Flemish Review de la Poëzie #21
Maart 2026
In deze editie van Flemish Review de la Poëzie vind je:
Het examen
door Bob Vanden Broeck
Goede vrijdag
door L.J. De Brouwer
Goede vrijdag. D en ik brengen de hele dag thuis door. Luierend. Lezend. Knuffelend. Onze seks wil niet goed lukken. We verwachten te veel dat het vloeit, denk ik. We praten erover. Daarna gaat het beter. Tegen 22 uur gaan we in bed liggen voor een dutje. Soezen steeds verder. Om half twaalf staan we op. Drinken een koffie. Is er een dresscode? D leest op haar telefoon. Dress to undress. Come as you are. Be ready to be transformed. Ok. Gemakkelijk. Ik trek een spannend blauw fluo shortje aan en een rode croptop. Geen onderbroek. Geen make-up. Een blauwe en een rode sok om beide stukken met elkaar te verbinden. Ik scheer me niet. Voel me queer genoeg om een baardje te kunnen dragen. We vertrekken. Het regent. D gaat terug naar binnen en haalt een paraplu. We wandelen zwijgend naar de metro. De regen tokkelt. Ik koop een bier. Iemand speelt op een ukelele en zingt I kissed a girl van Katy Perry. D kust me op de wang. Brede glimlach. We geven geen geld. Lange rij in de regen. D houdt de paraplu vast. Ik lees voor over het één-sekse-model. Voor de negentiende eeuw dachten de meeste mensen in Europa dat er maar één sekse bestond en dat de vrouw een afgeleide, zwakkere versie van de man was. Door een gebrek aan hitte bij de conceptie waren de genitaliën bij de vrouw naar binnen gekeerd, maar in se waren ze wel hetzelfde. Daarom was er voor de bevruchting ook vrouwelijk zaad nodig. Al had dat door de lagere hitte in het vrouwenlichaam wel een doorzichtiger kleur. Er was dus geen enkel ontologisch verschil tussen man en vrouw. De verschillen bestonden in gradatie. Om ons heen klinken gesprekken. Licht opgewonden sfeer. Ik heb geen schrik voor de bouncer. Sommigen om ons heen lijken dat wel te hebben. Groep Britse toeristen voor ons. Maken geen kans. Ik doe toch maar een oranje kopdoek aan om er een beetje queerer uit te zien. De regen houdt eindelijk op. De groep voor ons krijgt enkele lastige vragen voorgeworpen. Dan worden ze onverbiddelijk afgewezen. De bouncer scant ons. Zijn jullie met zijn tweeën? Ja. D antwoordt. Waren jullie al eens op dit feest? Ja. Ik knik. Ga maar.
Garderobe. Overal mooie halfnaakte mensen. We doen onze buitenkleren uit. Stampen ze in onze rugzak. We gaan binnen. De ruimte is anders ingedeeld als de vorige keer. De playzone begint recht voor de ingang. Afgeschermd met een gordijn. Links de toiletten. Rechts de grote dansvloer. We gaan eerst naar het toilet. Geen rij. Leuk. We komen een kennis tegen. Zeggen hallo. Gaan verder. D bereidt de drugs voor. Een goeie lijn mdma om te beginnen. We snuiven. We plassen. D observeert aandachtig hoe ik plas. Mag ik de volgende keer je voorhuid naar achteren trekken? Ok. We stappen weer naar buiten. Ik bekijk mezelf in de spiegel. Vind me mooi. Zullen we iets te drinken halen en de ruimte verkennen?
We halen een drankje. Komen nog een kennis tegen. Zeggen hallo. Gaan verder. Eerst even in de playzone kijken. Een kleine dansruimte voor een dj-booth. Links en rechts zetels. Op een podium achter de dj een groot en goed verlicht hemelbed. Rechts een deur naar de echte darkroom waar het zeer donker is. In de darkroom is het nog rustig. Enkele mensen hebben seks. Anderen babbelen. We lopen verder. De grote dansvloer. Zitruimtes aan beide zijden. Open ruimte in het midden. Mensen dansen. Ik wurm me ongemakkelijk door de menigte. Bots tegen lijven aan. Voel me nog niet helemaal thuis. Al die mooie queers. En hebben die niet veel meer afgezien dan ik? Waar haal ik het recht vandaan hier te komen? Zijn D en ik als je onze genitaliën bekijkt eigenlijk niet hetero? De dj schudt mijn gedachten van me af. Ik geraak in een groove. De drugs beginnen te werken. Naast me duikt de schrijver S.v.S. op. Ziet er sexy uit. Als altijd. D zwijmelt. Ik zeg hallo. Hen stelt me voor aan hun vrienden. Another Dutch writer. Ik glimlach. Dans verder. De beats beginnen mijn lijf over te nemen. D tikt tegen mijn schouder. Zullen we een joint gaan roken? Ik geraak er niet helemaal in. Ik knik. We gaan zitten. Roken en babbelen een beetje. S.v.S. is erg sexy. Ja. De dj is goed. Ja. Zullen we een beetje keta nemen? Ok. We gaan naar het toilet. Komen T tegen. T zegt me dat die mijn oorbel niet heeft meegebracht. Hoewel die er wel aan gedacht heeft. Ik lach ongemakkelijk. De vorige keer met T is het nogal slecht afgelopen. T is jaloers geworden over hoe intens ik seks had met P en ik ben veel te high uit diens huis gevlucht. Toen ben ik in de stad verdwaald en met een paniekaanval thuisgekomen. D neemt me in bescherming en voert het woord. Een cabine komt vrij. P komt straks ook, roept T nog terwijl we het toilet ingaan. We nemen keta. Analyseren de situatie. Ik zeg D dat ik niet zo goed weet wat ik wil, maar zeker niet opnieuw met T wil seksen. Is het een probleem als ik met T zou seksen, vraagt D. Ik denk even na. Nee. Als het mogelijk is, zal ik het je vertellen als ik me ongemakkelijk voel. Anders zal ik mezelf gewoon verwijderen. Is dat ok? Ja. Eigenlijk voel ik me wel goed. D kijkt me met grote ogen aan. We kunnen dit wel goed hé? Wat? Lief zijn voor elkaar en toch ruimte laten. Ja.
We gaan opnieuw naar de grote dansvloer. D wringt haar kleine lijf door de mensenhoop. Ik volg haar. Ik ben vloeiender geworden. Deel van de omgeving. Thuisgekomen. Ik voel me hier thuis, fluister ik in D’s oor. Wat? Laat maar. We dansen. Groovy beats. Lijnen van soulliedjes erdoorheen gewoven. Ik wil mijn beide armen vrij hebben. Zet mijn bier aan de kant. Laat me in de muziek vallen. Ik zie P voor me opduiken. Ik twijfel om hallo te gaan zeggen. D zegt hallo. Ze beginnen meteen met elkaar te dansen. Ik zeg kort hallo. Een beetje awkward. P en D kussen. Ik dans alleen. Voel me toch erg goed. P verdwijnt. Een kringetje vormt zich. Een open plek in het woud. We wisselen oogcontacten uit. We glimlachen. Onze ledematen verleiden elkaar. D tikt op mijn schouder. Zullen we even gaan zitten?
We gaan zitten. D raakt in gesprek met een beroemde Berlijnse darkroomtheoreticus. Ik kan niet horen wat ze zeggen. Ik kijk om me heen. Zie P in gesprek een beetje verder. Ik ga op de grond voor hen zitten. Zeg tegen de persoon bij P dat ik hen mooi vind. Die glimlacht. Ze beginnen te knuffelen. Er komt een plaats vrij naast hen. Ik vraag of ik tegen hen aan mag komen zitten. Ze knikken. Ze praten met zijn tweeën. Ik kan niet horen wat ze zeggen. Plots vraagt P me of ik hen alleen kan laten. Het werkt niet voor ons. Ik schrik. Ah ja. Geen probleem. Ik schuif een paar meter op. Kijk naar links. Zie hoe D wild aan het kussen is met de beroemde Berlijnse darkroomtheoreticus. Kijk dan naar de dansvloer. Voel me een beetje ontgoocheld. P heeft precies hun plezier met me wel gehad. Spijtig. We konden nochtans zo goed met elkaar seksen. Na ja. Het zij zo. Ik geniet van de mooie dansende mensen om me heen. Ben benieuwd wat D te vertellen zal hebben over haar gesprek met de beroemde Berlijnse darkroomtheoreticus. Ik ben blij dat ik hier ben.
