeving, bij de mensen om hem heen. Ziekte en dood komen in veel gedichten terug. In sommige worden nadrukkelijk een rolstoel, multiple sclerose, een chemokuur, kanker, opname, de vechtlustige zieke genoemd en met veel compassie schrijft de dichter over mensen die vechten voor hun leven en vaak toch verliezen.

Veel van de gedichten zijn sympathiek, omdat je gemakkelijk kunt meevoelen met welke emotie ze waarschijnlijk geschreven zijn. Maar in poëzie gaat het uiteindelijk niet om de emotie van de dichter, maar om die van de lezer. Soms weet Bouwers die te raken, maar vaker missen de gedichten daarvoor de kracht.

Eerder schreef ik over:

donderdag 2 april 2026

Koppige opa

Een stukje uit een dagboek. Ik schreef het op zaterdag 16 mei 2020, in het coronajaar. Het dagboek is gericht aan mijn toen nog ongeboren kleindochter. Als ik het heb over mijn moeder, heb ik het dus ook over haar overgrootmoeder. 

Het zijn meer flarden van verhalen dan dat het mooi afgeronde vertelsels zijn, maar dat moet je maar op de koop toe nemen. Mijn opa van moeders kant komt erin voor. Je ziet hem hieronder op de foto, met zijn geiten, bij het hout dat gejut had. Hij woonde aan de Waal en er dreef nog wel eens wat aan. Soms moesten we roeien naar zijn huis. Een foto van het huis vind je hier.

In het dagboek schrijf ik dat de huizen van mijn grootouders er nog staan, maar het huis van opa en opoe Dojewèrd is intussen gesloopt. Er staat nu een huis dat wel doet denken aan het oorspronkelijke huis. 

In dit stukje komt vooral de koppigheid van opa naar voren, maar hij had ook andere kanten. Ook daarover heb ik geschreven. Die stukjes zal ik nog eens opzoeken. Ik heb vooral goede herinneringen aan hem. 

Verder gaat het ook nog even over het trouwen van mijn ouders, al bericht ik daar maar kort over. Ik was toen bij mijn moeder geweest (die in januari 2025 zou overlijden) en gaf vooral weer wat zij vertelde. 


Opa Dojewèrd, in 1968

Vanochtend weer bij mijn moeder geweest, die me dingen vertelde die ik misschien wel eens gehoord had, maar niet onthouden. Dat tante Cor niet op de bruiloft van mijn ouders was, maar alleen op de dijk (voor het huis van mijn grootouders) het bruidspaar kon feliciteren. Ze stond toen al een paar jaar op voet van oorlog met mijn opa. Ze wilde het geld dat ze verdiend had niet afgeven en opa zei: ‘Ik houd geen kostgangers’ en toen kon ze gaan. Eruit en niet meer erin.
 
Dat een paar jaar later de spanningen nog niet voorbij waren, zegt iets over de koppigheid van mijn opa. Geen koppiger mensen dan Gansemannen en geen driftiger mensen dan Bunten, zei iemand ooit. Daar ben ik dus een mix van en jij ook, voor een kwart.
 
Toen ik het had over de koppigheid van mijn opa, zei mijn moeder: ‘Ja, maar Cor was ook niet makkelijk.’ En de opstelling van mijn oma, die altijd met iedereen medelijden had, zal daarbij niet geholpen hebben. Zo gaf ze het geld dat bedoeld was voor de slager aan Corrie, die er slangenleren schoenen van kocht.
 
Tussen haar vriend Henk en mijn opa ging het ook niet goed. Er zijn heel veel Henken in mijn familie. Bij deze man, die later mijn ome Henk zou zijn, zeiden we er altijd ‘van tante Cor’ bij, of ‘Van der Veen’.
 
Hij bracht zijn vriendin te laat thuis en mijn opa kapittelde hem. Henk zei dat hij voor niemand zijn petje in de ogen hoefde te trekken en kwam niet meer over de vloer. Hij bleef op de weg staan als hij tante Cor kwam ophalen. En die liet hem wachten, omdat ze nog niet klaar was, met haar haar bijvoorbeeld en oma maar zeggen dat ze ‘die jong’ niet moest laten wachten.
 
Het is niet alleen van voor de tijd van je moeder, maar ook van voor mijn tijd. Ik herinner me niet anders of tante Cor en ome Henk konden bij iedereen over de vloer komen. Later raakte tante Cor in de war. Als ze een punt taart had of een koekje liet ze het laatste stukje altijd liggen. Als ze dood zou neervallen kon altijd nog onderzocht worden of ze vergiftigd was.
 
Je overgrootmoeder vertelde ook over haar eigen bruiloft: mijn oma had een groot stuk vlees gevraagd aan Methorst, bij wie mijn moeder in dienst was als meisje voor dag en nacht. Methorst had pas geslacht en mijn oma wilde een stuk vlees van hem overnemen. Dat heeft Methorst toen geschonken.
 
De overbuurvrouw, Nel van de Geer, zorgde voor de groente en er werd een lekkere maaltijd gemaakt. Als toetje was er Haagse bluf, wat mijn opa van vaderskant, die wij opa Loenen noemden, nog nooit gegeten had.

Ma gnuifde nog steeds toen ze het vertelde. Opa Bunt was boer, had een boerderij en had het goed. Het gezin van mijn moeder had weinig geld. Je overgrootmoeder gebruikte het woord ‘armoedzaaiers’. Dat ze zo’n maaltijd niet verwacht hadden van zulke armoedzaaiers.
 
Van de avond zelf, op de deel van het huis van mijn grootouders (opa en opoe Dojewérd, Dodewaard), wist ze alleen nog dat er zoute haring was. Dat had blijkbaar indruk gemaakt. En dat zij en mijn vader al naar huis waren toen het feest nog niet afgelopen waren.
 
Daar was een verrassing: er lagen kokosmatten op de vloer. De familie (of was het de buurt?) had een raam omhoog geschoven en had matten op de tegelvloer gelegd. Mijn moeder had wel gespaard voor haar huwelijk: ze had tweehonderd gulden. Daarvan had ze de trouwjurk en de gordijnen laten maken en ze had een weckketel gekocht.
 
Mijn vader zal de meubels wel betaald hebben. Van zijn ouders kreeg hij een groot cadeau: een koe.
 
Natuurlijk had ik je graag mettertijd dat huis laten zien, maar het is er niet meer: het is gesloopt en de A-50 is eroverheen gelegd. Ik kan nog wel het huis laten zien waarnaar mijn ouders (met intussen drie kinderen) verhuisden in 1969. Daar woont Marinus, mijn broer.
 
