Naar inhoud springen

kader

Uit WikiWoordenboek
  • ka·der
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘frame, lijst’ voor het eerst aangetroffen in 1816 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord kader kaders
verkleinwoord kadertje kadertjes

hetkadero *

  1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
    • Die prent behoeft geen kader. 
  2. (figuurlijk): situationele context, raamwerk, verband, achtergrond
    • In het kader van de bezuinigingen wordt de uitgave met de helft verminderd. 
     'Joodse wijk? Nee, die bordjes zijn vorig jaar bevestigd in het kader van een multicultureel project van de gemeente.[4]
     Door de hele oostelijke Griekssprekende rijkshelft werden wedstrijden georganiseerd in traditionele Griekse stijl, maar wel vaak in het kader van de Romeinse keizercultus.[5]
  3. (bedrijfskunde) (meervoud) leidinggevende medewerkers in een organisatie
    • De vakbond heeft meer kaders nodig. 


  • Opmerking: in Zuid-Nederland wordt ook wel het geslacht mannelijk gebruikt dus 'de kader (m)'
vervoeging van
kaderen

kader

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaderen
    • Ik kader. 
  2. gebiedende wijs van kaderen
    • Kader! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaderen
    • Kader je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.