D staat op. Komt naar me toe. Heb je zin om een beetje te seksen? Ik schud met mijn kont naar haar. Ze slaat er op. Ja. We roken een joint. Gaan naar de playzone. Dansen. De muziek is goed. Te goed. Ik word alweer meegesleurd. De groep dansende mensen om me heen wordt steeds groter. Allemaal samen in de groove. D tikt op mijn schouder. Zullen we? Ah, ja. Ik wil je graag beffen. Ok, zegt D, maar je moet ook je vingers gebruiken. Ik knik. We gaan naar de darkroom. Vinden een plekje naast een seksend paar. Ik begin te beffen. Eerst zonder vingers. Ik kan D’s reacties door de muziek niet horen. Ik doe verder op gevoel. Ik kijk op. Ik zie hoe D de bovenste persoon van het andere paar kust. Ik maak oogcontact. Glimlach. Bef verder. De persoon naast me wordt gepijpt. De pijpende persoon wisselt en begint D’s tepel te likken. Ik neem het pijpen over, terwijl ik D vinger. Alles loopt een beetje door elkaar. De drie personen hebben plezier boven me. Ik lig onderaan en verzorg de aanrakingen van de genitaliën. Leuk. Één persoon stopt en verdwijnt. Ik pijp nog een beetje verder. Dan stoppen we allemaal. Dat was leuk. Bedankt. Ciao.
We gaan naar het toilet. Meer keta en een beetje mefi voor de euforie. D verdwijnt even. Ik kom P tegen. We zeggen hallo. Kus op de wang. Mijn lijf brandt. Hen brengt hun mond naar mijn oor. Fluistert. D vertelde me daarnet dat ze fantaseerde over hoe ik jou neuk op het hemelbed, terwijl zij vanop de dansvloer toekijkt. Oh, interessant. We kijken elkaar in de ogen. Ja. We lopen verder. Ik kom D weer tegen op de dansvloer. Mijn benen zijn nu echt op hol geslagen. Keta zorgt ervoor dat je op de dj verliefd wordt. Er bestaat geen afstand meer tussen je lichaam en de muziek. Geen gedachten meer. Je denkt met je lijf. D en ik dansen tezamen. Onze armen glijden over elkaar. Mijn hand belandt in haar broek. Ik streel haar buitenkant. Volg de beats met mijn handen. Dan slipt mijn vinger bij haar naar binnen. Mijn vinger danst in haar kut. De rest van mijn lijf doet mee. We hebben bekijks. Zullen we dit in de playroom doen, vraagt D.
Playroom. Sensuele muziek. Ik vinger D terwijl we dansen. Zacht. Lief. Seks om ons heen. Wil je me ook vingeren, vraag ik. Ja. D stop met dansen. Ik ga even glijmiddel halen. Ik dans verder. In blijde verwachting. D blijft een tijdje weg. Ik denk aan wat mijn grootmoeder me onlangs bij een Westmalle zei over haar onbestaande seksleven. Geduld is een mooie deugd, maar na een tijdje heb je al eens goesting in andere deugden. Ik lach. Ze zal iemand tegengekomen zijn. Ik flirt en dans met de persoon naast me. D komt terug. Houdt vrolijk een tube glijmiddel in de lucht. Zullen we op het hemelbed gaan liggen? Ok, zeg ik, terwijl ik me bedenk dat ik liever ook gewoon gedansvingerd wil worden. Ik ga op mijn buik op het bed liggen. Zeg hallo tegen de mensen die er al liggen te seksen. Ik voel het koude glijmiddel aan mijn anus. D’s vinger glijdt naar binnen. Mijn aars bestaat uit boter vandaag. Heb al goed gezweet natuurlijk. En de drugs. Maakt alles wat minder gevoelig. Ze vingert me. Ik beeld me in hoe je vanop de dansvloer mijn kont vanuit het bed kunt zien steken. Met D’s vingers erin. Dat windt me op. Ik maak oogcontact met een persoon naast me die gebeft wordt. We glimlachen. Als mijn genot intenser wordt, grijp ik haar onderbenen vast. Ze grijpt mijn arm. Na een tijdje vraag ik D of ze me ook op de dansvloer wil vingeren. Oh. Ja. We dansen. D vingert me. Ik beweeg mijn kont op het ritme van de muziek terwijl haar vinger in me op en neer schuift. De muziek neukt me. Ik glijd. Na een tijdje stopt het. Applaus. Ik bedank D. Dat mag je van mij een hele avond doen. Ze glimlacht. Brengt haar vinger naar mijn neus. We ruiken er samen aan. Lekker. We giechelen. Ik ben een beetje moe, zegt D, ik ga even zitten.
We gaan naar de grote dansvloer. Ik dans. D zit aan de kant. Ik dans met een extreem aantrekkelijk persoon die heel beheerst en heel ritmisch beweegt. Een mooie clash met mijn eigen wilde ledematenzwieren. We zeggen hallo. You and that small person, so cute, zegt hen. En maakt een hartje met de vingers. Ik bedank hen. Dans even met beroemd schrijver S.v.S. Te intimiderend. Met anderen. Ik ga D zoeken. Vind haar niet. Raak aan de praat met een naakte man met keppeltje die met zijn tefillin zit te spelen. Zal ik het even rond je arm binden? Ja. Waar zullen we voor bidden? Wel, zegt hij, het is pesachtijd en vroege morgen, dus misschien moeten we bidden voor de dauw. Waarom voor de dauw? Hij krabt kort in zijn haar. We reciteren het gebed voor de dauw op de eerste dag van Pesach. Dat is het virtuele einde van de winter en we stoppen dan met bidden voor regen en wisselen naar het bidden voor de dauw. Waarom bidden jullie niet voor regen in de zomer, vraag ik, dan heb je het toch meer nodig? Hij lacht. Omdat het frustrerend is, zowel voor ons als voor God, als we voor onmogelijkheden bidden. Het regent nooit in Israël in de zomer. Ah, ja, logisch. Hij zegt het gebed in het Hebreeuws. Ik luister. Hij streelt mijn armen. Kijkt me diep in de ogen. The image of the tefilat tel is sweet. We ask god to let dew drop sweetly on the blessed land, to let dew sweeten the honey of the hills. Ik voel zijn woorden in mijn onderbuik. Hij kust me. Zijn kus smaakt naar citroen. Hij streelt mijn wang, maakt de tefillin los en vertrekt. Ik dwaal een beetje rond. Luister gesprekken af. Observeer kussende koppels. Thuis. Ik voel me hier thuis. Ik hoor mijn naam. Kijk om me heen. Zie D tussen een groep mensen zitten. Ga naar hen toe. Hey. Hey. Ik probeer een sigaret te rollen. Het lukt niet zo goed. De persoon naast me geeft me een blaadje. De zon is ondertussen opgekomen. Iemand wijst naar het raam. Kijk, dat is de boom van de kennis. Ik kijk rond. Zie hoe ze overal aan de vensters stickers gehangen hebben die glasramen imiteren en het licht in vele kleuren filteren. It’s like a church. Yeah, it is good friday today, zeg ik, the day Jesus dies. Why do they call that day good? Dat weet ik niet, antwoord ik. D stelt voor nog een lijntje keta te nemen. Ze wil nog wat dansen. Ik ga akkoord. Zullen we het gewoon hier doen? Ik heb geen zin om naar het toilet te gaan. Ok. We snuiven. Doet geen pijn meer aan de neus. We hebben er al genoeg doorgejaagd. Keta werkt meteen. We gaan dansen. Achteraan deze keer. Meer ruimte voor het ledematenzwieren.