De huizen van mijn grootouders zijn er nog. Het geboortehuis van mijn vader (die door mijn kinderen altijd Opa Koeien is genoemd) werd door mijn opa in 1926 gekocht. Het heet De Grote Doorn en staat in Loenen. In de Betuwe, bij Slijk-Ewijk, aan de rand van het bos. Mijn grootouders hadden gewild dat mijn ouders bij hen in kwamen wonen, maar dat wou mijn moeder niet.
 
Toen zijn Ome Wout (de broer van mijn vader) en tante Met daar gaan wonen. Maar dat ging niet goed. Ik gok dat dat het met mijn oma had te maken, die niet altijd gemakkelijk was, al was ze altijd erg aardig voor mij. Nu zouden we zeggen ‘lief’, maar zo zouden wij dat als kind niet noemen.
 
Mijn opa en oma lieten een houten huis bouwen in de boomgaard en daar hebben ze gewoond tot opa overleed. Intussen zijn er stenen muren om dat oude huis gebouwd. Marinus heeft het gekocht en er woont een van mijn achterneven in.
 
Ja, oude verhalen, ik weet het. Ik hou van die verhalen, maar ik vertel ze ook omdat het goed is om de geschiedenis van je familie te weten. Het zal wel biologische onzin om te zeggen dat die geschiedenis opgeslagen wordt in de genen, maar ik ben ervan overtuigd dat ook de onbekende verhalen een soort baslijn in mijn leven zijn.
 
Ook zij horen bij de grond waarin ik geworteld ben. Met Thomas heb ik ooit aan het graf van Opa en Opoe Loenen gestaan, gewoon omdat we in de buurt waren. Het was vreemd: ik las mijn eigen naam op de zerk. Ik ben namelijk naar opa Loenen genoemd.
 
Eigenlijk had ik dat helemaal niet willen vertellen, maar als jij mij niet onderbreekt, ratel ik gewoon door. Ik had willen vertellen dat ik voor het eerst sinds lange tijd weer bij Wilma in huis was en dat we samen geluncht hebben. Iets wat altijd zo vanzelfsprekend was, was nu tegelijk onwennig en meteen weer vertrouwd.

woensdag 1 april 2026

Moet dwalen (Charlotte Mutsaers)



Van Charlotte Mutsaers heb ik te weinig gelezen. En dat is raar, want bij wat ik wel van haar gelezen heb, heb ik me nooit verveeld. Zo was ik diep onder de indruk van het sprankelende Rachels rokje (1994). Al eerder heb ik verteld dat ik hier in huis een kamertje heb, waarin niet alleen mijn strijkplank staat, maar waarin ik ook de boeken opstapel die ik nu toch echt binnenkort moet gaan lezen. Op die stapels liggen twee boeken van Mutsaers: Koetsier Herfst (2008) en Harnas van hansaplast (2017), maar van lezen kwam het niet. 

Haar meest recente boek, Moet dwalen, kocht ik in een impuls, misschien vanwege de titel die mij herinnerde aan het liedje ''k Moet dwalen, 'k moet dwalen op bergen en in dalen'. Dat liedje komt ook daadwerkelijk in het boek voor en ook waarom er wel of geen onderwerp in de eerste regel staat. Door de roman heen zijn er trouwens steeds verwijzingen naar liedjes van vroeger, van 'Een karretje dat op de zandweg reed' tot 'Que sera, sera' en 'Slaap kindje, slaap.'

Isi en Fleur

In de roman gaat het vooral over twee personen: de 64-jarige Isi Witlamm en zijn dertig jaar jongere partner Fleur Vischbeen. Ze zijn tijdens een zoektocht naar paddenstoelen verdwaald. Tenminste dat beweert Fleur; Isi vindt dat ze helemaal niet verdwaald zijn. Het leidt voortdurend tot stekelige dialogen. 

Fleur is niet de grote liefde van Isi; dat is de rivier de Doubs. 
[D]e Doubs is de enige op aarde met wie hij zich onvoorwaardelijk heeft kunnen verbinden, de enige in wie hij gelooft, de enige in wie hij in volle vrijheid wijze mag verglijden en zich op alle fronten kan laten gaan. 
Isi houdt van het vloeiende, terwijl hij Fleur juist als star ziet:
Al vrij snel was Isi ervan overtuigd dat deze blunder van de natuur, die niets anders dan krokodillentranen plengde en elke man beschouwde als misbruiker in de dop, deze opportuniste die de voortbrengselen van kunst en wetenschap niet als bron van wijsheid of geluk beschouwde maar slechts als tools om hogerop te komen, deze vleesgeworden belediging van alles wat hem lief was, deze ondermijnster van romantiek en levenslust, deze dierenvriend die snoefde dat ze nog geen vlieg kwaad zou doen terwijl ze elke vlieg die onbesuisd naar binnen vloog kapotsloeg, dit uitgedroogde tussenstation vol brandnetels en distels waar zijn vermoeide trein per ongeluk even had stilgestaan, hem op zekere dag zou fnuiken. Die dag lijkt nu gekomen. Isi hapt naar adem en weet dat er maar één weg is waarlangs hij ontsnappen kan: de vloeibare. 
Dat iemand in een rivier een geliefde kan zien, vind ik een speelse gedachte en die speelsheid vind ik terug in het hele boek, waarin verbeelding en werkelijkheid niet altijd strikt te scheiden zijn. Je kunt daar het best maar gewoon in meegaan in plaats van te bedenken wat nu werkelijkheid is en wat droom of fantasie. 

Stijl

Verder laat het uitgebreide citaat zien hoe fonkelend de stijl van Mutsaers is. Fleur die omschreven wordt als 'dit uitgedroogde tussenstation vol brandnetels en distels waar zijn vermoeide trein per ongeluk even had stilgestaan' - daar geniet ik wel van. Uit de hele roman blijkt een enorm vertelplezier en elke zin is een verrassing. Daar heb ik zeer van genoten. 

Isi zegt verschrikkelijke dingen, niet alleen over Fleur, maar zo is hij blijkbaar. Goddank zijn er in de literatuur nog personages die niet deugen, die ongepast reageren, die kwalijke gedachten hebben. 

Hoe kwalijk die gedachten zijn, piept al snel door enkele zinnen heen. Isi is wel klaar met Fleur en hij is tot het uiterste in staat. Al op bladzijde 76 staat: 'Fleur hoeft immers niet te weten dat ze de vierendertig niet eens zal halen.' Ook Fleur heeft in de gaten dat er iets grondig mis is: ''Er gaat ons iets ergs overkomen,' zegt ze verslagen. 'Iets heel ergs. Ik voel het aan mijn water.'' 

Fleur vindt dat ze verdwaald zijn, Isi vindt dat verdwalen een staat van zijn is en ook dat het een kunst is: je moet het maar kunnen. Hij denkt dat hij binnenkort de Doubs wel als oriëntatiepunt zal zien, maar de rivier houdt zich schuil. Later blijkt de stroom uitgedroogd te zijn. Daaruit blijkt al hoe mis het is in het leven van Isi. En dan raakt hij ook nog zijn geliefde mes kwijt. 

