06.08.25
Hoofdstuk twee uit Simon Schama’s Overvloed en onbehagen gelezen, dat handelt over de bijbelse analogieën tussen het volk van Israël en ‘de Nederlanders’ die toen nog aan het worden waren, beide een uitverkoren volk dat een verbond met God had gesloten. Deze analogie achtervolgt ons nog altijd, maar Schama laat ook zien dat ze altijd onzekerheden en dubbelzinnigheden herbergde en als vaderlandse mythe niet altijd de helderheid en samenhang bood die ze suggereerde. Dit lijkt me nog altijd waar: ‘het vergruisde geschiedbeeld’ noemde Romein onze herinnering aan de Opstand niet voor niets, wat Pepijn Brandon noopte tot de vaststelling dat er in de Nederlandse geschiedschrijving sprake is van ‘een revisionisme zonder veel te reviseren’. /// Naar het Simke Kloostermanhuis in Twijzel, het voormalige woonhuis van de bemiddelde Friese schrijfster, die de eerste moderne roman in het Fries schreef, De Hoara’s fen Hastings. Het boek, een familieroman, speelt zich af in de streek rond Twijzel, de Friese Wouden, in de tijd van Domela Nieuwenhuis en Piter Jelles Troelstra. Ik kwam haar op het spoor doordat Kloosterman een roman schreef (een van de weinige in Nederland) over de Franse Tijd, It jubeljier. Blijkt uit De Hoara’s nog sympathie voor het opkomende socialisme, in It jubeljier herschrijft ze haar eigen familiegeschiedenis: de in het boek beschreven Oranjegezinde overtuigingen waren eerder die van de schrijfster zelf dan die van haar voorgeslacht, dat zich juist aansloot bij de Friese Patriotten, die zich juist in deze provincie waar de adel steviger stond dan elders, zeker Holland, scherp toespitste. De vergissing van Troelstra, die in 1917 riep dat de revolutie niet halt zou houden bij Zevenaar, wordt wel aangevoerd als de reden voor deze breuk. De historische roman biedt zo een rechtvaardiging van de eigen tijd van reactie en de weggemoffelde, traumatiserende episode van de Bataafse Republiek weet zo maar moeilijk een reële plek in het collectieve geheugen te verwerven. Het huis is weinig veranderd sinds haar dood in 1938, althans in het deel dat is opengesteld voor publiek, al is door de jaren heen niet helemaal meer duidelijk wat nu door Kloosterman is gebruikt en wat niet. In het rechterdeel van het huis woont de museumbeheerder, die ons rondleidt en met wie zich een gesprek ontspint over de bronnen van haar schrijverschap in de streek, waar ze iedere zomer verbleef. De rest van het jaar woonde ze in Den Haag, waar ze andere ‘Friezen om útens’ ontmoette en van waaruit ze reizen maakte door heel Europa. Achter het huis ligt een landschapstuin in Engelse stijl, met theehuis waar ze met verloofde Douwe Kalma de Friese-literatuur-die-Europese-literatuur-moest-worden doornam. Aan de zoom van de tuin staat een eik, omgeven door een kleine weide waarop wel eens poëzieavonden zijn georganiseerd, onder de naam Jan Ritskes Kloosterman Poëzienacht. Ook haar vader, een eenzelvige maar getalenteerde man zonder zin voor het boerenleven, was literator. Daarna lopen we het Simkepaad af, dat naar een zogeheten pingo leidt, een meertje dat is ontstaan in de laatste IJstijd. Het is een rijke, zoemende en geurende omgeving, vol vennetjes, mossen, lelies en vlinders, die gevoelens van verrukking oproept en nog iets van het oude landschap dat Kloosterman bezong moet hebben bewaard. De heide waar buurdorp Twijzelerheide naar verwijst is inmiddels cultuur gebracht. /// Naar Leeuwarden, voor koffie en boekhandelbezoek bij De rode loper. Je moet hier sneupen, want niet alles staat goed geordend, maar dan vind je ook wat: Aan het volk van Nederland van Joan Derk van der Capellen tot den Pol, anoniem over het land verspreid in 1781 vanuit geblindeerde koetsen. Verder: Anne Wadman (Kogels voor een labbekak), De Littenser merke van Ale S. van Zandbergen en een wegenkaart de Auvergne, een vulkanische regio in Frankrijk die we graag willen bezoeken. Geen Kloosterman in de kasten, maar daar loop ik nog wel eens tegenaan. Tot die tijd zijn er de ebookversies van DBNL. /// Begonnen in Wadman, die man kan schrijven.

