Onzichtbaar
Wanneer werd ik onzichtbaar?
Zelf denk ik gek genoeg aan het moment dat doodnormale stappen loodzwaar begonnen te voelen, de stoepen en straten zich onder mijn benen en voeten voortsleepten terwijl ik zelf nauwelijks van mijn plek leek te komen. En plotseling was ik op de opening van de tentoonstelling. Waar ik moest, maar niet wilde zijn. Waar ik iedereen zag, maar niemand mij.
Dat is niet waar. Ik bleek gewoon aanwezig, onderhield mij ook met deze en gene, maakte geintjes, lachte om grappen. Ik dronk wat. Probeerde daarna maar eens de kunst te bekijken, maar ik werd voortdurend afgeleid. Details. Een kleine tatoeage op een onderbeen, een vlek in een gezicht, een pantalon die niet lekker viel. De witte muren wat smoezelig, plakkaten plamuur waar gaten zaten. Nèt langs iemands legergroene rugzak schuren in een smalle, lage doorgang. Een vrouw bukt om iets op te rapen, de broek even over de kont gespannen, de waaier van vlijmscherpe plooien in de knik tussen buik en bovenbenen. Hoe dat voelt. Hoe een broze oude kunstenaar in een lange korte broek niet helemaal rechtop staat, het lichtblauwe overhemd gebogen onder de zomerhoed, de knieën iets geknikt boven de sandalen. Leesbrillen tussen zwart geverfde haren over gekreukelde prijslijsten turend. Benen, alleen nog benen, en vloer, als je wilde weten waar je moest lopen, vooruit, nóg een rondje langs de muren, voor de vorm – maar ik zag niks meer.
Ik groette wie ik nog even wilde groeten en liep naar buiten. Zware stappen de marmeren trap af, zware, trage benen op weg naar het treinstation. Op straat keken willekeurige voorbijgangers me lang aan – langer dan gebruikelijk in het gewone voorbijgaan, leek me. Alles is perceptie, hield ik mezelf voor. Langzaam drong het tot me door dat mijn waarneming vertraagd moest zijn; het was alsof ik als een schaduwbeeld van mezelf achter me aan liep. Ik was niet onzichtbaar voor anderen, zag ik nu.
Ik was alleen onzichtbaar voor mezelf.



