Het rozebuikprobleem
De speler en zijn comeback
Ergens in de coronaperiode opende ik dit Substackkanaal. Zoals wel meer gewoontes uit die tijd, vervliegen ze nog voordat je er erg in hebt - soms nog voordat ze tot een betekenis ritueel konden uitgroeien. Omdat ik moeite heb met afscheid nemen en het aantal volgelingen hier inmiddels is verveelvoudigd, zal ik hier – zonder al te veel regelmaat – een lezing of beschouwing delen die u niet in de krant bent tegengekomen.
Op 23 maart 2025 hield ik in de Oosterkerk de derde Huizingalezing in Middelburg over wereldklassemiddelmatigheid, het genot van een meesteroplichter en de vraag wat we in het diepst van onze gedachten zijn. "Als leven per definitie spelen is, dan heeft het weinig zin over de grenzen van het spel en het domein buiten het spel te spreken. Dat was echter buiten het Christendom gerekend, want het Christendom blijft zijn aanhangers spelen bieden."
Waar eindigt het spel? Laten we het daar eens over hebben. Als alles een spel is, als men om te spelen niets anders zou hoeven te doen dan ademen en alleen de dood een einde kan maken aan het spel, dan was ik snel uitgesproken en dan had ook Johan Huizinga kunnen volstaan met een haiku. Dat heeft hij niet gedaan. Er is een domein buiten dat van het spel, het eindigt, en wat komt daarna?
Van Huizinga (1872-1945) weten we dat de ernst niet tegenover het spel staat. Er zit ernst in het spel en spel in de ernst. Hooguit kunnen we opperen dat ons na het einde van het spel andersoortige ernst te wachten staat. Huizinga formuleerde het zo: ‘Men kan de ernst loochenen. Het spel niet.’ Het spel willen ontmaskeren is zoiets als de goochelaar ervan beschuldigen dat hij geen echte tovenaar is.
Dus wat eindigt er, en hoe?
Bij sportwedstrijden is de afloop duidelijk. De scheidsrechter blaast nog een keer op zijn fluitje. Bij muziek, theater en voordrachtskunst weten eveneens wanneer we ons uit onze stoelen kunnen hijsen: het verplichte applaus klinkt, enkelen hebben zich al naar de garderobe gehaast met het excuus dat ze nog een trein moeten halen.
De Engelse schrijver Geoff Dyer (1958) noteerde in De laatste dagen van Roger Federer en andere eindes, in de vertaling van Ivo Verheyen: ‘Op elke poëzieavond, hoe prettig ook, zijn de woorden die we het liefst willen horen altijd dezelfde: “Ik zal nog twee gedichten voorlezen.” (De woorden die we echt willen horen zijn: “Ik zal nog één gedicht voorlezen”, maar twee lijkt het algemeen overeengekomen minimum te zijn.)’
Ter geruststelling, ik zal vanmiddag geen gedichten voorlezen. Maar Dyer is toch iets op het spoor. De toeschouwer verlangt naar het einde van het spel, menig toeschouwer is alleen daarom zijn huis uitgekomen, zoals men vroeger naar de kerk ging om het einde van de preek te halen. Ook een ernstig spel.
Ik wil maar zeggen, ik weet waarvoor u bent gekomen, maar ik gun u het uitstel van dat genot, ook omdat ik lang geleden te horen kreeg dat te snel klaarkomen getuigt van minachting jegens de seksualiteit zelf én de partner. Echt genieten is het uitstellen ervan. Dat is in zes woorden de hele tantrabeweging, eveneens een ernstig spel.
***
Niet alleen het spel ook de speler kent een einde dat we evenmin al te snel gelijk moeten stellen aan de dood. Roger Federer leeft nog, en toch schreef Dyer een boek over de laatste dagen van Federer. Voor de speler zelf, de sporter in dit geval, eindigt het spelen met de laatste bewegingen op het veld, waarna in sommige gevallen, denk aan voetballers, nog een postscriptum als trainer mogelijk is, in andere gevallen, denk aan Boris Becker, verwordt men tot personage op zoek naar een roman: ‘De enige keer dat ik Boris Becker in het echt heb gezien,’ schrijft Dyer, ‘probeerde hij met alle geweld een toiletdeur open te krijgen bij Centre Court. De arme man kon nauwelijks lopen. Hij leek een knieprobleem en een heupprobleem te hebben, naast een haarprobleem, een faillissementsprobleem en, wat voor een Duitser heel ongewoon is, het verlies-van-diplomatiekeonschendbaarheid-als-attaché-van-de-Centraal-Afrikaanse-Republiekprobleem. Een foto daterend van de covidzomer van 2020 liet zien dat hij nu een (groot) rozebuikprobleem had, boven op zijn tenniselleboogprobleem.’