Elan

Isi en Fleur raken uit elkaar -laat ik het maar even zo beschrijven- en gelukkig ontmoet hij een man met een skateboard onder zijn arm, Elan. Maar ook tussen hen gaat niet alles soepel. 

Uiteindelijk is Isi op zichzelf aangewezen, verdwaald in het leven, een rivier die naar een bedding zoekt, een oceaan om in uit te stromen. Hij houdt hoop, maar de vraag is of dat terecht is. 

Moet dwalen lees je niet vanwege de plot, niet om van de personages te houden, want dat is nogal lastig, maar vooral vanwege de stijl, het vertelplezier. De rivier heeft zich misschien teruggetrokken, maar ze stroomt door de woorden van Mutsaers en op die stroom heb ik me als lezer heerlijk mee laten voeren. Ik heb genoten van de discussies en het gebekvecht van de verschillende personages. Ze hebben nauwelijks een eigen stem. Eenzelfde taal stroomt door hen heen, waarin steeds alles op scherp staat. In hun taal vliegen de personages verschillende keren uit de bocht. Moet dwalen is een boek dat geschreven lijkt zonder de rem erop. Het is een gul boek en alles wat het geeft, heb ik met gretigheid tot me genomen. 

dinsdag 31 maart 2026

Bernard Prince: De hel van Suong-Bay / Avontuur in Manhattan (Hermann / Greg)

De planning die ik eerder publiceerde, ga ik niet helemaal volgen. Zo zou ik volgende week pas schrijven over het tweede deel van de integrale uitgave van Bernard Prince, maar dat stuk heb ik naar voren gehaald in verband met het overlijden van Hermann (1938 - 2026). Hij overleed op 22 maart. 

Andere links naar besprekingen van albums van Hermann, waaronder die van het eerste deel van Bernard Prince, vind je onderaan. 

Reeksen

Hermann heette voluit Hermann Huppen en hij was een geweldige tekenaar, in het realistische genre. Hij heeft veel reeksen op zijn naam staan en het beste uit die reeksen is heel goed. Als kind lette ik niet zo op de namen van tekenaars en scenaristen. Na verloop van tijd wist ik natuurlijk wel wie Marten Toonder, Willy Vandersteen, Hans G. Kresse of Piet Wijn waren, maar Hermann was een van de eersten bij wie ik gericht op zoek ging naar albums waar zijn naam op stond en toen kwam ik bij aardig wat verschillende reeksen terecht: naast Bernard Prince waren dat Comanche, Jeremiah, Jugurtha (alleen de eerste delen), De torens van Schemerwoude en Nick. 

Er is ook nog de serie Duke, maar die heb ik nooit gehad, en van De torens van Schemerwoude heb ik maar weinig gelezen. Het is een erg harde strip, tenminste dat vond ik indertijd. Maar misschien moet ik die albums maar eens gaan verzamelen en lezen. 

Bernard Prince en Comanche tekende Hermann op scenario's van Greg, maar voor Jeremiah en De torens van Schemerwoude schreef hij zelf alle teksten. 

Inkten en inkleuren

In de loop van de tijd bleef Hermanns tekenstijl herkenbaar, maar die veranderde wel. Op een gegeven moment inktte hij de tekeningen niet meer voordat hij ze inkleurde, wat ze toch een wat ander karakter gaf. En in de loop der jaren leek de kleur geleidelijk uit zijn tekeningen te verdwijnen. Hermann beperkte zich dan bij afbeeldingen tot bijvoorbeeld grijzen en groenen. Het leek wel of hij de kleur kwijtraakte, wat mij deed denken aan de roman Labyrint van Fleur Bourgonje, waarin een vrouwelijke kunstenaar met hetzelfde probleem kampt. 

Sommige van zijn strips hadden scenario's niet top waren, maar die ik toch bleef lezen, omdat Hermann ze getekend had. Hoe dan ook, hij was een grote berg in het striplandschap. Hij is er niet meer, maar we hebben zijn strips nog en zolang die nog gelezen worden, leeft hij voort. 

Juist in deze tijd verschijnt de prachtige integrale uitgave van Bernard Prince. Mooie hardcovers op groot formaat in een oplage van 500 stuks (Haast je!). Door het grote formaat komen de tekeningen uitstekend tot hun recht. 

Interpol-dossiers

De verhalen die in albums terechtgekomen zijn, kennen we, al is het prettig dat we ze in deze uitgave allemaal bij elkaar hebben en dan ook nog mooi uitgegeven. Maar bij een integrale uitgave hoort ook extra materiaal en ook dat is er, in de vorm van vier verhalen, 'De Interpol-dossiers van Inspecteur Prince'. We krijgen niet alleen die verhalen, maar ook nog een blik in verschillende afgekeurde versies (in zwart-wit). Prachtig materiaal, dat je nergens anders te zien krijgt. 

Verder is er een artikel van Ed Hengeveld, waarin hij uitlegt wie Djinn, de scheepsjongen is, en hoe zijn rol in de loop van de serie veranderd is en zijn er enkele grote tekeningen plus omslagen van het blad Kuifje, waarop een nieuw verhaal van Bernard Prince wordt aangekondigd. Het is al met al een prachtuitgave. 

Personages

De verhalen op scenario van Greg doen het nog goed. Misschien is Bernard Prince als karakter niet al te geprononceerd, maar hij is niet gauw uit zijn evenwicht en hij weet zich altijd te redden. Zijn achtergrond bij Interpol speelt nadrukkelijk een rol in het tweede verhaal, Avontuur in Manhattan. 

Zijn stuurman, Barney Jordan is zo'n beetje het tegendeel van Prince: emotioneel, impulsief, niet altijd zichzelf onder controle hebbend en hij brengt ook humor in de strip. In het genoemde verhaal moet hij ineens stand-in spelen voor een zakenman die veel op hem lijkt. Als deze man van het toneel verdwijnt, moet Barney zijn plaats innemen. Bernard gebruikt zijn contacten in het criminele circuit om de verdwijning op te helderen. 

En dan hebben we nog Djinn, over wie de volwassenen wel eens bezorgd zijn, maar hij kan prima zijn eigen boontjes doppen en in het eerste verhaal, De hel van Suong-Bay speelt hij een cruciale rol in de redding van Bernard en Barney die in handen zijn gevallen van Wang-Ho, die we nog kennen uit Generaal Satan. 

Herleesbaar

De albums heb ik al lang geleden gelezen en ik heb de verhalen indertijd verschillende keren herlezen. Toch zat ik er meteen weer in en ging ik er helemaal in mee. Dat bewijst aan de ene kant hoe sterk het scenario van Greg is en aan de andere kant zal mijn bewondering voor het tekenwerk van Hermann een minstens even grote rol gespeeld hebben. 