Waarom is de muziek zo extreem goed vandaag? Ik verlies me weer. Begin te dansen met een lief, verlegen, schattig persoon. Is grappig. Normaal ben ik de lieve, verlegen, schattige persoon op deze feestjes. De persoon vraagt of we met ons drieën willen dansen. D zegt ja. We dansen. Ik neem initiatief. Kom steeds dichter naar hem toe. Langzaam. Hou zijn ogen vast. Donker. Melancholisch. We kussen. Hij stopt met dansen. Kan precies slechts stilstaand kussen. Ook goed. Ik stop ook. De kus is heerlijk. We dansen verder. Oh, maybe I want to kiss with both of you. Hij kust ook met D. We dansen met ons drieën. Hij vraagt me of D en ik een koppel zijn. Ik antwoord dat we vrienden zijn. Oh, wauw, wat een mooie vriendschap. Had jullie vroeger op de avond al gespot. Wilde graag met jullie kennismaken. Ik heet A. Oh, wat lief. We schudden elkaar de hand. We dansen. We kussen. We dansen. We kussen. Hij neemt me vast. Ik heb nog niet zoveel ervaring, fluistert hij me in het oor. Ervaring met wat? Deze feestjes. Publieke seks. Ik lach. Kus hem op de wang. Ervaringen kan je verzamelen. We dansen. Hij is erg mooi en lief, fluister ik D in het oor. Wat? Hij is erg mooi en lief, roep ik. D knikt heftig. Alleen spijtig dat hij stopt met dansen bij het kussen. Ja. We gaan met ons drieën even zitten. Wisselen telefoonnummers uit. Babbelen een beetje over het leven. Beloven elkaar dat we in de toekomst eens met ons drieën zullen afspreken. Hij biedt ons meer keta aan. We gaan weer dansen. En kussen. En dansen. Ik haal een drankje. Als ik terugkom zie ik dat D met P aan het praten is. Ik zeg hallo. Dans dan verder met A. P en D kussen. A en ik kussen. Ik durf niet echt naar P toe te gaan door de afwijzing daarnet. Voel me een beetje ongemakkelijk. Misschien praten ze over mijn voorval de vorige keer? Ik verlies mijn aandacht voor A. Voel me schuldig. D komt naar me toe. Ik begrijp niet goed wat ze tegen me zegt, maar het is iets met naar een andere ruimte gaan. Ik knik. Misschien willen ze praten. P komt naar me toe. Sorry voor daarnet. De persoon met wie ik was, is precies nogal jaloers. Oh, geen probleem, antwoord ik. We lopen naar de playroom. Tijd om D’s fantasie in vervulling te doen gaan, zegt P. Ik schrik. En A? Ik heb hem gevraagd of hij mee wilde komen, zegt D, maar hij voelde zich te verlegen en te onervaren. Ik vraag mezelf of ik hier zin in heb. Mijn lichaam schreeuwt ja.
De dansvloer in de playroom is leeg. Geen dj meer. Heeft niet veel zin om het in het hemelbed te doen. Laat ons naar de darkroom gaan. Het is druk. We kruipen over enkele seksende mensen en vinden een plekje in de hoek. Wat zullen we doen? Dit is D’s fantasie, zeg ik, laat haar beslissen. Jullie kunnen doen wat jullie willen. Ze lacht. Ik wil gewoon kijken en mezelf vingeren en op jullie squirten. Als ik aanwijzingen heb, zal ik die wel geven. Ok. P kijkt me aan. Om te neuken, zijn er twee voorwaarden. One, your hole has to be open. And two, my dick has to be hard. P geeft me instructies. Ik ga op mijn knieën voor hen zitten. Stoot met mijn voeten tegen andere seksende mensen. Zeg sorry. Ik lik P’s dijen. Trek aan hun tepels. We kussen. Ik neem P’s piemel in mijn mond. Volledig. Is nog slap. Ik voel hoe de piemel langzaam groeit. Mijn mond wordt kleiner. P stoot vanuit de dijen steeds dieper in mijn keel. Met elke stoot groeit het gevoel dat ik weldra zal moeten kotsen. P houdt mijn hoofd vast. Duwt en stampt en stoot. Hun piemel glipt ongewild uit mijn mond. Ik voel hoe de tranen over mijn wangen stromen. P kust me. Ik bijt in hun nek. Hard. Hen kreunt. Luid. Ik lik en ik bijt en ik lik en ik bijt. Wauw, you’re very good at neck licking. Ik oefen veel. P en ik hebben leuke seks. We domineren elkaar op verschillende manieren. Ik hen met tederheid en enthousiasme. Hen mij met hun kracht. Met hun stoten. Door me te slaan. Door op me te spugen. Kan ik je mond nog wat neuken? Ja. Hen neukt mijn mond. Hard. Ik probeer het steeds langer vol te houden. Kokhalzen. Hoesten. Bijna overgeven. Maar die piemel blijft diep in mijn keel. Na een tijd wordt het weer te veel. De piemel glijdt uit mijn mond. Ik ben aan het wenen, zeg ik. P kijkt me teder aan, buigt zich voorover en likt de tranen van mijn wangen. Ik lach. Hoe zal ik je noemen, vraagt hen. Crybaby, antwoord ik. We lachen. D ligt naast ons in een plas van squirt. Ik wrijf er met mijn hand doorheen en laat P proeven. Tasty.
Ok. Tijd nu voor je holletje. P draait me op mijn buik. P wrijft met glijmiddel over mijn aars. Ik voel me veilig in hun capabele handen. Hen vingert me. Eerst één vinger. Dan twee. Nog steeds boter. Wil ik dit? De gedachte zweeft door mijn lijf. Ja. Ik kreun. Stoot opnieuw tegen andere seksende mensen. Ze zuchten en verplaatsen zich. Ik kijk P schuldbewust aan. Die lacht en maakt een extra grote draaiende beweging met hun vingers. Ik kreun. Sluit mijn ogen. Geef me over. Een andere persoon begint over mijn kont te strelen. P stopt hem. You’re being impolite, moet je eerst vragen. Sorry, is dit ok? P wijst naar mij. En aan hen. Hij vraagt me. Ik zeg dat het ok is. P vingert me verder, terwijl hen met de andere persoon kust. D is zich nog steeds aan het vingeren. Ze zit in een plas van haar eigen sappen. Ik glimlach naar haar. De derde persoon vertrekt alweer. Zegt vriendelijk gedag. Ik draai me om. Dan kan ik P aankijken. Hen vingert me. We kussen. Ik bijt hen. In de nek. In de tepels. In de armen. Hen steekt hun andere hand in mijn mond. Diep tot ik kokhals. Ik probeer in hun vingers te bijten om het tegen te houden. Lukt niet. Ik laat los. Vingers diep in mijn keel. Ik geniet. Hen pijpt me. Mijn piemel is slap en klein. Toch voelt het goed. De vingers glijden. Ik wil me over de vloer uitsmeren. De binnenkant bestaat niet. Wil ik meer? Misschien. Wil ik meer? Nee. Ja. Het gaat verder. Nee. Ja. Uitersten. Misschien wil ik wel terug naar mezelf. Waarschijnlijk niet. Daarom heeft de vader mij lief, omdat ik mijn leven geef, om het daarna weer terug te nemen. Niemand neemt het mij af. Ik geef het uit eigen vrije wil. Je denkt dat je niet meer wil, dat je niet meer kunt, maar als het dan doorgaat, voel je je nog een stukje beter. Ik glans als de vloer. Wandel op me. Alsjeblieft. P spuwt in mijn gezicht. P slaat me hard. P pijpt me. P vingert me. Ok. P stopt. Tijd om je te neuken. Daarvoor zijn we tenslotte hierheen gekomen. D knikt. Maar eerst moet mijn piemel weer hard worden.