De amateur, in de zin van liefhebber, is een uitstervende mensensoort
De tegenwerping dat professionele sportbeoefening buiten ons onderwerp valt, omdat het spel belangeloosheid zou veronderstellen, kan ik niet serieus nemen. Onze cultuur is voorbij alle belangeloosheid. Ook het genieten en de ledigheid ontkomen niet aan het theater van de doelmatigheid, niemand kan zich eraan onttrekken, zelfs de dakloze niet, al was het maar omdat hij een probleem is dat de gemeente zo doelmatig mogelijk moet zien op te lossen. De tijd dat de aristocraten meenden dat werken, ja dat leven an sich iets was voor de knechten, ligt definitief achter ons. De aristocraat is een hardwerkende burger geworden die de vruchten van zijn werk weerspiegeld ziet in zijn onroerend goed, in enkele gevallen meent hij dat zijn kapitaal en zijn arbeid hem recht hebben gegeven op de aanschaf van een leuk bootje. Ook een ernstig spel, het bootje en zijn aanschaf, om over het onderhoud ervan maar te zwijgen.
De amateur, in de zin van liefhebber, is een uitstervende mensensoort. Sterker nog, toen ik een jaar of vier geleden meedanste in een dansvoorstelling, kreeg ik te horen dat ik in aankondigingen geen amateur-danser mocht worden genoemd, aangezien het woord ‘amateur’ denigrerend kon worden opgevat en daarom politiek incorrect was. De correcte benaming voor mijn rol in de dansvoorstelling luidde: niet-danser. Een etiket waarmee ik zeer wel kon leven. De niet-danser die een dansje komt doen. Veel meer wilde ik niet zijn en eigenlijk ook niet doen. Allicht dat het publiek indertijd een heup- en een knieprobleem heeft kunnen ontwaren, maar dat mocht de pret niet drukken, integendeel. We zijn ook Boris Becker in het diepst van onze gedachten. Wat we in het diepst van onze gedachten zijn, dat is het spel der spelen.
***
De val is eigenlijk alleen dan de moeite van het aanzien waard als de speler van een beetje hoogte naar beneden dendert.
‘Wie de goden willen vernietigen, die noemen ze eerst beloftevol,’ beweerde de Engelse criticus Cyril Connolly (1903-1974) en Dyer citeert hem met instemming. Natuurlijk, Beckers faillissements- en andersoortige problemen zijn vooral opwindend omdat hij voor zijn 22ste al drie keer Wimbledon had gewonnen. De val is eigenlijk alleen dan de moeite van het aanzien waard als de speler van een beetje hoogte naar beneden dendert.
Zou het vallen nog spelen genoemd kunnen worden? In sommige gevallen wel, de meesteroplichter die weet dat hij niet meer terug kan, verslaafd als hij is aan zijn eigen spel, moet zondermeer speler worden genoemd. Maar zoals de schilderijenvervalser Wolfgang Beltracchi (73) op een diner in Zurich in het voorjaar van 2024 tegen me zei: ‘Als ik een meesteroplichter was zou niemand weten dat ik schilderijen vervalste.’ Overigens vond Beltracchi zelf dat hij helemaal geen vervalser was en zeker geen oplichter maar dat hij kunstenaars als Marx Ernst, Francis Picabia, George Braque, gewoon had doen voortleven en in een moeite door had verbeterd. Zoals God tot Mozes had gesproken, zo sprak Picabia nu tot Beltracchi. De vervalser kortom was zelf een kunstenaar, maar een van het zeer onbegrepen soort. Beltracchi had niet zozeer knie- en heupproblemen als wel een realiteitsprobleem, waardoor hij een kleine zes jaar in de gevangenis had doorgebracht. Of het spel daar is geëindigd weet ik niet, die avond in Zurich was Beltracchi in elk geval een en al spel. Hij was ervan overtuigd dat hij iedereen te slim af was geweest, ondanks die tijd in de gevangenis waarover hij praatte alsof het een aardig hotel in Roemenië was, alleen het beddengoed viel tegen. Met de vriendelijke minachting waarmee de geneesheer zijn patiënt benadert vertelde Beltracchi tot slot nog iets over verzamelaars die tegenwoordig veel geld over hebben voor zijn vervalsingen.