Bernard Prince is altijd het lezen waard, maar deze prachtuitgave bewijst duidelijk zijn meerwaarde. Het is te vergelijken met het bekijken van een film op je tv of in de bioscoop. Dat laatste maakt altijd meer indruk en geeft je een completere ervaring. Zo is het ook met deze uitgave. 

Reeks: Bernard Prince (luxe uitgave)
Deel: De hel van Suong-Bay / Avontuur in Manhattan
Scenario: Greg
Tekeningen: Hermann
Vertaling: Tonio van Vugt
Uitgever: Sherpa
2025, 128 blz. € 65,- (groot formaat, hardcover) €95,- (extra: linnen rug, gesigneerde dubbelprent)

Eerder schreef ik over:
Bernard Prince: Generaal Satan/Storm over Cormoran (luxe uitgave)

maandag 30 maart 2026

Oude teksten voor jonge lezers (Joke Brassers)


Van sommige van mijn docenten Nederlands weet ik nog haarscherp op welke boeken ze me hebben gewezen. Toen ik in de derde klas van de mavo zat, vertelde Ewoud Kouwenhoven ons de verhalen  Karel ende Elegast, Floris end Blancefloer, Van den vos Reynaerde, Beatrijs, Mariken van Nieumeghen en Gysbreght van Aemstel, Bram Maljaars leerde me de gedichten van Gerrit Achterberg en Martinus Nijhoff lezen toen ik in de bovenbouw van de havo zat en bij mijn MO-studie Nederlands bracht José Boyens mij de liefde bij voor Paul van Ostaijen en Het leven en de dood in den ast van Streuvels. Wat zou ik nu gelezen hebben als deze mensen mij niet enthousiast hadden gemaakt voor boeken die ik zelf misschien niet gekozen had?

Docenten Nederlands hebben de kans om boeken onder de aandacht van leerlingen te brengen en dat is wat anders dan 'lees maar wat je leuk vindt'. Dat je leerlingen 'gewoon' moet laten lezen en dat dan het plezier vanzelf komt is een mooie wens, maar het is maar de vraag wat die oplevert. Het leesplezier ligt bovendien buiten de macht van de docent. 

Dat betoogt ook Joke Brasser in haar boek Oude teksten voor jonge lezers, waarin ze een pleidooi houdt voor het werken met oudere literatuur door jonge kinderen, laten we zeggen in de onderbouw van de middelbare school. 

Brasser ken je misschien (zou je moeten kennen) van Klassiekers in de klas, een website met veel lesideeën waarin de oude literatuur centraal staat. Dat heeft uiteindelijk een boek opgeleverd en dat leest toch anders dan wanneer je hier en daar een artikel leest van een website. Die site vond ik al mooi, maar in het boek brengt Brasser haar ideeën bij elkaar en dan zie je de lijnen die ze volgt. Ik werd daar heel erg enthousiast van. 

Verbindend lezen

Dat de oude teksten waarde hebben in zichzelf is een van de uitgangspunten. Andere zijn dat teksten altijd verbindingen aangaan met andere teksten en dus nooit op zichzelf staan en dat leerlingen geen onbeschreven bladen zijn: ze komen binnen met een vracht aan kennis en het werkt heel goed als je die kunt activeren. 

zeeridder
Dat laatste werkt niet alleen zo bij de leerlingen, maar bij iedereen. Tijdens het lezen van het boek van Brasser schoten mij constant titels te binnen. Die invallen zijn niet altijd terecht, wellicht en ook niet altijd bruikbaar, maar het is goed om je er bewust van te zijn en om ze zo nodig te gebruiken. Als Brasser schrijft over de 'madwoman in the attic' en dat dat in Lampje juist een jongen is, denk ik aan Boven is het stil van Gerbrand Bakker en Het hemelse gerecht van Renate Dorrestein; als het gaat over de meermin in Lampje, vraag ik mij af waarom eigenlijk de hoofdpersoon van Voor alles een dame (ook van Renate Dorrestein) mevrouw Meermin heet. En de jongen met de vissenstaart doet ook denken aan de zeeridder (zitiron) in Der naturen bloeme. 

Ik kende het sprookje Het meisje zonder handen (Grimm) niet, waarnaar Brasser verwijst in verband met het sluiten van een pact met de duivel (Mariken van Nieumeghen). Een molenaar belooft te schenken 'wat achter de molen staat' in ruil voor oneindige rijkdom. Het blijkt zijn dochter te zijn, wat me meteen doet denken aan het Bijbelverhaal over Jefta (waarover Vondel Jeptha schreef). En als we het toch hebben over het verkopen van je ziel: wie denkt daarbij niet aan het verhaal over Robert Johnson?

Kennis activeren

Als docent is het goed om al die kennis te activeren. In Oude teksten voor jonge lezers gebeurt dat bijvoorbeeld bij het duiken in Van den vos Reynaerde. Welke vossen en wolven kennen de leerlingen al en wat voor beeld levert dat op van vossen en wolven? En bij de dieren uit Der naturen bloeme zullen leerlingen je van alles kunnen vertellen over eenhoorns, draken en griffioenen. 

Brasser neemt de leerlingen serieus, inclusief de kennis die ze hebben. Die brengen ze namelijk mee als ze aan de slag gaan met de teksten. Die mogen best lastig zijn (al moet je dat tegenwoordig 'uitdagend' noemen), maar je kunt ze toegang verschaffen door een juiste hertaling te gebruiken. Dat zal in de praktijk niet altijd goed gaan. Ook daarover vertelt Brasser. Bij De reis van sint Brandaan liep ze wat te ver voor de troepen uit. Dat bracht leverde haar wel inzichten op. 

Hoofdstukken

Ik ben meteen enthousiast aan het kletsen gegaan over zaken in het boek van Joke Brasser, maar laat ik vooral ook vertellen wat ze in de verschillende hoofdstukken behandelt. 

Ze begint met Lampje en ze eindigt met het lezen van jeugdliteratuur in de bovenbouw. Juist omdat teksten met andere teksten verbonden zijn, vormen ook jeugdboeken een goede ingang. Van Annie M.G. Schmidt kun je bijvoorbeeld een lijn trekken naar Mary Dorna. 

Er verder zijn er hoofdstukken over sprookjes, Van den vos Reynaerde, Der naturen bloeme, Moriaen, De reis van Sint Brandaan en Mariken van Nieumeghen. Al die teksten worden verbonden met andere teksten en leerlingen moeten er flink mee aan het werk en dat blijken ze ook te kunnen. Alles in het boek is namelijk uitgebreid getest in de praktijk en die praktijkervaringen hebben ervoor gezorgd dat nu duidelijk is wat waarschijnlijk wel werkt en wat voor problemen kan zorgen. Daarmee is Oude teksten voor jonge lezers een heel praktisch boek. 