Zelfde procedé. Pijpen tot ik kokhals. En opnieuw. Als hun piemel hard is, doet P een condoom om. Ik draai me om. P geeft me poppers. Probeert zich naar binnen te duwen. Is niet hard genoeg. Ik ben niet open genoeg. P gebruikt hun vingers om alles nog wat meer open te trekken. Geeft me meer poppers. Je moet een goeie dosis nemen. Hen houdt het flesje onder mijn neus en duwt mijn andere neusgat dicht. Een grote hit. Ik duizel en zie vlekken. P probeert het opnieuw. Hun lul is niet helemaal hard. Het lukt niet. We geven op. Glimlachen. Zeggen sorry tegen D. Ik pijp P. Speelser deze keer. Steek mijn tong in hun plasgaatje. Hou hun eikel in mijn mond, terwijl ik met mijn tong eromheen draai in een wasmachinebeweging. Alles wat ik leuk vind om te doen, werkt heel goed bij P. En omgekeerd. Ik ga tussen D’s benen liggen. Ze speelt met mijn tepels. P kust afwisselend met mij en met D. P spuugt in mijn mond. In mijn gezicht. Vingert me. Hard. zacht. Lief. Ik krab aan alle stukken van P die ik kan bereiken. Lik het zweet van hun lijf. Trek aan hun tepels. Trek aan hun haar. P stopt me. Mag ik mijn tong in je neusgat steken? Ja. Het voelt grappig. Leuk. P vingert me hard. Steekt hun tong diep in mijn neus. Ik laat mijn volle gewicht op D vallen. Die bijt in mijn oren. Oh. Oh. Heb ik genoeg? Heb ik genoeg? Ik wil even stoppen, zeg ik. En wat water drinken. Is er hier water? Nee. P staat op en gaat water voor me halen. D en ik lachen naar elkaar. P komt terug. Geeft me water. We have good fun together. I never had sex with a couple and liked both people. We glimlachen. P kijkt me aan. Do you want to finger my hole too? Ik knik enthousiast. Twijfel dan even of ik dat wel goed genoeg kan. Duw die gedachte weg. Een persoon komt de darkroom binnen. Het feest eindigt binnen een half uur. We zouden graag hebben dat iedereen naar de dansvloer komt zodat we allen tezamen kunnen afsluiten. We kijken elkaar aan. Ok, zegt P, mijn holletje zal voor een andere keer zijn.
We gaan naar de dansvloer. Ik zie A. Wenk hem naar ons toe. Hij komt. We dansen met ons vieren. D danst meer met P. Ik meer met A. Ik voel me te sterk tot P aangetrokken. Ga ook met hen dansen. De muziek is heerlijk. Alles stroomt. De hele ruimte. Stroomt. We kussen. P duwt mijn hoofd naar D. We kussen. P komt erbij. We kussen met ons drieën. Ik zie in mijn ooghoek hoe A verdwijnt. Voel me een beetje schuldig. Dan niet meer. Ik wrijf me in met P’s zweet. Lek het van hun schouders. Ik prevel de woorden die ik me nog herinner van het gebed voor de dauw. Ik fluister P in het oor dat hun zweet lekker smaakt. Hen proeft van zichzelf. Ah, yes. We dansen. Can I finger you while we dance, vraag ik aan P. Die knikt. Heb je glijmiddel nodig? Nee. Ik denk dat ik genoeg heb gezweet. Ik glijd naar binnen. Zie hoe de mensen om ons heen naar ons kijken. Opgewonden. Aandachtig. Ik vinger op de beat. Hard. Bijt ondertussen in P’s nek. Trek hun krullende blonde haren naar achteren. Dans met de rest van mijn lijf. D en P kussen. Om ons heen wordt geflockt. Blikken. Ik kijk terug. We zijn in onze eigen wereld. En ook niet. Wil je een tweede vinger gebruiken? P gaat even naar de kant. Wrijft glijmiddel in hun aars. Biedt me hun kont weer aan. Ik vinger met twee vingers en ik dans. Mijn vingers dansen in hun lijf. D en P kussen. Ik en P kussen. We kussen met ons drieën. P kreunt. Ik bijt en ik lik en ik dans en ik vinger en ik bijt en ik lik. De muziek echoot binnen in P’s lijf. Overal. Overal. Ik stop met vingeren. We dansen met ons drieën op de laatste nummers. Knijpen de laatste restjes energie uit onze lijven. P houd mij langs achteren vast. Ik druk me tegen hun grote lijf. Voel hun piemel tegen mijn kont. Ik wrijf mijn lijf over hun lijf. Trek hun hoofd aan de haren naar achteren. P houdt me stevig vast. Ik kan nergens heen. Onze lijven bewegen synchroon. En toch botsend. Botsende deeltjes. Ontlading. Energie. Hen bijt in mijn nek. Hard. Ik kreun het uit van de pijn en ik dans en ik dans en ik lik P’s oksels en ik wrijf het bloed van mijn nek in D’s gezicht en ik dans en ik steek mijn tong in P’s neusgat en het smaakt een beetje raar ja een beetje en ik dans en ik lach naar D en D lacht naar mij en gekreun ook en gehijg en we dansen en de muziek stopt. Gejuich. Applaus. We kijken elkaar glimlachend aan. Gaan zitten. Zwijgen.
We roken een joint tot we buiten gekuist worden. Gaan naar de garderobe. Ik zing binnensmonds. De show is afgelopen, de klus is hier geklaard, dat kaartje in uw zak, dat is nu niets meer waard. Ik denk aan de feestjes uit mijn tienertijd. In het dorp. P en D kijken me vragend aan. Ik lach. Haal mijn schouders op. We zitten op de vloer. Doen onze buitenkleren aan. D gaat nog snel even naar het toilet. Wat zijn jouw limieten eigenlijk, vraagt P. Wat bedoel je? In seks. Goh, antwoord ik, dat weet ik niet zo goed. Tot nu toe geen. Ik ben nog nooit echt aan een limiet gekomen. Ik heb veel dingen nog niet geprobeerd. Wat zijn de jouwe? Plasseks, en fisten. Al wil ik wel graag ooit eens gefist worden. Aha. D heeft vorige week voor het eerst iemand gefist. D komt terug bij ons zitten. We lachen. Waar hebben jullie het over? Fisten. D kijkt ons vrolijk aan. Ik heb de kleinste handen van de hele wereld. P neemt D’s handen vast. Bekijkt ze aandachtig. Ja. Dat zou wel eens kunnen lukken.
Correspondenties na Robberechts
door Hannah van Binsbergen en Daniël Rovers
Op 19 december 2025 vond in de KANTL een colloquium plaats over de Vlaamse prozaïst en essayist Daniël Robberechts. FRP-redacteur Mathijs Tratsaert ging die dag in gesprek met vier Robberechtslezers, ieder van een andere generatie: Leo Pleysier, Karl Van den Broeck, Daniël Rovers en Hannah van Binsbergen. Hoewel het panel twee uur duurde, bleef er veel ongezegd. FRP vroeg daarom aan Daniël om te reageren op een statement dat Hannah tijdens het panel uitsprak, wat het begin werd van een kleine correspondentie. Hieronder lees je eerst het statement van Hannah, met daarna de briefwisseling.
‘Werkelijkheidshalve kunnen we maar één enkel verhaal vertellen: het onze.’ Zo schrijft Daniël Robberechts in Tegen het personage. Er zijn weinig poëticale uitspraken die verder van me afstaan.
Ik kwam Robberechts op het spoor door een persoonlijk onderzoek naar de mogelijkheden van een democratisch proza. Ik voelde me bekneld door de voor de hand liggende paden in literair proza; ontevreden met de formulaïsche romans over een vertwijfelde middenklasse, waar mijn eigen eerste roman uiteindelijk ook onder geschaard kan worden, taalde ik naar Ander Proza.
Ideeën van marxistische auteurs die een committering aan de klassenstrijd wilden verzoenen met hun literaire werk, trokken me aan, zoals Jacques Vogelaar en Lidy van Marissing, die in de jaren zestig en zeventig uitgesproken ideeën hadden over hoe het anders moest met de literatuur.