***
Misschien is dat de voorlopige conclusie: het spel is ingeklemd tussen de problemen en de genade.
Het einde van de speler bestaat uit problemen die uit het spel zijn voortgekomen, zouden we het zo kunnen zeggen?
Neem bijvoorbeeld de situatie waar de problemen van medische aard zijn: daar waar je alleen nog maar kunt zeggen, ik ben deze pijn, ik ben mijn knie, ik ben mijn heup, ik ben mijn faillissement, ik ben mijn lijden, daar houdt het spelen op, en daarmee ook de speler. Een chirurg kan een operatie natuurlijk als spel benaderen, daarmee is hooguit gezegd dat het einde van de ene speler de geboorte van de andere is.
Ik ben nu geneigd te zeggen dat spelen nooit samenvallen met het spel is, maar ik heb dit nog niet opgeschreven of ik begin al te vrezen dat Boris Becker indertijd wel degelijk samenviel met zijn service en dat Roger Federer op zijn beste momenten samenviel met zijn backhand en ik moet bekennen dat ik zelf ook momenten ken die de naam ‘genade’ verdienen, waarop de schrijver samenvalt met zijn tekst.
Genade, is dat nog spel? Misschien is dat de voorlopige conclusie: het spel is ingeklemd tussen de problemen en de genade.
En natuurlijk hoeft het samenvallen met de problemen niet eeuwig te duren. De comeback blijft altijd tot de mogelijkheden behoren. Als de tennissport iets bewijst, dan is het dat. Voor de speler is de comeback wat de herrijzenis is voor Christus, een kenmerk van grootsheid. Een vorm van verzet, niet zozeer tegen de dood, maar tegen het einde van het spel. Jullie zijn nog niet van me af, zegt de speler die aan zijn comeback bezig is, ik ben Nietzsches Eeuwige Terugkeer in eigen persoon. Misschien had Beltracchi die avond in Zurich daarom de aura van de onoverwinnelijkheid als een sjaal om zich heen geslagen. Na zes jaar gevangenis is het hele leven een grote comeback.
***
Kort samengevat leert de christelijke leer dat de eersten de laatsten zullen zijn. En wat valt er meer te zeggen over dit ernstige spel?
Aan het begin van deze lezing zei ik, dat als het hele leven een spel is en alleen de dood een einde kan maken aan het spel, ik snel uitgepraat zou zijn. Als leven per definitie spelen is, dan heeft het weinig zin over de grenzen van het spel en het domein buiten het spel te spreken. Dat was echter buiten het Christendom gerekend, want het Christendom blijft zijn aanhangers spelen bieden: al liggen die aanhangers met meervoudige knie-, hart-, en longproblemen op de IC en al hebben ze al weken geen toiletdeur meer van dichtbij gezien, het Christendom houdt niet op te benadrukken dat er nog steeds iets op het spel staat. En je kunt veel van het Christendom zeggen, maar niet dat het snel uitgepraat is. Overigens was het Hannah Arendt (1906-1975) die niet moe werd te beweren dat niet het leven maar de hele wereld op het spel staat.
Misschien is het voor het moment nuttig de wereld buiten het spel als hiernamaals op te vatten. Kort samengevat leert de christelijke leer dat de eersten de laatsten zullen zijn. En wat valt er meer te zeggen over dit ernstige spel?
Voor zover elk spel een wedkamp is, of elementen van de wedkamp in zich draagt, is het einde van het spel het moment dat de winnaar zich voegt bij de verliezers met een zekere rancune dat hij niet al van het begin af aan bij hen mocht horen. De vraag is, wat doen we als het spel al is afgelopen, maar het leven nog niet? Wat als we voor ons 22ste al drie keer Wimbledon gewonnen hebben, maar de problemen ons sneller inhalen dan de dood?
***
Vallen is een van de grote menselijke hartstochten. Wie zou in alle eerlijkheid kunnen beweren dat hij niet nieuwsgierig is naar zijn eigen val?