Verder helpt Brasser de docenten Nederlands door steeds te wijzen op hoe de lessen aansluiten bij de eisen die aan het onderwijs gesteld worden. Ik ben blij dat ik niets meer met eindtermen en kerndoelen te maken heb, maar lesideeën in dit boek helpen de docenten te bereiken wat van hen verwacht wordt. 

Liefde voor literatuur en voor kinderen

Ik heb Oude teksten voor jonge mensen als zeer enthousiasmerend ervaren. Het is een boek naar mijn hart, omdat het geschreven is met overstelpend veel liefde voor de oude literatuur, maar ook voor de leerlingen die je graag zulke waardevolle en interessante teksten gunt. En dat gunnende spreekt uit het hele boek. Wie de kinderen deze teksten onthoudt, doet hun tekort. 

Dat Brasser een heldere stijl heeft en precies weet uit te leggen wat ze bedoelt, helpt ook heel erg. Het is geen dor handboek, maar het is geschreven in een soepele, levendige stijl, die lekker leest, zodat je door het boek heen glijdt. 

Verwonderen

Bovenal heb ik het idee dat Joke Brasser ons bepaalt bij waar het in ons onderwijs om dient te gaan. Dat we de leerlingen prima uit kunnen leggen welke argumentatiestructuren er bestaan en welke soorten argumenten er zijn, maar dat we ze met literatuur kunnen raken en echt wat kunnen meegeven en dat is van een andere orde. Brasser:
Ook ons curriculum lijdt onder kapitalistische ideeën van efficiëntie en productiviteit. Alles uit de les halen. Met weinig tijd zo veel mogelijk leerwinst boeken. Maar door onze tekstkeuzes en onze didactiek kunnen we ruimte maken voor 'zachte' en inefficiënte leerdoelen zoals je verwonderen of verbazen. In de ruimte die dan ontstaat wordt er een beroep gedaan op leerlingen om als persoon aanwezig [te] zijn, en niet als leerling. 
Daarvoor is het niet genoeg dat een docent enthousiast is (al helpt dat natuurlijk wel), maar zij/hij moet de teksten op een goede manier aanbieden en de leerling door uitgekiende opdrachten dichter bij de tekst brengen. Daarbij helpt dit boek enorm, net als de site Klassiekers in de klas

En als je geen docent Nederlands bent? Dan moet je toch Oude teksten voor jonge lezers kopen. Om weer of nog meer enthousiast te worden over teksten die je al lang dacht te kennen, om hoopvol te worden of te blijven ons literatuuronderwijs en om heel veel leessuggesties te krijgen, zodat je weer flink door kunt gaan lezen, want dat is een van de leukste dingen die er zijn. 

Historische klassiekers

Ongetwijfeld gaan we nog veel van Joke Brasser horen. Onlangs schreef ze, samen met Marie-José Klaver, lesbrieven bij de podcast Historische klassiekers van Fixdit, waarin werk van (veelal later veronachtzaamde) vrouwelijke schrijvers uit het verleden hertaald is en voor een nieuw publiek toegankelijk is gemaakt. Ook daarmee kun je zo aan de slag. Eerlijk gezegd heb ik niet van al die auteurs wat gelezen. Tot nu toe betreft het: Anna Bijns, Anna Roemers, Tesselschade Roemers, Johanna Hobius en Katharine Lescailje. 

Lees haar boek, volg Klassiekers in de klas en blijf lezen en vertel erover!

Oude teksten voor jonge lezers is verschenen bij Uitgeverij kleine Uil Educatief. 

vrijdag 27 maart 2026

Afgestoft: Hotel New Flandres (Dirk van Bastelaere, Erwin Jans, Patrick Peeters)

Afgelopen zondag publiceerde ik hier een planning: wekelijks drie nieuwe recensies en ik vertelde er ook bij welke dat zouden zijn. Nog geen week later wijk ik daar alweer vanaf. Dat zit zo.

Deze week schreef ik, naast de recensies van De Wind in de Wilgen en Boekjes bij de thee een recensie van Exovida van Adriaan Bijloo en Govert Schilling. Nou ja, die recensie is nagenoeg af. Hier en daar nog een splinter wegschaven of een likje verf en het is gepiept. Maar toen zag ik dat het boek pas op 15 april gepresenteerd wordt en daarom wacht ik nog even met het online zetten van het stuk. 

Twee nieuwe recensies dus deze week en twee oude die ik afgestoft heb. En natuurlijk de herinnering aan het overlijden van mijn opa. 

Voor vandaag is het, net als gisteren, een oude recensie van een bloemlezing, Hotel New Flandres, eerder gepubliceerd in Liter nr. 56 (jaargang 12, 2009). Ik ben wel erg aan het tellen geweest, vind ik, nu ik het stuk teruglees en ik noem heel veel namen van dichters. Blijkbaar vond ik dat toen nodig. Gelukkig komt er ook nog een gedicht in voor. 
   


Een Michelingids voor de Vlaamse poëzie


Wat de dikke Komrij voor de Nederlandstalige poëzie is, wordt misschien Hotel New Flandres wel voor de Vlaamse poëzie. Deze dikke bloemlezing, samengesteld door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters, zou ook wel eens kunnen gaan fungeren als een soort canon.

Net als bij Komrijs verzameling is er gedoe over Hotel New Flandres. De samenstellers openden zelfs een website, om te reageren op de recensies. Ze blijken niet van plan om stil te blijven zitten als ze geschoren worden door bijvoorbeeld Benno Barnard, Philip Hoorne of Hans Vandevoorde, maar reageren gepikeerd en met een zeker dedain. Misschien niet allemaal even verheffend, maar wel vermakelijk.

Hotel New Flandres geeft een beeld van de Vlaamse poëzie van 1945 tot 2005. Je kunt je afvragen of de Vlaamse poëzie wel zelfstandig bestaat, maar als je daarvan uitgaat, is een dergelijke bloemlezing zeker gerechtvaardigd. Uit de inleiding blijkt dat de samenstellers aan de ene kant het landschap van de Vlaamse poëzie in beeld hebben willen brengen, maar aan de andere kant ook nadrukkelijk de aandacht hebben willen richten op vernieuwende dichters. Daarbij zijn ze trouwens niet kieskeurig geweest. Er staan veel dichters in aan wie zo'n beetje alle vernieuwingen voorbij gegaan zijn.

In een bloemlezing ontkom je niet aan een kwaliteitsoordeel. Van grote dichters als Claus en De Coninck zul je meer gedichten opnemen dan van bijvoorbeeld Ben Klein, Maja Panajotova, Pol le Roy en Ivo Vroom, dichters wier naam ik zelfs niet kende, maar die wel met meer dan een gedicht vertegenwoordigd zijn.

