Gespreksmaterialen
Dit gaat niet over het toetsenbord dat uit de prullenbak steekt.
Categorie: Functioneren
Datum: 18 april 2019
Achter mijn beeldscherm drink ik mijn eerste kop koffie van de dag en lees ik stiekem iets wat niets met mijn werk te maken heeft. Het is een interview met een industrieel vormgeefster die in psychotherapie ging en zo op het idee kwam om een gereedschapskist voor haar therapiesessies te maken. Een echte, fysieke gereedschapskist. Een koffertje met allerlei abstracte objecten die ze in haar handen kon houden, zodat ze beter uit haar woorden kon komen. Allerlei verschillende vormen, materialen en texturen, om een gevoel of een herinnering van alle kanten zorgvuldig mee te kunnen bekijken.
Zo te horen loopt er iemand door de gang. Snel klik ik het verhaal van de vormgeefster weg en zet ik mijn lege koffiekopje op mijn bureau. Maar er komt niemand de kamer binnen. Mijn hand gaat nog even terug naar het kopje en ik draai hem geluidloos een paar slagen in de rondte. Dik, blauw geglazuurd aardewerk.
Wat ik mijn collega’s vertel, wat mijn collega’s aan mij vertellen, ligt dat misschien aan de spullen die we op dat moment toevallig vasthouden? Een mok, een balpen, een paar vellen papier, nog warm uit de printer, of een boterham met kaas, bijvoorbeeld? Of dat toetsenbord dat ik bij binnenkomst uit een prullenbak zag steken?
Of dat ene losse brillenglas dat al twee weken op het aanrecht van het afdelingskeukentje ligt, tussen de vieze mokken? Als ik dat brillenglas door mijn handen zou laten gaan, zou ik dan wèl aan Eelko vragen wat er aan de hand is met zijn toegangspas? Hoe het komt dat de ogen op zijn foto daar helemaal wit weggekrast zijn? Er zitten alleen vettige vingerafdrukken op dat ene losse brillenglas, dus ik raak het niet aan.
Ik ga een vergadering in. Het is een virtuele vergadering, waarvoor ik mezelf even eenzaam op moet sluiten in een kale cel. Misschien komt het toch door het brillenglas dat ik nu merk dat ik tijdens een videogesprek geen oogcontact met de ander maak. Als ik naar zijn of haar gezicht op het scherm kijk, zijn mijn ogen niet op die van de ander gericht. Dat gebeurt pas als ik in de lens van mijn eigen camera kijk, maar dan zie ik weer het gezicht van die ander niet. Eigenlijk kijk ik nog het meest naar die kleine kopie van mezelf, rechtsonder in beeld. Om te controleren of ik er wel prettig en sympathiek uitzie.
Ik sluit het virtuele gesprek af, stap de cel uit en betreed weer de kantoortuin vol collega’s die niet doorhebben dat ik al de hele dag op sokken rondloop. Toegegeven, ik maak het ze ook wel een beetje moeilijk om daar iets van te zeggen, want mijn sokken hebben dezelfde donkergrijze kleur als de vloerbedekking.
Naast de koffieautomaat liggen altijd een paar breinbrekers op het lage kastenblok. Van die houten of ijzeren puzzeltjes, blokken of ringen die je uit elkaar moet halen of juist in elkaar moet schuiven. Vandaag ligt er een leeg boekje naast, geopend, met dikke bladzijden en een donker gestoffeerd omslag. Daar kunnen we condoleances in schrijven voor een man die vorige zomer hier gedetacheerd is geweest. Toen werkte ik hier nog niet. Niemand vertelt wat er met hem is gebeurd, al lijken sommige collega’s wel een beetje ontdaan.
Er is nog geen pen, dus ik haal er maar eentje. In een wat afwezig moment schrijf ik iets algemeens, waaronder een hoofdletter E met per ongeluk vier dwarsstrepen in plaats van drie. Ik blijf er even naar staren. Inmiddels werk ik bijna een jaar op dit kantoor, maar ik heb geen idee hoe het handschrift van mijn collega’s er eigenlijk uit ziet. Bijna niets hier is tastbaar.
Of toch wel? Ik mag dan geen industrieel vormgever zijn, maar ik kan wel een paar gevonden voorwerpen naast het boekje leggen. Misschien kunnen die dan helpen om de bladzijden te vullen. Een leeg drinkglas bijvoorbeeld. Een schuursponsje uit de keuken, en een vaatwastablet, zo eentje die is verpakt in een kussentje van oplosbaar folie. En een afgevallen blaadje van de vetplant op mijn bureau. Allemaal zo onopvallend mogelijk.