Misschien is de vraag nog te passief gesteld, het is niet helemaal juist om te zeggen dat we alleen maar ingehaald worden door onze problemen, alsof we daar niet zelf de hand in hebben. Je zou kunnen zeggen dat Boris Becker niet zo lang geleden inderdaad een van de eersten was en dat hij nu bij de laatsten hoort, maar hij maakte die transformatie met zoveel overgave door, dat je moet concluderen: tennissen was zijn hobby, vallen was zijn hartstocht.
Ik zou eraan toe willen voegen dat het vallen een van de grote menselijke hartstochten is. Wie zou in alle eerlijkheid kunnen beweren dat hij niet nieuwsgierig is naar zijn eigen val? Niet de biologische val die dood heet, maar de maatschappelijke val die ongenade wordt genoemd. Je valt, zoveel weten we ook, om op te veren. Tot je niet meer opveert.
Zonder de verdenking op me te willen laden dat ik een psychopaat ben, kunnen we met Huizinga toch zeggen dat het spel zich aan gene zijde van de moraal bevindt. ‘Ligt het spel buiten de onderscheiding wijsheid – dwaasheid, het ligt evenzeer buiten die van waarheid – onwaarheid. Het ligt ook buiten die van goed en slecht,’ aldus Huizinga.
Wat niet wil zeggen dat de homo ludens geen geweten zou hebben. Dat zou te ver gaan. Wel dat de ontsporing inherent is aan het spel, de kleine ontsporingen die bij elke sportwedstrijd horen, en bij elke opvoering. Iets ging mis. Zelfs God heeft Zijn volk niet in de hand, anders had Mozes de stenen tafelen niet kapot hoeven te gooien. In dit verband moeten we ook John McEnroe noemen en het gegooi met zijn tennisracket als hij weer eens teleurgesteld was in zijn eigen spel of in dat van de scheidsrechter.
We moeten zeggen dat er iets ziekelijks in het spel zit. Het gaat om de uitzondering, niet de regel. Het spel, met zijn duidelijke en soms minder duidelijke grenzen, wil ontsporen. En het is, zoveel hebben we inmiddels gezien, een cruciale eigenschap van het spel dat de consequenties ervan verder reiken dan het spel zelf, dat het spel als het ware aan zichzelf én de speler ontsnapt. Daar beginnen knie- en andere problemen.
Nu kunnen we de vraag, die ik net al stelde, beter stellen: wat doen we als het spel al is afgelopen, maar het leven nog niet? Wat als we voor ons 22ste al drie keer Wimbledon gewonnen hebben, maar het faillissement- en de buikproblemen onweerstaanbaarder lonken dan een vierde titel? Of, wat als de geest van Picabia tot ons spreekt, en het de lokroep van de gevangenisbewaarder blijkt te zijn?
***
Ik weet niet wat Beltracchi in de gevangenis heeft gedaan, misschien is hij gewoon doorgegaan met vervalsen, de geest van Picabia komt tot je of die geest komt niet tot je. Maar ja, niet iedereen heeft het in zich om schilderijen te vervalsen. De meeste mensen vervalsen niets, alleen hun eigen leven. Voor hen is Jezus gestorven. Aan mensen als Beltracchi en Boris Becker kun je zien dat zij voor zichzelf zullen sterven, dat niemand anders dat voor hen hoeft te doen, dat niemand anders dat voor hen kan doen.
Het project dat Jezus op aarde in gang zette werd door Nietzsche als volgt bondig verwoord in De genealogie van de moraal: ‘De zwakte moet tot een verdienste omgelogen worden.’ Dat is wat de meesten van ons doen, en dat spel spelen we met z’n allen al een tijd.
Recent was ik uitgenodigd te komen spreken op een ggz-congres. Iemand opperde dat er in de ggz in veel gevallen weinig anders op zit dan het lijden uit te zitten zoals je een poëzieavond uitzit. Daarop stelde ik dat het nog beter is om te spelen met het eigen lijden. Om ervan te genieten. Hebt u een rozebuikprobleem? Geniet ervan. Dat is pas spelen. Het zelfmedelijden en de zelfkwellerij vormen twee van de ernstigste spelen die ons gegeven zijn en het is typisch dat Huizinga daar voornamelijk over zwijgt. Dat smerige hoekje van het menselijke huis wil hij liever niet betreden.