Maar Hotel New Flanders moest niet alleen literair-historisch verantwoord zijn, het doel was ook een beeld te geven van de poëzieproductie in Vlaanderen. De samenstellers zeggen dat ze meer dan andere bloemlezers aandacht voor de heterogeniteit hebben gehad. 
Daarom bevat deze bloemlezing niet enkel gedichten die we goed vinden, maar ook gedichten van dichters die ons weinig of niet interesseren, omdat we ze saai, flauw, truttig of ouderwets vinden. Toch hebben we hen opgenomen.
Dat betekent ook dat de samenstellers lastig aan te spreken zijn op hun keuze. Ze kunnen altijd antwoorden dat ze de gedichten van Hans Devroe, Bart Mesotten en Renaat Ramon ook niks vinden, maar ja, die dichters zijn er nu eenmaal.

In de inleiding geven Van Bastelaere, Jans en Peeters uitleg bij het sterrensysteem dat ze, net als de Michelingids, gehanteerd hebben. Behalve in de inleiding komen de sterren in de bloemlezing overigens niet terug.

Vijf sterren (dat wil zeggen negen of tien gedichten) kregen wat zij noemen de paradigmadichters, simpel gezegd: de vernieuwers. Dat zijn Hugo Claus, Leonard Nolens, Hugues Pernath, Willy Roggeman (allen tien gedichten), Dirk van Bastelaere, Herman de Coninck en Jotie T'Hooft (negen gedichten).

Er is natuurlijk wel kritiek gekomen op het grote aantal gedichten dat Van Bastelaere van zichzelf opnam. Het lijkt me inderdaad een geval van zelfoverschatting om je boven bijvoorbeeld Christine D'Haen en Anton van Wilderode te plaatsen, zeker als je dan ook nog een gedicht als ‘abc-hart’ opneemt, dat speels genoemd zou kunnen worden, maar ook flauw.

Van De Coninck werden overigens alleen poëticale gedichten opgenomen, wat een vreemde keuze is. Dat geeft een vertekend beeld van zijn oeuvre. Gingen de samenstellers ervan uit dat de lezers de rest van De Conincks gedichten wel kenden? Maar waarom is bij andere bekende dichters dan niet een thematische keuze gemaakt?

Vier sterren kregen de oeuvredichters, over het algemeen dichters die zich niets aangetrokken hebben van modes, maar stug hun oeuvre bij elkaar geschreven hebben. Dat zijn Jan de Roek, Eddy van Vliet (acht gedichten), Claude van de Berge, Albert Bontridder, Hendrik Carette, Paul Claes, Christine D'Haen, Aleidis Dierick, Gust Gils, Luuk Gruwez, Herwig Hensen, Stefan Hertmans, Mark Insingel, Roland Jooris, Remy C. van de Kerkckhove, Roger M.J. de Neef, Erik Spinoy en Anton van Wilderode (zeven gedichten).

Jan de Roek kende ik niet en bij nazoeken blijkt hij ook niet voor te komen in de auteurslijst van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. De Roek kwam in 1971 om het leven en het zou dan ook logisch geweest zijn, als zijn gedichten in de bloemlezing terecht gekomen zou zijn tussen andere gedichten uit eind jaren zestig. De samenstellers van Hotel New Flanders hebben immers alle gedichten chronologisch gerangschikt op jaar van publicatie. Maar ze plaatsten de Roekgedichten bij 1980, toen de Verzamelde gedichten op de markt kwamen. De motivering dat op dat moment pas zijn belang voor de Vlaamse poëzie duidelijk wordt, houdt geen steek. Ook bij Daisne wordt, om dezelfde reden, uit zijn verzameld werk geciteerd. Het lijkt me sterk dat van de dichters bij wie uit de afzonderlijke bundels wordt geciteerd het belang meteen in het publicatiejaar duidelijk was. Verder lijkt me Roger M.J. de Neef ruim betaald en bij Roland Jooris blijf ik altijd wat twijfels houden, maar dat zal wel een kwestie van smaak zijn.

Drie sterren kregen de dichters die ‘in belangrijke mate bij[dragen] tot de articulatie van een paradigma.’ Het zijn dus dichters die een bepaalde stroming vertegenwoordigen. Om maar even het hele rijtje te noemen: Paul Snoek (zes gedichten), Wilfried Adams, Michel Bartosik, Leopold M. van den Brande, Nic van Bruggen, Ben Cami, Patrick Conrad, Frans Deschoemaeker, Charles Ducal, Jos de Haes, Miriam Van hee, Hubert van Herreweghen, Karel Jonckheere, Tom Lanoye, Marcel van Maele, Gwij Mandelinck, Jan van Nijlen, Erik van Ruysbeek, Lucienne Stassaert, Peter Verhelst, Freddy de Vree, Marcel Wauters.

Tja, wat moet je ervan zeggen? Misschien wat weinig eer voor Lanoye en Verhelst.

Maar er zijn meer auteurs die er bekaaid afkomen. Opvallend is bijvoorbeeld het ene gedicht van Bart Moeyaert dat werd opgenomen.

Over bloemlezingen is altijd te strijden en dat moeten we ook vooral doen. Hoe meer reuring, hoe meer aandacht voor de poëzie, hoop ik. En van die poëzie staat er genoeg moois in Hotel New Flanders. In ieder geval zal mij het ontroerende gedicht ‘Adieu xviii’ bijblijven dat Gaston Burssens schreef aan de nagedachtenis van Paul van Ostaijen: 
O Heer, mijn grote vriend en ik,
wij hebben U zo dikwijls aangeroepen
met vloeken en met bedelarij,
maar met gebedjes ook om van te snoepen,
want daar was zoveel schone vroomheid bij
als van een koperen cent die wij tot goudmunt schuurden.
Gij weet het wel, de moordenaars en de dieven,
geschuurd met zand van afgunst en van gunst,
verhieven wij tot heiligen der kunst.

Maar ik alleen bleef over,
en dat was erger dan het toeteren
van mijn klaxon in mijn woestijn.
Gij hadt er geen idee van hoe het ploeteren
in mijn moeras mij op één hand liet lopen.
Nu weet Gij het, nu ik het zeg,
maar 't was voorwaar geen spel zo, tussen heg en steg,
alleen en zonder tandenborstel
en al die jaren op mijn hoofd te moeten staan,
terwijl mijn sleutels uit mijn zakken vielen. -
En nu!
Nu ik weer op mijn voeten sta, maar krom gebogen,
nu zijn mijn oren doof, en dof mijn ogen.

D. van Bastelaere, E. Jans en P. Peeters (red.), Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005. Poëziecentrum, Gent 2008, 752 blz., €29,95.

donderdag 26 maart 2026

Afgestoft: Brandaan van de christelijke poëzie

Nu weer eens door mijn oude besprekingen ga, kom ik erachter dat ik heel geregeld heb geschreven over bloemlezingen. Zo heb ik de besprekingen over bloemlezingen met schoolgedichten al eens afgestoft en nog vrij recent schreef ik over zo'n gedichtenverzameling. 

