Forsythia
Eén van de eerste struiken die bloeit in de lente, vlak naast het nu.
Categorie: Forenzen
Datum: 10 maart 2026
Het lijkt alsof ik de enige wachtende ben op de bushalte, maar er is ook nog een man met een boodschappentas vol lange takken. De man blijft op een afstandje. Hij loopt telkens een paar passen, zet de boodschappentas even neer op de stoep, pakt hem weer op en loopt dan een paar meter terug. Hij bestudeert aandachtig de dienstregeling op het haltebord, een handeling die ik in geen jaren meer heb zien gebeuren. Op je telefoon kun je de bussen tegenwoordig immers near real time volgen. Die van mij is er bijna, nog maar twee haltes verwijderd van de werkelijkheid van dit moment.
De man met de boodschappentas vol takken heeft een grijze baard en draagt een dikke, grof gebreide trui. Het is voorjaar, maar ‘s ochtends vroeg is het inderdaad nog koud. De takken in de tas staan ook nog niet in blad, maar zitten wel vol met gele bloemetjes. Hun felle kleur blijft in mijn ooghoeken hangen, waar de man ze ook neerzet. Het duurt even voor ik me herinner hoe die plant heet: forsythia. Eén van de eerste struiken die bloeit in de lente.
Normaal is het druk op deze halte. Het is de laatste opstapplaats in de buitenwijk, voordat de bus de snelweg opdraait, richting de kantoren, de universiteit en het academisch ziekenhuis in de volgende stad. De laatste tijd ben ik hier echter meestal alleen. Misschien zijn de eerstejaars van afgelopen herfst alweer met hun studie gestopt. Of zijn ze juist uit huis gegaan en hebben ze een eigen stek gevonden in de stad. Maar hoeft er dan niemand naar het ziekenhuis vandaag? Deze grijze man zou daar wel welkom zijn, met zijn uitbundige forsythia.
De bus is er, in de tegenwoordige tijd. Ik stap in. Er zijn zitplaatsen genoeg. Terwijl ik naar achteren loop, maakt een dame met kort, grijs haar heel even oogcontact met me. Ze ziet er wat verloren uit. Hopelijk gaat ze me geen vraag stellen waar ik geen antwoord op heb. Maar de vrouw wil alleen maar zien wie er achter mij de bus betreedt: de man met de tas vol forsythia. Hij groet haar en ze bloeit op.
De man gaat naast haar zitten. Ze praten zachtjes met elkaar. De forsythia krijgt een eigen stoel, aan de andere kant van het gangpad. Als de tas omvalt in een bocht, komt de man even van zijn plaats en helpt hij de takken voorzichtig weer overeind.
Het is nog ongeveer een kwartier rijden naar het kantoorgebouw waar ik werk. Ondertussen probeer ik niet te staren naar het grijze koppel in de stoelen voor me, en de knalgele forsythia. Het duurt even voor ik op een gedachte kom die me afleidt: dat kantoorgebouw is de meest constante plek in mijn leven. Vierentwintig jaar geleden kwam ik er voor het eerst binnen, als student met een bijbaantje. Inmiddels reis ik er al langer heen dan naar alle plekken waar ik ooit gewoond heb. Vanuit vier verschillende steden weet ik hoe ik daar moet komen. Onder dat systeemplafond, op die grauwe vloerbedekking, in dat kunstlicht.
Maar eerst is er nog de carpoolplaats langs de snelweg. Daar stapt de grijze vrouw ineens uit. De man blijft naast haar lege stoel zitten. Hij verplaatst zich niet naar de forsythia aan de andere kant van het gangpad.
De volgende halte is het ziekenhuis. De man blijft nog steeds zitten. Op deze lijn resteren nu nog twee haltes, allebei op het kantorenpark. De eerstvolgende is de mijne. De man blijft zitten. Ik zal nooit weten waar hij met de forsythia naartoe onderweg is. Ik stap uit en schat dat mijn leeftijd inmiddels wel dichter bij die van de man ligt dan bij die van de werkstudent die met mij mee het kantoorgebouw in loopt, onbestemd nog, zonder boodschappentassen met bloemen, vlak naast het nu.


