Keek op de week (230)

Pakte broodje uit schap en stopte het in wasbaar zakje. Broodje nummer twee viel voor mijn voeten op grond. Raapte broodje op en legde het op broodbalie.
Zei: ‘Sorry, heb deze op grond laten vallen.’
Jongeman – lang, bleek, acné – keek verveeld.
Snap dat puber er opwinding niet van afzag.
Hij graaide broodje weg en smeet het richting afvalbak. Naast. Weifelend keek hij naar mij.
‘Geef jezelf nog een kans!’ moedigde ik hem aan.
Raak!
Jongen schopt het nog ver.
Aan buitenkant politiebureau in Oudewater hingen bordjes. ‘Verboden fietsen te plaatsen.’
Kwam dat even goed uit!
Gooide racefiets om schouder en stapte bureau binnen.
Agent achter balie trok eerst wenkbrauwen op en schoot daarna in lach. Zestiger, wit haar en vriendelijk gezicht. ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt.’
‘Het is denken in oplossingen, toch?’
‘Ik zal niet zeggen dat dit bedoeling is, maar het is zeker creatief. Wat kan ik voor u doen?’
Ik wil graag een gevonden telefoon afgeven,’ zei ik, en legde die op balie.
Agent keek in hoesje – met bankpassen – en trok toetsenbord naar zich toe.
‘Ik vond ‘m langs de Linschoten….bij ophaalbrug even voorbij galerie-boerderij.
Man knikte dat hij locatie kende.
Typend met twee vingers vroeg hij: ‘Wilt u gegevens achterlaten zodat eigenaar contact met u kan opnemen?
‘Alstublieft niet. Ik ben blij dat ik ervan af ben.’
‘Bedankt dat u netjes en creatief uw burgerplicht hebt gedaan.’
Liep proestend bureau uit.
Gebeurde tijdens winkelexpeditie met Man. Hij wachtte buiten terwijl ik afrekende in Hunkemuller, want meegaan winkel in, is Joris een beha te ver.
Kwam A. tegen en zij begon gesprek. Toen A. even ademhaalde, haastte ik me te zeggen dat Joris op me stond te wachten.
‘Wie is het?’ vroeg A. ‘Die aan de overkant?’
Knikte.
‘Knappe vent! ‘ riep A. ‘Lang en slank, en hij heeft al zijn haar nog!’
Probeerde met nieuwe blik naar Joris te kijken. Hij zag me loeren en knipoogde.
‘Sjézus!’ riep A. ‘hij knipoogt zelfs nog naar je. Ik ben blij wanneer mijn man me gedag zegt als-ie thuiskomt van zijn werk.’
‘Knipoog eens naar hem,’ adviseerde ik. De wetenschap dat Joris niet opkijkt als ik nakend voor zijn aangezicht verschijn, hield ik voor mezelf.
‘Ik ben uit de kerk gestapt,’ zei Astrid. Dorpsgenoot, 82, vitaal, vrolijk en met vleugje lippenstift. We stonden in de zon bij het carillon.
‘Waarom?’ vroeg ik.
‘Een man – homo – heeft sinds kort een vriend waarmee hij samenwoont, en de nieuwe dominee vindt dat de homo moet kiezen tussen zijn relatie en de kerk.’
‘Heb uw naasten lief behalve als ze homo zijn.’
‘Kortzichtig gedoe! Het was de laatste druppel,’ mopperde Astrid. ‘Helft van de mensen uit de kerk die ik mijn hele leven ken, praat nog amper tegen me.’
‘Ben je verdrietig?’
‘Nou…nee. Het is meer dat ik dacht dat ik op mijn leeftijd alles wel had meegemaakt. Mijn kleinzoon had ook homo kunnen zijn, hè? Het is geen keuze of een ziekte. En nu zien ze mij als ‘afvallige.’
‘Wees niet bang om anders te zijn. Wees bang om hetzelfde te zijn.’
‘Die ga ik onthouden.’
‘Ik ben trots op je dat je het hebt gedaan,’ zei ik en gaf Astrid een knuffel.
Ferm zei ze: ‘Ik ook! Kom, ik trakteer.’ Ze schoof haar arm door de mijne en sleurde me mee naar tearoom. Daar moest op gedronken worden.

Foto Pixabay – 4033402/By NickyPe