Daaronder lag het begin van een legitimiteitscrisis in de letteren die zich in de zestig jaar sindsdien alleen nog maar verdiept heeft.
Ook Robberechts reageert op die crisis, zij het op een heel andere manier dan zijn tijdgenoten. Waar Van Marissing de commercialisering van communicatie te lijf gaat door een mes in het beeld te zetten en te wijzen op de collectieve werkelijkheid die achter vermarkte individuele consumptie zit, trekt Robberechts zich juist terug in het individuele. Maar met het ‘vertellen van het eigen verhaal’, zoals Robberechts doet in zijn bijna exclusief autobiografische proza, claimt hij een realisme dat ver afstaat van de traditionele ‘realistische roman’, maar ook van de meeste memoires en literaire dagboeken: geen verslag van het heroïsch, geniaal individu, maar een levensbeschrijving met oog voor de aspecten van de individuele werkelijkheid die weggesneden worden in de stilering van de realistische roman: dagelijkse bezigheden en gedachten, vervoer, wachten, pornografie, het weer. Het gaat hem om een literatuur met ‘de hartslag van het leven’. Een radicaler realisme.
De droom van veel schrijvers is een soort effectief ingrijpen in de werkelijkheid door middel van het veranderen van het bewustzijn van lezers. Dat is ook waar de eerder genoemde crisis roet in het eten gooit: als er geen lezers zijn, gaat het hele democratiseringsplan niet door. In zijn Dagboek ’68-69 uit Robberechts zijn zorgen over de ‘kunstmatigheid van de literaire cultuur’, waarin de schrijver moet verschijnen op een manier die de essentie van lezen en schrijven verloochent: als lichamelijk persoon, als voorbeeldmens in plaats van de intieme stem die vanaf de pagina spreekt, gekuist van ‘tongval, medelijden of afschuw voor een lichaamsgebrek, argwaan of sympathie’ en alle andere verschijnselen die ‘een goed begrip kunnen schaden’. Als linkse intellectueel uit Robberechts zich kritisch over de commercialisering van de literatuur, waarin ‘kunstmatig een behoefte aan literatuur gecreëerd wordt’ met middelen die de literatuur vijandig zijn, zoals het laten verschijnen van schrijvers op evenementen, op televisie, in interviews in bladen etc. Het feit dat dit nu minder dan ooit gebeurt, en wij als schrijvers moeten vechten om een plaats in de steeds dunner wordende cultuurkaternen, laat het falen van de commerciële strategie voor het boekenvak zien. Uiteindelijk biedt de vermaakindustie, zoals Robberechts ook schrijft, veel directere manieren om verlangens te bevredigen, ook de verlangens naar verhalen. Daar kan het meest opgedirkte literaire bestel niet tegenop.
Ik vraag me af wat ik van Robberechts’ werk had gevonden, als ik niet in een tijd had geleefd waarin autobiografisch proza, een verre echo van het ‘compromitterende schrijven’ van Robberechts, zo door de markt omarmd was, dat het ‘persoonlijke verhaal’ een verkoopstrategie is waar je je nauwelijks aan kan onttrekken. De verwachting is dat de auteur met de billen bloot gaat en samenvalt met de werelden die ze schetst, uit een soort misplaatst epistemologisch-politieke vooronderstelling dat je verbeeldingen van een werkelijkheid die je niet zelf leeft in het beste geval beperkt en in het slechtste geval immoreel zou zijn. Wellicht hebben die omstandigheden mijn afkeer gevormd van alles waar de geur van bekentenisliteratuur aan kleeft. Die geldt in zekere zin ook voor Robberechts’ proza. Wat me uiteindelijk niet bevredigt in de realismeopvatting van Robberechts, is de onderliggende aanname dat schrijven überhaupt mimesis van een menselijk leven moet zijn. Dat de werkelijkheid en het leven van mensen synoniemen zouden zijn. Die beperking verveelt me.
Tegelijkertijd trekt zijn weigering om mee te spelen met het spel van een ‘literaire cultuur’, zijn persoon niet in de strijd te gooien, mij aan, maar ik denk dat de ruimte voor schrijvers om zo te weigeren en toch schrijver te blijven, alleen maar gekrompen is naarmate het ego-aspect een belangrijker onderdeel van de literaire werken zelf is geworden. Een anti-commerciële literatuur zou schrijvers de vrijheid geven om zo veel of zo weinig van hun leven publiek te maken als ze nodig achten. De vraag is of er een publiek is voor zulk soort literatuur, en of dat uitmaakt. Ik ben inmiddels van mening dat democratisering van literatuur niet bereikt kan worden met louter literaire middelen.
Dag Hannah,
Wanneer ik Daniël Robberechts voor het eerst op het spoor kwam? Dat zal pas in Brussel zijn geweest, zo rond 2008, toen ik er aan mijn uiteindelijke romandebuut Elf levens schreef. Ik was op mijn manier ook bezig met ‘ander proza’, maar dan met de vooral Amerikaanse variant ervan – David Foster Wallace als erfgenaam van Pynchon en Gaddis die aan hun grensverleggende werk een ‘menselijkere’ invulling gaf, kort samen te vatten onder de stelling dat literatuur, en ik citeer uit mijn hoofd, wat zeker niet mijn sterkste kant is, erover ging wat het betekende om een fucking human being te zijn.
Dat was zo ongeveer ook de samenvatting van een thema dat in het tijdschrift Yang centraal had gestaan in de jaren dat ik er redacteur was – een hernieuwd geloof (zo mag je het wel noemen) in mimesis, in een mediale vorm van realisme als antwoord op de radicale postmoderne fragmentatie en vervreemding. Dat staat interessant genoeg haaks op jouw kritiek op juist een mimesisopvatting waar het menselijk leven een te centrale plek zou innemen. De vraag is dan vervolgens wat een ruimere, andere mimesis zou kunnen inhouden? In jouw werk ligt, vermoed ik, het antwoord besloten.
Zo rond 2008 moet ik de ‘Totaaltekst’ van Robberechts hebben geleend uit de bibliotheek; ik zal hebben gehoopt op zoiets als de Infinite Jest van de lage landen, maar kreeg niet wat ik verwachtte en heb het boek zo goed als ongelezen weer ingeleverd, het spel met de retorische vormen ontging me en had me ook niet bovenmatig geïnteresseerd. De experimenten die mij bezighielden waren de varianten op bestaande levensbeschrijvingen, interviews, biografieën, en de vraag hoe je die populaire vormen zou kunnen aanwenden om tot de kern van het romaneske te komen. Auteurs als Schwob en Kiš gaven daar aansprekende antwoorden op.
Een tweede opening in het oeuvre van Robberechts verschafte me een tijd later de postuum gepubliceerde, door zijn collega’s en vrienden samengestelde essaybundel Een lezen leven. Ik raakte nu wel direct onder de indruk van zijn openheid, intellectuele nieuwsgierigheid, strengheid en stijl. Bijvoorbeeld in een essay over Virginia Woolf, dat drijft op door Joop van Helmond vertaalde, door Robberechts onbeschroomd frikkerig verbeterde citaten uit haar brieven en dagboeken. Kerncitaat van Robberechts:
‘Wat autobiografische documenten zo onschatbaar maakt is voor mijn part niet zozeer het feit dat je met de auteur kan meevoelen of je met hem kan identificeren, maar juist omgekeerd: dat er een ogenblik komt waar je niet meer kan volgen, waar je voelt dat je op het onherleidbaar en specifiek vreemde van een ander stoot.’
Revelerend: hier verwoordt Robberechts zowel de fascinatie voor beschreven levens als de grote reserves die daartegenover binnen de letterkunde bestonden en bestaan – de reductie van een oeuvre tot een auteur, of de reductie van een verzameling teksten tot de auteursfunctie. Het essay gaf me een flinke por om eindelijk eens een oud plan te verwezenlijken, een podcast over het leven van de dichter Jeroen Mettes te maken, juist omdat zijn ‘discours’ en poëzie sterk genoeg zijn om naast dat leven te bestaan. Ik herinner me nu opeens dat ik je destijds over precies dit plan vertelde, in Schiller aan het Rembrandtplein in Amsterdam, en dat je antwoordde dat juist die kant je volkomen koud liet. Wat een verademing, vergeleken met een loos ‘goh, ja, interessant!’