In Liter nr. 53, jaargang 12 (2009) schreef ik over Brandaan van de christelijke poëzie, een mooi boek. In de titel zette ik dat ik het een prachtige bloemlezing vond, maar ik had er wel wat op aan te merken. Ik kan dat na zoveel jaren nog steeds wel een beetje navoelen, maar misschien zeurde ik ook een beetje. Als ik de bloemlezing zo goed vond, had ik het dan niet juist daar over moeten hebben in plaats van over die dingen die wat minder zijn? 

Het uitgangspunt: alleen christen-dichters opnemen vind ik nog steeds dubieus: waarom zou een bloemlezer moeten beoordelen of een dichter wel een christen is? 

Bij zo'n bespreking moet je wel een gedicht citeren, vind ik. Maar waarom nam ik nou juist het gedicht van Lloyd Haft? Blijkbaar realiseerde ik me niet dat ik hetzelfde gedicht al in hetzelfde blad geciteerd had in de eerste jaargang. Die bespreking heb ik al eens afgestoft en die vind je hier

Ik heb overigens nog meer oude besprekingen van bloemlezingen. Die zal ik ook nog afstoffen. Even geduld. Het komt. 



Desondanks een prachtige bloemlezing


Bij uitgeverij Brandaan verscheen Brandaan van de christelijke poëzie, een bloemlezing samengesteld door Rien van den Berg. Voor ik daar iets anders over zeg: het is een prachtig boek en het is goed dat het er is. Het boek is gebonden, de gedichten zijn gedrukt op mooi papier en Van den Berg, die al eerder bloemlezingen maakte, laat zien dat hij een aantrekkelijke bundel kan samenstellen. Bovendien is hij een kenner van de christelijke poëzie en hij heeft uit allerlei bundels, van obscuur tot bekend, veel mooie gedichten gehaald.

Maar er zijn natuurlijk wel wat kanttekeningen bij te maken en vragen bij te stellen.

Allereerst die typische naam Brandaan, wat mij een nogal opzichtige manier lijkt om de naam van de uitgeverij in de markt te zetten. Ware het boek onder een andere imprint of bij een andere uitgeverij uitgekomen, dan had het waarschijnlijk Podium, Mozaïek, Vuurbaak of Atlas van de christelijke poëzie geheten en dan spreek ik nog niet van het ongelukkige geval dat Kok het boek uitgegeven zou hebben.

Dit is bovendien de eerste bloemlezing die ik ken waarbij het portret van de bloemlezer prominent op de flaptekst prijkt. Het zal wel zijn omdat Rien van de Berg fotogenieker is dan Komrij of Breukers, maar het verbaasde mij toch enigszins.

Er zijn aardig wat bloemlezingen over God of religie. Nog onlangs publiceerde uitgeverij Prometheus Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie. Ook een mooi boekje, waarbij de keuze gemaakt werd door Abeltje Hoogenkamp, die bovendien bij veel gedichten wat bezinnende opmerkingen schreef, al zijn die in sommige gevallen vrij oppervlakkig. Net als in de Brandaan vinden we bij Hoogenkamp dichters terug als Van der Graft, Henk Knol, Ida Gerhardt, Huub Oosterhuis, Martinus Nijhoff, Gerrit Achterberg, C.O. Jellema, Gerard Reve en Michel van der Plas, maar ook Remco Campert, Tjitske Jansen, Eva Gerlach, Hans Andreus en Jan Eijkelboom. Het boekje heeft de opbouw van een kerkdienst. Van het op weg gaan (‘Klokken haalden mij uit mijn slaap vandaan’) tot en met de zegen (‘God behoede de mens / en geve hem een zoen’) en de weg naar huis.

De verschillen tussen Hoogenkamp en Van den Berg vloeien voort uit de manier waarop ze gezocht hebben. Hoogenkamp zocht naar gedichten. Van den Berg naar dichters. In de inleiding schrijft hij: 
Er is tot op heden echter geen bloemlezing verschenen met werk van dichters die christen zijn. Dat is het vertrekpunt bij de bloemlezing: werk van dichters die op een of ander manier bij de christelijke traditie horen - en dan niet algemeen-cultureel gedefinieerd, maar religieus.
Tja. Wie bepaalt eigenlijk of een dichter christen is? Van sommige dichters die ontbreken (Renée van Riessen, Maria de Groot, Tom Naastepad, Mart van der Hiele, Hester Knibbe, Hilde Bosma, Greetje Kruidhof, Jaap van der Molen, Johanna Kruit, Frédéric Leroy) vroeg ik me af of Van de Berg ze niet goed genoeg vond of dat ze eigenlijk niet echt christen zijn. Het is de vraag of een bloemlezer zich over dat laatste moet en kan uitspreken.

Even verderop haalt Van de Berg zijn eigen uitgangspunt onderuit door zich af te vragen of er wel werk opgenomen had moeten worden ‘[v]an dichters die ongelukkig zouden zijn met het etiket christelijk, hoewel hun werk daartoe aanleiding geeft.’ Het is natuurlijk het een of het ander. Of je neemt werk op van dichters die gepatenteerd gelovig zijn, ook als je dat niet uit hun werk kunt opmaken (bijvoorbeeld de diergedichten van Rikkert Zuiderveld) of je kijkt alleen naar de gedichten en dan neem je dus ook de dichters op die Hoogenkamp selecteerde.

De Brandaan is een erg Nederlandse bloemlezing. Weliswaar neemt Rien van de Berg af en toe een Vlaming op (Anton van Wilderode, Aleidis Dierick), maar Vlaanderen zit toch vol met dichters die religieuze gedichten geschreven hebben? Mij schieten Pieter G. Buckinx, Gery Florizone, Jo Gisekin, Hubert van Herreweghen en Patrick Lateur te binnen. Of ze ook echt christen zijn weet ik natuurlijk niet. Het kan zijn dat ze over dat criterium gestruikeld zijn.

En zou er ook in Suriname of op de Antillen niet een katholiek dichter geweest zijn die in de Brandaan had gemogen? Zijn de gedichten van Glenn Sluisdom bijvoorbeeld niet sterk genoeg? Het zou kunnen, maar we weten het niet.

Op het buikbandje staat per ongeluk gedrukt dat er alleen gedichten opgenomen zijn van na 1950. Uit een van de registers achterin blijkt dat 1945 de grens is: vier gedichten van Achterberg, twee van Ida Gerhardt en een gedicht van Muus Jacobse zijn gepubliceerd tussen 1945 en 1950.