Het project dat Trump en zijn epigonen nu in gang zetten bestaat feitelijk hierin: dat zij de zwakte weer als schande willen herwaarderen terwijl zij de kracht opnieuw tot verdienste proberen om te liegen. De ideologie van het Trumpisme, een ernstig spel, heeft zich met heel zijn gebit vastgebeten in het gezicht van de verliezer, omdat die ideologie beseft dat de winnaar niets is zonder verliezer. Elon Musk beseft dit als geen ander, denk ik, wat zou verklaren waarom hij soms wat nerveus overkomt.
***
Tussen winnaar en verliezer zweeft ergens John McEnroe, die in zijn memoires zou hebben geschreven dat hij in de laatste jaren van zijn carrière voor ‘wereldklassemiddelmatigheid’ koos. Dyer, die deze woorden citeert, vindt die zelftevredenheid maar niks, hij staat dichter bij bokser Mike Tyson die op 44-jarige leeftijd concludeerde dat zijn hele leven, oftewel zijn loopbaan, het boksen waar hij menig hersenletsel voor over had gehad, een ‘verdomde miskleun’ was geweest.
Aan het einde van het spel: spijt.
Mij kan die wereldklassemiddelmatigheid bekoren, hoe nuffig ook. En ook voor Mike Tyson zal Jezus gestorven zijn. Maar ik wil de lauwheid van het Christendom en de levenslange verlenging van het spel nu achter me laten.
Er zijn als gezegd ook mensen die weten dat het afgelopen kan zijn met het spel lang voordat de dood zijn opwachting heeft gemaakt.
Ik denk dan vooral aan Don Juan, over wie Albert Camus (1913-1960) zo voortvarend heeft geschreven in zijn De mythe van Sisyfus, in de vertaling van Anton van Waarden, een tekst waarin ik mij lang geleden heb vastgebeten zoals Trump zich heeft vastgeklampt aan de verliezer.
Of Don Juan echt heeft bestaan is onduidelijk, maar hij is opgedoken in menig toneelstuk en opera en hij is wereldberoemd geworden als iemand die besefte in de woorden van Camus dat de liefde ‘telkens opnieuw moet beginnen.’ Hij is een man die niet wil dat het eindigt en daarom telkens opnieuw begint, geobsedeerd door het einde begint hij dwangmatig van voren af aan. Hij speelt de verleider omdat hij het einde van de liefde onverdraaglijk vindt.
Na een ‘bestaan van kortstondige vreugden’ – zo stelt Camus zich voor, gaat Don Juan dan toch naar het klooster. Niet voor het einde maar voor een waarlijk nieuw begin. ‘Welk angstaanjagender beeld kan men zich wensen: het beeld van een man die door zijn lichaam wordt verraden en die, omdat hij nu eenmaal niet tijdig is gestorven, de komedie tot aan zijn dood toe blijft spelen, oog in oog met een god die hij niet aanbidt, terwijl hij hem dient zoals hij het leven heeft gediend, geknield voor de leegte terwijl hij zijn armen opheft naar een sprakeloze hemel waarvan hij weet dat ook die geen betekenis heeft.’
Zijn er werkelijk geen angstaanjagendere beelden denkbaar? Toch wel denk ik, Boris Becker die op Wimbledon amper in staat is een toiletdeur te openen.
De een worstelt met God, de ander met een toiletdeur, maar zie Sisyfus, het gaat om de worsteling.
Omdat hij niet tijdig gestorven is probeert Don Juan nu God te verleiden, zonder in Hem te geloven – dichterbij het geheim van het religieuze spel, de overgave, het blinde vertrouwen, een soort van kortsluiting, is misschien niemand gekomen – en zo moeten we ons ook de worsteling van Boris Becker met die toiletdeur op Wimbledon voorstellen. De een worstelt met God, de ander met een toiletdeur, maar zie Sisyfus, het gaat om de worsteling. Becker is op eigen en behoorlijk originele wijze bezig aan een comeback, hij zet de komedie voort, hij weigert te doen wat men van hem verwacht.
De speler die verknocht is aan het spel, voor wie het spel een loopbaan of een vlucht is, voor zover die twee wezenlijk van elkaar verschillen, kan niet ophouden met spelen. Het boudoir wordt een klooster, het tennisveld een toiletdeur. De eeuwigheid lonkt maar uitsluitend als komedie.