Je spreekt van je afkeer van bekentenissenliteratuur, en wat het betekent voor jouw waardering van Robberechts’ autobiografisch proza dat het laatste decennium dit ‘compromitterende schrijven’ door de markt is omarmd. De grote schaamlippen. Dagboek ’65-’66 (de versie uit 1987) las ik direct na Een leven lezen, en hier had ik opnieuw een aan jou tegengestelde reactie – de bedenking, voor wat die waard is, dat Robberechts hier zowat een halve eeuw op zijn tijd vooruitliep! Ik denk dat die positie in ethische zin (zijn moed) niet verheerlijkt hoeft te worden, uiteindelijk is al dit blootgeven, vooral tegenover zijn echtgenote Cee, nogal zelfgericht. Maar het is de manier waarop hij schrijft, de lucide en beknopte combinatie van bekentenissen, neuroses en telkens ook ideeën, die de reden vormt dat dit zoveel jaar na dato nog zo fantastisch wegleest.
Kort nog dit: de door jou in de KANTL uitgesproken tekst ging ook over democratisch, ‘open’, niet door de markt gedicteerd proza. Je sloot af met: ‘Ik ben inmiddels van mening dat democratisering van literatuur niet bereikt kan worden met louter literaire middelen.’ Ik weet niet zeker of je hiermee verwijst naar de auteurs die zich zouden moeten ontfermen over de ‘productiemiddelen’ (Walter Benjamin), waar het in het panelgesprek over ging. Drie van de deelnemers aan het panelgesprek hebben dit min of meer al gedaan, jijzelf met de oprichting van Jacobin Nederland, Karl Van de Broeck met Apache, en Mathijs Tratsaert met Flemish Review de la Poëzie, dus die keuze is al (door ons en al eerder voor ons) gemaakt.
Ik zou tot slot alleen nog een kanttekening willen maken bij Robberechts’ cultuurkritiek, zijn kritiek dus op de commercialisering van literatuur, zijn cultuurpessimisme soms, wat een kritiek is op Robberechts’ stellingen zelf. Juist waar Robberechts een doorgedachte historisch-materialistische kritische analyse van de cultuursector geeft, in Bezwarende geschriften (1984) vooral, is hij paradoxaal genoeg het meest eenzelvig, en grotendeels onleesbaar. Het wordt altijd minder met de cultuur, zou je kunnen zeggen, gezien de huidige grove besparingen in Vlaanderen, en in Nederland wordt al langer met dat botte bijltje gehakt, maar toen Robberechts eind jaren zeventig klaagde over de Vlaamse culturele leven stond nota bene net de grote bloei van de zogeheten Vlaamse golf van met name het theater en de dans voor de deur. Er zijn meerdere richtingen die een geschiedenis kan nemen.
Daarom dit laatste Robberechts-citaat, het slot van zijn ‘Brief naar Texas’ (Een leven lezen), die wijst op een niet onbelangrijke ‘taak’ van de auteur: ‘op de bodem van de schrijfonderneming vind ik uiteindelijk altijd maar dit ene, onmisbare: het onbedaarlijke, obsceen eigenzinnige plezier in het bewerken van materiaal dat toch altijd maatschappelijk blijft.’
Warme groet,
Daniël
Beste Daniël,
Hoe moet ik me een houding geven in deze briefwisseling? Ik heb het gevoel dat ik door hieraan mee te doen betrokken raak in wat ik afwijs. Ik wil geen open brieven, ik wil briefgeheim, of nog beter, onverstuurde brieven. Tegelijkertijd voel ik me uitgedaagd om mijn afwijzing van het autobiografische op een andere dan psychologische - en dus autobiografische - manier toe te lichten.
Ik leerde jou kennen via David Foster Wallace, wist je dat? Ik schreef een stuk voor een krant over de vertaling die jij en Iannis Goerlandt maakten van De Bleke Koning, Foster Wallace’s onafgemaakte laatste boek. Niettemin herinner ik me dat ik zijn werk toch vooral voor mijn plezier las; dat ik er ook iets over kon schrijven was bijvangst. Daarom maakten ze ook zo’n indruk op me: ik las ze niet als schrijver, maar met de onbevangenheid van de avontuurlijke lezer. Die onbevangenheid werd nog versterkt door het feit dat ik geen idee had van de cultstatus van de schrijver. Ik wist nog net dat Foster Wallace een einde aan zijn leven had gemaakt, maar dat hield me niet bezig. Zijn biografie met de mooie titel ‘Every love story is a ghost story’ kreeg ik ooit, maar staat nog steeds onaangeroerd in mijn kast. Aan die periode van onbekommerd DFW-liefhebber zijn kwam, mede door het vooronderzoek voor dat artikel, snel een einde. Het beeld van de gekwelde schrijver met de bandana ging steeds meer voor de personages in zijn verhalen staan, en als een soort irritant ‘director’s commentary’ dacht ik bij elke spitsvondigheid die me vroeger zo charmeerde aan een gefaalde phd-student die indruk wil maken op zijn ouders, bij elk stukje onderbroekenlol: dit staat hier omdat die man het grappig vond. Dan lukte het me niet meer om het zelf grappig te vinden. Prima, de verliefdheid was voorbij, en ik volgde de lijn van invloed terug tot Thomas Pynchon, waarvan niemand gelukkig iets weet buiten zijn boeken om.
Het is een val waar Robberechts nooit in zou lopen: hij wilde zichzelf juist bevrijden van de fictie, zodat zo’n conflict van werkelijkheden zich nooit zou voordoen. Er is geen onderscheid tussen de publieke figuur Robberechts en de schrijver Robberechts. Hij vermeed publiek optreden, vermeed interviews en wilde niet op de foto. Maar anders dan bij iemand als Pynchon leidde dit niet tot speculatie of nieuwsgierigheid: je wist precies wie hij was, want dat vertelde hij je letterlijk in zijn werk. Er was geen strijd tussen werkelijkheid en fictie omdat er geen fictie was.
Wat me destijds aantrok in Wallace was zijn omgang met ironie. Het leek een noodzakelijk vertekpunt, maar ook iets waar ik en veel van mijn tijdgenoten aan wilden ontsnappen, omdat het handelen in de weg stond. In Wallace’s boeken moet je lagen en lagen van ironie en slimmigheid afpellen om uit te komen bij waar het hem dan uiteindelijk om gaat, een soort christelijk existentialisme, een oprechte uitdrukking van wat het is om mens te zijn. De ironische schijnbeweging was een noodzakelijke stap. Wat is er veel veranderd sindsdien.
Ik denk dat we inmiddels onironisch over dingen kunnen schrijven waar we de afgelopen dertig jaar vooral een beetje lacherig over deden. Je hoeft je bij het grote publiek niet meer in te dekken om het op een gevoelige, oprechte manier te hebben over hoe jij het menszijn ervaart. Hoe directer hoe beter: de schijnbeweging is uit de mode. Literatuurwetenschapper Anna Kornbluh ziet deze voorkeur voor onmiddellijkheid (Immediacy, zoals haar boek hierover ook heet) als een culturele uitwas van de enorme rol die circulatie in het hedendaags kapitalisme speelt: de winst valt niet langer te behalen door het opvoeren van productiecapaciteit (want dat kan bijna niet), maar door het verwijderen van obstakels in de circulatie van waren: gladheid, gelijktijdigheid, lichtverteerbaarheid. Livestreams en just-in-time supply chains aan de ene kant, en aan de andere cultuurgoederen die hun boodschappen meteen prijsgeven: content zonder vorm. In haar boek kwam ik een lachspiegel tegen. Een citaat van de bekendste egoromancier van deze jonge eeuw: ‘De gedachte alleen al van een verzonnen personage in een verzonnen plot, van fictie, maakte me misselijk, ik reageerde er fysiek op. (…) de enige genres die voor mij enige waarde hadden, waren dagboeken en essays, het soort literatuur dat niets met narratief te maken had, die nergens over gingen, die alleen uit een stem bestonden, de stem van je eigen persoonlijkheid. Kunst kan niet collectief ervaren worden, niets kan dat.’ (Karl Ove Knausgård, mijn strijd, boek 2). Hij verwoordt hier precies waar ik me van wil bevrijden. Die fysieke reactie is precies wat ik ervaar wanneer ik hedendaagse autofictie lees. Het zoeken naar een uitweg uit de crisis van collectiviteit is de motor van mijn literaire werk. Grappig, hoe we gedoemd zijn tot dialectiek.