Met die registers is ook iets eigenaardigs aan de hand. Wie bijvoorbeeld zou willen weten welke gedichten van Jan Willem Schulte Nordholt opgenomen zijn, moet eerst naar het register op auteur. Daar moet hij opzoeken in welk jaren Schulte Nordholts bundels verschenen. Dan bladert hij door naar het register ‘Chronologie’ en zoekt bij het betreffende jaar de paginanummers op. Dat is een omslachtige manier. Bovendien zijn de registers niet feilloos. Lidy van Eysselstein is bijvoorbeeld bij 1959 niet terug te vinden, hoewel het auteursregister wel naar dat jaartal verwijst.

In het auteursregister kun je ook niet altijd precies zien welke gedichten opgenomen zijn. Bij Aleidis Dierick kun je wel vinden dat van haar ‘Avondmis’ de gedichten viii en xvi gekozen zijn, maar niet welke drie van de series ‘Tortels in het trappenhuis’ en ‘De driemaal zeven bezweringen’.

Ik ben dan ook maar gestopt te tellen hoeveel gedichten er nu exact van elke dichter opgenomen zijn. In ieder geval zijn er behoorlijk veel gedichten geselecteerd van Gerrit Achterberg, Menno van der Beek (van wie Van de Berg het aandurfde om de complete berijming van psalm 119 op te nemen), Lenze Bouwers, Aleidis Dierick, Anton Ent/Marieke Jonkman, Koos Geerds, Ida Gerhardt, (Guillaume) Van der Graft, Jos de Haes, Lloyd Haft, C.O. Jellema, Henk Knol, Willem Jan Otten, Michel van der Plas, Jan Willem Schulte Nordholt, Anton van Wilderode en Harmen Wind. Allemaal minimaal zeven gedichten. Op die keuze is niet zoveel aan te merken. Dierick en de De Haes zijn verrassingen, Otten acht ik als dichter nogal overschat, Bouwers is vrij ruim, maar met deze keuze kan ik wel leven.

Bij de minder ruim geselecteerde dichters moest ik wel even fronsen: wat doen in vredesnaam Jan de Bas, Theo Coenraads, Frank Daen, Dick Ellen, Leendert J. van den Hengel, P. van Klaveren, Nico Knibbe en José de Poortere met duidelijk ondermaats werk in dit mooie boek?

En hoe komt er eigenlijk werk van een anoniem dichter (bladzijde 113 in de bloemlezing) door de selectie? Helemaal anoniem kan de auteur niet zijn, want anders had Van den Berg niet kunnen weten dat het werkelijk een christen was. De bloemlezer plukte het gedicht (dat bepaald niet zo bijzonder is dat hij er niet omheen kon) uit een uitgave in eigen beheer. Ook van bijvoorbeeld Sergej Visser kopieerde hij gedichten uit boekjes die bestaan zullen hebben uit een stel blaadjes die met een wollen draadje aan elkaar zaten. Nou ja, elke bloemlezer heeft zijn eigenaardigheden.

Brandaan van de christelijke poëzie is ingedeeld op thema. Misschien is het niet helemaal consequent om dichters in plaats van gedichten te selecteren en dan niet te groeperen op dichter, maar ik vind het niet zo erg. De gekozen indeling leest in ieder geval prettig. Je kunt deze bloemlezing nu lezen zoals je een verhalenbundel leest: hoofdstuk voor hoofdstuk. Bovendien zie je hoe de verschillende dichters eenzelfde thema behandelen en verder lees je een gedicht anders door de omgeving waarin het staat, waardoor elk gedicht, ook als je het al kende, iets nieuws krijgt. ‘Troost’ van Harmen Wind zette de bloemlezer bijvoorbeeld in de afdeling psalmen. Het gedicht eindigt met:
Ik denk dat het je hand was. Niet de greep, de
aanraking. Ik kon de avond rustig laten vallen.
Je stem vulde de kamer met een lange reis.
Ik denk dat het je hand was. Dat je me droeg.

Niet eerder las ik het gedicht als een psalm, maar nu wel en het blijkt daar prima tegen te kunnen.

Psalm 119 in de berijming van Menno van der Beek is niet in de afdeling psalmen opgenomen en dat is een goede keuze. In zijn massiviteit zou het immers alle andere gedichten daar aan de kant duwen. Nu heeft deze psalm een afdeling voor zichzelf.

De andere afdelingen bevatten onder andere gedichten over ouders en kinderen, over mensen en dieren, over dood en leven en over God, geloof en kerk.

Wel kun je je afvragen waarom een afdeling ‘Vaderlandse geschiedenis’ heet wanneer meer dan de helft van de gedichten erin over de bijbelse geschiedenis gaat. De afdeling ‘light verse’ is eigenlijk mislukt. De meeste van de gedichten daarin bevatten wel humor, maar hadden net zo goed in andere afdelingen ondergebracht kunnen worden. Misschien is deze afdeling in het leven geroepen omdat je toch ergens de vrolijke gedichten van Rikkert Zuiderveld kwijt moet. Maar zonder die afdeling zouden we wel een paar flauwe gedichten van andere auteurs gemist hebben, zoals van Jaap Zijlstra en Koos Geerds, van wie meer missers opgenomen zijn.

Maar overeind blijft, ondanks alle bedenkingen waarmee ik dit stuk opende: dit is een prachtig boek. Van den Berg laat zien dat de christelijke poëzie, die in veel overzichten een marginale positie heeft, veel moois heeft voorgebracht. Genoeg in ieder geval om een kloek boek te vullen. Wat versnipperd was heeft hij bijeengebracht; zo'n beetje alle belangrijke christelijke dichters staan erin, waardoor deze Brandaan wel een standaardwerk zal worden zoals de dikke Komrij dat al is voor de gehele Nederlandse poëzie.

Wie door het boek bladert, heeft de neiging om te blijven citeren: de korte serie ‘Onder de wolk’ van Van der Graft bijvoorbeeld, of het ontroerende ‘Bloedje’ van Henk Knol. Je ziet verrast dat het ‘lieflijk rotsje’ van Marieke Jonkman terugkomt in een ander gedicht van Anton Ent. De zin ‘U bent er al, maar / U komt’ van Gabriël Smit mag meteen aangekruist worden. Je kunt aan het bladeren blijven en steeds weer doe je nieuwe ontdekkingen. En deze van Lloyd Haft kende je al, maar je wilt hem nog één keer voorlezen:

Naar psalm 150

Loof de ziende. Loof hem
in zijn verborgenheid. Loof hem
in het onkenbare dat hij zal kennen.
Loof hem
om het onvindbare van zijn vondsten,
loof hem
op de onmaat van zijn maten.
Loof hem met ons koperen geschal,
loof hem met een onstembare harp,
loof hem met knappende snaren,
loof hem met dom gedans,
loof hem met blèrende bekkens:
loof hem al wordt ons bekken geplet.
Alles wat nog hijgen kan
love de ziende.
Loof. De ziende.

Rennen naar de boekhandel dus, dan heb je de eerste druk nog.