***
We zijn wederom bij Nietzsche aanbeland, ik noemde al zijn Eeuwige Terugkeer, en de troost die hij ons te bieden heeft, voor zover dat het woord is.
Dyer vat Nietzsche zo samen: ‘Omdat de Terugkeer verzekert dat elk moment eindeloos herhaald wordt, zal Nietzsches eindfase van euforie – een mengeling van verwardheid en helderheid – wegebben, en gevolgd worden door het decennium waarin hij de kwijlende zombie was, en dan door zijn kindertijd, door de lange dagen en nachten van allereenzaamste eenzaamheid, zijn voortdurende ziektes en migraineaanvallen, de momenten van nieuwe hoop, altijd weer gevolgd door nieuwe ontgoochelingen, het groeiende besef dat hij gruwelijk veronachtzaamd werd (en zijn sluimerende, toenemende megalomanie).’
Of dat een correcte interpretatie is van Nietzsche moet hier even bijzaak. Iemand als politiek filosoof Bonnie Honig (66) meent dat de eeuwige terugkeer gaat over een poging verantwoordelijkheid te nemen voor je verleden. En je zou kunnen zeggen dat Boris Becker verantwoordelijkheid nam voor zijn triomfen door ze te verkwanselen. Dyer begrijpt Nietzsche vermoedelijk iets te letterlijk.
Waar het om gaat is dit: nieuwe hoop, nieuwe ontgoochelingen. Elke speler zal hierover kunnen meepraten. En ook de niet-spelers zullen wel iets hiervan weten. Al is het misschien net zo moeilijk je eigen irrationaliteit tijdig te herkennen als je eigen spel bijtijds te doorzien.
Geen spel zonder herhaling. Migraineaanvallen, de terugkeer van hoop, verse ontgoocheling. Camus zegt het mooier, beter, hij klampt zich vast aan zijn Don Juan: ‘Verzamelen wil zeggen dat men in staat is van zijn verleden te leven. Maar hij [Don Juan] weigert om ergens spijt van te hebben, wat een andere manier is om te hopen. Het is hem onmogelijk portretten te bekijken.’
De spijt als binnenstebuiten gekeerde hoop. Er is geen verleden om op te teren, Don Juan neemt verantwoordelijk voor zijn verleden door te zeggen: het is verdwenen, waar ik ben is mijn verleden niet meer, de veroveringen van gisteren? Sorry, ik moet me richten op de veroveringen van morgen.
De speler die zijn trofeeën verzamelt is verloren als speler. Camus laat zijn oude Don Juan uitkijken op een dorre Spaanse vlakte. God in wie hij niet gelooft zal door hem verleid worden, hij is klaar om van de ontgoocheling te genieten. Eens te meer bereidt hij zich voor op een comeback.
***
Het spel wilde aan Kierkegaard ontsnappen en Kierkegaard wilde aan het spel ontsnappen met als gevolg dat ze zich in elkaar vastdraaiden
Wat mogen we van de comeback verwachten? Een herhaling van het spel, en als er iemand is die grondig over de herhaling heeft nagedacht was het de Deense filosoof Sören Kierkegaard (1813-1855) die onder het pseudoniem Constantin Constantius een boekje schreef getiteld De herhaling. Ondertitel: een proeve van experimentele psychologie. Filosoof Johan Taels noemt het in een nawoord ‘een van de meest merkwaardige en raadselachtige werken die Kierkegaard ooit heeft geschreven’. En Kierkegaard heeft heel wat merkwaardige en raadselachtige werken geschreven. Het spel wilde aan Kierkegaard ontsnappen en Kierkegaard wilde aan het spel ontsnappen met als gevolg dat ze zich in elkaar vastdraaiden. Of zijn leven gelukkig kan worden genoemd waag ik te betwijfelen.