Dat zou ook mijn antwoord zijn op jouw vraag over wat een ruimere mimesis zou kunnen inhouden: wat mij aantrekt in fictie is juist het kunnen innemen van perspectieven die in het dagelijks leven niet tot onze beschikking staan. Dus in feite alles behalve het louter individuele perspectief, alles behalve de reductie tot persoonlijkheid. Jij hebt het over je enthousiasme, het antwoord van Wallace, jaren geleden. Hoe zie jij de veranderingen sindsdien? Waarvan wil jij je bevrijden?
Groetjes,
Hannah
Dag Hannah,
Een briefwisseling in het openbaar, ja, wel een gekunstelde vorm, een tautologie dus, en een oxymoron – een enscenering van vertrouwelijkheid. Wat valt eraan te doen? Toch proberen niet al te veel voor de bühne te schrijven, vermoed ik. Dat is jou gelukt.
Om met je vraag te beginnen – waar wil jij je van bevrijden? Vooral, geloof ik, van valse schaamte die me ervan weerhoudt juist die gevoelens en gedachten te doordenken, en daarmee te doorleven waar ik haast automatisch voor terugdeins, omdat ze vreemd, ongepast, bedreigend zijn, in de eerste plaats voor mezelf. Dat is een persoonlijk maar natuurlijk ook nog altijd abstract antwoord, juist wat me aan Robberechts fascineert.
Ik ben de afgelopen jaren bezig geweest met een autobiografisch boek over mijn lagereschooltijd in een buurtschap in het oosten van het land. De eerste schaamtegrens die doorbroken moest worden was een primaire – mezelf belangrijk genoeg vinden om dat zelf tot onderwerp te maken, om uit te pluizen, bloot te leggen, scherp te stellen, in perspectief te plaatsen, zonder al te behaagziek of, nogmaals, beschaamd te zijn. Een fragmentarisch verhaal, omdat ik niet zo zeker ben over het verloop, laat staan de afloop ervan, in de veronderstelling zo de geschiedenis niet al bij voorbaat vast te leggen in de eindtijd waar we anno 2026 bij zijn aanbeland. Een gat in de geschiedenis te vinden waardoor ontsnapping mogelijk zou zijn.
Zou je daar de kritiek van Kornbluhs Immediacy op kunnen toepassen – een laat-kapitalistische onderdompeling in authenticiteit en schijnbare onbemiddeldheid? Vast wel. Maar dat kun je ook op Immediacy zelf, zoals Anton Jäger in De Witte Raaf suggereerde. In een complexe vorm als literatuur zou de schrijver toch kunnen proberen te tonen in hoeverre onze verlangens altijd al bemiddeld zijn, juist in een poging daar met nieuwe, eigen vormen doorheen te breken.
Sven Vitse en Hans Demeyer formuleerden het net iets anders en ruimer, en spraken van de affectieve dominant in hedendaagse proza. Ik was en ben daar enerzijds sceptisch over, affecten, gevoelens, emoties zijn toch altijd al onderwerp van literatuur geweest? Anderzijds hebben ze het gelijk aan hun zijde – de literatuur is na het postmodernisme veranderd, is persoonlijker, politieker, biografischer, zelfgerichter geworden. Zij situeren de romans die ze bespreken op een as die loopt van accommodatie tot verzet tegen het kapitalistische informatiesysteem, en ze zijn zo slim om ook dat verzet soms als reactionair te duiden. Blijft de vraag: hoe slagen schrijvers erin lezers te raken op een manier die niet voorgeprogrammeerd is? Wat zou Daniël Robberechts vandaag hebben geantwoord?
Ironie is nooit echt mijn probleem geweest, zou ik met enige bravoure willen zeggen. Al is het wel ironisch, in historische zin, dat Infinite Jest in het Nederlands als Eindeloos vertier verschijnt in een jaar waarin het niet meer zo speculatief is dat de Verenigde Staten onder leiding van een narcist-entertainer Canada zouden aanvallen, of dat er een kernoorlog uitbreekt (in een fictie binnen de fictie van IJ) op het moment dat Israël na een onverwachte aanval blind terugslaat.
Ik ben het met je eens: we kunnen inmiddels onironisch schrijven over zaken waar de afgelopen decennia lacherig over werd gedaan. Laatst had ik met overwegend jonge mensen, seculier naar ik aannam, nota bene een gesprek over bidden, en de zin ervan. Als het water tot je lippen staat, kun je alleen maar zwemmen.
Van Wallace zelf heb ik me trouwens wél moeten bevrijden, deels ook door die vertaling met Iannis te doen, en dan vooral van Wallace’ stijl, en de acrobatiek van zijn zinnen, waardoor ik een periode nogal een eenkennige lezer ben geweest. Dat ik inmiddels meer van de schrijver (DFW, bedoel ik) weet dan bij aanvang, vormt geen bezwaar, het verdiept de ervaring van die ellenlange zinnen over verslaving en depressie, ze zijn niet zomaar verzinsels. Benieuwd wat de nieuwe vertaling me voor leeservaring oplevert. Van tevoren weet je het nooit.
Ruimere mimesis. Ik kan het onderschrijven dat literatuur perspectieven zou moeten innemen die ongebruikelijk zijn, onvoorzien en zelfs ongedacht. Tegelijk heb ik ook het idee dat schrijvers, Robberechts indachtig, ook weer niet heel veel andere verhalen en perspectieven kunnen vertellen of innemen dan wat ze in zich hebben. Al verschilt het per genre, of beter gezegd, dat eigene verschilt per genre, en per schrijver, dat ook. Wat is bijvoorbeeld dat eigen verhaal en perspectief in poëzie, de eigen zinsbouw, prosodie, regellengte?
Ik moet denken aan Patricia De Martelaere, wat niet vreemd is, haar compacte oeuvre heb ik het afgelopen jaar gelezen. Geen generatiegenoot van Robberechts, wel een tijd- en landgenoot. Tegenover dat beroemde citaat van hem (over het enige verhaal dat een schrijver te vertellen heeft, het zijne) staat dit krachtige citaat van haar: ‘Misschien is wat we als lezer zonder aarzelen en zonder ongemakken ‘fictie’ zouden noemen niets anders dan ‘slechte literatuur’.’
De perspectieven die zij innam in haar romans en haar (enige) dichtbundel verschilden enorm, maar de thema’s en motieven zijn toch wel onder gemeenschappelijke noemers te brengen. Haar romanwerk is zéér persoonlijk en naar verluidt biografisch, terwijl ze haar privébestaan altijd ferm heeft afgeschermd van het publieke oog. Ze moet haast wel een dagboek hebben bijgehouden, gezien haar fascinatie voor dat genre, maar een dagboek is nooit van haar gepubliceerd, sterker nog, geen van haar literaire werken zijn nog in druk – zo luidt haar wilsbesluit, vermoedelijk stond haar taoïstische levensbeschouwing in haar laatste decennium haaks op elk verlangen naar eer en roem, naar deze vorm van (literaire) onsterfelijkheid.
