Breuk met status
Vanuit de ruimte is de atmosfeer maar een heel dun blauw lijntje rondom de aardbol. De troposfeer, het lagere deel waar al het leven zich afspeelt, is vanuit de ruimte zelfs onzichtbaar.
In One Strange Rock wordt astronauten gevraagd om te reflecteren op de aarde, en allemaal zijn ze ontroerd door dat kwetsbare lijntje van leven rond de planeet.
Het einde van de troposfeer hangt ongeveer tien kilometer boven ons. Tien kilometer is een half uurtje fietsen, als je vanaf mijn huis richting het westen fietst ben je na een half uur ongeveer in Halfweg, en als je van mijn huis recht omhoog zou gaan ben je na een half uurtje bij het einde van de adem, de plek waar al het leven ophoudt.
(Ook een soort Halfweg.)
De afstand tot het einde van de adem zou je gewoon kunnen lopen.
De maximale hoogte waarop een levend wezen ooit uit zichzelf is gekomen is 11.000 meter. Dat was de Rüppelsgier. Oké niet helemáál uit zichzelf: met een vleugje thermiek.
De andere kant op, het diepste punt waar leven is ontdekt: de Mponeng-goudmijn in Zuid-Afrika, waar microben werden aangetroffen op bijna vier kilometer diepte.
Grofweg vijftien kilometer aan leven, het leven strekt zich naar twee kanten uit.
Dat binnenste deel vind ik zelfs nog eindeloos veel fascinerender dan het buitenste.
Afgelopen week liep ik met een geohydroloog over de Peelrandbreuk. Die Peelrandbreuk ligt in ons eigen Brabant en heeft te maken met bewegende aardschollen. De aardkorsten schuiven, sommige korsten botsen, en bij een botsing moeten ze omhoog. Resultaat: Himalaya’s, Alpen. En naast mooie bergketens leveren die botsingen ook stress op in de aarde, en die stress uit zich in breuken, zoals de Peelrandbreuk.
Peelrandbreuk. Peelrandbreuk. Goed woord ook, beetje pijnboompit-achtig.
De Peelrandbreuk loopt dwars door Nederland en komt in Uden zichtbaar aan het oppervlak, waar het voor een omgekeerde wereld zorgt. Ik kreeg het uitgelegd door de geohydroloog. De uitleg:
Normaal gesproken geldt voor ieder landschap het adagium hoog en droog, maar rond de Peelrandbreuk ter hoogte van Uden is dat precies andersom. Bij de breuk komt ijzer omhoog uit de ondergrond, dat ijzer oxideert en vormt een harde korst, die de breuk als het ware dichtkit en al het water tegenhoudt. En het grondwater zit hoog, waardoor de hoge delen van het landschap nat zijn, en de lagere delen juist droog.
Het water dat bij de breuk omhoog komt is ook een beetje warm — aan de hooggelegen kant is de temperatuur wel twee tot soms tien graden hoger, want daar komt het water rechtstreeks uit de diepe ondergrond omhoog. Fáscinerend!
Met een drone kun je de breuk ook duidelijk in het landschap zien: ijs en dauw blijven op de hogere (en dus warmere) gronden nooit liggen.
Alleen lopend zie je er vrij weinig van. Ja, het is kleddernat, het staat vol biezen, maar de breuk, die honderden meters diep dwars door ons land snijdt, is aan de oppervlakte niet meer dan een kleine terreintrede. Een terreinknik. Een bultje. Het enige wat naast die smalle helling de breuk verraadt, zijn de knaloranje sloten. Ze zien er giftig uit als je niet beter zou weten, maar het is kraakhelder en gezond water boven een totaal geoxideerde bodem.
Een slootje verderop ziet er nóg ranziger uit dan de oranje sloot, er drijft een drabbig parelmoer vlies overheen, en hoewel dat parelmoer prachtig alle kleuren van de regenboog weerspiegelt, associeer ik het toch vooral met olievlekken. Maar dat vieze vlies wordt hier gevormd door bacteriën die het ijzer afbreken, dus ook dit is gewoon gezond water met een goed werkend afweersysteem.
Inmiddels is de breuk een aardkundig monument, want door de bijzondere bodemsamenstelling (altijd nat met ijzer) groeien er zeldzame planten zoals moeraswalstro en hollepijp, en in de zomer staat het hier vol met orchideeën. Er zijn zeldzame insecten, zeldzame vogels.
Ter illustratie flitsen er twee geelgorzen voorbij en die zie je niet vaak, die hebben een heel specifiek landschap nodig: de variatie van akkers met zandpaden, echt dat kleinschalige wat met de ruilverkaveling is verdwenen.
De geelgors fluit de vijfde symfonie van Beethoven, de drie hoge tonen gevolgd door één langere lage — tudududuuuuuu — of andersom is het natuurlijk, waarschijnlijk heeft Beethoven de geelgors ooit horen fluiten.
Op de Peelrandbreuk (Peelrandbreuk! Peelrandbreuk!) ruikt het ook heerlijk, dat komt door het reukgras, wat niet voor niets zo heet, het ruikt naar zomervakanties van vroeger.
Op het hogere deel is een soort oranje poel ontstaan, met kleine stroompjes die lijken op een miniatuurgetijdenlandschap. De belletjes erin duiden op zandvulkaantjes: door gassen uit de bodem bubbelt alles ophoog, en waar de druk het hoogst is worden zand en gas en water omhoog geblazen.
Op het pad verderop liggen tientallen rietpommels. Vroeger staken we die altijd in de fik, zodat je ermee op straat kon schrijven. In de jaren tachtig waren er ook mensen die rietpommels in een grote vaas op de schouw zetten, ik vermoed dat dat dezelfde mensen waren die grote pauwenveren in een vaas zetten en eieren vulden op verjaardagen. Tegenwoordig zijn rietpommels beschermd en mag je ze niet meer zomaar meenemen. (Pauwenveren hopelijk ook niet).
Waar je de Peelrandbreuk nog het meest duidelijk in het landschap ziet, is in het fietspad langs de Karperdijk.







*peelrandbreuk. Stomme krekt.
Ik ga vandaag de hele dag rondlopen met het aanstekelijke peellandbreuk! peellandbreuk! in mijn hoofd. ☺️