De cruciale gebeurtenis in Kierkegaards leven was de verbreking van de verloving met de toen 17-jarige Regina Olsen in 1840. Met een maniakale bezetenheid is hij tot zijn dood op die verbreking blijven terugkomen. Kierkegaard moet veel van Olsen hebben gehouden, maar hij kon zich die liefde niet toestaan. Misschien vreesde hij dat als hij eenmaal aan de verovering zou beginnen hij er nooit meer mee zou kunnen ophouden. Arnold Heumakers schrijft in een recensie dat naarmate Kierkegaard de herinnering aan die verloving vaker bezocht, de verloving ‘gaandeweg steeds vreemder en ongewoner is geworden’. Bij een schrijver als Franz Kafka (1883-1924) die zich twee keer verloofde met dezelfde vrouw, Felice Bauer, om die verloving ook twee keer te verbreken, kunnen we soortgelijke tendensen waarnemen. Kafka is maniakaal met Felice Bauer bezig geweest: eerst streed hij hard met alle middelen die de briefkunst hem gunde om haar voor zich te winnen en vervolgens streed hij net zo hard om zich weer van haar te ontdoen. In enkele van Kafka’s beroemdste werken zijn royale sporen te vinden van deze worsteling met de liefde en Felice Bauer, een ernstig spel.
Maar Kafka had ook andere passies. Kierkegaards imposante oeuvre daarentegen lijkt exclusief te zijn voortgekomen uit de verloving en de verbreking ervan, hij beet zich erin vast, zoals Boris Becker in die toiletdeur.
***
Wie zich alleen nog vastklampt aan de herinnering, leeft niet meer
In het eerste deel van De herhaling lezen we, in de vertaling van Annelies van Hees: ‘De hoop is een verrukkelijk meisje dat tussen je handen doorglipt. De herinnering is een prachtige oude vrouw, waar je echter in het heden niets aan hebt.’ En een paar zinnen verderop: ‘Degene die alleen maar wil hopen is laf; degene die alleen wil herinneren, is wellustig. Maar degene die de herhaling wil, is een man en hoe geraffineerd hij in staat is gebleken haar helder voor te stellen, des te dieper mens is hij.’
Camus had Kierkegaard aandachtig gelezen. Zijn Don Juan weigert te leven van de herinnering, dan zou hij een ordinaire verzamelaar zijn, hij weigert te hopen want er valt niets te hopen, hij wil slechts de herhaling, desnoods met God, als zijn lichaam hem in de steek laat. God als laatste keus, God als de onooglijke.
Het eerste deel van Kierkegaards boek bestaat uit een inleiding van Constantin Constantius waarin deze toelicht hoe hij de vertrouweling is geworden van een jongeman die ‘zijn geliefde met heel zijn hart liefheeft, maar desondanks ongelukkig is.’ De diagnose van Constantius luidt dat de jongeman zich die hele liefdesgeschiedenis al herinnert nog voor die werkelijk heeft plaatsgevonden. De oude Grieken zagen in de herinnering wijsheid, maar je kunt ook in de herinnering het geïdealiseerde herkennen, het gestolde, het bijna-dode. Wie zich alleen nog vastklampt aan de herinnering, leeft niet meer.
Taels vat de adviezen van Constantius zo samen: de jongeman moet breken met zijn geliefde, genezen van zijn dichterlijke dwalingen, om zich dan opnieuw te verloven met hetzelfde meisje – voilà de herhaling, die we natuurlijk ook comeback zouden kunnen noemen.
Is de herhaling nu een wezenlijk kenmerk van het spel of is het spel datgene wat de herhaling in de weg zit en waarvan men moet genezen?
Kun je genezen van het spel?
Misschien is dat wat Becker ons vertelt, misschien heb ik me vergist, hij zet het spel niet voort, hij beëindigt het, zo feestelijk als mogelijk: Kijk naar mij, drievoudig winnaar van dit toernooi, ik ben genezen van het spel, ik kom de wc niet meer in.
***
‘De mens is slechts speelgoed in Gods hand en dat is het beste wat aan hem is: daarom moet hij ernstig deelnemen aan de godsdienstige, de schoonste spelen’
Ik zei al dat het Christendom probeert de speler ongeneeslijk ziek te verklaren: men zal spelen tot de dood. Tegenover die claim heb ik in deze lezing, bij wijze van second-opinion, enkele voorbeelden gegeven van niet-dode niet-spelers: het is mogelijk om bij leven uitgespeeld te zijn. De speler die dan geen speler meer is kan concluderen: de laatste comeback ligt achter me. Niemand hoeft voor mij te sterven en weer op te staan.
Maar Kierkegaard suggereert dat deze comeback toch niet mogelijk was geweest als iemand anders niet had geleefd.