Waarom hiermee eindigen? Ik geloof dat ik me van dat ijdele streven juist niet wil bevrijden – wel moet het losser komen zitten om méér dan mijn eigen navel te kunnen blijven zien. Of eenvoudigweg om die navel in de spiegel te kunnen aanschouwen zonder – onthecht is het woord nog niet – weg te kijken.
Warme groet,
Daniël
Overzicht van evenementen en publicaties
Evenementen
16 maart, L’Engravement, met Eva Kavian en Anne-Sophie Sterck (Brussel)
17 maart, Langue française en fête, met Camille Pier (Namen)
18 maart, Bundelpresentatie Villa Alllucina van Annemarie Estor (Antwerpen)
19 maart, Boekvoorstelling Mondruimte & Matroesjka’s, verzamelde hedendaagse Duitstalige poëzie door samensteller Ton Naaijkens, met onder meer Tom Van de Voorde, Sandrine Verstraete en Dirk Van Bastelaere (Gent)
19 maart, Vlaamse auteur Stefan Hertmans in gesprek met Vanessa Broes in Bib Bist (Wilrijk)
19 maart, Bunker Bûcher, met Emeline Marcour (Brussel)
21 maart, Play-off poëziewedstrijd De Middenstip (Gent)
21 maart, Uitreiking Herman de Coninckprijs 2026 (Antwerpen)
21 maart, Boekpresentatie De 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2026 (Antwerpen)
21 maart, Le Nouvel An Poétique (Amay)
26 maart, Meet the Writer, gespreksavond met vertaler en auteur Jakuta Alikavazovic (Brussel)
26 tot 29 maart, Foire du livre (Brussel)
29 maart, The Writer is Present, met Uschi Cop en Astrid Haerens (Oostende)
31 maart, Poeticafe, met Frank Keizer, Alara Adilow, Sarah de Koning en Dean Bowen (Brussel)
1 april, Het Schrijversparlement, met Alara Adilow, Hans Depelchin, Alix Garin en Mel Moya (Brussel)
2 april, Je suis un songe de liberté, met Ketty Nivyabandi en Huguette Izobimpa (Brussel)
3 april, Vers van het Mes, met Anne Ballon, Madelief Lammers, Myrthe Prins en Luna Schuddinck (Gent)
4 april, Boekvoorstelling Russisch voor hoop van Bert Moerman (Antwerpen)
7 april, Boekvoorstelling Zal je terugkomen van Reginald Verhofstede, met Bruno Vanden Broecke, Sven Speybrouck en Christophe Busch (Antwerpen)
7 april, Mais cette vie là demande toujours.plus.de.lumière, met Sabrina Calvo (Brussel)
9 april, Boekpresentatie Corpus Britney van Dominique De Groen (Gent)
10 april, En résonance II, met onder meer Morgane Eeman, Carl Norac en Caroline Boulord (Namen)
11 april, Les Rencontres du samedi, met Cécile A.Holdban en Gérald Purnelle (Brussel)
12 april, Bundelvoorstelling Daun van Kreek Daey Ouwens, met Mathijs De Ridder, Erik Lindner en Johan Sonnenschein (Sint-Niklaas)
13 april, Ce que le ventre dit, met Lisette Lombé, Marc Nammour et Jérôme Boivin (Brussel)
14 tot 18 april, Festival corps de textes (Luik)
17 april, Calligraphie du silence, met Pierre Warrant (Namen)
22 april, Auteurslezing Tom Lanoye over diens boek ReinAard in Bibliotheek Lokeren (Lokeren)
22 april, Bundelvoorstelling Tongval van het verdwijnen van de Klimaatdichters, met onder meer Astrid Haerens, Sara Eelen, Zindzi Tillot Owusu, Lies Van Gasse en Joke van Leeuwen (Antwerpen)
23 april, Boekvoorstelling Non Parlo van Mathilde Van Deynse (De Pinte)
23 april, Auteur Nele Van Den Broeck leest voor uit haar roman Iemand anders als deel van Bib in het Park (Wevelgem)
23-26 april, Vurrukkulluk, poëtische avonden rond Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert, met Willem de Wolf, Mira Feticu, Pascale Platel, Ahilan Ratnamohan en Maud Vanhauwaert (Ninove, Maarkedal & Antwerpen)
25 april, La Face nord de Juliau, met Nicolas Pesquès en Sami El-Hage (Brussel)
26 april, The Writer is Present, Alara Adilow in gesprek met Peter Verhelst (Oostende)
28 april, Uitgelezen april 2026 (Gent)
29 april, Gespreksavond met auteurslezing door Vincent Van Meenen in Bibliotheek Permeke (Antwerpen)
29 april, Boek- en bundelvoorstelling De vrouw van het meer van Sandra de Vivies en Mannen zonder hoofd van Lies Van Gasse, met gesprek door Katelijne De Vuyst en voordracht van David Paul (Antwerpen)
30 april, Dichters op donderdagen, met Alex Deforce (Antwerpen)
14 tot 25 mei, fiEstival maelstrÖm (Brussel)
Nieuwe bundelpublicaties
Annemarie Estor, Villa Allucina (PoëzieCentrum, maart)
Emilie Dewitte, Stolling (Weerwoord, maart)
Luuk Gruwez, Morren tegen de sterren (Arbeiderspers, maart)
Alexandra Castard, À l’ombre mon frère (maelstrÖm reEvolution, maart)
Badibanga Ndeka, Lisapo de Matonge (Midis poésie éditions, maart)
Collectif CEC plume&pinceau, Harmonie etc (Éditions Abrapalabra, maart)
Gilles Cherbut, Tels ces animaux tranquilles (Le Coudrier, maart)
L’Ami Terrien, harmonies sauvages (Éditions Abrapalabra, maart)
Jean Loubry, poèmes avec mots et cicatrices (Éditions Abrapalabra, maart)
Jean-Louis Massot, À peine al dente (Cactus inébranlable, maart)
Paola Guillén Crespo, Muyuy Kawsay (Éditions Abrapalabra, maart)
Pierre Warrant, Calligraphie du silence (Éditions Abrapalabra, maart)
Sabine Venaruzzo, La densité du squelette (maelstrÖm reEvolution, maart)
Xénia Maszowez, Cosmogonie du gouffre (Éditions Abrapalabra, maart)
Nieuw secundair werk
Lisette Ma Neza, Onvertaalbaar. Een ode aan meertaligheid (Academia Press, maart)
Prijzennieuws
Op 21 maart wordt de winnaar van de Herman de Coninckprijs bekend gemaakt. De genomineerden zijn Sarah de Koning met Tekstielen (Querido), Maxime Garcia Diaz met Het netwerk moet gebouwd worden (De Bezige Bij), Jolanda Kooijmans met Addertje (Koppernik), Peter Verhelst met Nachtatlas (De Bezige Bij), Yasmin Namavar met verblijf (Jurgen Maas) en Sandrine Verstraete met kamers (het balanseer).
Ook de lijst met kanshebbers op De Grote Poëzieprijs is bekend gemaakt. Drie Vlamingen dingen mee: Els Moors met Voer voor struikrovers (Arbeiderspers), Sarah de Koning met Tekstielen (Querido) en Charles Ducal met Tijd voor vrede (Atlas Contact)
Onder de taalgrens won Harry Szpilmann De Grand prix de poésie met zijn bundel La vie fragile (Le Taillis Pré).
Niet te missen
Geert Buelens, ‘Waermede hy zoo verre afstaet van de andere dieren’. Gezelle en de ecologie, toen en nu. (Verslagen & Mededelingen)
Flemish Review de la Poëzie is een tijdschrift voor literatuur in Vlaanderen en België. De redactie bestaat uit Benjamin De Roover, Ewoud Goethals, Hanna De Grave Loyson, Astrid Dewaele en Mathijs Tratsaert.
Wil je graag reageren of bijdragen? Contacteer ons via flemishreview@gmail.com. We verwelkomen reacties van lezers en zijn momenteel actief op zoek naar critici en essayisten.
Sinds januari 2026 worden we structureel ondersteund door Literatuur Vlaanderen. Danku Vlaamse Gemeenschap!