Job speelt een belangrijke bijrol in De herhaling. In een van zijn brieven aan zijn vertrouweling verzucht de jongeman: ‘Als ik Job niet had! Het is onmogelijk te beschrijven welke betekenis hij voor me heeft en hoe genuanceerd die betekenis is.’
Onmogelijk, daar begint de taak, de vrijheid zou je moeten zeggen.
Om nog even kort samen te vatten: Job is het product van een weddenschap tussen God en satan. Satan denkt dat Job alleen van God houdt omdat het zo goed met Job gaat. Satan zegt met zoveel woorden tegen God: ‘Laat me Job alles afnemen en met ziekte slaan en die man zal niet meer van je houden.’ God, ook maar een God, blijkt gevoelig voor deze uitdaging en staat satan toe Job alles af te nemen en met ziekte te slaan. Een ernstig spel, zoveel is zeker, hooguit kun je vragen: wie speelt met wie? Vermoedelijk is dat een kenmerk van de eindfase van het spel, als je je die vraag moet stellen.
In de laatste heruitgave van Homo Ludens neemt bezorger Anton van der Lem een briefje op van hoogleraar Geschiedenis van de Wijsbegeerte Tsjitze de Boer aan Huizinga naar aanleiding van diens voordracht over de spelende mens, de Boer citeert Plato: ‘De mens is slechts speelgoed in Gods hand en dat is het beste wat aan hem is: daarom moet hij ernstig deelnemen aan de godsdienstige, de schoonste spelen.’
Me dunkt dat de spelers die ik hier heb genoemd, hoeveel afkeer, onbegrip en misschien zelfs huivering zij in sommigen van u ook hebben mogen oproepen, gehoor hebben gegeven aan de oproep tot deelname aan de schoonste spelen.
***
Aan het einde van het verhaal van Job besluit God om Job al zijn bezittingen dubbel terug te geven. Kierkegaards ongelukkige jongeman verzucht dan in een van zijn brieven: ‘Dat noem je een herhaling.’
Ja, inderdaad, dat is nog eens een comeback.
Als Job hier speelgoed wordt genoemd, laat dat woord dan niet opgevat worden alsof wij mensen slechts vissen zijn in een aquarium in een Chinees restaurant waar het de goden behaagt op zondagmiddag een paar garnalendumplings weg te werken. We zijn zoveel meer dan dat. De jongeman zegt het in een brief zo: ‘Het grootse van Job ligt daarin dat de hartstocht van de vrijheid in hem niet verstikt wordt of met een verkeerd woord gerustgesteld.’
Maar Job had natuurlijk het voordeel dat toen hij met medische problemen geslagen werd het geruststellende woord nog geboren, nog vlees moest worden.
‘Mijn liefde laat zich niet in een huwelijk uitdrukken,’ schrijft de jongeman. ‘Doe ik dat, dan is ze verslagen.’
Het huwelijk als geruststelling. De geruststelling, ook een einde van het spel.
Deze jongeman schrijft overigens aan zijn vertrouweling dat hij zijn meisje trouw toont ‘door haar te bedriegen’. Zoals Beltracchi kunstenaar is door te vervalsen.
‘Op het moment dat de werkelijkheid haar intrede doet, is alles verloren, dan is het te laat,’ schrijft de jongeman. In het nawoord echter stelt Kierkegaardverklaarder Johan Taels dat de filosoof de jongeman het advies geeft de ‘dichterlijk-esthetische identiteit’ op te geven om een werkelijke verhouding met het meisje aan te gaan.
Een werkelijke verhouding? Aha.
Als de werkelijkheid haar intrede doet dreigt het spel verloren te gaan, zoveel kunnen we toch zeggen, zonder dat het spel zich buiten de werkelijkheid bevindt.
De jongeman drukt het zo uit: ‘Wat is de menselijke taal voor een jammerlijke uitvinding die het een zegt en het ander meent.’
Maar het is die uitvinding en dan vooral de jammerlijkheid ervan die het spel pas mogelijk maakt.
Pas daar waar de speler samenvalt met zichzelf en zijn pijntjes, waar het een wordt gezegd en precies hetzelfde wordt gemeend, daar houdt de speler op.
En vervolgens zit er niets anders op dan aan zijn comeback te beginnen. Of op te houden met spelen.
‘Ik wacht op onweer – en op de herhaling,’ schrijft de jongeman.
Laten wij dat nu ook doen.
New York, januari, februari 2025





